Mimi in zijde en fluweel.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
„Neen, neen, neen, ge zijt niet meer Lisette. Neen, neen, ge zijt niet meer Mimi!
„Ge zijt nu mevrouw de vicomtesse, overmorgen zult ge misschien mevrouw de hertogin zijn, want ge hebt den voet op den ladder, die tot hoogheid leidt, bestegen; de deur van uw droomen heeft zich eindelijk voor uw schreden geopend en overwinnend en triompheerend zijt gij binnengetreden. Ik heb vooruit geweten, dat gij den een of anderen nacht daarin slagen zoudt. Het moest trouwens zoo gaan: uw kleine, blanke handjes waren voor niets doen geschapen en verlangden reeds lang naar den ring van een aristocratische verbintenis. Eindelijk hebt ge een blazoen! Maar wij zien toch nog altijd liever dat, hetwelk de jeugd aan uw schoonheid gaf: uw bleek gelaat, welks leliënveld uw blauwe oogen in vier kwartieren scheen te verdeelen. Doch edele vrouwe of grisette, bekoorlijk zijt gij altijd; en ik herkende u dadelijk, toen ge me onlangs op een avond op straat snel in uw mooie laarsjes voorbij liept, terwijl uw gehandschoend handje den wind hielp om de volants van uw robe op te houden, eensdeels om die niet vuil te laten worden, anderdeels om uw geborduurde onderrokken en à-jour kousen te laten zien. Ge hadt een hoed van een bewonderenswaardigen vorm en het kwam me voor, dat ge in groote verlegenheid verkeerde ten gevolge van een kostbaren kanten voile, die van dien kostbaren hoed neergolfde. Inderdaad een moeilijk geval: het gold immers de vraag, wat beter en voor uw coquetterie voordeeliger was, die voile neergelaten of opgeslagen te dragen. Wanneer ge hem voor uw gezicht zoudt dragen, dan liept ge kans niet herkend te worden door uw vrienden, die ge tegen zoudt kunnen komen, want die zouden zeker tienmaal langs u gegaan kunnen zijn, zonder ook maar te vermoeden, dat die prachtige enveloppe mademoiselle Mimi verborg. Sloegt ge hem daarentegen terug, dan liep de voile gevaar niet gezien te worden—en waartoe diende het anders dien te hebben? Doch ge wist die moeilijkheid op zeer geestrijke wijze te overwinnen, door den voile om de tien pas neer te doen en weer terug te slaan, dezen voile, dit kostbare weefsel, dat ongetwijfeld bewerkt is in het spinnewebbenland, dat Vlaanderen genoemd wordt en dat alleen zeker meer gekost heeft dan uw geheele vroegere garderobe samen .... Ach, Mimi! .... Pardon .... Ach, mevrouw de vicomtesse! Ik had, zooals ge nu ziet, wel gelijk, toen ik zeide: „Geduld, wanhoop niet: de toekomst gaat zwanger van kaschmir-sjaals, brillanten en intieme soupers. Ge wildet me toen niet gelooven, ongeloovige. Welnu, mijn voorspellingen zijn toch werkelijkheid geworden, en ik sta bij u thans zeker even hoog in aanzien als uw Oracles des Dames, die kleine heksenmeester in 18°, dien ge voor vijf sous aan een boekenstalletje op den pont Neuf gekocht hebt en dien ge met uw eeuwigdurende ondervragingen lastig vielt? Nogmaals, had ik geen gelijk met mijn prophetieën en zult ge me nu gelooven, wanneer ik u zeg, dat ge op deze trede niet zult blijven staan; als ik u zeg, dat ik, als ik aandachtig luister, in de diepte van uw toekomst, reeds het getrappel en gehinnik hoor van paarden, gespannen voor een blauwen coupé, bestuurd door een gepoederden koetsier, die de trede voor u neerslaat met de eerbiedige vraag: „Waar gaat mevrouw heen?” En zult ge me ook gelooven, als ik u zeg, dat ge later .... God geve, zoo laat mogelijk!... het doel van een lang gekoesterde eerzucht zult bereiken en een table d’hôte zult houden te Belleville of in Batignolles en u het hof gemaakt zal worden door oude militairen en gepensionneerde smachtende aanbidders, die in het geheim lansquenet en baccaraat bij u komen spelen. Maar voor dit tijdstip, waarop de zon van uw jeugd reeds ter kimme zal dalen, komt, zult ge nog heel wat ellen zijde en fluweel gebruiken; zullen nog heel wat vaderlijke erfdeelen in de smeltkroes van uw grillen en luimen wegsmelten, zal nog menige bloem in uw haar, nog menige bloem onder uw voet ontbladerd worden, zult ge zelf nog dikwijls van blazoen veranderen. Beurtelings zal op uw hoofd de parelsnoer der baronessen, de kroon der gravinnen en de diadeem der markiezinnen schitteren; als devies zult ge in uw wapen het woord: „Onbestendigheid” voeren; gij zult, al naar luim of behoefte, al die talrijke aanbidders op hun beurt of allen tegelijk weten te bevredigen, welke queue zullen komen maken in de anti-chambre van uw hart, zooals men queue maakt voor den ingang van een schouwburg, waar een trekstuk gegeven wordt. Ga dus voorwaarts, schud al uw herinneringen van u af, om ruimte te hebben voor uw eerzucht; voorwaarts dus: de weg, die voor u ligt, is mooi, en wij hopen, dat hij nog lang zacht voor uw voeten zijn mag; maar vòòr alles hopen wij, dat al die luxe en pracht, al die schitterende toiletten niet te spoedig de lijkwade zullen worden, waarin men uw vroolijkheid inwikkelt.”
Zoo sprak de schilder Marcel tot de kleine Mimi, die hij drie of vier dagen na haar tweede echtscheiding van den dichter Rodolphe ontmoet had. Hoewel hij getracht had op de spotternijen, die hier en daar door zijn horoscoop heen gezaaid waren, een sourdine te zetten, was Mimi in geen enkel opzicht het slachtoffer van Marcel’s mooie woorden en begreep zij heel goed dat hij zich zonder eenigen eerbied voor haar nieuwen titel, vroolijk maakte over haar.
„Je bent heel onaardig tegen me, Marcel,” zeide mademoiselle Mimi; „dat is slecht van je: ik ben altijd goed voor je geweest, toen ik met Rodolphe samenwoonde, en dat ik hem verlaten heb, is zijn schuld. Heeft hij me niet bijna op straat gezet, en hoe heeft hij mij de laatste dagen, dat we bij elkaar waren, behandeld? Ik was erg ongelukkig. Jij weet niet wat voor een man Rodolphe is: een opvliegend en jaloersch karakter, dat mij langzamerhand vermoordde. Hij hield van me, dat weet ik heel goed, maar zijn liefde was even gevaarlijk als een geladen pistool. En wat voor een leven heb ik die vijftien maanden bij hem gehad? Ach, Marcel, ik wil mij niet beter voordoen dan ik ben, maar ik heb met Rodolphe veel geleden, dat weet je trouwens zelf ook wel! En niet omdat we het arm hadden, ben ik van hem weggegaan, daaraan was ik van jongsaf aan gewend; neen ik zeg je het je nogmaals: hij heeft mij weggejaagd; hij heeft mijn hart met voeten getreden; hij heeft me gezegd, dat ik geen eergevoel had, als ik bij hem bleef; hij heeft me gezegd, dat hij niet meer van me hield en dat ik maar een anderen minnaar moest zoeken; ja hij is zelfs zòò ver gegaan, dat hij mij een jongen man heeft aangewezen, die me het hof maakte; en door zijn eeuwige uittartingen is hij, om zoo te zeggen, de trait-d’union tusschen mij en dien jongen man geworden. Ik heb met hem slechts uit dépit tegen Rodolphe en door den nood gedwongen geleefd, want ik hield niet van hem; je weet zelf heel goed, dat ik niet veel op heb met zoo heel jonge kereltjes, zij zijn bijna altijd vervelend en sentimenteel als harmonica’s. Enfin wat gebeurd is, is gebeurd en ik heb er geen spijt van; wanneer ik weer in denzelfden toestand kwam, zou ik hetzelfde doen. Nu ik niet meer bij hem ben en nu hij weet, dat ik gelukkig ben, is Rodolphe woedend en voelt hij zich verongelijkt; dat weet ik van iemand, die hem een paar dagen geleden gezien heeft: hij had roode oogen. En dat verwondert me niets, want ik wist wel, dat het zoo gaan zou en hij me heel gauw weer zou naloopen; maar je kunt hem uit mijn naam zeggen, dat het vergeefsche moeite is ..... ditmaal is het ernst geweest; het is nu voor goed tusschen ons uit ..... Heb je hem de laatste dagen nog gezien, Marcel en is hij werkelijk zoo veranderd?” vroeg Mimi plotseling op een heel anderen toon.
„Zeker is hij veranderd,” antwoordde Marcel; „heel erg veranderd zelfs.”
„Hij is bedroefd, dat spreekt. Maar wat kan ik er aan doen? Des te erger voor hem, het is zijn eigen schuld. Ten slotte moest er een eind aan komen. Troost jij hem, Marcel.”
„O, o,” zeide Marcel kalm; „maak je daar maar niet ongerust over, Mimi; dat is al voor de grootste helft in orde.”
„Wat je daar zegt, is niet waar, beste jongen!” merkte Mimi eenigszins ironisch op; „zoo gauw zal Rodolphe er niet over heen zijn. Hoe was hij den avond voor mijn vertrek niet! Het was op een Vrijdag, ik wou dien nacht niet bij mijn nieuwen minnaar blijven, omdat ik bijgeloovig ben en de Vrijdag een ongeluksdag is.”
„Daar vergis je je in, Mimi: in de liefde is de Vrijdag een geluksdag; de Ouden noemden hem Dies Veneris.”
„Latijn heb ik nooit geleerd,” viel Mimi hem in de rede. „Maar enfin; ik kwam dan bij Paul uit en vond Rodolphe beneden op straat op schildwacht staan. Hij wachtte op me. Het was laat, al over twaalven, en ik had honger, want ik had slecht gedineerd. Ik vroeg Rodolphe of hij niet wat voor het souper wilde halen. Een half uur later kwam hij terug met niet zoo veel bijzonders: brood, wijn, sardientjes, kaas en een appelkoek, dat was alles. In dien tusschentijd was ik onder de wol gekropen. Hij schoof de tafel bij het bed. Ik deed net, alsof ik niet op hem lette, maar ik nam hem heel goed op: hij was zoo bleek als een lijk, hij rilde en liep in de kamer op en neer als iemand, die niet weet wat hij wil. In een hoekje zag hij mijn pakjes met kleeren liggen. Dat scheen hem te hinderen en hij zette het scherm voor die pakjes, om ze niet meer te zien. Toen alles klaar was, begonnen we te eten; hij probeerde me te laten drinken, maar ik had geen honger of dorst meer. Ik had net een gevoel, alsof er een prop in mijn keel zat. Het was koud, want we hadden geen hout om vuur aan te leggen; je hoorde den wind door den schoorsteen fluiten. Het was wel triest. Rodolphe keek me voortdurend aan, zijn oogen stonden strak. Dan legde hij zijn hand in de mijne; en ik voelde hoe de zijne beefde, zij was warm en koud tegelijk.
—„Dat is het begrafenismaal van onze liefde,” zeide hij heel zacht.
„Ik antwoordde niet, maar had ook niet den moed, mijn hand terug te trekken.
—„Ik ben moe,” zeide ik eindelijk; „het is laat, we moesten maar gaan slapen.”
„Rodolphe keek me aan. Ik had een van mijn dassen om mijn hoofd gebonden, om me een beetje tegen de koude te beschermen. Zonder een woord te zeggen nam hij die das weg.
—„Waarom doe je dat?” vroeg ik. „Ik heb het koud.”
—„O, Mimi,” zeide hij; „zet dezen nacht je gestreepte mutsje nog eens op. Dat zal je zooveel moeite niet kosten.”
„Hij bedoelde een bruin en wit gestreept nachtmutsje van gedrukt katoen, dat hij mij graag op zag hebben, omdat het hem herinnerde aan eenige gelukkige nachten. want daarnaar telden we onze gelukkige dagen. Daar het de laatste nacht was, dat ik bij hem zou slapen, durfde ik zijn verzoek niet te weigeren. Ik stond op en ging het mutsje, dat onder in een van de pakjes lag, halen; ik vergat het scherm weer op zijn plaats te zetten. Rodolphe merkte het en verborg voor de tweede maal de pakjes.
—„Goeden nacht!” zeide hij tegen me.
—„Goeden nacht!” antwoordde ik.
„Ik dacht, dat hij mij een zoen zou geven, en ik zou mij daar niet tegen verzet hebben, maar hij nam slechts mijn hand en drukte die aan zijn lippen. Je weet, Marcel, hoe graag hij mijn handen kuste. Ik hoorde hem klappertanden en voelde, dat zijn lichaam zoo koud als marmer was. Hij hield mijn hand maar steeds vast en had zijn hoofd op mijn schouder gelegd, die al heel gauw nat van tranen was. Rodolphe was in een vreeselijken toestand. Hij beet in de beddelakens, om het niet uit te schreeuwen; maar ik hoorde zijn onderdrukt gesteun en voelde zijn tranen over mijn schouders stroomen, waarop zij eerst brandden als vuur, dan koud werden als ijs. Op dat oogenblik had ik al mijn moed noodig; en ik had dien noodig, dat verzeker ik je, want ik had maar één woord behoeven te zeggen, mijn hoofd maar behoeven om te keeren, en mijn mond zou Rodolphe’s lippen aangeraakt hebben en wij zouden ons nogmaals verzoend hebben. Een oogenblik dacht ik werkelijk, dat hij in mijn armen sterven of minstens krankzinnig worden zou, wat vroeger bijna reeds het geval geweest is ..... herinner je je nog wel? Ik voelde, dat ik op het punt stond toe te geven; ik wilde den eersten stap tot verzoening doen; ik wilde hem in mijn armen sluiten, want je moet wel een hart van steen hebben om tegenover zoo’n smart ongevoelig te blijven. Plotseling herinnerde ik me echter de woorden, die hij den vorigen avond gezegd had: „Je hebt geen eergevoel, als je bij me blijft, want ik houd niet meer van je.” En bij de herinnering aan die grofheden had ik Rodolphe naast mij hebben kunnen zien sterven, zou ik, ook al had ik geweten, dat een kus van mij hem zou hebben kunnen redden, mijn hoofd hebben afgewend. Uitgeput door vermoeienis viel ik eindelijk in een lichte sluimering. Ik hoorde Rodolphe nog steeds snikken, en ik verzeker je, Marcel, het duurde den geheelen nacht door. Toen de dag aanbrak en ik in dat bed, waarin ik voor het laatst sliep, keek naar mijn minnaar, dien ik ging verlaten, om in de armen van een ander te snellen, schrok ik vreeslijk bij het zien van de verwoestingen, die de smart op Rodolphe’s gezicht had aangericht.
„Hij stond op zonder iets te zeggen. Bij de eerste stappen, die hij deed, sloeg hij bijna tegen den grond, zoo zwak en afgemat was hij. Toch kleedde hij zich vlug aan en vroeg mij slechts of alles al klaar was en wanneer ik wegging. Ik antwoordde, dat ik nog niets zekers wist. Hij ging uit, zonder afscheid te nemen, zonder me een hand te geven. Op die manier zijn we van elkaar gegaan. Wat een steek zal het hem in zijn hart gegeven hebben, toen hij me bij zijn thuiskomst niet meer vond!”
„Ik was op zijn kamer, toen hij thuiskwam,” zeide Marcel tot Mimi, die buiten adem was van het lange verhaal. „Toen hij beneden om den sleutel vroeg, zeide de vrouw van den concierge tegen hem:
—„De kleine is weg.”
—„Zoo,” antwoordde Rodolphe, „dat verwondert me niets, dat had ik wel gedacht.”
„Toen liep hij de trap op en ik volgde hem, omdat ook ik voor een crisis vreesde. Maar er gebeurde niets van dien aard.
—„Daar het nu al te laat is om nog een andere kamer te huren,” zeide hij tegen me, „zullen we het maar tot morgen uitstellen. Dan kan je met me meegaan. En laten we nu gaan eten.”
„Ik dacht, dat hij zich wilde gaan bedrinken, maar ik vergiste me. We dineerden heel eenvoudigjes in een restaurant, waar jij ook dikwijls met hem gezeten hebt. Om hem een beetje onder verdooving te brengen, had ik Beaune besteld.”
—„Dat was de lievelingswijn van Mimi,” zeide hij tegen me; „we hebben dien samen dikwijls gedronken aan hetzelfde tafeltje, waaraan we nu zitten. Ik herinner me nog hoe zij op een goeden dag haar glas, dat zij reeds verscheidene malen geledigd had, naar mij toeschoof met de woorden: „Schenk nog eens in, met dien Beaune kom je uit de boonen.” Een vrij flauwe woordspeling, nauwelijks goed voor een vaudeville, vindt je niet? Ja, Mimi kan goed drinken!”
„Daar ik zag, dat hij zich weer in herinneringen wilde gaan verdiepen, begon ik over wat anders te praten, van jou was er geen sprake meer. Hij bracht den geheelen avond in mijn gezelschap door en scheen even kalm als de Middellandsche Zee. Wat mij het meest verwonderde, was dat zijn kalmte niets gekunstelds had. Hij was de onverschilligheid in eigen persoon. Tegen middernacht gingen we naar huis.”
—„Je schijnt je er over te verwonderen, dat ik in mijn toestand zoo kalm ben,” zeide hij tegen me; „laat ik even een vergelijking gebruiken, die, als is zij misschien ook wat triviaal, tenminste de verdienste heeft juist te zijn. Mijn hart is als een fontein, waarvan de kraan den geheelen nacht open heeft gestaan, ’s morgens is er geen droppel meer in. Zoo is het nu ook met mijn hart; al de tranen, die ik nog had, heb ik vannacht verhuild. Het is vreemd; ik dacht, dat ik rijker was aan smartuitingen en nu heeft één lijdensnacht mij uitgeput, mij volkomen op het droge gezet. Ik verklaar je op mijn eerewoord, dat het zoo is. En in hetzelfde bed, waarin ik den afgeloopen nacht naast een vrouw, die als een blok naast me lag, uit wanhoop bijna gestorven ben, zal ik straks, terwijl het hoofd van die vrouw op het kussen van een ander rust, slapen als een pakjesdrager, die een zwaren dag achter den rug heeft.”
„Comedie,” dacht ik bij mijzelf; „voordat ik goed en wel weg ben, loopt hij met zijn hoofd tegen den muur.”
„Toch liet ik Rodolphe alleen en ging naar mijn eigen kamer, maar slapen deed ik niet. Om drie uur meende ik leven in de kamer van Rodolphe te hooren; ik vloog naar beneden in de meening, dat hij aan het ijlen was.”
„En?” vroeg Mimi.
„Och, beste meid, Rodolphe sliep, het bed was in het geheel niet in de war; alles wees erop, dat zijn slaap rustig geweest was en niet lang op zich had laten wachten.”
„Dat is heel goed mogelijk,” vond Mimi; „hij was zoo moe van den vorigen nacht ... Maar den volgenden morgen?”
„Den volgenden morgen is Rodolphe mij al heel vroeg komen halen, en toen zijn we kamers gaan huren in een ander huis, die we denzelfden avond nog betrokken hebben.”
„En wat heeft hij gedaan, toen hij de kamer verliet, waarin we samen gewoond hebben?” vroeg Mimi; „wat heeft hij gezegd, toen hij scheidde van de kamer, waarin hij mij zoo heeft liefgehad?”
„Hij heeft heel kalm zijn boeltje gepakt,” antwoordde Marcel; „en daar hij in een lade een paar gehaakte handschoenen en twee of drie brieven vond, die jij vergeten hadt mede te nemen ....”
„Dat weet ik,” viel Mimi hem in de rede op een toon, die scheen te willen zeggen: Ik heb ze exprès vergeten, om een souvenir aan me achter te laten. „En wat heeft hij er mede gedaan?” voegde zij eraan toe.
„Ik meen me te herinneren, dat hij de brieven in de haard en de handschoenen uit het raam gegooid heeft; maar zonder eenig theatraal gebaar, zonder pose, op een heel natuurlijke manier, zooals je dat doet, wanneer je iets, waar je niets meer aan hebt, weg doet.”
„Beste Marcel, uit den grond van mijn hart hoop ik, dat die onverschilligheid voortduren zal. Maar eerlijk gezegd, ik geloof niet aan een zoo spoedige genezing, en niettegenstaande alles wat je me zegt, ben ik er zeker van, dat mijn dichter een gebroken hart heeft.”
„Het is best mogelijk,” antwoordde Marcel, terwijl hij afscheid nam van Mimi; „maar de stukken zijn nog goed, als ik mij niet sterk vergis.”
Gedurende dat gesprek op de straat wachtte vicomte Paul op zijn nieuwe maîtresse, die veel later dan afgesproken was bij hem kwam en allesbehalve vriendelijk tegen den vicomte was. Hij knielde voor haar neer en kirde haar zijn lievelingsromance voor: dat zij bekoorlijk was, bleek als de maan, zacht als een lam, maar dat hij haar vooral liefhad om de schoonheid van haar ziel.
„Ach!” dacht Mimi, terwijl zij de golven van haar bruin haar op de sneeuw van haar schouders liet neervallen; „Rodolphe was niet zoo exclusief.”
II.
Het was, zooals Marcel tegen Mimi gezegd had: Rodolphe scheen radicaal genezen te zijn van zijn liefde voor Mademoiselle Mimi, en drie of vier dagen na hun scheiding zag men den dichter geheel gemetamorphoseerd weer verschijnen. Hij was gekleed met een elegance, die hem zelf onherkenbaar voor zijn spiegel moest maken, en niets in of aan hem scheen de vrees te rechtvaardigen, dat hij het voornemen had zich te storten in de afgronden van het Niet, welk praatje mademoiselle Mimi met gehuicheld medelijden ingang trachtte te doen vinden. Rodolphe was inderdaad volkomen kalm; hij luisterde, zonder dat er ook maar één spier op zijn gelaat vertrok, naar de verhalen, die hem gedaan werden over de nieuwe en weelderige levenswijze van zijn vriendinnetje, dat er van haar kant een genoegen in vond hem zooveel mogelijk over haar te laten inlichten door een jonge vrouw, die haar vertrouwde gebleven was en in de gelegenheid verkeerde bijna iederen avond met hem te praten.
„Mimi is erg gelukkig met vicomte Paul,” zeide zij tegen den dichter; „zij schijnt dol verliefd op hem te zijn; één ding echter verontrust haar, zij is n.l. bang, dat gij haar rust zult komen storen door achtervolgingen, die echter zeer gevaarlijk voor u zouden zijn, want de vicomte aanbidt zijn maîtresse en heeft twee jaar lang de schermschool bezocht.”
Natuurlijk werd Mimi op de hoogte gebracht van de kalmte, waarmede haar vroegere minnaar al die bijzonderheden opnam, en van haar kant verzuimde zij niet met een schouderophalen te antwoorden:
„Het is goed! We zullen binnenkort wel zien, waar het op uitloopt!”
Intusschen was Rodolphe nog meer dan ieder ander verbaasd over die plotselinge onverschilligheid, welke, zonder de gewone phasen van droefgeestigheid en melancholie te doorloopen, volgde op de woeste stormen, die nog eenige dagen te voren in zijn hart gewoed hadden. De vergetelheid, die anders vooral voor ongelukkige verliefden zoo langzaam komt; de vergetelheid, die zij luide roepen en die zij nog luider terugstooten, wanneer zij haar voelen naderen; deze onverbiddelijke troosteresse had zich plotseling en onverwachts, zonder dat hij er zich tegen had kunnen verzetten, in Rodolphe’s hart ingedrongen, en de naam van de vrouw, die hij zoo hartstochtelijk had liefgehad, kon nu genoemd worden, zonder in zijn ziel een weerklank te vinden. Wonderlijk, Rodolphe, wiens sterk geheugen de herinneringen aan dingen, die in de verst verwijderde dagen van het verleden geschied waren, en aan personen, die in zijn leven, al was het nog zoo lang geleden, een rol gespeeld of op zijn bestaan invloed gehad hadden, bewaarde; diezelfde Rodolphe kon, hoe hij zich ook inspande, zich vier dagen na de scheiding niet duidelijk de trekken herinneren van zijn vriendinnetje, dat met haar blanke, zachte handjes zijn leven bijna gebroken had. De zachte oogen, in wier schittering hij zoo dikwijls ingeslapen was, kon hij zich niet meer voor den geest roepen. Hij herinnerde zich zelfs den klank der stem niet meer, wier uitbarstingen van woede of verliefd gefluister hem tot waanzin brachten.
Een van zijn vrienden, ook een dichter, die hem sinds zijn echtscheiding niet gezien had, zag hem op een avond blijkbaar in droeve gedachten verzonken met groote passen op straat op en neer loopen.
„Zoo, ben jij daar!” zeide de dichter, terwijl hij Rodolphe de hand toestak en hem nieuwsgierig opnam.
Daar hij zag, dat Rodolphe een bedroefd gezicht zette, meende hij hem wat moed te moeten inspreken:
„Kom, kerel, moed! Ik weet, dat dergelijke dingen zwaar te dragen zijn, maar het had er toch eenmaal toe moeten komen. Beter nu dan later! En binnen drie maanden ben je weer heelemaal genezen!”
„Wat voor een dwaasheid sta je toch uit te slaan?” zeide Rodolphe; „ik ben niet ziek.”
„Kom,” antwoordde de ander, „houd je nou maar zoo groot niet. Ik ken de heele geschiedenis, en al kende ik die niet, dan zou ik die toch op je gezicht kunnen lezen.”
„Pas op, kerel, je vergist je!” zeide Rodolphe; „weliswaar ben ik vanavond een beetje mismoedig, waar wat de oorzaak daarvan betreft, sla je de plank heelemaal mis.”
„Ach, Rodolphe, waarom strijdt je toch zoo tegen? Het is heel natuurlijk; een liaison, die bijna twee jaar geduurd heeft, breek je niet zoo maar zonder kleerscheuren af.”
„Dat zeggen jullie allemaal!” zeide Rodolphe ongeduldig; „maar jullie hebt het allemaal op mijn woord van eer mis. Ik ben erg bedroefd en zie er misschien ook zoo uit, dat is mogelijk; maar ik ben het alleen maar, omdat mijn kleermaker mij vandaag mijn nieuwe pak zou bezorgen en het niet gedaan heeft. Zie je, daarom heb ik het land.”
„Grappenmaker, grappenmaker!” zeide de ander lachend.
„Waarachtig niet, ik ben ernstig, doodernstig. Luister maar even naar mijn redeneering.”
„Nou ik luister: bewijs mij eens hoe je redelijkerwijze zoo’n bedroefd gezicht kunt zetten, omdat een kleermaker je pak niet thuisbezorgd heeft. Ga je gang, en laat eens hooren.”
„Je weet toch,” zeide Rodolphe, „dat kleine oorzaken groote gevolgen kunnen hebben. Ik moest vanavond een zeer gewichtig bezoek afleggen en dat kan ik nu niet doen, omdat ik geen fatsoenlijk pak heb. Begrijp je het nu?”
„Neen, volstrekt nog niet. Ik zie tot op dit oogenblik geen voldoende motief, om zoo het land te hebben. Je vindt het vervelend ..... omdat ..... kort en goed, je lijkt wel dwaas, om me zoo iets op de mouw te willen spelden. Dat is mijn meening.”
„Kerel, je bent al bliksems halsstarrig. Je hebt altijd reden om het land te hebben, wanneer je een gelukje of zelfs maar een pleiziertje misloopt, omdat het dan zoo goed als onherroepelijk verloren is, want het is meestal zelfbedrog als je tegen je zelf zegt: „Ik zal het een anderen keer wel inhalen!” Maar om kort te gaan, ik had vanavond een rendez-vous met een jong meisje: ik zou haar ontmoeten in een huis, vanwaar ik haar misschien mee naar mijn kamer genomen zou hebben, als het korter was dan om naar de hare te gaan, en misschien ook wel, al was het langer. In dat huis nu wordt vanavond een soirée gegeven, een soirée waarop je alleen maar in rok kunt komen; ik heb geen rok, mijn kleermaker moest mij er een brengen; hij brengt dien rok niet, dus kan ik ook niet naar de soirée gaan; dus ontmoet ik het jonge meisje niet, dat nu misschien een ander ontmoet; dus breng ik haar noch naar mijn kamer noch naar de hare, waarheen ze nu misschien door een ander gebracht wordt. Zooals ik al zeide, loop ik derhalve een gelukje of een pleiziertje mis; derhalve heb ik het land; derhalve zie ik eruit, alsof ik het land heb; derhalve is de heele zaak heel natuurlijk.”
„Nou goed dan,” zeide de vriend. „Derhalve ben je nauwelijks met je eenen voet uit de hel, of je stapt met je anderen weer in een nieuwe; maar, waarde vriend, toen ik je hier in de straat zag, maakte het toch precies den indruk, alsof je hier liept te schilderen.”
„Dat deed ik ook,” antwoordde Rodolphe.
„Maar het is toch wel heel toevallig, dat dit juist gebeurt in het stadsdeel, waarin je vroeger vriendinnetje woont: wat bewijst mij, dat je niet op haar wacht?”
„Hoewel ik van haar gescheiden ben, hebben particuliere redenen mij genoopt in dit stadsgedeelte te blijven wonen; maar al zijn we bijna buren, toch zijn we even ver van elkaar verwijderd, alsof zij zich aan de Noord- en ik mij aan de Zuidpool bevond. Bovendien zit mijn vroegere maîtresse op dit oogenblik in het hoekje van den haard en neemt les in de Fransche taal bij vicomte Paul, die haar door middel van de orthographie op het pad der deugd wil terugbrengen. Lieve Hemel, wat zal hij haar verwennen! Enfin, dat is zijn zaak, nu hij de hoofdredacteur van zijn geluk is! Je ziet dus, dat je opmerkingen meer dan onzinnig zijn, en dat ik, verre van het uitgewischte spoor van mijn oude liefde weer te willen zoeken, juist een nieuwe op het spoor ben, die reeds in mijn nabijheid woont en nog dichter bij mij komen zal, want ik ben volkomen bereid haar een eind weegs tegemoet te gaan, en als zij dat ook wil doen, zal het niet lang duren voor we het eens zijn.”
„Ben je dus werkelijk alweer verliefd?” vroeg de dichter.
„Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur,” antwoordde Rodolphe; „mijn hart lijkt op een woning, die je dadelijk te huur hangt, zoodra de bewoner heeft opgezegd. Wanneer een liefde mijn hart verlaat, hang ik een bordje uit, om een andere te krijgen. De kamers zijn bovendien prettig om te bewonen en pas gerepareerd.”
„En wie is die nieuwe afgod? Waar en wanneer heb je ze leeren kennen?”
„Laat ik het je regelmatig vertellen,” zeide Rodolphe. „Toen Mimi me verlaten had, was ik er vast van overtuigd, dat ik nooit van mijn leven weer verliefd zou worden, en geloofde ik in allen ernst, dat mijn hart van uitputting of ouderdomszwakte of wat je maar wilt gestorven was. Het had zoo hard en zoo lang geklopt, dat dit zeer goed mogelijk was. Kortom ik waande het dood, morsdood, zòò dood, dat ik erover dacht het net als Marlborough te begraven. Bij die gelegenheid gaf ik een klein begrafenisdinertje, waarop ik enkele van mijn intieme vrienden inviteerde. De gasten moesten een bedroefd gezicht trekken en de flesschen hadden een rouwfloers over de hals.”
„En waarom heb je mij niet gevraagd?”
„Neem me niet kwalijk, maar ik wist het adres van de wolk, waarop je troont, niet.”
„Nou enfin, vertel maar verder!”
„Een van de gasten had een jong meisje meegebracht, dat ook kort geleden door haar minnaar verlaten was. Een van mijn vrienden, die heel goed op de violoncel der sentimentaliteit speelt, vertelde haar mijn geschiedenis. Hij schilderde de jonge weduwe de goede hoedanigheden van mijn hart, dien armen doode, dien we juist wilden gaan begraven, en noodigde haar ten slotte uit een dronk te wijden aan zijn eeuwige rust. Doch haar glas opheffende zeide zij: „Integendeel, ik drink op zijn voortdurende gezondheid!” En bij die woorden wierp zij mij een blik toe, om een doode weer levend te maken, zooals men dat noemt, en hier kon men dat met recht zeggen, want nauwelijks had zij haar toast uitgebracht, of ik voelde, dat mijn hart het O Filii der Opstanding begon aan te heffen. Wat hadt jij in mijn plaats gedaan?”
„Dat is ook een vraag!.... hoe heet zij?”
„Dat weet ik zelf niet, en ik zal haar naam niet vragen, voordat we ons contract teekenen. Ik weet wel, dat ik volgens het inzicht van sommige menschen den wettelijken treurtermijn nog niet geheel doorloopen heb, maar ik heb aan mezelf dispensatie gevraagd en.... . verleend. Wat ik wel weet, is dat mijn aanstaande als bruidschat vroolijkheid, die de gezondheid is van den geest, en gezondheid, die de vroolijkheid van het lichaam is, zal medebrengen.”
„Is zij knap?”
„Heel knap, vooral haar tint is mooi; je zoudt bijna denken, dat zij zich ’s ochtends met het palet van Watteau schminkt.
Elle est blonde, mon cher, et ses regards vainqueurs Allument l’incendie aux quatre coins des cœurs.
Getuige het mijne!”
„Een blondine? Dat verwondert me van jou!”
„Ja ik heb genoeg van ivoor en ebbenhout, ik ga over tot de blondines.”
En al luchtsprongen makend, begon Rodolphe te zingen:
„Et nous chanterons à la ronde,
Si, vous voulez,
Que je l’adore, et qu’elle est blonde
Comme les blés.”
„Arme Mimi!” zeide de vriend; „zoo gauw vergeten!”
Deze naam deed Rodolphe’s uitbundigheid dadelijk verstommen en gaf aan het gesprek plotseling een andere wending. Rodolphe gaf zijn vriend een arm en vertelde hem uitvoerig de oorzaken van zijn breuk met Mimi; den angst, die zich van hem meester had gemaakt, toen zij hem had verlaten; hoe ontroostbaar hij geweest was, omdat hij meende, dat zij al zijn levenskracht en liefde met zich medegenomen had; en hoe hij twee dagen later tot de ontdekking gekomen was, dat hij zich vergist had, toen hij voelde, hoe het kruit van zijn hart, dat door zooveel snikken en tranen nat geworden was, onder den eersten van jeugd en hartstocht fonkelenden blik voor de eerste vrouw, die hij ontmoette, weer warm geworden was, vuur had gevat en ontploft was. Hij schilderde hem den plotselingen en geweldigen ommekeer, dien de vergetelheid, zonder dat hij die te hulp had geroepen, in hem veroorzaakt had, en hoe de smart in hem gestorven en in die vergetelheid begraven was.
„Is het geen wonder?” vroeg hij aan den dichter.
Doch deze, die alle smartelijke hoofdstukken van een ongelukkige liefde uit eigen ervaring kende, antwoordde:
„Welneen, beste kerel, er gebeuren geen wonderen meer, noch voor jou noch voor anderen. Wat jou nu overkomt is mij ook overkomen. Wanneer de vrouwen, die wij liefhebben, onze maîtressen worden, houden zij op voor ons te zijn wat zij in werkelijkheid zijn. Wij zien ze dan niet alleen meer met de oogen van den minnaar, maar ook met die van den dichter. Zooals de schilder om een ledepop het keizerlijke purper of den met sterren bezaaiden sluier van een heilige jonkvrouw hangt, hebben wij altijd magazijnen vol schitterende mantels en verblindend witte gewaden, die we onverstandige, onbevallige of kwaadaardige schepselen om de schouders werpen; en wanneer zij dan zoo gekleed zijn in het kostuum, waarin onze ideale geliefden ons in het azuur van onze droomen verschenen, dan laten wij ons door deze vermomming om den tuin leiden. Wij belichamen onzen droom in de eerste de beste vrouw, tegen wie wij onze taal spreken, en die ons niet begrijpt.
„En wanneer dan zoo’n schepsel, dat wij aanbidden en aan wiens voeten wij nederknielen, zichzelf het goddelijk omhulsel, waaronder wij het verborgen hadden, afrukt, om ons des te beter haar lage natuur en haar gemeene instincten te laten zien; wanneer zoo’n vrouw onze hand op haar hart legt, waarin niets meer klopt en misschien nooit iets geklopt heeft; wanneer zij haar sluier wegslaat en ons haar doffe oogen, haar bleeke lippen en haar verwelkte trekken zien laat, dan hullen wij haar weer in dien sluier en roepen uit: „Gij liegt, gij liegt! Ik heb je lief en gij hebt mij lief! Die witte boezem is het omhulsel van een hart, dat nog in de volle kracht van zijn jeugd is; ik heb je lief en gij hebt mij lief! Gij zijt mooi, gij zijt jong! Onder in al je gebreken leeft nog de liefde. Ik heb je lief en gij hebt mij lief!
„Ten slotte echter—o, heelemaal ten slotte—bemerken wij, nadat wij ons vergeefs een driedubbele blinddoek voor de oogen gebonden hebben, dat wij zelfs de slachtoffers van onze dwalingen geworden zijn en jagen wij de ellendige weg, die den dag tevoren nog onze afgod was geweest; wij nemen dan den gouden sluier van onze poëzie terug, om ze den volgenden dag weer te werpen over de schouders van een nieuwe onbekende, die onmiddellijk haar plaats als stralenomkranst afgodsbeeld inneemt. En zoo zijn wij allen—vreeselijke egoisten bovendien, die de liefde liefhebben ter wille van de liefde; je begrijpt, wat ik bedoel; en wij drinken dien goddelijken nektar uit het eerste het beste glas, getrouw aan de spreuk:
„Qu’importe le flacon, pourvu qu’on ait l’ivresse!”
„Wat je daar zegt is even waar, als tweemaal twee vier is,” zeide Rodolphe tot den dichter.
„Ja,” antwoordde deze, „het is waar en treurig, zooals bijna alle waarheden. Bonsoir.”
Twee dagen later hoorde mademoiselle Mimi, dat Rodolphe een nieuw vriendinnetje had. Zij informeerde echter verder slechts naar één ding, n.l. of hij haar even dikwijls de hand kuste als haarzelf vroeger.
„Even dikwijls!” antwoordde Marcel. „En bovendien kust hij ook haar haren, het eene na het andere, en zij zullen zòò lang bij elkaar blijven, tot hij ze alle gekust heeft.”
„Hè!” antwoordde Mimi, terwijl ze met beide handen door haar haar streek; „gelukkig maar, dat hij zich niet in zijn hoofd gehaald heeft met mij hetzelfde te doen, anders waren we ons leven lang bij elkaar gebleven. Geloof je overigens werkelijk, dat hij heelemaal niet meer van me houdt?”
„Ach!.... En houdt jij nog van hem?”
„Ik heb nooit van hem gehouden!”
„Dat is wel waar, Mimi, je hebt van hem gehouden op het oogenblik, dat het hart van een vrouw op zijn goede plaats zit. Je hebt van hem gehouden—spreek dat niet tegen, want juist daarin ligt je rechtvaardiging.”
„Bah!” zeide Mimi; „hij houdt nu van een ander!”
„Dat is zoo!” zeide Marcel, „maar dat doet aan de andere zaak niets af. Later zal de herinnering aan jou voor hem zijn als die bloemen, welke men frisch en geurend tusschen de bladeren van een boek legt, en die men veel, heel veel later terugvindt, verwelkt, verkleurd en dood, maar toch nog altijd met een onbestemden geur van haar eerste frischheid.”
Op een avond, dat Mimi zacht een melodie neuriede, vroeg vicomte Paul haar:
„Wat zing je daar, lieveling?”
„De lijkrede van onze liefde, die mijn vroegere minnaar Rodolphe onlangs gedicht heeft.”
En zij zong:
„Je n’ai plus le sou, ma chère, et le Code,
Dans un cas pareil, ordonne l’oubli;
Et sans pleurs, ainsi qu’une ancienne mode,
Tu vas m’oublier, n’est-ce pas, Mimi?
C’est égal, vois-tu, nous aurons, ma chère,
Sans compter les nuits, passé d’heureux jours,
Ils n’ont pas duré longtemps; mais qu’ y faire?
Ce sont les plus beaux qui sont les plus courts.”