De Stormkaap.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Er zijn in de maanden, waarin een kwartaal begint, angstwekkende oogenblikken, gewoonlijk de 1ste en de 15de. Rodolphe, die deze beide data nooit zonder schrik zag naderen, noemde ze de „Stormkaap”. Dien dag opent niet Aurora de poorten van het Oosten, maar schuldeischers, huiseigenaars, deurwaarders en andere geldzakdragers staan buiten de deur. Die dag begint met een plasregen van aanmaningen, rekeningen en wissels en eindigt met een hagelbui van protesten, dies irae!
In den ochtend van zoo’n 15den April lag Rodolphe rustig te slapen .... en droomde, dat een van zijn ooms hem bij testament een geheele provincie van Peru had vermaakt .... met alle Peruaansche schoonen erin begrepen.
Terwijl hij daar midden in een imaginairen Pactolus rondzwom, kwam het geluid van een sleutel, die in het slot ronddraaide, den ingebeelden erfgenaam op het schitterendste oogenblik van zijn gouden droom storen.
Rodolphe ging rechtop in zijn bed zitten en keek slaapdronken om zich heen.
Hij zag toen vaag in het midden van zijn kamer een man staan, die pas binnengekomen was, .... en wat voor een man!
De matineuse vreemdeling had een driekanten hoed op, een lederen geldzak op zijn rug en een grooten portefeuille in zijn hand; hij had een grijzen linnen rok met staanden kraag aan en scheen buiten adem van het klimmen naar de vijfde verdieping. Zijn manier van optreden was zeer vriendelijk en minzaam en zijn gang was klankrijk als wanneer het kantoor van een bankier aan het wandelen zou gaan.
Rodolphe was een oogenblik angstig; hij meende, bij den aanblik van den driekanten hoed en den rok, een politie-agent voor zich te zien.
Maar het zien van den vrij goed gespekten geldzak genas hem van zijn dwaling.
„O, nu begrijp ik het,” dacht hij, „dat is een voorschot op mijn erfenis en die man komt van de Eilanden .... Maar waarom is hij dan geen neger?” Hij gaf den onbekende een wenk en zeide, op den geldzak wijzend:
„Ik weet wat het is. Leg hem daar maar neer. Dank je wel.”
De vreemdeling was een wissellooper van de Banque de France en hield, als antwoord op Rodolphe’s uitnoodiging, dezen een klein papiertje met veelkleurige teekens en cijfers onder den neus.
„U wilt een bewijs van ontvangst?” vroeg Rodolphe. „Ja, dat hoort zoo. Geef me maar even pen en inkt.”
„Neen, ik kom zelf wat ontvangen,” antwoordde de wissellooper; „een bedrag van honderdvijftig francs. Het is vandaag 15 April.”
„Ach zoo!” zeide Rodolphe, terwijl hij den wissel bekeek.... „Order Birmann, dat is mijn kleermaker .... Helaas!” voegde hij er droefgeestig aan toe, terwijl hij afwisselend naar de over het bed liggende overjas en naar den wissel keek, „de oorzaken verdwijnen, maar de gevolgen blijven. Wat, is het vandaag 15 April! Merkwaardig! Ik heb nog geen aardbeien gegeten!”
De wissellooper, wien dat gepraat begon te vervelen, ging weg en zeide tot Rodolphe: „U hebt tot vier uur tijd om te betalen!”
„Voor eerlijke menschen is er geen uur,” antwoordde Rodolphe. „De intrigant”, voegde hij er woedend aan toe, terwijl hij met zijn blikken den financier met zijn driekanten hoed volgde; „hij neemt zijn geldzak weer mee.”
Rodolphe trok de gordijnen van zijn bed dicht en trachtte weer den weg van zijn erfenis terug te vinden; maar hij vergiste zich in de richting en kwam trotsch en wel terecht in een droom, waarin de directeur van het Théâtre-Français hem heel nederig een drama voor zijn schouwburg kwam vragen en Rodolphe, met de gebruiken bekend, een voorschot vroeg. Maar juist op het oogenblik, dat de directeur door den zuren appel scheen te willen bijten, werd de slaper opnieuw half wakker gemaakt door het binnenkomen van een tweeden persoon, een nieuw creatuur van den 15den April.
Het was mijnheer Benoît, de eigenaar van het hotel garni, waarin Rodolphe woonde; mijnheer Benoît was tegelijkertijd de huisheer, de schoenmaker en woekeraar voor zijn huurders; dien ochtend rook mijnheer Benoît sterk naar slechten brandewijn en vervallen rekeningen. Ook hij had een ledigen zak in zijn hand.
„Duivels!” dacht Rodolphe; „dat is de directeur van het Théâtre-Français niet .... die zou een witte das dragen .... en zijn geldzak zou gevuld zijn!”
„Morgen, mijnheer Rodolphe,” zeide mijnheer Benoît, op het bed toetredend.
„Mijnheer Benoît .... bonjour! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek?”
„Ach, ik wilde u komen zeggen, dat het vandaag 15 April is!”
„Nu al? Wat gaat de tijd toch gauw! Het is ongelooflijk. Ik zal een nanking-broek moeten koopen. 15 April. Lieve Hemel, zonder u, mijnheer Benoît zou ik er nooit aan gedacht hebben. Wat een dank ben ik u verschuldigd!”
„U bent me ook honderd twee-en-zestig francs schuldig,” viel mijnheer Benoît hem in de rede. „En het wordt tijd, dat wij die kleine rekening eens in orde maken!”
„Ik heb absoluut geen haast, mijnheer Benoît .... Ik wil u graag tijd geven .... Die kleine rekening zal nog wel grooter worden ....”
„Maar u hebt mij al zoo dikwijls uitgesteld,” merkte de huisheer op.
„Nu, dan zullen we de zaak in orde maken, mijnheer Benoît, het is mij precies hetzelfde, vandaag of morgen ... En bovendien zijn we allen sterfelijk .... Laten we dus de zaak in orde maken ....”
Een beminlijke glimlach speelde bij die woorden over het gerimpelde gelaat van mijnheer Benoît; en zelfs zijn geldzak blies zich tot hoopvolle verwachting op.
„Wat ben ik u schuldig?” vroeg Rodolphe.
„In de eerste plaats een kwartaal huur tegen vijf-en-twintig francs per maand, dat maakt vijf-en-zeventig francs.”
„Vergissingen buitengesloten,” zeide Rodolphe. „En verder?”
„Verder drie paar schoenen à twintig francs.”
„Een oogenblikje, mijnheer Benoît, een oogenblikje; laten we de zaken niet verwarren; ik heb nu niet meer te doen met den huisheer, maar met den laarzenmaker ... ik verlang daarvoor een afzonderlijke rekening. Cijfers zijn ernstige dingen, daarbij moet je geen abuizen maken.”
„Voor mijn part,” zeide mijnheer Benoît, zacht gestemd door de hoop, dat hij eindelijk het woord: Voldaan onder de rekening zou kunnen zetten. „Hier is een afzonderlijke nota voor het schoeisel. Drie paar schoenen à twintig francs, maakt zestig francs.”
Rodolphe wierp een medelijdenden blik op een paar afgeloopen schoenen.
„Helaas!” dacht hij, „wanneer de Wandelende Jood ze gedragen had, zouden ze in geen deerniswaardiger toestand kunnen zijn. En toch zijn ze door het naloopen van Marie zoo versleten .... Ga verder, mijnheer Benoît.”
„Ik zeide dus zestig francs,” herhaalde deze. „Verder geleend zeven-en-twintig francs.”
„Wacht even, mijnheer Benoît. We hebben afgesproken, dat iedere heilige zijn eigen nis zou krijgen. U hebt mij dat geld geleend als vriend. Laten wij dus het gebied van het schoeisel verlaten en die van het vertrouwen en van de vriendschap, welke een afzonderlijke rekening vereischen, betreden. Hoe hoog loopt uw vriendschap voor mij?”
„Zeven-en-twintig francs.”
„Zeven-en-twintig francs. Dan hebt u een vriend voor een koopje, mijnheer Benoît. Enfin, laten we eens optellen: Vijf-en-zeventig, zestig en zeven-en-twintig ... Dat is samen?”
„Honderd twee-en-zestig francs,” zeide mijnheer Benoît en presenteerde tegelijk de drie nota’s.
„Honderd twee-en-zestig francs,” zeide Rodolphe .... „dat is merkwaardig. Wat is optellen toch een mooie kunst. Welnu, mijnheer Benoît, nu de rekening in orde gebracht is, kunnen we beiden gerust zijn en weten we waar we ons aan te houden hebben. De volgende maand zal ik u vragen de rekening voor Voldaan te teekenen, en daar in dien tijd het vertrouwen en de vriendschap, die gij voor mij koestert, slechts grooter kunnen worden, zult u mij voor het geval, dat dit noodig mocht zijn, opnieuw uitstel willen geven. Inmiddels zou ik, wanneer de huisheer en de laarzenmaker al te veel op betaling aandringen, den vriend vragen hen tot rede te brengen. Het is merkwaardig, mijnheer Benoît, maar telkens als ik aan uw drievoudige qualiteit van huisheer, laarzenmaker en vriend denk, voel ik de neiging in mij opkomen aan de Drieëenheid te gelooven.”
Terwijl Rodolphe sprak, was de huisheer tegelijk rood, groen, geel en wit geworden, en bij iedere nieuwe spotternij van zijn huurder nam deze regenboog der woede op zijn gelaat een meer intensieve kleur aan.
„Mijnheer,” antwoordde hij ten slotte, „ik houd er niet van voor den gek gehouden te worden. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik zeg u de kamer op en indien u mij vanavond het geld niet geeft .... zal ik zien wat mij te doen staat ....”
„Geld! Geld! Vraag ik van u geld?” zeide Rodolphe. „En bovendien, zelfs al had ik het, dan zou ik het u niet geven .... het is vandaag Vrijdag, en dat brengt ongeluk aan ....”
De woede van mijnheer Benoît wakkerde aan tot een orkaan; en indien de meubelen niet zijn eigendom geweest waren, zou hij ongetwijfeld de pooten van een fauteuil stuk geslagen hebben.
In plaats daarvan ging hij, bedreigingen mompelend, weg.
„U vergeet uw geldzak!” riep Rodolphe hem achterna.
„Wat een baantje!” mompelde de jonge man, toen hij alleen was. „Ik zou nog liever leeuwentemmer zijn.”
„Maar,” ging Rodolphe voort, terwijl hij uit zijn bed sprong en zich vlug aankleedde, „hier kan ik niet blijven. De invasie der geallieerden zal hiermede nog wel niet geëindigd zijn. Ik moet vluchten, moet zelfs ontbijten. Wacht, als ik eens naar Schaunard ging. Ik kan bij hem eten en hem een paar sous te leen vragen. Honderd francs zullen voldoende voor mij zijn.... Naar Schaunard dus....”
Terwijl hij de trap afging, kwam hij mijnheer Benoît tegen, die bij zijn andere huurders nieuwe échecs geleden had, wat zijn ledige geldzak, in deze omstandigheden een luxevoorwerp, duidelijk aantoonde.
„Wanneer iemand naar me vraagt, moet u maar zeggen, dat ik buiten ben ... in de Alpen of zoo ....” zeide Rodolphe. „Of nog beter, dat ik hier niet meer woon.”
„Dan zeg ik tenminste de waarheid,” bromde mijnheer Benoît, terwijl hij aan zijn woorden een bijzonderen nadruk gaf.
Schaunard woonde in Montmartre. Dus moest Rodolphe heel Parijs door. Die wandeling was voor Rodolphe allergevaarlijkst.
„Vandaag,” zeide hij tot zichzelf, „zijn de straten met schuldeischers geplaveid.”
Na verloop van twee uur kwam hij eindelijk bij Schaunard aan.
„Zoo, ben jij het?” zeide deze.
„Ja, ik kom vragen, of ik bij je dejeuneeren mag.”
„O je, dat treft slecht; ik heb zoo juist bezoek gehad van mijn maîtresse, die ik in geen veertien daag gezien had; als je tien minuten eerder was gekomen ....”
„Maar heb je dan niet een honderd francs voor me te leen?” viel Rodolphe hem in de rede.
„Wat?” antwoordde Schaunard vol verbazing; „kom jij me ook al geld vragen? Schaar je je bij mijn vijanden?”
„Ik zal ze je Maandag teruggeven.”
„Of met St. Juttemis. Maar ben je dan vergeten, mijn waarde, welke dag het vandaag is. Ik kan je onmogelijk helpen. Maar je behoeft niet te wanhopen, de dag is nog niet om. Je kunt de Voorzienigheid nog tegenkomen, die staat nooit vòòr twaalven op.”
„Lieve Hemel!” zeide Rodolphe; „de Voorzienigheid heeft het veel te druk met de vogeltjes. Ik zal liever maar naar Marcel gaan.”
Marcel woonde toentertijd in de rue de Bréda. Rodolphe vond hem in een gedrukte stemming zitten voor zijn groot doek, dat den doortocht door de Roode Zee moest voorstellen.
„Wat scheelt eraan?” vroeg Rodolphe bij zijn binnenkomen, „je ziet er zoo in-bedroefd uit.”
„Ach God!” zeide de dichter; „ik leef nu al veertien dagen in de Stille Week.”
Voor Rodolphe was dit allegorische antwoord zoo helder als bronwater.
„Gezouten haring en ramenas! Dat ken ik!”
Inderdaad voelde Rodolphe nog altijd een zouten smaak in zijn mond, wanneer hij dacht aan den tijd, dat hij tot het exclusieve gebruik van die visschen gedoemd was.
„Alle duivels!” zeide hij, „dat is ernstig! Ik kwam je juist honderd francs vragen.”
„Ik heb helaas heelemaal niets gebruikt!” zuchtte Rodolphe.
En hij liet zijn vriend aan het strand der Roode Zee achter.
Van twaalf tot vier uur zocht Rodolphe al zijn kennissen op; hij doorliep de acht-en-veertig stadsdeelen en legde, doch zonder eenig succes, acht mijlen af. De invloed van den 15den April deed zich overal met dezelfde strengheid gelden; intusschen naderde het uur van het diner. Maar het leek er niet veel op, dat het diner met het uur naderde. Rodolphe had een gevoel, alsof hij op het vlot der Medusa was.
Toen hij den Pont Neuf over ging, viel hem plotseling iets in:
„O, o!” zeide hij tot zichzelf, terwijl hij rechtsomkeert maakte, 15 April, 15 April .... maar ik heb een uitnoodiging voor vandaag om te dineeren.”
Hij zocht in zijn zakken en vond er een gedrukt billet van den volgenden inhoud:
Barrière de la Villette
In den grooten Overwinnaar.
Salon voor drie honderd couverts
Jaarlijksch Banket Ter eere van de Geboorte van den Messias der Menschheid op 15 April 184...
Geldig voor één persoon.
N.B. Men heeft slechts recht op een halve flesch wijn.
„Ik deel weliswaar de meeningen der discipelen van den Messias niet,” zeide Rodolphe tot zichzelf, „maar ik wil met genoegen hun voedsel deelen.” En met de snelheid van een vogel verslond hij den afstand, die hem van de barrière de la Villette scheidde.
Toen hij in de salons van den Grooten Overwinnaar kwam, was er een ontzaglijke menigte bijeen .... De salon voor driehonderd couverts bevatte vijfhonderd personen. Een uitgestrekte horizont van kalfsvleesch met peen doemde op voor Rodolphe’s blik.
Eindelijk begon men de soep op te doen.
Juist toen de gasten den lepel naar hun mond brachten, deden plotseling vijf of zes personen in burgerkleeding met verscheidene agenten en een commissaris van politie een inval in de zaal.
„Mijne heeren!” zeide de commissaris, „op hoog bevel mag dit banket niet plaats hebben. Ik verzoek u dit lokaal te verlaten.”
„O, o!” zuchtte Rodolphe, terwijl hij met de anderen de zaal verliet: „het noodlot heeft mijn bord soep omgegooid!”
Droefgeestig gestemd ging hij weer op weg naar zijn kamer, waar hij om elf uur aankwam.
Mijnheer Benoît wachtte hem op.
„O, bent u het?” zeide de huiseigenaar. „Hebt u gedacht aan wat ik u van ochtend gezegd heb? Brengt u geld mede?”
„Ik moet het vannacht krijgen en zal het u dan morgenochtend geven,” antwoordde Rodolphe, terwijl hij in het hokje naar zijn sleutel en zijn kandelaar zocht. Hij vond geen van beide.
„Mijnheer Rodolphe,” zeide mijnheer Benoît, „het spijt me erg, maar ik heb uw kamer verhuurd; en een andere heb ik niet disponibel, u moet ergens anders een onderkomen zien te vinden.”
Rodolphe was voor geen klein geruchtje vervaard en een nacht onder den blooten hemel had voor hem niets verschrikkelijks. Bovendien kon hij bij slecht weer in een loge d’avant-scène van den Odéon overnachten, wat hem al meermalen overkomen was. Hij eischte echter eerst van mijnheer Benoît zijn „dingen” op, die uit een berg papieren bestonden.
„Volkomen juist,” zeide de huisheer; „ik heb niet het recht u die zaken af te nemen—zij liggen nog boven in de secretaire. Ga maar even mee; indien de persoon, die uw kamer gehuurd heeft, nog niet slaapt, kunnen we wel even binnen gaan.”
In den loop van den dag was de kamer verhuurd aan een jong meisje, Mimi, met wie Rodolphe indertijd een liefdes-duo begonnen was.
Zij herkenden elkaar dadelijk. Rodolphe fluisterde Mimi iets in het oor en drukte haar zacht de hand.
„Kijk eens hoe het regent!” zeide hij, terwijl hij haar opmerkzaam maakte op het onweer, dat juist losgebarsten was.
Mademoiselle Mimi liep regelrecht naar mijnheer Benoît, die in een hoek van de kamer stond te wachten, en zeide tegen hem, terwijl zij op Rodolphe wees:
„Mijnheer, mijnheer hier is degene, dien ik vanavond verwachtte .... Ik ben voor niemand verder thuis.”
„Zoo,” zeide mijnheer Benoît met den lach van een boer, die kiespijn heeft. „Het is goed!”
Terwijl Mimi inderhaast een geïmproviseerd souper klaarzette, sloeg het middernacht.
„God zij dank!” zeide Rodolphe, „15 April is voorbij en de Stormkaap is gelukkig omzeild. Lieve Mimi,” en hij sloot het mooie meisje in zijn armen en drukte haar een kus in haar hals; „ik wist vooruit, dat je het niet over je hart zou verkrijgen mij de deur uit te laten zetten. Jij bezit den gastvrijheidsknobbel!”