OVERVECHT.
Reading edition
De
LIGGING
Van deeze polder, is ten oosten van de Stad Weesp, en ten noord-oosten van de aangenaame rivier de Vecht, niet onaartig door de zoetzingende Willink, de eigenschap van blank toegekend; daar hij zegt:
Nu vloeit de blanke vecht in vreê,
En schuurt met haare zoete dreeven,
De Muiderschutsluis door in zee,
Om met het pekelnat te paaren;
Nu bruischt zij langs dat luchtig oord,
Daar zij op net beschaafde zangen,
En zuiver heldendicht bekoord,
Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen,
In twijfel of zij stil zal staan,
Of op die toonen verder gaan.
Deeze aangenaame rivier stroomt, beoosten Utrecht, uit den Rhijn noordwaards aan voorbij Zuilen, Maarssen, Breukelen, Loenen, Vreeland, Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en lustpaleizen, tot daar zij, door Muiden in zee stort.
Wegens deszelfs
NAAMSOORSPRONG
Behoeft verder niets gezegd te worden, alzo de betekenis van den naam deszelfs oorsprong aanwijst: de polder Overvecht, ligt naamlijk over de rivier Vecht, voornoemd.
De grootte van den grond der polder is weder onder de grootte van geheel Weesper-kerspel betrokken.
Voords behoeft van dezelve niets meer gezegd te worden, alzo zij geheel niet bewoond wordt.
Onder de polder Overvecht, behoort ook die welke den naam draagt van
UITERMEER.
Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen, die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschen Weesp en de schans, (van welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens eene uitspanning is.
De weg van Weesp, naar Uitermeer, of wel naar de straks te beschrijvene Uitermeersche schans, loopt langs den bevalligen Vechtstroom, en is ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der zilveren Vecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen: aan de boord der Vecht vindt men ook hier en daar voor de buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.
Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polder Uitermeer gelegen is de bovengenoemde bekende
UITERMEERSCHE SCHANS.
Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven: „de Uitermeersche Schans dekt een sluis aan de Vecht, door welke het omliggende land beoosten de Vecht, voornoemd, onder water gezet kan worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt, schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naar Ankeveen en ’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit de Vecht naar Gooiland vaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld betaalen.”
De des kundigen houden de Uitermeersche schans (die thans door eenige invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze jongstledene beroerten, waarin wij door de Pruissen aangevallen werden, ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn de Pruisische Ruiters zonder slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.
Voegelijk kunnen wij hier nog een woord zeggen van
DE OVERMEERSCHE SCHANS,
Gelegen aan den Hinderdam, aan de westzijde van de Vecht, ruim een uur gaans van de stad Weesp: deeze ligt op een eilandjen, in het midden van de aangenaame Vecht meergemeld, zo dat men er rondsom kan heenvaaren: zij is in of omtrent den jaare 1747, ongemeen veel verbeterd—„In een kaart van 1619,” leezen wij, „wordt hier een dam getekend, die dwars door de Vecht lag, en met sluizen voorzien was: in deeze kaart vindt men geene sluizen te Muiden, zo dat men hier het water van de Vecht schijnt te hebben afgeschut; waaromtrent het maaken van de Uitermeersche sluis verandering schijnt ten wege gebragt te hebben.”
Tusschen de Uitermeersche Schans, en den Hinderdam, stond weleer het Huis ten Bosch, zijnde eene oude Ridder-Hofstede, aan den Huize van Ysselstein toebehoorende; doch wij kunnen zulks echter als geene bijzonderheid van deezen omtrek opgeeven, om dat er thans volstrekt niets meer van dat Huis voorhanden is: in den oorlog tusschen Hertog Filips van Bourgondiën, en den Bisschop van Utrecht, werd dit aanzienlijke Huis door het krijgsvolk van den Hertog geheel verwoest: evenwel schijnt men het daarna weder opgebouwd te hebben, aangezien men aangetekend vindt, dat de Franschen, in den oorlog van den jaare 1672 en 1673, hetzelve andermaal geheel hebben vernield.

’t Dorp Oud-Loosdrecht
OUD-LOOSDRECHT is ’t, dat de oogen streelt,
Door schoon geboomt en vette weiden,
Door uitzicht op bebouwde heiden,
Maar meest door dat het steeds in diepe vrede deelt.