← Table of contents
De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

HET GEIN.

Reading edition

De

LIGGING

Van deezen anderen stok van Weesper-kerspel kan zekerlijk niet genoeg geroemd worden, en een onzer voorhanden zijnde schrijvers zegt des veel te weinig wanneer hij het Gein, (of, gelijk men ook wel schrijft, Gein, of Gijn,) bekoorlijk noemt, en daar bijvoegt, „Dit is zekerlijk één van de aangenaamste wegen, die men vinden kan; buitenplaats aan buitenplaats; de eene schooner dan de andere; en ’t geen er mij zeer voldoet, de weg is zo geheel somber, zo stil, des de ligging der plaatsen zo geschikt voor gevoelige zielen.”—Het Gein is een verrukkelijk paradijs, dat men in oogenschouw moet neemen om van deszelfs bekoorelijke ligging een denkbeeld te kunnen vormen, gelijk het dan ook voor een goed gedeelte van het jaar duizenden lieden uit den omtrek, voornaamlijk Amsteldammers, Weespers, en Abcoudenaars tot zig lokt, om onder deszelfs lommerig geboomte een uurtjen van uitspanning doortebrengen.

De eigenlijke ligging kan gezegd worden te zijn ten zuidwesten van de rivier welke dien naam draagt, en de stad Weesp, op den afstand van een half uur gaans; strekkende het Gein voords tot aan het rechtsgebied van Abcoude.

Wat de

NAAMSOORSPRONG

Betreft, deezen moet gezocht worden in den naam van gezegde rivier, (het Gein,) die het district zo ongemeen veraangenaamt; voords vindt men weder nergens eenig verslag van de gelegenheid bij welke die rivier den naam van Gein bekomen heeft.

De

GROOTTE

Of uitgebreidheid van den grond betreffende kan ook niet afzonderlijk opgegeven worden; het getal der huizen, (de fraaje hofsteden daaronder betrokken,) die eigenlijk kunnen gezegd worden in de polder het Gein gelegen te wezen, is niet groot.

Het wapen is dat van het geheele Kerspel.

KERKLIJKE GEBOUWEN

Zijn hier weder niet voorhanden; de ingezetenen (waaronder Gereformeerden, Lutherschen, en Roomschen gevonden worden,) moeten te Weesp of Abcoude ter kerk gaan: evenwel kan men onder dit artijkel brengen het School: ’t welk in deeze polder, nabij de Geinbrug gevonden wordt, en vrij aanzienlijk is: het is een Buurt-school; (om ’t deezen naam eens toetekennen,) dat op een tractement van ƒ 150 ’s jaars begeven wordt, voor welk tractement de Meester de Weezen en kinderen van arme ingezetenen voor niet in zijne school moet ontvangen, (doch men verzekert dat er sedert jaaren herwaards zulke kinderen niet geweest zijn,) terwijl de ouders der overige kinderen hem een zeker leergeld moeten betaalen: dit inkomen (dikwijls van meer dan 70 kinderen,) gevoegd bij het geen deeze man verdient met het lesgeeven aan de kinderen dier Grooten, welken den zomer in het Gein op hunne buitenplaatsen doorbrengen, verschaft hem een zeer goed bestaan—de kinderen uit de Gaasp gaan ook hier ter school.

Wereldlijke gebouwen zijn hier weder niet voorhanden, en wegens de wereldlijke regeering zie men onder dat artijkel onzer voorgaande algemeene beschrijving van Weesper-kerspel.

De

BEZIGHEDEN

Der bewooneren van het Gein bestaan voornaamlijk in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landerijen wordt bebouwd, voords woonen er, bij gelegenheid van de meergemelde Hofsteden, eenige tuinlieden; ook vindt men er verscheidene van die ambachtslieden, wier verrichtingen in de burgerlijke zamenleeving onontbeerelijk zijn, als Timmerlieden, Schoenmaakers, Kleeremaakers, en dergelijken: er is ook een Chirurgijn.

Van de

GESCHIEDENISSEN

Van het Gein, zij hetzelfde gezegd als van die van de Gaasp voorbeschreven: onder de inwooneren zijn veele Staats- of Vaderlands-gezinden, welke van de Pruissen in 1787 grouwzaam veel hebben moeten lijden; zelfs de vrouwen, die deezen volgden, hebben zig in dien omtrek zonderling onderscheiden, in het wegneemen van de kleederen haarer sexe, die zij voor de hand vonden; vooral hebben deze rustherstellers aan de fraaje buitenplaatsen groote schade toegebragt—men verhaalt, dat die van de Stadhouderlijke partij, welken in het Gein gevonden worden, bij het aannaderen der Pruissen, hunne beste goederen zamengebragt hadden, op eene der aldaar gelegene buitenplaatsen, wier eigenaar voor een ijverig Stadhoudersgezinden bekend was; zig om die reden verzekerende dat gezegde hunne goederen aldaar wel veilig zouden weezen; doch toen de Pruissen er zig bevonden, en hunne gewoone bezigheden ter hand namen, ondervond men tot ongemeen groot harteleed, dat zij niet vooraf onderzochten tegen wie, of vóór wie der bewooneren zij eigenlijk opgezonden waren, nemaar dat zij, zonder eenzijdigheid, aanvielen op alles wat hun voor de hand kwam; want onder anderen werd de bedoelde buitenplaats door hen geheel uitgeplonderd, waarbij zij derhalven verscheidene vliegen in één klap medenamen.

Men verhaalt, dat de Pruissen eenen bijzonderen haat tegen de Geinbewooners betoonden te hebben, ter oorzaake dat, op donderdag den 20 September, drie dagen voor hunnen aanval op Weesp, zekeren Huisman, met naame Hendrik de Ruiter, door twee van Abcoude komende Pruissische Officieren, op eene listige wijze, naar de sterkte dier stad aan de voor hun liggende zijde gevraagd zijnde, verzekerd had, dat er, voor zo verre hij wist, aan dien kant geen geschut lag (zijnde hetzelve er eerst op vrijdag den 21 gebragt,): toen zij nu des zondags den 23 op Weesp aantrokken, deeden zij daadlijk onderzoek naar zijn wooning, en noodzaakten hem in den nacht hen den weg te wijzen; ’t welk hij tot aan de Geinbrug toe deed: dan, in hunne verwachting bedrogen zijnde, dreigden zij, bij hunne retraite, diens huismans wooning in de brand te steeken, en sleepten hem den daaraan volgenden avond, onder een aanhoudend slaan en stooten, naar het Hoofdquartier aan de Nichtervechter Kade, alwaar weldra zijn vonnis wierd opgemaakt, daarin bestaande, dat men hem, zonder forme van proces, aan een’ boom zoude ophangen, ten spiegel van anderen, die mogelijk in hunnen overmoed zouden durven besluiten, zijn voetspoor in het misleiden van krijgslieden, die als vrienden in hun Land kwamen, te volgen: evenwel heeft men deezen Huisman, op zijn eigen verdediging, en de getuigenis van zijne buuren, dat hij zig nimmer met eenige Staatkundige geschillen bemoeid had, en voor een eerlijk man bij hen bekend stond, ontslagen, onder die voorwaarde, dat hij, het tegendeel bevonden wordende, weder naar den commandeerenden Officier zou gevoerd worden, en het bedreigde vonnis zou moeten ondergaan.

Onder ons artijkel

BIJZONDERHEDEN,

Kunnen wij, voor het Gein, brengen de meergemelde aanzienlijke Hofsteden, allen, bij gelegenheid, der bezichtiginge overwaardig: de voornaamsten zijn die van

den Heere Lepeltak.

———— Elias, Burgemeester te Amsterdam.

———— Boers,

———— Asschenberg.

———— Abcouw.

Mevrouw Walland.

den Heere Mendes da Costa.

———— Meints.

———— Verryn, en die van

———— De Clercq.

De

REISGELEGENHEDEN

Zijn deezen: men kan met de Weesper schuit naar Weesp, of naar Amsteldam; aan de Geinbrug kan men er uitstappen; er vaart ook een schuit van Weesper-kerspel, op Amsteldam; behalven de gewoone beurt, in de week, vaart zij ook des zomers, op zondag avond, omtrent ten half zeven uuren van de Geinbrug af: de Schippersplaats daarvan, wordt bij vacature door den Gerechte begeeven.

De

HERBERGEN,

Die in ’t Gein gevonden worden, zijn

De Vijfhoek, en

’s Lands Welvaaren

Van veelen wordt de eerstgemelde herberg, het rechthuis genoemd, schoon zij zulks in geenen deele zij; alleenlijk heeft zij dien naam verkregen, om dat voor de puie van dezelve gemeenlijk alle waarschouwingen en ordonnantien van Poldermeesteren, en dergelijke openbaare aankondigingen aangeplakt worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings