De Carolusdaalder.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
„Mijnheer,
De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te brengen. Er zal gelachen worden.
P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!”
Programma van het feest.
Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.
Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs van de door het Odéon geweigerde comédie: „De barende berg.”
Acht en een half uur: „De invloed van het blauw in de kunsten”, nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden pianist-componist Alexandre Schaunard.
Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.
Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.
Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.
Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.
Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een buitenlandschen prins.
Tweede Deel.
Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel improviseeren tusschen den schepper van „Zaïre” en dien van den slag bij Austerlitz.
Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.
Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters, die in de toekomst broodeloos zullen zijn.
Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles, die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.
Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.
Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren werken.
N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd; men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen.”
Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet weinig opzien.
Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.
„Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal,” zeide een van die twijfelaars; „ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la Tour-d’Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen.”
„Ditmaal,” zeide een ander, „moet het echter bittere ernst zijn. Marcel heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft een magisch effect.”
„Komen er ook dames?”
„Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen.”
De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte, was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat „aanstaande” moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo’n manier van doen te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten, en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.
„Nu kunnen we niet meer terug,” had Rodolphe gezegd; „we hebben onze schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken, beslist noodig hebben.”
„Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook,” was Marcels antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.
Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was, vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen ontworpen programma.
Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel: Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs teruggebracht.
Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch niet opgelost.
„Maar,” zeide Rodolphe, „nu moeten we tot de uiterste middelen overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten.”
„Beslist onmogelijk.”
„Een paar maanden geleden.”
„Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs, die zeker binnenkomen.”
„En ik,” zeide Marcel, „zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien; dan zijn we aan ons budget.”
En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar meest geziene gasten niet te ontnemen.
Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel, dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld, waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was, indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift wist te toonen.
Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.
„Nou,” zeide Marcel; „ben je geslaagd?”
„Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En jij?”
„Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft me een Bombardement van Tanger gevraagd.”
„Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,” mompelde Rodolphe. „Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus, wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen laat aantrekken?”
Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.
Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.
„Wij hebben nog maar drie uur voor ons,” zeide Rodolphe.
„Maar,” riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan, „ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?....”
„Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?”
„Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens tot een lijkschouwing overgaan?”
„Dat is iets voor een klucht,” antwoordde Rodolphe op een toon, waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.
Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.
„Wij zijn gered!” riep hij uit; „ik wist wel, dat hier geldswaarde verborgen lag. Kijk maar!” en hij liet Rodolphe een geldstuk zien, zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.
Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon men het jaartal van Karel den Groote lezen.
„Dat ding is nauwlijks dertig sous waard,” zeide Rodolphe met een minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.
„Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken,” antwoordde Marcel. „Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou heel wat in het laadje brengen.”
„Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over.”
Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée, het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline, den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.
„Ik kom je verzoeken,” zeide hij tegen hem, „mij een dienst te bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ....”
„Maar,” merkte Colline op, „in mijn qualiteit van gast heb ik mijn rok ook noodig.”
„Ik sta je toe in gekleede jas te komen.”
„Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik.”
„Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me je rok leenen.”
„Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en kan dus niet ontbreken.”
„Er zal nog heel wat meer ontbreken,” zeide Rodolphe. „Leen me je rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je voor een trouwen dienaar doorgaan ...”
„Dat gaat niet,” zeide Colline blozend. „Ik zal mijn notenkleurige paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening een beroerde boel.”
En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok meester gemaakt had, riep hij tegen hem:
„Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in.”
De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan: de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in de panden van Colline’s rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.
Bij uitzondering bevatte Colline’s rok dien dag slechts een quarto-deel van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope’s „Essai over den mensch.” Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd, stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.
„Hè,” zeide deze, „de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker nog iets in gelaten.”
„Dat is waar ook,” zeide Colline, „ik heb vergeten den vreemde-talen-zak leeg te maken.” En hij haalde er twee Arabische grammatica’s uit, een Maleisch woordenboek en een „Volmaakte veedrijver” in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.
Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand, die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.
„Laten we ons haasten,” zeide Marcel .... „We hebben de benoodigde francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen: „Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!” We zijn tot dertig francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?”
„O,” zeide Rodolphe, „dien heb ik van Colline geleend.” En toen hij zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.
De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder; een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen, werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons, waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op inderhaast vervaardigde borden lezen kon:
Dichters Romantici
Prozaschrijvers Classici
Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.
„Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen,” zeide Rodolphe.
„O,” antwoordde Marcel, „er staan er verscheidene op het trapportaal, maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!”
„Dat zal wel dienen,” meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.
Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe op haar speciaal opmerkzaam.
„Dat is een echte vrouw van de wereld,” zeide hij, „een Engelsche, die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet te veel tutoyeeren.”
Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren—de gasten kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.
Rodolphe’s rok ging de dames tegemoet en kuste haar met achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.
„Dadelijk,” antwoordde Marcel; „we wachten op de komst van den invloedrijken criticus, om den punch aan te steken.”
Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter kunnen komen.
Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der „ververschingen”.
Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur zou werpen.
Om een uur stond iedereen.
Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline’s rok en een klap, dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.
Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak, te zeggen:
„Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen.”