DE GAASP.
Reading edition
In onze voorgaande beschrijving van Weesper-kerspel in ’t algemeen, tekenden wij reeds aan, dat hetzelve verdeeld wordt in vier Stokken, (zie aldaar bladz. 1:) de eerste dier Stokken, de Bijlemer, (alléén eene rechtbank hebbende,) is door ons reeds beschreven, thans moeten wij onze navorschingen en medegedeelde berichten, nopens de overige drie stokken, (zamen tot een rechtbank behoorende,) en die zo veele polders zijn, nog aantekenen, en wel eerst die van de polder de Gaasp, boven gemeld.
Wat betreft deszelfs
LIGGING.
Deeze kan eenvoudiglijk bepaald worden te zijn ten westen van de stad Weesp, langs een’ stroom, denzelfden naam voerende: de ligging der polder over het algemeen is zeer aangenaam, en volstrekt geheel landlijk, als zijnde maar weinig bebouwd.
NAAMSOORSPRONG.
Deeze polder waarvan wij thans spreeken ontleend haren naam van den gezegden stroom, (de Gaasp;) doch bij wat gelegenheid de stroom zelf dien naam gekregen heeft, hebben wij nergens kunnen ontdekken—men vindt hem ook den Gaasop genoemd.
De afzonderlijke
GROOTTE
Van den grond, in den eigenlijken omvang van de Gaasp, staat op de quohieren der verpondingen over Weesper-kerspel in ’t algemeen niet aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er in Gaasp nog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de eenige voornaame is die welke met den naam van Reigersbroek pronkt; zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt bosch daarbij, ’t welk de Heeren van Amstel, in hunnen tijd, in deezen oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming van Meesters, of Bewaarders van den Reigerbossche stelden; men wil dat dit huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden, bijbrengen.
Het gezegde getal van huizen in de Gaasp, zoude men echter nog drie hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze, vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben, volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden tot het aanstellen van bejammerenswaardige inundatiën, daartoe aangemoedigd door de aannaadering van het magtige Fransche volk—’t is echter zeer te vreezen.… maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders dan eene stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.
Het wapen van de Gaasp, kan gezegd worden dat van Weesper-Kerspel te weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel plaats heeft.
Kerklijke of wereldlijke gebouwen zijn hier geheel niet voorhanden, derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel, kerklijke regeering niets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkel regeering in onze beschrijving van Weesper-Kerspel in ’t algemeen, de bewooners moeten voords te Abcoude of te Weesp ter kerke gaan: zie omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’t Gein—wat voords de wereldlijke regeering betreft, van deeze is reeds onder onze gemelde algemeene beschrijving van Weesper-kerspel gesproken.
De
BEZIGHEDEN
Van de weinige lieden die bepaaldlijk kunnen gezegd worden de Gaasp te bewoonen, bestaan alleen in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landen worden bebouwd.
GESCHIEDENISSEN.
Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, wat de Gaasp betreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben, ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners van de Gaasp betrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet, zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede woestheid van den Pruissischen Soldaat hadde moeten bezuuren: bij de overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die van de Gaasp ook hun aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig overlast van geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben, zo dat zij vrij mogen zeggen:
Soldaat zij vijand of zij vrind,
Hij neemt wat hij kan krijgen,
Doet door geweld den klaager zwijgen,
Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.
Hoe zeer de Pruissen zig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar, dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van de Hollanders, ter recognosseering uitgezonden, een detachement Pruissen, ook paardevolk, ten gemoete kwam: één van deezen, de Hollanders, op vertellingjens, verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op verzocht één der Hollanderen verlof om deezen snorker het hoofd te mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren; welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard van den Hollander doodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van ’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den karabijn, en schoot den Pruis van het paard, waarna hij uit den sloot kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden vereeuwigd te worden.
Bijzonderheden zijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geene reisgelegenheden, of herbergen, veel min logementen, voorhanden zijn: aan het eind van de Bijlemer, of begin van de Gaasp, ligt de aangenaame herberg, Gaasperzicht, waarvan wij onder de Bijlemer reeds gesproken hebben.