Donec gratus.....
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
„Dat is een heel ernstige zaak,” zeide Marcel. „Hoe zijn we zoover gekomen?”
„O,” antwoordde Musette, „we zijn onoplettend geweest, we hebben niet genoeg voorzorgsmaatregelen genomen.”
„Wat is er aan het handje?” vroeg Rodolphe, die naast Marcel was komen wonen, toen hij de kamer binnenkwam.
„Wel,” antwoordde de schilder en wees daarbij op Musette, „mademoiselle en ik zijn daar zooeven tot een prachtige ontdekking gekomen. Wij zijn verliefd op elkaar. Dat is zeker in den slaap gekomen.”
„Oho, in den slaap, neen, dat geloof ik zoo gauw niet. Maar waar is het bewijs, dat jullie van elkaar houdt? Je overdrijft misschien het gevaar.”
„Voor den duivel!” riep Marcel uit, „we kunnen elkaar niet uitstaan.”
„En kunnen niet buiten elkaar,” voegde Musette eraan toe.
„Dan is de zaak zoo duidelijk mogelijk, kinderen. Jullie hebt allebei heel mooi willen spelen en je hebt allebei verloren. Het is precies mijn geschiedenis met Mimi. Bijna twee jaar lang hebben we nu al van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat ruzie. Met dat systeem laat je de huwlijken eeuwig duren. Vereenigt een Ja met een Neen en je krijgt een verbintenis à la Philemon en Baucis. Jullie huishouden zal een pendant van het mijne worden; en wanneer Schaunard en Phémie bij hun dreigement blijven en bij ons komen wonen, dan kan ons trio het hier in huis erg gezellig maken.”
Op dat oogenblik kwam Gustave Colline binnen. Ze vertelden hem het ongeluk, dat Musette en Marcel overkomen was.
„Nou, philosoof,” vroeg deze, „wat denk jij ervan?”
Colline krabbelde op de haren van zijn hoed, die hem als dak diende, en bromde:
„Dat heb ik van te voren wel zien aankomen. De liefde is een hazardspel. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is niet goed, dat de mensch alleen zij.”
Toen Rodolphe ’s avonds bij Mimi kwam, waren zijn eerste woorden:
„Ik heb nieuws. Musette is dol op Marcel en wil niet van hem vandaan.”
„Arme meid!” zeide Mimi. „Zij had zoo’n gezonde eetlust.”
„En van zijn kant is Marcel smoor op Musette. Zijn liefde is zes-en-dertig karaat, zooals die intrigant van een Colline zou zeggen.”
„Arme jongen,” vond Mimi; „hij is zoo jaloersch!”
„Dat is zoo,” zeide Rodolphe; „hij en ik zijn leerlingen van Othello.”
Eenigen tijd later kwamen werkelijk Schaunard en Phémie Klad in hetzelfde huis als Rodolphe en Marcel wonen.
Van af dien dag sliepen alle andere bewoners op een vulkaan en zegden na afloop van het kwartaal gezamenlijk de huur op.
Inderdaad ging er bijna geen dag voorbij of er barstte in één van de huishoudens een onweer los. Nu eens waren het Mimi en Rodolphe, die, wanneer hun de krachten om te schreeuwen begonnen te ontbreken, elkaar hun meening duidelijk maakten door elkander de eerste de beste projectielen, die ze in handen kregen, naar het hoofd te slingeren. Dan weer, en dat gebeurde het meest, maakte Schaunard met het einde van zijn wandelstok eenige aanmerkingen op de melancholieke Phémie. Marcel en Musette echter hielden hun beraadslagingen met gesloten deuren; zij waren tenminste zoo voorzichtig de deuren en ramen dicht te doen.
Wanneer er toevallig eens vrede heerschte in de drie huishoudens, dan waren de andere huurders wederom het slachtoffer van die tijdelijke eensgezindheid. De indiscretie der tusschenmuren verried hun al de geheimen der bohème-families en wijdde hen tegen hun wil in al hun mysteriën in. Meer dan een buurman verkoos dan ook den casus belli boven de ratificatiën der vredes-verdragen.
Het bestaan, dat onze vrienden gedurende zes maanden leidden, was, eerlijk gezegd, al heel buitengewoon. De meest oprechte broederschap heerschte, zonder eenige mooidoenerij, in den vriendenkring, waarin alles aan allen behoorde, en, al naar het viel, geluk of ongeluk trouw gedeeld werd.
Er waren in iedere maand enkele gala-dagen, dagen, waarop ze voor geen geld van de wereld zich zonder handschoenen op straat vertoond zouden hebben, dagen van uitgelatenheid, waarop ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aten. Er waren echter ook andere dagen, waarop ze bijna zonder schoenen naar beneden gegaan zouden zijn, vastendagen, waarop ze, na niet gemeenschappelijk ontbeten te hebben, ook niet samen dineerden of hoogstens ertoe kwamen met behulp van oeconomische combinaties een van die maaltijden te ensceneeren, waarbij borden en lepels en vorken „geen rol speelden”, zooals Mimi dat noemde.
Doch wonderlijk genoeg ontstond er in dien kring, waartoe toch drie jonge, knappe vrouwen behoorden, tusschen de mannen niet de geringste oneenigheid; zij knielden dikwijls neer voor de minste luim van hun maîtresse, maar geen van drieën zou ook maar één oogenblik geaarzeld hebben tusschen de vrouw en den vriend.
Liefde ontstaat vooral uit eigen beweging: zij is als het ware een improvisatie. Vriendschap daarentegen bouwt zich om zoo te zeggen op; zij is een gevoel, dat met omzichtigheid en bedachtzaamheid rondtast; zij is het egoïsme van den geest, terwijl de liefde het egoïsme der ziel is.
Zes jaar lang kenden onze bohémiens elkaar nu al. Dit lange tijdsverloop, waarin zij dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden, had, zonder de scherp omlijnde individualiteit van ieder afzonderlijk afbreuk te doen, een overeenstemming van ideeën, een geheel geschapen, dat zij elders niet gevonden zouden hebben. Zij hadden hun eigen zeden en gewoonten en een bijzondere taal, waarvan een vreemde den sleutel niet gevonden zou hebben. Wie hen niet van dichtbij kende, noemde hun vrije manier van optreden cynisme. En toch was het niets anders dan zich geven zooals zij waren. Als uitgesproken vijanden van iederen dwang, haatten zij alles wat onwaar, verachtten zij alles wat laag en gemeen was. Wanneer men hen van zelfoverschatting beschuldigde, antwoordden zij met een openhartige uiteenzetting van hun eerzucht, en in het bewustzijn van hun eigen waarde misbruikten zij hun eigen Ik niet.
Hoewel zij gedurende de vele jaren van hun gemeenschappelijk leven en streven dikwijls door den nood gedwongen werden met elkaar te wedijveren, hadden zij nooit den vriendschapsband verbroken en, zonder er bepaald moeite voor behoeven te doen, den gevaarlijken klip van eigenliefde en ijdelheid weten te omzeilen, telkens wanneer anderen die in hen hadden trachten op te wekken, om oneenigheid tusschen hen te zaaien. Zij schatten elkaar op hun juiste waarde; en de trots, het beste tegengif tegen de ijverzucht, bewaarde hen voor alle kleinzielige beroepsjaloezie.
Doch na zes maanden gemeenschappelijk samenleven brak er plotseling onder de bohémiens een echtscheidings-epidemie uit.
Schaunard opende de rij. Op een goeden dag merkte hij, dat de eene knie van Phémie Klad beter gebouwd was dan de andere, en daar hij op het gebied der plastiek het strengste purisme huldigde, zond hij Phémie weg en gaf haar als souvenir den wandelstok, waarmede hij haar zoo dikwijls opmerkingen gemaakt had. Hij zelf ging inwonen bij een bloedverwant, bij wien hij gratis onderdak kreeg.
Veertien dagen later verliet Mimi Rodolphe, om plaats te nemen in de equipage van den jongen vicomte Paul, den vroegeren leerling van Barbemuche, die haar geelzijden japonnen beloofd had.
Na Mimi verdween Musette, om op opzienbarende wijze terug te keeren in de aristocratie der galante wereld, die zij verlaten had, om Marcel te volgen.
Deze scheiding geschiedde zonder twist, zonder strijd, zonder voorbedachten rade. Geboren uit een luim, die liefde geworden was, werd deze liaison door een andere luim weer verbroken.
Op een carnavalsavond had Musette op het gemaskerde bal in de Opera, waarheen zij met Marcel gegaan was, in een contredans als vis-à-vis een jongen man, die haar vroeger het hof gemaakt had. Zij herkenden elkaar en wisselden onder het dansen enkele woorden. Misschien zonder het te willen liet Musette, toen zij den jongen man van haar tegenwoordige levenswijze op de hoogte bracht, eenige spijt over het verleden doorschemeren. Doch hoe dit zij, aan het einde der quadrille vergiste Musette zich en nam, in plaats van Marcel, die haar cavalier was, de hand te geven, die van haar vis-à-vis, welke haar meetrok en met haar in het gewoel verdween.
Marcel, die vrij ongerust was, zocht haar. Na een uur zag hij haar aan den arm van den jongen man en een van haar lievelingsliedjes zingend, uit het café van de Opera komen. Toen zij Marcel, die met zijn armen over elkaar in een hoek stond, zag, wierp zij hem een afscheidsgroet toe en zeide:
„Ik kom terug.”
„Dat wil zeggen: wacht niet op mij!” vertaalde Marcel. Hij was jaloersch, maar logisch en kende Musette; hij wachtte dan ook niet langer, doch keerde met een vol hart en een leege maag naar huis terug. Hij keek in de kast, of er niet een paar kliekjes over waren: hij vond een stuk brood, zoo hard als graniet, en het skelet van een haring in het zuur.
„Tegen truffels kon ik niet op,” dacht hij. „Enfin, Musette zal tenminste goed gesoupeerd hebben.” En nadat hij, onder voorwendsel zijn neus te moeten snuiten, een punt van zijn zakdoek tegen zijn oogen gedrukt had, ging hij naar bed.
Twee dagen later werd Musette in een in rose tinten gehouden boudoir wakker. Voor de deur wachtte een blauwe equipage, en alle feeën der mode, die tot haar dienst gerequireerd waren, legden haar wonderwerken aan haar voeten. Musette zag er uit om te stelen, en haar jeugd scheen in dezen eleganten lijst nog jonger te worden. Zij begon nu haar oude leven weer, nam deel aan alle feesten en heroverde weer spoedig haar vroegere beroemdheid. Overal werd over haar gesproken: op de beurs zoowel als in de koffiekamer van het Parlement. Haar nieuwe minnaar, mijnheer Alexis, was een charmante jonge man. Dikwijls beklaagde hij zich tegenover Musette, dat hij haar wat lichtzinnig en onverschillig vond, wanneer hij over zijn liefde met haar sprak; dan keek Musette hem glimlachend aan, gaf hem haar hand en zeide:
„Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? Ik heb zes maanden lang geleefd met een jongen man, die me voedde met salade en waterachtige soep, me in het katoen gekleed liet gaan en me veel meenam naar het Odéon, omdat hij niet rijk was. Daar de liefde niets kost en ik gewoonweg gek op dat monster was, hebben we heel wat liefde verbruikt. Er zijn alleen nog maar wat kruimels over. Raap die op, ik zal je dat niet beletten. Ik heb je trouwens van te voren alles opgebiecht; en als de linten en strikjes niet zoo duur waren, zou ik nu nog bij mijn schilder zijn. En wat mijn hart betreft, ik hoor het, sedert ik een corset van tachtig francs draag, bijna niet meer kloppen, en ik ben erg bang, dat ik het in een van de laden van Marcel heb laten liggen.”
Het verdwijnen der drie Bohème-huishoudens gaf aanleiding tot een groot feest in het huis, dat zij bewoond hadden. Als vreugdebetoon gaf de eigenaar een grootsch diner en illumineerden de huurders hun ramen.
Rodolphe en Marcel waren samen gaan wonen. Beiden hadden zij een idool gevormd, waarvan zij den naam niet goed wisten. Tusschenbeide gebeurde het, dat de een over Musette en de ander over Mimi sprak; dan hadden zij stof genoeg voor den geheelen avond. Zij haalden hun vroeger leven weer op en de liederen van Musette en de liederen van Mimi, en de slapelooze nachten en de verslapen ochtenduren en de in droomen genoten diners. Een voor een lieten zij in hun duo’s van herinneringen al die vervlogen uren aan hun geest voorbijgaan; en zij eindigden gewoonlijk hun tweegesprek met te zeggen, dat zij per slot van rekening nog gelukkig waren, daar zij gezellig samen met hun voeten op het haardkleedje zaten, het houtvuur konden oppoken en hun pijp rooken en zij elkander hadden, om al die dingen hardop te zeggen, welke zij tot zichzelf zeiden, als zij alleen waren: n.l. dat zij van die schepseltjes, die bij haar verdwijning een stuk van hun jeugd hadden medegenomen, veel gehouden hadden en dat zij ze misschien nog lief hadden.
Toen op een goeden avond Marcel den boulevard overstak, zag hij op enkele passen voor zich een jonge dame, die bij het uit haar rijtuig stappen een witten kous liet zien, welke een buitengewoon zuiveren vorm van het been verried; de koetsier zelf verslond de bekoorlijke „fooi” met zijn oogen.
„Bliksems,” dacht Marcel, „een alleraardigste kuit! Ik heb waarachtig zin haar mijn arm aan te bieden; laat eens kijken .... op welke manier zal ik haar het best aanspreken!.... Daar heb ik een idee.... Iets heel nieuws!”
„Pardon, mevrouw,” zeide hij, terwijl hij naar de onbekende, wier gezicht hij niet dadelijk zien kon, toe ging; „u hebt bij toeval mijn zakdoek niet gevonden?”
„Zeker, mijnheer,” antwoordde zij; „als het u blieft.”
En zij gaf Marcel een zakdoek, die zij in haar hand hield.
De schilder rolde bij die woorden in een afgrond van verbazing.
Maar een luid gelach, waarvan hij plotseling de volle laag in het gelaat kreeg, deed hem weer tot zichzelf komen; aan die vreugdefanfare herkende hij zijn oude liefde.
Het was mademoiselle Musette.
„Zoo, zoo!” riep zij uit; „mijnheer Marcel op jacht naar galante avontuurtjes. Hoe vindt je dit, zeg? Vroolijk is het zeker.”
„Ik vind het tamelijk,” was zijn antwoord.
„Wat doe je zoo laat in dit stadsdeel?” vroeg Musette.
„Ik ga naar dit gebouw,” lichtte hij haar in en wees naar een kleinen schouwburg, waar hij vrijen toegang had.
„Uit liefde voor de kunst?”
„Neen uit liefde voor Laure.”
„Wie is Laure?” vroeg Musette, wier oogen vraagteekens schoten.
Marcel ging op zijn flauwe aardigheid door.
„Dat is een chimère, die ik najaag en die binnen deze kleine muren ingénue-rollen speelt.”
En hij verfrommelde met zijn hand een imaginairen boezem.
„U bent vanavond wel geestig,” zeide Musette.
„En u nieuwsgierig!”
„Praat toch wat zachter, iedereen hoort ons, ze zullen ons nog voor een verliefd paar, dat ruzie heeft, aanzien.”
„Het zou de eerste keer niet zijn, dat zoo iets ons overkwam!” zeide Marcel.
Musette zag in die woorden een uitdaging en antwoordde vlug:
„En misschien de laatste keer ook niet, wel?”
De vraag was duidelijk, zij klonk Marcel als het fluiten van een kogel in het oor.
„Gij schitterende hemellichten,” riep hij, opkijkend naar de sterren; „gij zijt getuigen, dat ik niet het eerste schot gelost heb. Vlug mijn pantser.”
Van dat oogenblik af was het vuur geopend.
Het eenige noodige was nu nog maar, om een verbindingsstreepje te vinden, ten einde deze twee grillen, welke plotseling weer met zulk een gloed ontwaakt waren, samen te brengen.
Al verder loopend keek Musette Marcel en Marcel Musette aan. Zij spraken niet, maar hun oogen, die plenipotentiarissen van het hart, ontmoetten elkaar dikwijls. Na een diplomatieke conferentie van een kwartier had dit congres van blikken deze aangelegenheid in alle stilte geregeld. Alleen de ratificatie moest nog plaats hebben.
Het afgebroken gesprek werd weer voortgezet.
„Zeg nou eens eerlijk,” vroeg Musette, „waar wou je daarnet heen?”
„Ik heb het je al gezegd: naar Laure.”
„Is zij knap?”
„Haar mond is een nestje van glimlachjes!”
„Dat ken ik al,” zeide Musette.
„Maar jij?” vroeg Marcel, „waar kwam jij vandaan op de vleugelen van dat rijtuig?”
„Ik heb Alexis, die zijn familie gaat bezoeken, naar het station gebracht.”
„Wat is die Alexis voor een man?”
Op haar beurt ontwierp Musette van haar tegenwoordigen minnaar een bekoorlijk beeld. Al verder wandelend bleven Marcel en Musette midden op den boulevard de comedie: „De terugkeer der liefde” spelen. Met dezelfde, nu eens liefkoozende, dan weer spottend plagende naïeveteit herhaalden zij strophe voor strophe die onsterfelijke ode, waarin Horatius en Lydia met zooveel gratie en bekoorlijkheid de heerlijkheid van hun nieuwe liefde bezingen en ten slotte aan hun oude liefde een postscriptum toevoegen.
Toen zij bij den hoek van een straat kwamen, marcheerde plotseling een vrij sterke patrouille voorbij.
Musette „organiseerde” vlug een angstige houding, klampte zich vast aan Marcel’s arm en zeide:
„Lieve Hemel, kijk eens, daar komen de schutters, zeker een revolutie. Laten we maken, dat we wegkomen; ik ben zoo bang: breng me weg!”
„Maar waarheen?” vroeg Marcel.
„Naar mijn huis,” zeide Musette; „je zult eens zien hoe aardig het er is. Ik geef een souper: we zullen over politiek praten.”
„Neen,” antwoordde Marcel, die steeds aan Alexis dacht; „ik ga niettegenstaande je uitnoodiging voor een souper niet met je mee. Ik drink niet graag wijn uit een andermans glazen.”
Musette wist op die weigering geen antwoord te geven. Plotseling zag zij door de mist van haar herinneringen weer het armoedige kamertje van den armen schilder—want Marcel was geen millionair geworden—en zij kwam op een ander denkbeeld. Een tweede patrouille, die kwam aanrukken, was voor haar een welkome gelegenheid om opnieuw een aanval van angst te krijgen.
„Ze zullen gaan vechten!” riep zij uit; „ik durf niet naar huis terug. Lieve Marcel, breng mij naar een vriendin van me, die dicht bij jou wonen moet!”
Toen zij den Pont Neuf overgingen, barstte Musette in een schaterlach uit.
„Wat heb je?” vroeg Marcel.
„Niets,” antwoordde Musette; „ik bedenk me daar op eens, dat mijn vriendin verhuisd is. Zij woont tegenwoordig in Batignolles!”
Toen Rodolphe Marcel en Musette arm in arm binnen zag komen, was hij heelemaal niet verbaasd.
„Als de liefde niet goed begraven is,” zeide hij, „is dat altijd het slot van het lied!”