← Table of contents
Kunstenaarsleven te Parijs

De witte viooltjes.

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier wees twaalf graden onder nul.

Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle, die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed, hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen, haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt, dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik vergeefs in haar de teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan, waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen.

Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging hij dansend en zingend naar zijn „St. Bernard” terug. Zoo noemde hij zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost, de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage; uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren.

„Alle duivels!” zeide Rodolphe; „tien francs, en nog maar acht dagen tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée.”

We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère, waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië gegeven had.

Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had, geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde den geheelen nacht van witte viooltjes.

Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp.

Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die met het opschrift:

”Ik wacht u, geliefde vrouw”

geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man had laten oprichten.

Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw opschrift, luidende:

”Eindelijk heeft God ons vereenigd”

„Ik zal die beschikking in mijn testament zetten,” zeide de weduwe, „met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast zult worden.”

„In dat geval, mevrouw,” antwoordde de artist, „neem ik den prijs, die u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet niet mij in uw testament te zetten.”

„Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was,” zeide de weduwe; „maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand.”

„Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust,” zeide Marcel, terwijl hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om.

„O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft, vermeld worden. Staat dat voornaam?”

„Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel voornaam.”

„Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar die is zoo peperduur.”

Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk begreep.

„Mevrouw,” zeide de schilder en wees op Rodolphe, „een gelukkig toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden.”

„Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn,” zeide de weduwe, „en dat er geen spelfouten in voor komen.”

„Mevrouw,” antwoordde Marcel, „mijn vriend kent de orthographie op zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen.”

„Zoo,” zeide de weduwe; „mijn neefje heeft laatst ook een prijs gekregen; en hij is toch pas zeven jaar.”

„Een zeer voorspoedig kind, mevrouw,” was Marcels antwoord.

„Maar,” drong de weduwe aan, „kan mijnheer ook treurige verzen maken?”

„Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten de couranten hem zelfs wel eens.”

„Wat?” riep de weduwe uit, „wordt er over hem in de couranten geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de openbare schrijver!”

„O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen berouw over hebben.”

Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen, dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling van zijn vriend te zullen doen toekomen.

„O goede fee Artemisia,” riep Rodolphe uit, toen de weduwe weg was, „ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!”

„Daar kom ik tegen op!” riep Marcel uit.

„Dat is waar ook!” zeide Rodolphe; „ik zou bijna vergeten, dat je na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo’n lang leven je dat geld dus zou doen verliezen.” En zijn handen ten hemel heffend, bad hij: „O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè,” voegde hij er aan toe, „dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben.”

„Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?” vroeg Marcel.

„Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat, wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum.”

„Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt het eerste gegeven.”

„Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna zeggen, onmisbaar.”

„Daar heb je de pels,” zeide Marcel. „Het denkbeeld is niet kwaad, het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een brood in een oven.”

Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen.

„Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden,” zeide hij.

„Wil je in dat costuum de straat op?” zeide Marcel tot zijn vriend, toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt.

„Ik heb maling aan de heele wereld,” zeide Rodolphe; „en bovendien begint vandaag het carnaval.”

En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een langen neus tegen.

Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat, al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en lieten de pen vallen.

„Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op,” zeide Rodolphe, die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. „Caesar heeft wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit kunnen komen.”

Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton.

Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren te voorschijn, waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen.

„Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden,” riep hij uit .... „je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou, dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten.”

En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van zijn epitaphium gereed.

Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen schilderen, toen zij vuur in de haard zagen.

„Dat is gezichtsbedrog,” blies de Noordenwind, die vroolijk in de berenharen van Rodolphe speelde.

„Als we eens in den schoorsteen gingen blazen,” antwoordde een andere wind, „dan zou de haard heerlijk gaan rooken.”

Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier winden dreigde.

Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: „Laten we maken, dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan; wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf uur niet thuis zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven.”

Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven.

„Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was,” mompelde Rodolphe; „maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn.”

De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe nog een strophe van zes regels te schrijven had.

„En nu het vierde bedrijf,” zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur gloeide. „Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog.”

Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een prachtvolle lyrische ontboezeming samen.

„Er blijft nog genoeg over voor een tweede opvoering,” zeide hij, terwijl hij de overgebleven manuscripten weer onder het bed schoof.

Den volgenden avond om acht uur deed mademoiselle Angèle haar intrede in de balzaal met een prachtigen bouquet witte viooltjes, in het midden waarvan twee pas-ontloken witte rozen prijkten. Den geheelen avond kreeg zij om dien bouquet complimentjes van de dames en galante vleierijen van de heeren te hooren. Angèle was haar neef, die haar al die kleine voldoeningen van haar eigenliefde verschaft had, dan ook wel eenigermate dankbaar, en misschien zou zij, wanneer een bloedverwant der bruid, met wien zij verscheidene malen gedanst had, niet steeds om haar heen gedraaid had, nog meer aan hem gedacht hebben. Dat familielid was een jonge blonde man met een prachtige, kurkentrekkerachtig opgedraaide snor, de echte angel, waaraan onervaren jonge meisjesharten blijven hangen. De jonge man had Angèle reeds gevraagd om de twee witte rozen, die alleen nog waren overgebleven van den bouquet, waarvan iedereen een viooltje geplukt had .... Maar Angèle had geweigerd, doch alleen om ze tegen het einde van het bal te lagen liggen op een stoeltje, waarvan de blonde jongeling ze onmiddellijk ging weghalen.

Op dat oogenblik vroor het veertien graden in den belvédère van Rodolphe, die, geleund voor zijn venster, in de richting van de barrière du Maine keek naar de lichten van de balzaal, waar Angèle danste, die hem niet uit kon staan.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings