← Table of contents
De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

HET DORP ’S GRAVELAND.

Reading edition

Het zeer vermaaklijk Gooiland, roemt met reden op het aangenaam dorp, zo even genoemd; en het welk te meer bewondering verdient, daar niet langer dan eene eeuw geleden, nog niets van deszelfs fraai bestond; want men vindt het ten dien tijde beschreven, als onlanden, vullingen, (verlatene veenen, voegen eenigen daarbij, doch onze geëerde correspondent in deezen, zegt desaangaande: „immers schijnt men hier niet te weeten, dat hier, vóór den aanleg van ’s Graveland, zulke veenen geweest zijn:”) uitgedolvene en moerassige plaatsen, die meest niet anders dan biezen, hei en andere wilde ruigte voordbragten; deeze eigenschap vergelijkende bij de schoonheid waarmede het thans prijkt, verstrekt ten bewijze wat de vruchten zijn van eene arbeidzaame verbeterende hand.

De

LIGGING

Van dit dorp, maakt, met deszelfs landstreek, het westlijkste gedeelte van het aangenaame Gooiland uit; zijnde hier de grensscheiding tusschen Holland, en ’t Sticht, eenige voeten ten westen van de ’s Gravelandsche vaart, die naar de Loosdrecht heenloopt, en ook tot op een half uur afstands naar Hilversum; (men zie onze beschrijving van dat dorp).

NAAMSOORSPRONG.

Deeze is zeer zeker niet ver te zoeken; de naam zelf brengt zijnen oorsprong mede; de landen, zo woest en onbebouwd als zij ten bovengemelden tijde nog lagen, behoorden aan ’s Lands Graaven, zonder onder het bijzonder bestuur van eenige andere dorpen van Gooiland te weezen, en derhalven gaf men hun den onderscheidenden naam van ’s Graaven landen, waarvan men bij verkorting ’s Graaveland, of ’s Graveland gemaakt heeft.

STICHTING EN GROOTTE.

Van hoe slechten aanzien deeze landen ook waren, moet de grond echter van zodanigen aart geweest zijn, dat zij voor het bebouwen goede vruchten beloofd hebben; want omtrent den jaare 1625 waren er lieden die zulks begeerden te onderneemen; ten welken einde zij zig keerden tot de rekenkamer van de Gravelijkheids domeinen, met verzoek om die dorre gronden, welken men toen, gelijk gezegd is, den naam van Onlanden gaf, voor zekere erkentenisse te mogen bekomen: de rekenkamer voornoemd wees de verzoekers naar de Staaten van Holland en Westvriesland; aan welken de onderneemer, toen aan hun hoofd hebbende zekere Mr. Jan Ingel, zig ook keerden, met verzoek van ’s Graaven landen, die geheel onbebouwd lagen, te mogen benaderen, op zulk eene wijze als zij met de rekenkamer zouden kunnen overeenkomen, en om tevens voor zeker getal van jaaren, zodanige voorrechten en vrijdommen te mogen genieten als gemeenlijk bij den aanleg van nieuwe landen of bedijkingen worden vergund, benevens het recht van Ambachtsheerelijkheid over den grond, die hun zoude worden toegestaan: dit hun verzoek werd hun ook, onder eenige bepaaling, ingewilligd, en voor die inwilliging, zouden zij, jaarlijks, aan de Graaflijkheid, (want nimmer heeft de Graaflijkheid iet, hoe gering van waarde, afgestaan zonder belooning,) moeten betaalen tien stuivers voor ieder morgen lands; welke belasting volgends octrooi van den Jaare 1636 is veranderd op de elfde schoof: (dit is volgends onze Autheuren, over Gooiland handelende; doch onze begunstiger boven bedoeld, zegt in zijne berichten, ons vriendlijke, medegedeeld, dat men te ’s Graveland meede geene kundschap van die elfde schoof draagt.)—„De ingelanden,” dus leezen wij elders, „verkregen toen ook het civile rechtsgebied, om, met raad van den Bailluw van Gooiland keuren te mogen maaken, en hunne landen te laaten berechten door een’ Schout en Schepenen, bij den Bailluw uit de ingezetenen te kiezen; blijvende het crimineele ter berechtinge van de vierschaar der stede Naarden.”—Op deezen voet dan sloeg men handen aan ’t werk, om de landen aftegraaven, en ter bebouwinge bekwaam te maaken: dan, zulks stak de omliggende dorpen, voornaamlijk Hilversum, in de oogen; zij vreesden door den aanleg van dit nieuwe dorp benadeeld te zullen worden, en deeze eigenbaat ging zo verre, dat de arbeiders der onderneemeren geduurig door de ingezetenen van de bedoelde dorpen, in hun werk gestoord werden, niet alleenlijk met hunnen arbeid te vernielen, maar zelfs rees die naijver zo hoog, dat zij met scherp op de gezegde arbeiders schoten, waardoor niet zelden eenigen, vooral van de graavers, gekwetst werden; men pleegde omtrent hen ook allerleie moedwilligheid, niettegenstaande ’s Lands Staaten daar tegen verscheidene plakaaten lieten uitgaan, niet alleen, maar ook de arbeiders in hunne verrichtingen lieten beschermen door een compagnie ruiters en voetvolk—deeze loontrekkers zijn zeldzaam van eenigen dienst, wanneer de gemoederen in onrust gebragt zijn; soldaaten kunnen alleenlijk tegen soldaaten bestand weezen, maar tegen burgers welken in hunne rechten meenen te kort gedaan te zijn, vermogen zij niets; hunne loon-slagen hebben den aandrang niet van de vrijwillige slagen van vergramde burgers—Zonder thans te onderzoeken in hoe verre de ingezetenen van Hilversum en de andere omliggende dorpen, in deezen gelijk hadden, blijft echter het gezegde een onwederspreekelijke waarheid; een waarheid welke door alle gezachvoerders in ’t oog behoorde gehouden te worden, ofschoon de droevige ondervinding leere, dat zij dezelve telkens weder op nieuw veronachtzaamen, waardoor hun gezach een ongenezelijke krak krijgt, en de zetels aan het waggelen raaken.

Niettegenstaande alle de gezegde hinderpaalen, werd de arbeid zo spoedig voordgezet, dat reeds in den jaare 1634, de akkers konden gekaveld worden, en derhalven mag men de stichting des dorps tot dien tijd brengen: sedert is deeze grond tot een allerverrukkelijkst oord en een pronk van geheel Gooiland geworden; in een kleinen omvang, ontmoet men er zeer aangenaame gezichten van lommerrijk geboomte, vruchtbaare zaai- en wei-landen, heiden, water, veengronden, en veele aanzienlijke buitenplaatsen; waarvan straks nader.

Wat voords aangaat het tweede gedeelte van het tegenwoordige artikel in ons plan, naamlijk de grootte van ’s Graveland; ten gemelden tijde was de bereide grond groot, 555 morgen en 28 roeden Rhijnlandsche maat.

Volgends de lijst der verpondingen van den jaare 1732, stonden toen te ’s Graveland 119 huizen, welk getal in 1734 één meer (120) was; sedert is dat getal aangewassen tot ruim 140, die bewoond worden door meer dan 200 huisgezinnen; twee derden van welken van den Gereformeerden Godsdienst zijn; slechts weinigen zijn Luthers, en de overigen meest Roomsch: de huizen, in zo verre zij niet tot lusthuizen, of boerewooningen dienen, staan allen aan de westzijde van de plaats, strekkende zig bijna een uur gaands in de langte uit; aan de oostzijde vindt men niet anders dan schoone weilanden, en, gelijk gezegd is, heerelijke lustplaatsen: de erven der wooningen liggen tot aan de ’s Gravelandsche vaart: de gemelde bouwing van de dorpbuurt, naamlijk aan eene zelfde zijde, moet geschieden, zo lang er plaats in de langte van ’s Graaveland overblijft: aan die zijde zijn ook veele linnenbleekerijen, welken goed water uit de vaart hebben, en, gelijk bekend is, zeer geroemd zijn; men verzekert dat het linnen, ’t welk te ’s Graveland gewasschen en gebleekt wordt, in zindelijkheid en witheid, de behandeling op de bleekerijen buiten Haarlem niet alleen evenaart, maar zelfs dikwijls overtreft—uit het gezegde blijkt dat de aanleg van ’s Graaveland derhalven zeer regelmaatig, strekkende zig het grondgebied aan de zijde van Naarden, van den hoek aan de noordzijde, genoegzaam in eene rechte lijn tot voorbij de Hilversumsche vaart, langs eenen weg, (gelijk gezegd is, bijna een uur gaands lang,) die ter wederzijde beplant is met eene dubbelde rei van hooge en schoone eiken en andere boomen.

Alles is te ’s Graveland in eene zeer goede orde, ’t welk de ingezetenen te danken hebben aan verscheidene keuren, daartoe van tijd tot tijd gemaakt, zo ten aanzien van de gemeene wegen en vaarten, als tot rust der ingezetenen, en tot weeringe van allerleie vechterijen en baldaadigheden; ook is er zeer goede orde gesteld op het brandblusschen, (eene zaak voorwaar van het hoogste aanbelang,) waartoe thans twee goede brandspuiten worden onderhouden—„Tot verdere veiligheid,” leezen wij elders, „worden ook alle onbekende bedelaars en marskraamers geweerd; bij nacht wordt er de ronde gedaan, waartoe iederen nacht” (van November tot half Maart) „elf” (thans twaalf,) „persoonen de wacht hebben, en in drie” (thans vier,) „wachthuizen bescheiden zijn:” (en alle uuren de ronde doen,) „alle manspersoonen, agttien jaaren oud en daar boven, moeten zig hiertoe laaten gebruiken; doch het staat vrij zijn wacht aan een ander der medgezellen aantebesteden.”

Het

WAPEN

Van dit aanzienlijke en beroemde dorp, is een gekroonde trapgans, op een zilveren veld.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Het eerste dat hier in aanmerking komt, is de Gereformeerde kerk: van de Gooische of Hilversumsche zijde, en haren stand gerekend naar de breedte of diepte des dorps, staat zij ten westen; doch van den gemeenen weg, en de zijde der huizen te zien ten oosten, en omtrent in ’t midden van het dorp, op een zeer belommerd kerkhof: zij is wel niet groot, maar echter zeer net gebouwd; is een kruiskerk met leiën gedekt, en heeft een klein vierkant torentjen, met uur- en slag-werk voorzien: van binnen heeft zij voords niets aanzienlijks, naamlijk niets bijzonders der aantekeninge waardig; dit alleenlijk kunnen wij ’er nog van zeggen, dat zij thans te klein is voor de Gemeente die sedert haaren aanleg aanmerkelijk grooter is geworden.

De grond van de Kerk, van het Kerkhof en de Pastorij, is bij den aanleg der kerk afgegeven van de hofstede Hilverbeek, die achter het gebouw ligt.

Den 7 julij 1658, werd in de toen volbouwde kerk ’t eerst het woord Gods gepredikt, en daar door dit Godshuis ingewijd, door twee gedeputeerden van de Classis van Amsteldam, naamlijk Menso Johannis, Predikant aldaar, en Johannes van Sanen, Predikant te Huizen: vervolgends werd de predikdienst waargenomen door den Predikant en gerecommandeerden Proponent van gemelde Classis van Amsteldam, tot dat, op eenstemmig advis der Heeren, zo Hoofd- als Gemeene-Ingelanden, en goedvinden van alle de Ledemaaten, door meergemelde Classis, op den 22 Sept. 1659, beroepen, en door Heeren Hoofd-Ingelanden goedgekeurd werd, Cornelius van Midlum, die op den 2 Novemb. daar aan volgende, zijn Leeraarswerk begon.

Er is voords te ’s Graveland geen Weeshuis, de Weezen worden bij de burgers besteed: zie wegens de armen, bladz. 9.

De Pastorij is voor ruim 20 jaaren geheel vernieuwd, en is thans één der schoonsten uit de Provincie Holland.

Van het Schoolhuis zoude men iet dergelijks niet kunnen zeggen—In het school bevinden zig dagelijks, door elkander gerekend, ruim 100 kinderen, en veelen van die gaan aldaar voor rekening van eenige weldaadige bewooneren der lustplaatsen, welken op die wijze, min vermogende ouders, die niet van de diaconie bedeeld worden, de huishoudelijke lasten helpen draagen.

De Lutherschen en Roomschen welken te ’s Graveland zijn, hebben op het dorp geene vergaderplaatsen; de Roomschen gaan te Ankeveen, een klein uur van daar, te kerk; zij behooren onder die parochie; en de Lutherschen behooren onder de kerk van Weesp; alwaar zij echter alleenlijk het avondmaal gaan houden, neemende voords den openbaaren Godsdienst bij de Gereformeerden op hun dorp waar.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Hier van valt weinig aantetekenen; het rechthuis wordt, volgends eene gewoonte op veele dorpen plaats hebbende, gehouden in een herberg.

KERKLIJKE REGEERING.

De Gereformeerden te ’s Graveland (thans ruim 230 ledemaaten uitmaakende, zonder daaronder te betrekken dezulken die des zomers, op hunne lustplaatsen woonende, met hunne dienstboden daar den openbaaren Godsdienst bijwoonen, en veelen van welken er ook ’t avondmaal houden; deeze ledematen) worden bediend door één’ Predikant, zijnde thans de Wel-Eerwaarde en zeer geleerde Heer Nicolaas Govert van Blijenburg, Jerph. Benj. Fil., behoorende onder de Classe van Amsteldam.

Den 27 julij 1660, werd door den toenmaaligen Predikant, met behulp van twee nabuurige Predikanten, eenen Kerkraad aangesteld, bestaande uit twee Ouderlingen en twee Diaconen; uit welk getal de Kerkenraad nog bestaat: elk jaar wordt door de Predikant en verdere Leden des Kerkenraads, een Ouderling en een Diacon gekoren, in plaats van twee anderen die afgaan: noch Gerecht, noch Hoofd-Ingelanden, hebben met deeze verkiezing iet te doen: ook heeft de Kerkenraad de vrije beroeping van eenen Predikant, doch de approbatie geschiedt door Heeren Hoofd-Ingelanden, aan wien de Kerkenraad den beroepenen, met verzoek van goedkeuring, voorstelt; terwijl ook bij die zelfde Heeren, vooraf handopening tot het maaken van eene nominatie en ’t beroepen eens Predikants daar uit, verzocht moet worden: op deeze wyze werdt in ’t jaar 1705, in plaatse van den (op te vooren gezegde manier door de Classis van Amsteldam, beroepen) overledenen Predikant Cornelis van Midlum, beroepen deszelfs zoon, Gerard van Midlum, Predikant te Muiderberg; en vervolgends in ’t jaar 1726, H. J. Elzevier; in ’t jaar 1746, Antonius van der Os, die in ’t jaar 1748, door de Gereformeerde gemeente van Zwol beroepen werd; doch vervolgends tot de Doopsgezinden is overgegaan en thans nog by dezelve te Saandam Leeraar is: in ’t jaar 1748, werdt beroepen Willem Lobé, sedert het jaar 1779 rustend Leeraar: in zijne plaats werdt beroepen Willem Leendert Krieger, thans Predikant in ’s Graavenhaagen; in ’t jaar 1787, is beroepen Henricus Johannes van Wijck, thans te Nijmegen Predikant, en in deszelfs plaats in ’t jaar 1786, de tegenwoordige Leeraar, reeds gemeld.

WERELDLIJKE REGEERING.

Boven hebben wij reeds gezien dat het crimineele rechtsgebied over ’s Graveland, staat aan de vierschaar der stad Naarden.

Vervolgends bestaat de civile rechtbank uit den Schout, (die zijne aanstelling ontvangt van den Bailluw van Gooiland) en vijf Schepenen: ter jaarlijksche verkiezinge van de laatstgemelden, wordt door den Schout en aanwezende Schepenen eene nominatie gemaakt van een dubbeldtal, en deeze nominatie wordt ter verkiezinge gezonden aan den Bailluw van Gooiland, voornoemd; het eene jaar worden ’er 2 en het andere 3 gekozen, die voords 2 jaaren aanblijven.

Er zijn verder Brand- en Wees-meesters, benevens een Bode civil.

Armmeesters zijn hier niet, alle de Gereformeerde armen worden door de Diaconen bedeeld, en de Roomsche armen door hunne eigene Arm- of Kerk-meesters, die te Ankeveen hunne aanstelling ontvangen—Wij dienen hier ook melding te maaken, van de heeren Hoofd-Ingelanden, reeds meermaals genoemd, die zes in getal zijn, en den tijtel voeren van Wel-Edele en Achtbare Heeren Hoofd-Ingelanden: alle de Heeren Ingelanden, die 20 morgen lands by één hier hebben liggen, zijn daar toe verkiestbaar: de Hoofd-Ingelanden blijven levenslang in die waardigheid, ten ware zij vertrokken, of geene bezitters meer bleeven van 20 morgen hier liggend land: in gevalle van vacatuure worden door de overige Heeren Hoofd-Ingelanden nieuwe Hoofd-Ingelanden gekoren; elk derzelve heeft zijne bijzondere Commissie; bij voorbeeld: de oudste is Dijkgraaf en heeft, nevens den daar op volgenden, ’t opzicht en bestuur over Kerk, Pastorij, Schoolhuis enz: twee anderen is ’t opzicht aanbevolen over ’t vreemd volk, ten einde dit te weeren, en op de inkomenden acht te geeven: terwijl dezelve alle belangrijke en voorkomende zaaken met elkander behandelen: zij hebben onder zig een’ Penningmeester, die als hun Secretaris en Rentmeester handelt—behalven de approbatie van den Predikant, hebben zij de aanstelling van Schoolmeester en Koster, Vroedvrouw enz. ’t opzicht over Vaarten, Wegen, Sluizen, enz.

Onder dit artijkel zouden men nog kunnen betrekken de wachthuizen, waarvan wij boven (bladz. 6.) gesproken hebben.

Voorrechten heeft ’s Graveland, voor zo veel ons bekend is, niet.

De

BEZIGHEDEN

Der inwooneren bestaan, gelijk boven reeds aangetekend is, voornaamlijk in het linnenbleeken, den landbouw en tuinderij; voords brengen de menigvuldige buitenplaatsen, alhier liggende, niet weinig toe tot den bloei van het dorp: ’t getal der linnenbleeken beloopt thans vijf-en-twintig—voor ruim een jaar geleden werd er ook een fabriek van vloertapijten te weeven aangelegen.

Veele ingezetenen leggen zig toe om voor eenige maanden in den zomer een gedeelte hunner huizen te verhuuren, onder den naam van optrekken, aan lieden van Amsteldam enz. welken geene buitens hebben, vooral aan zulken die ongesteld, of door eene geëindigde ziekte zwak zijn, of zwakke kinderen hebben: de lucht wordt er voor sommige ziekten en tot herstelling van zwakken zeer goed bevonden; veele ondervinden daarvan de beste uitwerking, doch voor teering en borstziekten wordt de lucht, om haare fijnheid, niet zo goed gehouden.

Wat aangaat de

GESCHIEDENISSEN,

Van het vermaaklijk ’s Graveland, wij vinden daarvan, behalven het geen wegens den aanleg des dorps (zie hier voor, bl. 5.) gezegd is, het volgende aangetekend:

„Het dorp gevoelde in den jaare 1672, zo wel als Hilversum en de Loosdrechten, de inlegering der Franschen, die er tot den jaare 1673 verbleeven, en er veele baldaadigheden pleegden; zij verwoestten voornaamlijk de Hofsteden van den Lieutenant Admiraal Cornelis Tromp, en die van zijn Gemalinne, Vrouwe Margaretha, Baronnesse van Raaphorst, welke lustplaatsen naast elkander gelegen waren; het heerelijk geboomte werd er uitgeroeid, en het landhuis van den Admiraal, werd genoegzaam ten gronde toe gesloopt; alles wat kostelijk en ten cieraad der gebouwen diende, werd verbroken, weggevoerd, verkocht of vernield, en eindelijk werd ook het Landhuis van des Admiraals Gemaalinne in brand gestoken, waardoor het in een puinhoop ter neder stortte; maar deeze ramp, hoewel schadelijk, was tevens oorzaak dat de lusthoven, voornaamlijk die der Gemalinne van den Admiraal, in een heerelijker luister hersteld geworden zijn; gelijk het deftig Trompenburg nog heden getuigt, in welks herstelling en nieuwe opbouw de grootdaadigheid van den Admiraal allezins doorstraalt: het huis, rondsom in eenen vijver gebouwd, is vorstlijk, en rijst uit het water als een kasteel, pronkende met eenen schoonen koepeltoren, onder welks bevang zig een fraaje agtkante zaal, van ongemeene ruimte en pracht van bouwkunde en cieraadjen vertoont: in vier uitstekken van deeze zaal, waarvan het eene tot den ingang dient, zijn de schepen afgebeeld, waarmede de Heer Tromp de overwinning tegen verscheidene natien behaald heeft: rondsom in de koepel is alles zeer heerelijk beschilderd, en de andere vertrekken ontdekken niet minder den grootmoedigen geest van den zeeheld: de plantaadjen beantwoordt aan de deftigheid van het huis, en is in laatere dagen nog vergroot, door één’ van haare volgende bezitteren, den Heere Jacob Roeters, op wiens zoon en naamgenoot, deeze lustplaats bij ervenisse is afgedaald”: de overige lusthoven op dit Dorp zijn ieder in zijne soort niet minder aanzienlijk, en zijn een tourtjen derwaards dubbeld waardig.

Wat heeft de eenigzins ervaren Nederlander, op het zien van de gezegde bevallige lustplaats van den waardigen Vaderlandschen Zeeheld, Cornelis Tromp, niet een ruim veld voor zig, om zijne gedachten te laaten weiden over den staat des Lands ten dien tijde, gezien bij dien van heden!—hadde Nederland thans dergelijke Zeehelden op zijne weinige kielen, het zoude welhaast ondervinden, dat zulke mannen zig zelven voor te waardig houden, om zeediensten als de tegenwoordige te doen: ’t was een Tromp, die met een vloot van een-en-zeventig oorlogschepen tegen de Engelschen optoog; ’t was de vijand toen onmogelijk, zo als men, laas! thans ziet gebeuren, eene geheele vloot Hollandsche Koopvaarders, met haare convooi-schepen, (twee in ’t getal) wegteneemen—in ’t jaar 1652, begeleidde men omtrent driehonderd koopvaarders, met bijna zeventig oorlogschepen van den Staat; drie van de Oostindische Compagnie, behalven de branders, en ander klein vaartuig; toen, derhalven, mogt Nederland eene geduchte zeemogendheid genoemd worden, en wat is het nu?—in 1653 sloeg men tegen de Engelschen, niettegenstaande men derdehalf honderd Koopvaarders onder zijn geleide hadde, en men overwon; in de beschrijving van dien vreezelijken strijd, voorgevallen omtrent Poortland, kan men zien wat men toen van de Nederlandsche helden te wachten hadt: een gedeelte dier beschrijving zegt: „Hier vielen de masten buiten boord, gints ging het wand aan flenters; daar kraakten de ribben, en suisden de kogels door de zeilen heen; aan een anderen kant hechtte een boegspriet in de hoofdtouwen; daar enterde een zijn’ vijand, en vloog met het verdek in de lucht; hier wemelde een zieltoogende in ’t water, en gaf zijne laatste snikken zonder gehoord te worden; gints dobberde een op gescheurde dennen, of haalde het hoofd onder bebloede golven: ’t gekerm der gekwetsten, verdoofd door het gieren der kneppels, koevoeten, gloejende schuiftangen, getakte morgensterren, en draadkogels, ontzettede de aanvallers te minder: onder een dikke rook flikkerde telkens de bliksem van ’t aangestoken buskruid; ’t licht scheen verbaasd gevlugt te weezen, terwijl de dood in een damp rondom snorde; Boulongues bergen sidderden voor den donder der kartouwen, en Poortland beefde; kortom de strijd was zo ijsselijk, dat er nooit schrikkelijker schouwspel geweest is”——toen wist men over ’t algemeen van geen wijken; toen kende men geene andere belangens dan die van ’t vaderland; en die zig niet dapperlijk weerde werd gewis, zonder aanzien van persoon, met den dood gestraft.

’T was een Tromp, die daarna den Staaten wel dorst zeggen dat hij met tegenzin weder in zee ging, om dat men verzuimd had hem andermaal van genoegzaame schepen te voorzien; en ’t was Holland, die voor zig alleen besloot niet minder dan dertig kloeke oorlogschepen te laaten bouwen, en toen men zag dat de Staaten den oorlog tegen Engeland niet naar behooren behartigden, schroomde men niet zig op de ernstigste wijze daarover uittelaaten: ’t is tog zo: gehoorzaam zwijgen geldt alleenlijk als ’t schuitjen van den staat goed gestuurd wordt; maar wordt het op ’t riet aangejaagd, dan is zwijgen zig schuldig maaken aan den ondergang van zig zelven en anderen.

In 1656 lagen er op de rede voor Dantsich, onder veele andere Nederlandsche Oorlogschepen, vier-en-twintig voor Amsteldam alleen—in 1664, bragt Tromp, met twee-en-twintig oorlogschepen de Oostindische retourvloot in de Vaderlandsche havens—in ’t volgende jaar liep hij met zijne vloot, tegen de order van Heeren Gecommitteerden, binnen, om dat de Capiteinen niet getrouw gediend hadden, en niet behoorelijk gestraft waren—zulke mannen hadden verdiensten genoeg om geen ontzach te hebben voor slechte bestuurders.

In 1666, liepen, de even beroemde de Ruiter en Tromp, in zee met een vloot van een-en-negentig Schepen, gewapend met vier duizend, zeven honderd en zestien stukken, en bemand met twintig duizend vier honderd en twee-en-zestig koppen, waarmede men niet minder dan vier dagen lang tegen de Engelschen sloeg.

De zeeheld, waarde leezer! wiens nagedachtenis bij u op het zien van zijn lusthuis zekerlijk bij uitneemendheid verlevendigt, was (niet tegenstaande men hem ten lasten legde, dat hij den Prins van Oranje te zeer toegedaan was,) zulk een Vaderlander, als er thans maar weinigen gevonden worden; een Vaderlander, die (in 1673,) toen het weder op een vechten zoude gaan, en nu tegen de Engelsche en Fransche vlooten tegelijk, voor het aangezichte van God, en des met een gerust hart, vrij van alle veinzerij, tegen zijne schepelingen dorst zeggen, dat zij om zig in den strijd vroomlijk te kwijten, een voorbeeld moesten neemen aan zijn persoon; dat hij het niet behoefde te doen om eenig genot; maar alles wat hij deed voordkwam uit enkele liefde voor zijn bedrukt Vaderland; het geen tot zodanig een nood was vervallen, dat er, om het voor het uiterste gevaar te behoeden, eene spoedige herstelling vereischt werd; dat die liefde hem weder te scheep had doen treeden, om zijn Vaderland te helpen beschermen en handhaaven; willende zijn leven er liever voor opofferen, dan de oude vrijheid in slaavernij te zien verkeeren en de Nederlanders den hals onder het jok van een vreemde Mogenheid te zien buigen: „Wij hebben” zeide hij, „een rechtvaardigen God, en een rechtvaardige zaak; laaten wij ons daarop vertrouwen; ik twijfel niet indien gij u altezamen gedraagt als eerlijke lieden, of ’t zal wèl gaan”—De rechtvaardigheid van eene zaak waarom gestreden wordt geeft zekerlijk een held moed; want dan durft hij op den bijstand van God hoopen——beklaagenswaardig volk dat in eenen onrechtvaardigen oorlog op den slagtbank gebragt wordt!.… ja wat zou men, bij ’t herdenken aan Nederlands voorgaande tijden, en Nederlands voorgaande helden, niet al door zijn hoofd kunnen haalen!

De verdere gedeelten der geschiedenissen van ’s Graaveland bevatten niets bijzonders; in onze jongstledene troubelen is het wel niet geheel vrij gebleven, echter heeft de geest der beroeringe er geene sterke tooneelen aangerecht; waarvan de oorzaak moet gezocht worden, daarin, dat er geen Genootschap van Wapenhandel geweest is, want daar zulk een Genootschap plaats gehad heeft, is bij de gezegende omwenteling de woede ook doorslaandst geweest—hoe zacht het lot van ’s Graveland intusschen geweest zij, is er echter nog geplunderd: Pruissische soldaaten zijn er eigenlijk wel niet geinquartierd geweest; maar zij hebben zig eenigen tijd, digt bij het dorp, op de Hilversumsche heide gelegerd, en aldaar moest hen dagelijks, ook door ’s Graveland, proviand bezorgd worden.

Onder de

BIJZONDERHEDEN.

Kunnen betrokken worden, de gebouwen hier voor beschreven; voords, en met voorkeur, de veele Hofsteden welken men er aantreft, en waarvan wij boven reeds gesproken hebben.

De tegenwoordige bezitters of huurders dier hofsteden zijn thans de volgende Heeren en Vrouwen: als

De Heer Blom, ——— ’t Hoen, Mevrouw Hop, geb. Bicker, De Heer M. Alewijn, Mejuffrouw Dedel, De Heer H. Hovij, ——— C. Zorn, ——— Fabricius, Mevrouw De Leeuw, De Wed. Mogge van Haamstede, de Heer Meijnet. ——— G. W. Dedel, ——— Hilkes. ——— Hodshon. ——— Statius van Rhee. ——— M. Straalman. ——— G. Corver Hooft. ——— M. Backer. ——— Van der Wall. ——— Schol.

De meeste deezer plaatsen komen achter aan de Gooische Heide uit, en hebben aldaar de schoonste uitzichten, zijnde aan verscheidene Heeren van ’s Graveland achter hunne lustplaatsen een gedeelte der gezegde Gooische Heide uitgegeven, waarvan door hen goed bouwland is gemaakt, waarop men vooral rogge en boekwijt, doch ook andere graane teelt: dat een en ander vermeerdert de wandelingen en veraangenaamt het dorp, vooral na dat door de Heeren M. Straalman en G. Corver Hooft voor twee jaaren op de bebouwde heide een schoone breede laan van eikenboomen is aangelegd, die zig uitstrekt van de Hilversumsche vaart tot aan den gemeenen weg van ’s Graveland op Hilversum, en des bijna zo lang is als de helft des dorps, zo dat nu de eene helft des dorps van alle zijden beplant is, en door schoone laanen eene zeer aangenaame wandeling en rijweg verschaft.

REISGELEGENHEDEN.

Van ’s Graaveland vaaren geene andere schuiten als alle dagen één, behalven saturdags, op Amsteldam: zondags vaaren er des zomers drie, en ’s winters twee derwaards: dagelijks, behalven zondags, komt een schuit van Amsteldam terug.

Alle vrijdagen vaart van ’s Graveland een schuit op Utrecht, die des saturdags terug komt.

HERBERGEN.

Deezen zijn,

Het Rechthuis, reeds gemeld.

— Wapen van ’s Graveland.

Ook nog bij Cornelis ten Dam, alwaar de Amsteldamsche schuit afvaart.

Voords zijn aan de Stichtsche zijde, even op ’t Sticht, doch vlak aan ’s Graveland

De Zwaan.

— Eendragt.

— Prins van Friesland.

’t Dorp Bussem
’t Dorp Bussem

’t Dorp Bussem

Pronkt Nederland met trotsche steden,

Slechts uit een kleen begin ontstaan,

Het zag Verval, (thans weêr aan ’t woeden,)

Ook andre plaatsen nederslaan:

Hij, bij wien zeggen juist niet geldt,

Zie BUSSEM, hem hier voorgesteld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings