De inwijdingsfuif.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Het gebeurde eenigen tijd, nadat de dichter Rodolphe met de jonge mademoiselle Mimi een eigen huishoudentje had opgezet; sedert ongeveer acht dagen heerschte er in den geheelen vriendenkring een groote onrust naar aanleiding van de verdwijning van Rodolphe, die plotseling als in een nevel scheen te zijn opgelost. Ze hadden hem gezocht op alle plaatsen, waar hij gewoon was te komen, en overal kregen ze hetzelfde antwoord:
„We hebben hem in geen acht dagen gezien.”
Geholpen door verschillende toevallige omstandigheden—het zou te veel tijd vorderen die alle te vertellen—gelukte het den wijsgeer zijn eed te houden. Twee dagen later had hij Rodolphe’s woning uitgevorscht en ging hij hem ’s morgens om zes uur opzoeken.
Rodolphe woonde toentertijd in een hôtel garni in een eenzame straat van den faubourg Saint Germain, waar hij de vijfde verdieping betrokken had, omdat er geen zesde was. Toen Colline bij de deur kwam, vond hij den sleutel niet in het slot steken. Hij klopte een minuut of tien zonder dat hij van binnen antwoord kreeg; op de aubade kwam zelfs de concierge af, die Colline vroeg kalm te zijn.
„U ziet toch wel, dat mijnheer slaapt,” zeide hij.
„Daarom wil ik hem wakker trommelen,” antwoordde Colline en begon opnieuw te kloppen.
„Dan wil hij u zeker niet antwoorden,” meende de concierge, terwijl hij voor de deur van Rodolphe een paar lakschoenen en een paar dameslaarsjes, die hij juist gepoetst had, neerzette.
„Wacht eens even,” zeide Colline, terwijl hij het mannelijke en vrouwelijke paar laarzen bekeek; „een paar nieuwe lakschoenen. Ik heb me zeker in de deur vergist; hier moet ik zeker niet zijn.”
„Wien moet u eigenlijk hebben?” vroeg de concierge.
„Vrouwenlaarsjes!” ging Colline voort als in zichzelf sprekend en denkend aan de strenge zeden van zijn vriend; „ja, ik heb me beslist vergist. Dit kan de kamer van Rodolphe beslist niet zijn.”
„Vraag excuus, mijnheer; dat is hier wel.”
„Zoo. Dan vergis jij je, beste man!”
„Hoe bedoelt u dat?”
„Dat je je beslist vergist,” zeide Colline, terwijl hij op de lakschoenen wees. „Wat zijn dat?”
„Dat zijn de schoenen van mijnheer Rodolphe; wat is daar voor verwonderlijks aan?”
„En die daar?” zeide Rodolphe en wees hem de dameslaarsjes; „zijn die ook van mijnheer Rodolphe?”
„Die zijn van zijn dame,” zeide de concierge.
„Van zijn dame?” riep Colline verbaasd uit. „Wat een wellusteling! Daarom wil hij natuurlijk niet open doen!”
„Lieve Hemel!” zeide de concierge; „die jonge man is toch vrij om te doen of te laten wat hij wil; als mijnheer mij zijn naam wil zeggen, dan zal ik mijnheer Rodolphe zeggen, dat u hier geweest is.”
„Neen”, zeide Colline, „nu ik eenmaal weet waar ik hem vinden kan, zal ik wel terugkomen.” En hij ging heen, om zijn vrienden het groote nieuws te gaan vertellen.
De lakschoenen van Rodolphe werden algemeen als fabels beschouwd, als een vrucht van Colline’s rijke fantasie, en éénstemmig werd verklaard, dat zijn maîtresse een paradox was.
En toch was die paradox een waarheid; want nog dienzelfden avond kreeg Marcel een collectieven brief voor alle vrienden van dezen inhoud:
„Mijnheer en Mevrouw Rodolphe, letterkundigen, hebben de eer u uit te noodigen voor een diner, dat zij zich voorstellen morgenavond om vijf uur precies te geven.
P.S. Er wordt van borden gegeten.”
„Mijne heeren,” zeide Marcel, die zijn vrienden met den inhoud van den brief in kennis stelde, „Colline heeft toch gelijk: Rodolphe heeft werkelijk een maîtresse; bovendien vraagt hij ons te dineeren en het postscriptum belooft zelfs tafelgerei. Ik wil u niet verhelen, dat deze laatste paragraaf mij een lyrisch-poëtische overdrijving toeschijnt; we zullen echter dienen af te wachten.”
Op het aangegeven uur gingen den volgenden dag Marcel, Gustave Colline en Alexander Schaunard, uitgehongerd alsof ze in geen dagen gegeten hadden, naar Rodolphe, dien zij bezig vonden te spelen met een roode kat, terwijl een jonge vrouw de tafel dekte.
„Heeren”, zeide Rodolphe, terwijl hij zijn vrienden de hand drukte en met een gebaar naar de jonge vrouw wees, „mag ik u de vrouw des huizes voorstellen?”
„Dan ben jij dus de heer des huizes?” zeide Colline.
„Mimi,” antwoordde Rodolphe, „ik stel je mijn beste vrienden voor, en doe nu de soep op.”
„O, mevrouw,” zeide Alexandre Schaunard, terwijl hij naar Mimi toe ging, „u zijt frisch als een woudbloem.”
Na zich overtuigd te hebben, dat er in werkelijkheid assietten op tafel stonden, informeerde Schaunard wat zij te eten zouden krijgen. Hij dreef de nieuwsgierigheid zoo ver, dat hij de deksels van de pannen nam, waarin het diner kookte. De aanwezigheid van een kreeft maakte een diepen indruk op hem.
Colline had Rodolphe even apart genomen, om hem naar zijn philosophisch artikel te vragen.
„Dat is op de drukkerij,” zeide Rodolphe. „Le Castor verschijnt a.s. Donderdag.”
Wij zullen niet trachten de vreugde van den wijsgeer te schilderen.
„Heeren”, zeide Rodolphe tot zijn vrienden; „jullie moeten het me niet kwalijk nemen, dat ik jullie zoolang zonder eenig bericht gelaten heb, maar ik was in mijn wittebroodsweken.”
En hij vertelde hun de geschiedenis van zijn „huwlijk” met dit bekoorlijke schepseltje, dat hem als bruidschat haar achttien jaar en zes maanden, twee porceleinen kopjes en een roode poes, eveneens Mimi genaamd, medegebracht had.
„En nu, heeren,” ging Rodolphe voort, „zullen wij onze nieuwe woning inwijden. Maar ik waarschuw je van te voren, dat het een eenvoudige burgerpot is en de truffels door de grootste hartelijkheid vervangen worden.”
Inderdaad bleef die bekoorlijke godin dan ook heerschen onder de gasten, die intusschen vonden, dat die „eenvoudige burgerpot” nog al meeviel. Rodolphe was dan ook „uit zijn slof geschoten.” Colline maakte er op opmerkzaam, dat de borden verwisseld werden en verklaarde op luiden toon, dat mademoiselle Mimi het blauwe lint waardig was, waarmede de keizerinnen van het fornuis gedecoreerd worden, een zin, die voor het jonge meisje zuiver Sanskriet was, en die Rodolphe voor haar aldus vertaalde, „dat zij een uitstekende keukenmeid zou zijn.”
Het optreden van de kreeft veroorzaakte een algemeene bewondering. Onder voorwendsel dat hij in de natuurlijke historie gestudeerd had, vroeg Schaunard het dier te mogen verdeelen; hij maakte zelfs van de gelegenheid gebruik om een mes te breken en zichzelf de grootste portie toe te eigenen, wat een algemeene verontwaardiging deed ontstaan. Doch Schaunard was niet gevoelig, vooral niet op het punt: kreeft; en toen er nog een portie overbleef, was hij brutaal genoeg die apart te leggen onder voorwendsel, dat die hem als model moest dienen voor een stilleven, dat hij juist onder handen had.
In hun toegeeflijke vriendschap deden de kameraden, alsof zij aan dezen leugen, die de vrucht van een onmatige eetlust was, geloof schonken.
Colline daarentegen bewaarde al zijn sympathieën voor het dessert en weigerde zelfs halsstarrig om zijn deel van de rhumkoek te ruilen voor een toegangsbewijs voor de orangerie te Versailles, wat Schaunard hem voorstelde.
Het discours werd langzamerhand geanimeerder.
Op de drie flesschen met roode capsules volgden er drie met groene, in het midden waarvan ze weldra een flesch zagen te voorschijn komen, welker met een zilveren helm bedekte hals dadelijk verried, dat zij tot het regiment van Royal-Champenois behoorde. Het was een imitatie-champagne, die in de wijnbergen van Saint-Ouen geoogst was en te Parijs voor twee francs verkocht werd wegens liquidatie, zooals de wijnhandelaar beweerde.
Maar niet het land maakt den wijn, en onze bohémiens aanvaardden den drank, dien ze in speciaal daarvoor bestemde glazen kregen, als echte Champagne en waren ondanks de weinige opgewektheid, waarmede de kurk uit zijn gevangenis ontsnapte, in extase over het voortreffelijke merk, toen zij de groote hoeveelheid schuim zagen. Schaunard gebruikte daarbij de rest van zijn bezinning, om zich in de glazen te vergissen en dat van Colline te ledigen, die op zijn beurt met het ernstigste gezicht van de wereld zijn beschuit in den mosterdpot doopte en mademoiselle Mimi het wijsgeerige artikel, dat in le Castor moest verschijnen, trachtte uit te leggen. Terwijl hij daarmede bezig was, werd hij plotseling bleek en vroeg permissie of hij even aan het raam naar de ondergaande zon mocht gaan kijken, hoewel het al tien uur was en de zon reeds lang onder de wol lag.
„Het is jammer, dat de champagne niet gefrappeerd is,” zeide Schaunard, die nogmaals trachtte zijn leeg glas te verwisselen voor een vol van zijn tafelbuurman, welke poging echter ditmaal geen succes had.
„Mevrouw,” zeide Colline, die genoeg versche lucht gehapt had, tegen Mimi, „je koelt champagne met ijs, ijs wordt gevormd door condensatie van water, aqua in het Latijn. Water bevriest bij twee graden, en er zijn vier jaargetijden, zomer, herfst en winter. Dat is de oorzaak geweest van den terugtocht uit Rusland; Rodolphe, geef mij nog een hemistichium champagne!”
„Wat zegt je vriend toch?” vroeg Mimi, die er niets van begreep, aan Rodolphe.
„O, hij vraagt, of ik hem nog een half glas Champagne wil geven,” antwoordde deze.
Plotseling gaf Colline Rodolphe een harden klap op zijn schouder en zeide stotterend, alsof de lettergrepen als taai-taai tusschen zijn lippen bleven zitten:
„Het is morgen Donderdag, niet?”
„Neen, het is morgen Zondag.”
„Neen, Donderdag.”
„Neen, heusch niet, Zondag.”
„O, Zondag,” zeide Colline, terwijl hij zijn hoofd heen en weer wiegde, „meestal is het morgen Don...der...dag...”
En terwijl hij zijn gezicht in de ijspudding, die nog op zijn bord lag, drukte, sliep hij in.
„Wat wil hij toch eigenlijk met zijn Donderdag?” vroeg Mimi.
„O, nou ben ik er achter!” antwoordde Rodolphe, die de halsstarrigheid van den door zijn idée fixe gekwelden wijsgeer begon te begrijpen; „dat komt door zijn artikel in Le Castor ... Luister maar, hij droomt er hardop van.”
„Goed”, zeide Schaunard, „dan krijgt hij ook geen koffie, niet waar mevrouw?”
„Dat is waar ook, Mimi,” zeide Rodolphe, „presenteer de koffie eens.”
Zij wilde juist opstaan, toen Colline, die van de ijspudding zijn koelbloedigheid eenigszins teruggekregen had, haar om haar middel vatte en haar vertrouwelijk in het oor fluisterde:
„Mevrouw, de koffie is afkomstig uit Arabië, waar hij door een geit ontdekt is. Van daar uit kwam de gewoonte om koffie te drinken naar Europa. Voltaire dronk twee-en-zeventig koppen per dag. Ik drink ze zonder suiker, maar graag heel warm.”
„Lieve Hemel, wat een knappe vent!” dacht Mimi, terwijl zij de koffie en de pijpen bracht.
Intusschen was het aardig laat geworden; het had al geruimen tijd geleden middernacht geslagen en Rodolphe trachtte zijn vrienden aan het verstand te brengen, dat het nu langzamerhand tijd werd om heen te gaan. Marcel, die nog volkomen helder was, stond op, om afscheid te nemen.
Schaunard echter ontdekte, dat er in een flesch nog wat brandewijn was, en verklaarde, dat het nooit middernacht kon zijn, zoolang er nog een druppel in het glas was. Colline zat schrijlings op zijn stoel en bromde binnensmonds.
„Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag....”
„Maar lieve hemel,” zeide Rodolphe wanhopig, „ik kan ze toch vannacht hier niet houden. Vroeger ging dat goed, maar nu is dat wat anders,” en hij keek daarbij naar Mimi, wier warme blik om eenzaamheid met hun tweetjes scheen te smeeken.
„Wat moet ik beginnen? Geef mij toch eens raad, Marcel. Verzin toch een middel, om ze hier vandaan te krijgen!”
„Neen, ik verzin er geen,” zeide Marcel; „maar ik zal er een navolgen. Ik herinner me een comedie, waarin een intelligente knecht het middel vindt om drie als tempelieren zoo dronken schelmen uit het huis van zijn meester te zetten.”
„Welnu, dan zullen we eens zien of het tooneel met de werkelijkheid overeenkomt. Wacht even, we zullen met Schaunard beginnen. Hé, Schaunard!” riep de schilder.
„Ja, wat is er?” antwoordde deze, die in de blauwe zee van een zoete roes scheen te zwemmen.
„Er is hier niets meer te drinken en we hebben allemaal nog dorst.”
„Ach ja,” zeide Schaunard, „die flesschen zijn ook zoo klein!”
„Nou luister dan; Rodolphe heeft besloten, dat we vannacht hier zouden blijven; maar er moet nog eerst wat gehaald worden, om te drinken, vòòr de winkels gesloten worden.”
„Mijn leverancier woont hier op den hoek van de straat,” zeide Rodolphe. „Schaunard, ga jij er even heen en vraag uit mijn naam twee flesschen rhum.”
„Zeker, zeker, zeker!” zeide Schaunard, die bij vergissing de overjas van Colline aantrok, welke laatste met zijn mes ruiten op het tafellaken teekende.
„Dat is nummer één!” zeide Marcel, toen Schaunard weg was. „Nou komt Colline aan de beurt: dat zal een heele dobber worden. Wacht, een idee. He, he, Colline!” schreeuwde hij, terwijl hij den wijsgeer heen en weer schudde.
„Wat is er.... wat is er?”
„Schaunard is weggegaan en heeft bij vergissing jouw jas aangetrokken.”
Colline keek om zich heen en zag inderdaad in plaats van zijn notehoutkleurige jas de geruite van Schaunard hangen. Deze ontdekking maakte hem zeer ongerust. Colline had n.l. ouder gewoonte in den loop van den dag de boekenstalletjes bezocht en voor vijftien sous een Finsche grammatica en een kleinen roman van Nisard: „De begrafenis van de melkvrouw” gekocht. Bij deze nieuwe aanwinst kwamen nog zeven of acht deelen hoogere philosophie, die hij altijd bij zich droeg, om steeds een arsenaal te hebben, waaruit hij argumenten zou kunnen putten voor het geval er wijsgeerige discussies ontstonden. De gedachte, dat die bibliotheek in handen van Schaunard was, deed bij hem het angstzweet uitbreken.
„De ongelukkige!” riep Colline uit; „wat heeft hem bezield mijn overjas mee te nemen?”
„Het is een vergissing.”
„Maar mijn boeken..... hij kan er een slecht gebruik van maken.”
„Wees maar niet bezorgd: hij zal ze niet lezen,” zeide Rodolphe.
„O, ik ken hem! Hij is in staat er zijn pijp mede aan te steken!”
„Als je daar bang voor bent, dan kan je hem nog best inhalen,” zeide Rodolphe; „hij is net weg; je zal hem nog wel aan de deur vinden.”
„Zeker moet ik hem inhalen,” antwoordde Colline, terwijl hij zijn hoed opzette, waarvan de randen zoo breed waren, dat men er makkelijk voor tien personen thee op zou kunnen ronddienen.
„Dat is nummer twee,” zeide Marcel tot Rodolphe; „nu ben je vrij. Ik ga ook weg en zal den portier op zijn hart drukken, dat hij niet open moet doen, als er geklopt wordt.”
„Slaap lekker,” zeide Rodolphe, „en wel bedankt!”
Nadat hij zijn vriend uitgelaten had, hoorde Rodolphe op de trap een langaangehouden gemiauw, waarop zijn roode kat teeder antwoordde, terwijl hij behendig door de halfgeopende deur trachtte te ontsnappen.
„Arme Romeo!” zeide Rodolphe; „je Julia roept je. Vooruit, ga je gang maar,” en hij opende de deur voor het verliefde dier, dat met één sprong de trap af was en in de armen van zijn geliefde lag.
Eindelijk met zijn maîtresse, die voor een spiegel in een bekoorlijke en verleidelijke houding haar haar in de krul stond te zetten, alleen, ging Rodolphe naar Mimi toe en drukte haar in zijn armen. Dan trok hij, als een musicus, die, alvorens zijn stuk te beginnen, een reeks accoorden aanslaat, om zich van de qualiteit van zijn instrument te overtuigen, Mimi op zijn knieën en drukte op haar schouder een langen, vurigen kus, die het frissche schepseltje van verlangen deed rillen.
Het instrument klonk prachtig.