AMSTELVEEN HERBOUWD.
Reading edition
Zo dra men van den schrik eenigzins bekomen was, werden er schikkingen beraamd, om eenig herstel van de geledene schade te verkrijgen; men kent den menschlievenden aart der Nederlanderen; ook openbaarde dezelve zig weldra, in het toezenden van veelerleie middelen ter vervullinge van de algemeene behoeften der menschen; geld en goed, spijs en drank, alles werd in grooten overvloed aangevoerd, vooral uit het nabijgelegen Amsteldam: duizenden zakten van allen kanten af, om ooggetuigen van de verwoesting te zijn; om hunne traanen met die der lijdenden te mengen, en hunne milde handen ter vertroostinge te openen; op dat nu de giften, uit onkunde, niet te ongelijk uitgedeeld mogten worden, werden er hier en daar bossen gesteld, en in dezelven werd zo ongemeen rijklijk geofferd, dat men ze verscheide keeren daags, en dat verscheide dagen na elkander, moest ledigen: de Magistraat van Amsteldam veroorloofde eene collecte binnen zijne muuren, ten voordeele van de ongelukkige dorpelingen, en het daarbij ingezamelde was, zo men zegt, niet minder dan eene som van drie-en-twintig duizend Guldens; men voege daarbij het ingekomene op het Dorp zelf, en men zal zekerlijk kunnen gelooven, dat er een ongemeen aanzienlijke som gegaderd moet weezen.
Het besef van die aanzienlijkheid der ingezamelde somme, maakt ook eenigen der dorpelingen, of liever de dorpelingen over ’t algemeen, zeer te onvreden over de reeds voltooide herbouwing: de Hemel weet hoe men op het denkbeeld gekomen is, dat de penningen niet behoorelijk.… wij veroorloven ons niet desaangaande meer natevertellen; dit mogen wij zeggen, dat de eigenaars der verbrande woningen, zo verzekert men desaangaande, te weinig vergoeding gekregen hebben, om het dorp weder zulke aanzienlijke gebouwen te schenken als het vóór den brand had; hunne eigene beurzen waren tot het geen hun aan de ontvangene vergoeding, daartoe nog ontbrak, niet toereikende, en derhalven hebben zij moeten besluiten, om, bij wijze van spreeken, een hutjen te bouwen daar een huis gestaan heeft—dit nu zou in alle gevallen mogelijk zeer natuurlijk hebben kunnen weezen; maar in deezen opzichte denkt men er zeer onaangenaam over, uit aanmerking van het besef, gelijk wij reeds zeiden, dat men heeft van de capitaale som welke voor de herbouwing van het dorp gecollecteerd is—hoe jammer is het, dat er zulke denkbeelden bij de ingezetenen, met betrekking tot hunne bestuurderen, plaats hebben!—en hoeveel te meer jammer is het bij de Nederlanders, daar zij geheel geen grond, vasten grond, voor zulke booze opvattingen kunnen aanvoeren—wat denkbeeld zou men moeten maaken van een Nederlandsch Volksbestuurder, in welke classe hij moge staan, al ware het ook in de minste, die harts genoeg zoude hebben, of liever geweetenloos zoude kunnen zijn, om, ter bevorderinge van zijn eigen belang, of van dat zijner vrienden, den ingezetenen te bederven!—hij zou den naam van mensch niet mogen draagen, en althans dien van Nederlander niet waardig zijn—Is er een land waarin recht en gerechtigheid in de harten der Bestuurderen huisvest; waarin de penningen, uit de beurzen des Volks aangebragt, naar behooren geadministreerd worden; ’t is in Nederland; en geen wonder! een Regent is aldaar alleenlijk bestuurder van zijnen landsbroeder, geen Souverain Vorst over een onderworpen Volk; wel is Nederland eene Souverainiteit, zo wel als de magtigste Alleenheerscher die op Aarde bestaat; maar Regenten en Volk maaken zamen den Souverain uit; want deezen worden jaarlijks uit geenen verkozen, en keeren ook, na afloop van hunnen amtstijd in den boezem van geenen weder, ’t welk bij een Souverain Monarch geen plaats heeft; de Regent is derhalven slechts handhaver der wetten, en daar geen wetten zijn volgt hij het besluit van veele verlichte en braave mannen, derhalven het besluit der wijsheid; hoe zoude een volk in zulk een Land, onder zulk een regeeringsbestuur, dan onderdrukt of benadeeld kunnen worden?—Zeker het doet ons van harten leed, dat er zulke denkbeelden, als wij boven wegens Amstelveen aanstipten, bij den Nederlander plaats hebben, zij zijn hoogstnadeelig aan de algemeene rust—derhalven, waarde Landgenooten!.… maar waaraan noem ik u!—gij zijt in ’t algemeen thans de voorwerpen mijner bemoejingen niet—gij inwooners van Amstelveen! gelooft toch, wat denkbeeld gij ook van de ingezamelde penningen moogt opgevat hebben—gelooft toch, dat die penningen naar de voorschriften van deugd en reden geadministreerd, en uitgedeeld zijn—hoe zou ’t mogelijk kunnen weezen, dat eenig bewindsman, met giften van menschlievendheid en medelijden, kwalijk zoude handelen?
Wat hier intusschen ook over gedacht worde, dit is zeker, dat het dorp Amstelveen door den brand veel van zijnen ouden luister verloren heeft; want de herbouwde huizen zijn ongelijk veel minder, dan zij waren die door het vuur verteerd zijn—men telt niet meer herbouwden dan zeven, een zeer kleine smeederij, een niet minder kleinen stal, en een werkplaats voor een’ schilder: allen zijn zij laage daken, daar onder anderen, vóór den brand, één, waarin herberg gehouden wordt, een capitaal gebouw van verscheide verdiepingen was: nog zijn onder gezegde laage daken twee, welke ieder over twee woningjens strekken.
’T geen waarbij het nog meer in aanzien verliest, is, dat men besloten heeft het verbrande Armehuis niet weder optebouwen; des mist Amstelveen thans boven den gemelden luister van particuliere gebouwen, ook een der Godsdienstige gestichten.
Zie daar, waarde leezers! ’t geen ik oordeelde bij mijne bladen over Amstelveen te moeten voegen, om ze een volkomen geheel, dat Dorp betreffende, te doen uitmaaken—nog kan ik daar bijvoegen, dat men thans ten einde des Dorps aan het sluisjen, een batterij vindt, ter wederzijde van de brug aangelegd, tegen de Franschen, om dezelven, indien ze tot zo ver waren gekomen, te keeren, en Amsteldam voor hun legergeweld te dekken—deeze batterij schiet vijf stukken.
Te Amsteldam, bij H. A. Banse, in de Hartestraat, over den vergulden Kop.

’t Dorp Diemen
DIEMEN, dat om GYSBRECHT’s wraakzucht,
onder ’t jok der Graaven kwam,
Vaak een prooi van vuur en water,
dikwyls ook van de Oorlogsvlam;
DIEMEN mag nog, hoe ’t moest lyden,
Door schoonheid en door trouw, ’t Batavisch hart verblyden.