HET DORP OUDERKERK AAN DEN AMSTEL.
Reading edition
Dit Dorp behoort in den breeden rang dier Nederlandsche dorpen van welken men kan zeggen dat zij zeer aangenaam gelegen zijn: Ouderkerk ligt in Amstelland, anderhalf uur van Amsteldam, ten oosten van den breeden rivier de Amstel, welke de tuinen of erven der huizen van achteren bespoelt: de environs van het dorp zijn zeer grasrijk en vermaaklijk, met veelvuldige wateren doorsneden: die environs moeten weleer echter nog veel aangenaamer geweest zijn, naamlijk boschachtiger, want tusschen dit dorp en Abcoude, zijn meermaals, eenige voeten onder den grond, veele boomen gevonden; men weet hoe winden en vloeden het eertijds houtrijk Nederland van veele zijner bosschen beroofd heeft—de grond is in geheel den omtrek van Ouderkerk veenachtig en moerassig—te recht noemt de zoetvloejende Willink hetzelve, ’t luchtig dorp
Daar de Amstelstroom, al even prat,
Gevoerd op een kristallen wagen,
Zo glorierijk door heenen snelt,
En doet de zilvren baartjens vloejen
Om met een zacht en deun geweld,
Zijn groene boorden te besproejen;
Zijn boorden door geen mensch gewraakt.…
NAAMSOORSPRONG.
Het geen wegens dit artijkel aangetekend wordt, is gelijk ten deezen opzichte meermaals het geval is, met twijfelingen doorweeven: in vroegere dagen droeg het den naam van Ouder-amstel, om dat het onder Ouder-amstel behoort, men wil dat het den naam van Ouderkerk, in de plaats van dien van Ouder-amstel zoude verkregen hebben, bij gelegenheid van het stichten van een Nieuwer kerk in Amstelland, het geen zekerlijk aanneemelijk is, schoon men verschille in de bepaaling welke die Nieuwer kerk moge geweest zijn; sommigen houden er de tegenwoordige Oude kerk te Amsteldam voor, om dat deeze weleer den naam van de Kerk in Nieuweramstel, of Niër-Kerk gedragen heeft; ’t geen anderen ongerijmd voorkomt, het voor aanneemelijker houdende dat er de Kerk te Amstelveen door verstaan zoude kunnen worden, om de benaaming van Nieuwer-amstel, welke dat ambacht draagt: weder anderen meenen dat men voor die Nieuwe Kerk te houden hebben die van Nieuwerkerk, sedert lang in de Haarlemmer-meir verdronken—hoe het zij, uit het een en ander is de naamsoorsprong des dorps nagenoeg te gissen; althans nagenoeg voor zo verre ons oogmerk gaat; dit alleen moeten wij er nog bijvoegen, dat dit dorp gemeenlijk Ouderkerk aan den Amstel genoemd wordt, ter onderscheidinge van een ander dorp Ouderkerk, dat aan den Yssel ligt.
STICHTING EN GROOTTE.
Wegens de stichting van Ouderkerk kan niets gezegd worden, alzo het waarschijnelijk, met veele andere Nederlandsche dorpen eenen toevalligen oorsprong zal hebben, die meesttijds gezocht moet worden in de ligging, welke aanleiding gegeven zal hebben dat sommige lieden zig op zulk eenen grond met er woon hebben nedergezet.
Wat de grootte betreft; het ambacht van Ouderkerk, bestaat in vijf voornaame polders, zamen groot bijna 3505 morgen lands, waarvan voor Ouderkerk met Waardhuizen, en Duivendrecht, van ouds niet hooger zijn geteld, dan op 1542 morgen, 380 roeden; zijnde sedert 30 morgen en 400 roeden daaraf vergraaven voor de bedijking van de Diemermeir.
In de oude lijst der verpondingen van 1632, stonden voor Ouderkerk, 162 huizen, en in die van 1732, reeds 249 huizen en 4 molens: men rekent dat er onder Ouderkerk omtrent 750 ingezetenen zijn, zo mannen, vrouwen als kinderen en dienstboden, zijnde in deeze telling twee kinderen, onder de agt jaaren, voor één persoon gesteld.
’T WAPEN.
Dit is even als dat van Amstelveen, met dit onderscheid dat voor Ouderkerk op den ondersten balk twee kruisen staan, daar Amstelveen op dien balk slechts één kruis heeft.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Weleer had dit dorp een ruime en luchtige Kerk, met een groot choor, waarvan het dak verre boven dat der Kerk uitrees: de toren was vierkant, en pronkte tot in den jaare 1674 met een hoogen spitsen kap, die op den eersten Augustus van dat jaar, tot op het muurwerk des gebouws nedergeslagen werd: de spits werd naderhand weder opgebouwd, echter niet zo hoog, hoewel zij zig nog vrij verre vertoonde; doch het gebouw geheel bouwvallig geworden zijnde, werd in den jaare 1774 afgebroken, en op dezelfde plaats eene geheel nieuwe en nette Kerk gesticht: zijnde den eersten steen daarvan gelegd door den Heer Balthazar Nolthenius, Zoon van den Heere Mr. Jeronimus Nolthenius, toen Secretaris van Ouder-amstel: deeze Kerk heeft van binnen niets bijzonders, hoewel zij van buiten eene zeer aangenaame vertooning maakt.
Ten tijde dat de Roomsche Godsdienst in deeze landen de heerschende was, was de Kerk van dit plaatsjen toegewijd aan den Paus en Martelaar Urbanus, wordende de Pastorij door de Hollandsche Graaven begeven; het inkomen van den Priester bestond uit 39 rhijnlandsche guldens van zekere landvruchten, als mede uit de voordbrengzelen van 6 morgen lands onder Abkoude, en evenveel anderen onder het ambacht Ouderkerk.
Toen de Hervormde Godsdienst de heerschende was, werden de Kerken van Amstelveen en Ouderkerk door een zelfden Predikant bediend; doch omtrent den jaare 1595, viel desaangaande eenige verandering voor, zodanig dat Ouderkerk zig in het kerklijke met Diemen vereenigde, wordende deezen beide gemeenten bediend door den Leeraar Lucas Ambrosius; naderhand Predikant te Amsteldam: toen beide plaatsen in getal van inwooners merkelijk toegenomen waren, ontving ieder eenen eigen Leeraar; gelijk ieder gemeente ook nog door éénen Leeraar bediend wordt: beiden staan onder de Classis van Amsteldam.
Een Weeshuis is op dit Dorp niet; de weezen en geallimenteerden worden onder de ingezetenen besteed.
De Roomschen, die onder Ouderkerk zeer talrijk zijn, hebben er twee Kerkhuizen.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Onder dit artijkel kan alleen het Rechthuis gebragt worden, zijnde voor een dorp-gebouw, vrij ongemeen; vóòr hetzelve staat, 1656, waarschijnlijk het jaar van deszelfs bouwing: in een der muuren zitten drie kogels door de Pruissen daarin geschoten.
REGEERING.
Deeze bestaat, wat het crimineele betreft, uit den Bailluw, en in het civile uit Schout, zeven Schepenen en een Secretaris: vier Buurmeesters hebben, met Schout en Schepenen, ’t bewind over de gemeene zaaken van ’t ambacht.
De Ambachtsheer kan onder dit artijkel niet ongenoemd blijven, en des kunnen wij ter deezer gelegenheid ook voegelijk aantekenen dat de stad Amsteldam deeze Ambachtsheerlijkheid in den jaare 1731 aangekocht heeft voor eene somma van 25.100 guldens: de sterfheer is gemeenlijk een der Burgemeesteren van Amsteldam, zijnde thans de Wel Ed. Achtb. Heer Mr. Nicolaas Faas; de Ambachtsheer oefent echter het gezach niet uit zig zelven, maar alle zaaken, raakende het ambacht, worden hem aangediend, en door het collegie van Burgemeesteren afgedaan, gelijk zulks ook omtrent alle andere heerlijkheden, de stad toebehoorende, plaats heeft: weleer was de Bailluw zelf Ambachtsheer, en de goedkeuring of afkeuring van een’ Predikant stond aan hem alleen, zijnde dit amt tot den jaare 1715, door de oudste geslachten van Holland bekleed.
VOORRECHTEN.
Hier onder behooren de twee bruggen die op het dorp gevonden worden; eene van dezelven ligt over den Amstel, naamlijk aan de noordzijde bij het Rechthuis, en de andere over het water de Bullewijk genaamd, aan de zuidoostlijke zijde van het dorp: aan beide die bruggen moeten de doorvaarende schepen, en de daarovergaande menschen, beesten en rijtuigen, tol betaalen, zijnde het zelve een inkomen voor de stad als bezitster van de Ambachtsheerlijkheid: in den jaare 1745, werd het bruggeld verpacht voor ƒ 3000 guldens; Amsteldam is natuurlijker wijze ook verpligt daarvoor de beide bruggen te onderhouden, niet alleen, maar ook de straat die aan derzelver vleugels ligt.
BEZIGHEDEN.
De aangenaame ligging van dit dorp verschaft hetzelve veel levendigheid, door de menigte wandelaars welken zig ter uitspanninge derwaards begeeven, maar nog meer door de onnoemelijk veele rijtuigen welken als onophoudelijk afgaan en aankomen: deeze levendigheid wordt niet weinig bevorderd door de veele kostbaare en aangenaame tuinen, welken langs den breeden Amstel gelegen zijn, en meest toebehoren aan voornaame Amsteldamsche Kooplieden, welken aldaar de handelzorgen vergeetende, de duffe comptoirlucht voor den frisschen adem der Natuur verwisselende, ook dikwijls Ouderkerk gaan bezoeken; al ’t welk het dorp geen gering voordeel aanbrengt; voeg hierbij het Portugeesche Jooden Kerkhof, ten oosten van de Kerk, aan de Bullewijk gelegen, ter oorzaake dat op hetzelve menigvuldige begraavingen geschieden: maar ook wordt Ouderkerk niet weinig verlevendigd en bevoordeeld door de gestadig doorvaarende schuiten van Amsteldam, naar Utrecht, den Haag, Delft, Rotterdam, Gouda, als mede verder nabijgelegene plaatsjens en terug; als mede door de turfschepen en ponten, die van alom de turf uit de veenen naar Amsteldam en elders heenvoerende, veelal den Amstel afkomen; wij zwijgen van eene menigte rijtuigen welken, om verder optetrekken, dit dorp passeeren: de som bovengemeld, waarvoor de tol te Ouderkerk verpacht wordt, bewijst genoeg dat het dorp op verre na niet onder de stille dorpjens geteld moet worden.
Er worden voords die handwerken en neeringen uitgeoefend en gedaan, welken voor het burgerlijke leven onontbeerelijk zijn; veelen opgezetenen geneeren er zig ook met den veeteelt, en de turffabriek.
GESCHIEDENISSEN.
Hoe weinig betekenend dit dorpjen, met betrekking tot het Land in ’t algemeen, of tot het nabij gelegen trotsch Amsteldam in ’t bijzonder, schijne te zijn, wordt het echter in de Vaderlandsche Historie dikwijls genoemd, en in het belangrijke fak, dat met onzen tijd begint, bekleedt het voorzeker eene hoofdplaats.
Hoe geheel Amstelland om zeker bedrijf van Gysbrecht van Amstel, door de Kennemers onder water gezet en verwoest werd, zullen wij breedvoerig moeten verhandelen als wij over Amsteldam in het bijzonder zullen spreeken, hier zij het derhalven genoeg aantetekenen dat Ouderkerk in dien vreeslijken nood mede niet weinig heeft moeten lijden, ’t geen ligtlijk te begrijpen is wanneer men nagaat dat alle de landerijen van geheel Amstelland, in eene openbaare zee veranderd werden: dit gebeurde omtrent den jaare 1204: eene vergoeding voor dien grouwzaamen nood was eene stille landlijke rust van ongeveer anderhalf honderd jaaren, want eerst in den jaare 1567 verschijnt Ouderkerk weder op het Nederlandsche Staatstooneel, naamlijk ten tijde van Hendrik van Brederode, die door het aanbieden van het bekende smeekschrift aan de Hertoginne van Parma, bij de Spaanschen verdacht geworden, en reeds uit zijne Heerlijkheid Viaanen verdreven zijnde, zig met eenige bende in of nabij dit dorp nedersloeg, en zig aldaar bleef oponthouden, tot hij naar elders den wijk nam: zes jaaren laater, wierpen de Spanjaarden eene schans op rondsom het Kerkhof en de Kerk van Ouderkerk, ter gelegenheid van de belegering van Haarlem: dit kleine dorpjen is verder (in 1577) het middel in de hand der Algemeene Staaten geweest om Amsteldam, toen de eenigste stad die nog Spaansch gezind was, aan de zijde van Oranje, of wel aan hunne zijde te brengen; want zij lagen in het dorp veel krijgsvolk, ter handhavinge van hunne bevelen om aldaar zwaare convoijen en licenten te vorderen, van alle de goederen welken uit Amsteldam gevoerd en derwaards gebragt werden; de stad reeds toen eenen wakkeren handel drijvende, vond zig daardoor ook zodanig bezwaard, dat zij, om zig van dit jok te ontheffen, besloot den Algemeenen Staaten te vergenoegen, en de zijde der Spanjaarden te verlaaten.
Sedert dien tijd bleef dit dorp wederom in rust tot op den 30 Julij des jaars 1650, toen het ten getuige verstrekte van eene daad die eenigen gaarne uit ’s Lands geschiedenissen gewischt zagen; dezelve is echter te dikwijls geboekt om ooit door de vergetenheid ingezwolgen te kunnen worden.
Willem de Tweede, Prins van Oranje, zig door de regeering van Amsteldam beledigd achtende, wegens den geweigerden toegang in den vollen raad, zowel als wegens andere Vaderlandlieve gedraagingen van dien kant, besloot de stad bij verrassching te overrompelen, welken gevaarlijke aanslag echter, door eene gunstige bestuuring van de Voorzienigheid, verijdeld werd, door het verdwaalen des krijgsvolks, wegens de donkerheid van den nacht, en eenen zwaaren stortregen: Graave Willem van Nassau, Stadhouder van Friesland, was het geheim bevel van deezen aanslag opgedraagen; gelijk deezen dan ook met zijne bende te Ouderkerk zijn hoofdquartier verkoos; wordende ten volgenden dage door eenig krijgsvolk, uit Nijmegen, Utrecht, Arnhem, Zutphen, Zwol en Doesburg versterkt, doch het dorp geraakte dien overlast weldra kwijt, doordien de Prins en de Regeering van Amsteldam tot een minnelijk verdrag kwamen, waaraan de waare Patriotsche Heeren Bicker echter de aanzienlijke waardigheden, welken zij in de stad bekleedden opofferden.
Van dien tijd af vinden wij wegens de geschiedenis van Ouderkerk niets bijzonders gemeld, tot op onzen tijd toe; maar nu heeft het zig eenen eeuwigen naam verworven, door de manlijke verdediging der Patriotten aldaar, tegen de als in de wapenrustinge geborene Pruissen, die op den 7 September des jaars 1787, „in ons land vielen, om der Prinsesse van Oranje voldoening te bezorgen, wegens voorvallen”, kunnen wij met zeker geacht schrijver onder onze tijdgenooten zeggen, „welke hier de plaats niet is om dezelve te onderzoeken”; wij blijven, met hem, „alleen staan bij de dapperheid der patriotten, die bij Ouderkerk zo duidelijk gebleken is, dat wanneer alle de posten tegen de Pruissen op eene zodanige wijze verdedigd waren geworden, de geëischte voldoening van dat hof, waarlijk zo spoedig nog niet zoude gevolgd zijn.”
Ofschoon wij in onze beschrijving van Amstelveen reeds, dat dorp betreffende, een genoegzaam breed verslag van deeze allergewichtigste omstandigheid gegeven hebben, kunnen wij echter niet nalaaten, bij deeze gelegenheid het volgende nog te voegen; zamen kan het dienen om een recht duidelijk denkbeeld van de aangelegenheid ter dier plaatse en tijde te kunnen vormen.——Dus vinden wij het bedoelde geboekt, „Na de Pruissische troupen dan op de grenzen van Gelderland en Holland de steden Gorcum, Nieuwpoort, Schoonhoven, en anderen, na weinig tegenstands, ingenomen hadden, rukten zij verder na beneden, om alle de posten te overmeesteren, en vervolgends Amsteldam, en andere steden, de zijde der Patriotten toegedaan, te bedwingen: eenige posten werden gemaklijk, anderen niet zonder groote moeite veroverd, en voor sommigen stieten de Pruissen, meer dan ééns, door den moed der Vaderlandsche burgerij, het hoofd; de Hertog ziende dat niet alles zo gemaklijk gaan zoude, en ook door berichten vernomen hebbende, dat er zeer veele posten sterk verdedigd zouden worden besloot tot eenen algemeenen aanval.”
„Bij het geven van het wachtwoord, op den 30 September, des gemelden jaars, beval hij dat alle Generaals en Commandanten, des avonds ten zes uuren zig bij hem zouden moeten vervoegen; dit geschiedde, en zijne Hoogheid deelde alstoen aan zijne Officieren de bevelen uit, op welke eene wijze de aanvallen den volgenden morgen, den eersten October, ten 5 uure eenen aanvang zoude moeten neemen.”
„Zodra de seinschoot,” waarvan wij onder Amstelveen gesproken hebben „gegeven was, geraakte alles in werking; alomme werden de patriotsche posten aangevallen, die gedeeltelijk genomen, en gedeeltelijk met de grootste dapperheid verdedigd werden; kunnende wij niet nalaaten hier nog bij te voegen, dat waar de verdedigers moesten bukken, zulks meer toeteschrijven was aan bedekt verraad, of onkunde hunner bevelhebberen, welken geen orde onder hun volk hielden, dan aan het volk zelf; dat dit waarheid is blijkt onder anderen uit den aanval op Ouderkerk.”
Om ons thans bij dit dorp afzonderlijk te bepaalen, zullen wij hier den stand der Pruissischen troupen, bestemd om Ouderkerk te attaqueeren, opgeeven.
„De Ritmeester Van Kleist, stond met een detachement ligte infanterij in de kleine Duivendrechtsche polder.”
„De Ritmeester Zuizow met zijne ligte infanterij, en de Capitein Tschok met eene compagnie Grenadiers van het regiment van Budberg stonden op den weg van Abcoude, naar Ouderkerk, bij zig hebbende een stuk geschut van zes, één van drie pond, en een houwitzer, benevens de lijfcompagnie curassiers tot hunne ondersteuning.”
„In de Ouderkerker polder moest de Major Ledebur met zijn compagnie en twee stukken zesponders geposteerd staan, doch deezen kon op den bepaalden tijd daar niet tegenwoordig zijn, doordien hij over Mijdrecht en Baamburg had moeten marcheeren.”
„Aan den kant van den Uithoorn stonden 30 Jaagers en twee Compagniën van Budberg, onder bevel van den Capitein Kokerits, zonder grof geschut, benevens een esquadron paardenvolk van den Major Kram.”
„Deeze troupen nu hadden bevel om Ouderkerk te overmeesteren welk plaatsjen tot zijne verdediging vier onderscheidene batterijen had, die aan het dorp lagen, en die het den Pruissen meer daar ééns te heet maakten; men zag daar dat zij deinzen en vallen konden.”
Dat de Patriotten dapper geschoten hebben, hebben de Pruissen zelven getuigd, daar zij zeiden: „De Patriotten vervolgden ons met hunne kanonnen onophoudelijk te beschieten; na veele vergeefsche onderneemingen, en na dat de hooibergen in brand gestoken waren, werden onze Jaagers door het geschut en door de vijandlijke scherpschutters, genoodzaakt zig te retireren.”
„De gemelde vier batterijen die zo wèl bestuurd werden, waren op deeze wijze gelegen: eene lag er bij de hooge brug, bij de droogmaakerij, welke brug afgebroken was, terwijl deeze batterij met een twaalfponder en twee zesponders verdedigd werd; recht tegen over dezelve lag eene andere bij den zogenaamden krommen hoek, gemonteerd met twee drieponders, een derde lag op den weg na den Voetangel, op dezelve waren twee zesponders geplaatst; en op de boerderij voor welke deeze batterij op den weg lag, had men achter het huis voor het molenvliet eenen drieponder geplaatst: eene vierde batterij was opgeworpen, op het zwarte weggetjen, en met twee stukken van zes ponden bewapend.”
„Zo wel het dorp als deeze batterij waren bezet door Amsteldamsche burgers, door eenigen uit de Geldersche brigade, door Friesche Auxiliairen en Jaagers, door een gedeelte van het corps van den beruchten Salm;” wiens gloriezon door een schandelijke en eeuwige eclips niet verdonkerd, maar geheel onzichtbaar geworden is! „en voords door eenige Kanonniers en Artileristen, uit Amsteldam en uit de Auxiliairen: het bevel over deeze zo gewigtige voorpost van Amsteldam was opgedraagen aan den Wel Ed. Manhaften Heer F. H. de Wilde, toenmaals Capitein der Burgerij van Amsteldam, en de Vaderlandsche bende aanvoerende, onder den tijtel van Lieutenant Colonel.”
„De natte en doorweekte grond van Ouderkerk, als ook de menigte grachten en slooten, verhinderden dat men uit den Duivendrechtschen polder iet van belang kon verrichten: de bruggen waren veelal afgebroken, aan veele toegangen doorsnijdingen gemaakt, eenige anderen waren met geschut bezet, zo dat de Pruissen alhier eene hevige verdediging te gemoet zagen, en de uitslag deed zien dat zij hier niet mis gerekend hadden, want deeze voorpost van Amsteldam werd met veel dapperheid en beleid door de Patriotten verdedigd.”
„Met het seinschoot namen ook hier de onderscheidene aanvallen eenen aanvang, en de bezettelingen die terstond toonden dat zij deeze vijandlijkheden te gemoet zagen, gaven den Pruissen een zeer gevoeligen morgengroet terug.”
„De Colonel Kokeritz, kon van den kant van den Uithoorn niets verrichten; waarom een Capitein, wiens naam niet gemeld wordt, uit overdrevenen ijver, met eenige manschappen uit dit detachement voordrukte om te recognosceeren, wordende hij door een cardoezenkogel doodgeschoten.”
„In de Ouderkerker polder, alwaar de compagnie van den Capitein Ledebur stond, en hoewel alleen geschikt tot eenen valschen aanval, verdedigde deeze zig echter met zo veel manmoedigheid, uit het klein geweer, dat deeze compagnie eenen wezenlijken lof verdiende.”
„Op den weg van Abcoude naar Ouderkerk, alwaar de Capitein Tschock, de Ritmeester Zuizow, en de Luitenant der Artillerij Jacobi met hunne onderhoorige Manschappen, en drie stukken geschut stonden, werd van beiden de zijden een allerlevendigst en hevigst vuur gegeven: aan de zijde der Pruissen werden alle houwitsers, granaten en kogels gebruikt, zonder echter de bezetting veel nadeels toetebrengen, en de vijand was genoodzaakt meerder ammunitie te doen aanvoeren, hoewel hij door de smalte van den weg geene stukken geschut meer konde plaatsen: na dat het gevecht eenen geruimen tijd geduurd had, en bijna geheel op ’t laatst, rukte aan de zijde van den Duivendrechtschen polder, op den weg naar de Bullewijk eenige manschappen met een stuk geschut aan; deeze manschappen, waren op bevel van den Capitein Tschock met schuiten overgevaaren, en plaatsen hun stuk geschut recht tegen over eene batterij der bezetting, om dezelve te dwingen; doch de verdedigers deeden eenen zo hevigen uitval, dat de vijand terstond de vlugt nam, en het stuk geschut bijna in handen van de bezettelingen gevallen was.”
„Gemelde Capitein rukte daarop onverschrokken naar de batterij, en bij aldien de manschappen, die aan de overzijde van den Amstel post hielden, hem behoorelijk hadden kunnen ondersteunen, ware het niet onmogelijk geweest, denzelven te veroveren; doch dit ondoenlijk zijnde, en de Patriotten als leeuwen vechtende voor hunne zaak, was hij genoodzaakt te wijken, met achterlaating van eenige dooden en gekwetsten, de Major Diebits, hoewel meer geschikt tot een aanval tegen Duivendrecht, dit ziende, deed alle mogelijke moeite om uit den Ouderkerker polder, hem ter hulpe te komen, en vuurde met zo veele hevigheid en onverschrokkenheid, als wilde hij eenen etna bestormen, doch het mogt hem almede niet gelukken den moed der Vaderlanderen te bedwingen, en de batterij inteneemen.”
„Daarna vertrok ook de Geldersche brigade, en toen ook moest de Lieutenant Colonel De Wilde, hoewel de Pruissen geweeken waren voor zijn beleid en het gedrag der Patriotten, tot zijn grievendst leedwezen aan de Amsteldamsche burgers en de overige manschappen bevel geeven om mede optebreeken; dit geschiedde, hoewel onvergenoegd, echter met veel bedaardheid, zo dat alle de ammunitie tot de minste kleinigheid toe, mede naar Amsteldam gevoerd werd, waarmede zij omtrent ten vier uure in den middag, in de stad aankwamen, gelijk ook alle de manschappen der andere ontruimde voorposten, welken van het overgaan van Amstelveen, en het verlaaten van Ouderkerk, in tijds bericht bekomen hadden;” zij weeken, ja maar zij weeken als helden, als Batavieren nog niet ontaart van den voorvaderlijken moed: niet te onrecht zongen wij elders die helden dus toe:
Ja gij zwichtet——met uw zwichten,
Zwichtte ook ’t magtig Amsteldam;
Amsteldam, waaruit u voorraad,
Voorraad en versterking kwam:
Ja gij zwichtet, niet uit lafheid!
Lafheid! des waart ge onbekwaam;
Helden echter blijft uw naam.
Wierd gij nooit weêr opgeroepen,
Opgeroepen tot den strijd!
Strijd, waarbij geheel ons Neêrland,
Neêrland en zijn burgers lijdt,
Vrede is tog der ziele hoofdstof,
Hoofdstof van Civilis kroost;
Kroost, dat om den lieven vrede,
Vrede en rust zig moeite troost.
God blijv’ met u, dappre helden!
Helden! eer van Nederland!
Nederland! God houde u lange.
Lange nog in vasten stand.
„Hoewel de Pruissen daarna geheel Holland overstroomden, en voor Amsteldam, zo wel als in andere plaatsen, in bezetting gelegd werden, zal het echter onwaardeerbaar zijn voor de Patriotten, dat zij ten allen tijde zullen kunnen aantoonen, hoedanig zij voor Ouderkerk de magt van Fredrik Wilhelm, het hoofd geboden, en in den krijgsdienst volleerde benden, genoodzaakt hebben, met verlies van een aantal dooden en gekwetsten, welk eerst getal de vijand zorgvuldiglijk heeft getracht te verbergen, terug te wijken: de braave Vaderlanders, wier stelzel het hier de plaats niet is te onderzoeken, maar die echter in deeze en nog andere aanvallen, zelfs door hunne vijanden geroemd zijn, toonden hier allerduidelijkst, dat zij onder een wèlbestuurd beleid, nog niet ontaart waren, van den roem hunner voorvaderen, welke schandvlek hunne tegenpartij hun heeft zoeken aantewrijven.”
BIJZONDERHEDEN.
De Kerk zal men zekerlijk niet vergeeten te gaan bezichtigen, en ook niet de Pruissche kogels, welken in den muur daarvan zitten, zo wel als die in den muur van het rechthuis: (zie Bladz. 5.) in de oude pastorij is mede zulk een kogel te zien.
Aan de eene zijde van het dorp, ligt een laantjen, waarin de wandeling verrukkelijk is, en dat het Ouderkerker hemeltjen genoemd wordt.
De Droogmaakerij, waarvan wij boven (Bladz. 10.) en ook in ons blad over Amstelveen spraken, kan men uit dit dorp ook gaan bezichtigen.
De reiziger neeme dit ons blaadjen in de hand, zoeke de plaatsen op, alwaar wij hem verhaalden dat de Patriotsche batterijen gelegen hebben, en zo hij de bekwaamheid van geregeld te kunnen denken heeft, zal hij, dat doende, een aangenaam uurtjen in den omtrek van Ouderkerk kunnen doorbrengen.
Hij vergeete ook niet het Portugeesche Jooden Kerkhof, hier voor Bladz. 5 aangehaald, te bezoeken: het ligt ten zuiden van het dorp, en strekt met drie morgen lands, langs het water de Bullewijk; onder de zarken vindt men die van overheerlijk marmer, zeer prachtig gehouwen, en met Hebreeuwsche opschriften versierd zijn: de sijnagoge houd hier een’ doodgraaver, of oppasser die er een vrije woning heeft.
Hier meent men stond weleer het Lusthuis der Heeren van Amstel, Reigersbroek, of Reigersbosch geheeten: in den zoen deezer Heeren met Graaf Floris, hebben zij dit huis aan hem opgedragen: de Graaven waren gewoon hier eenen Amptenaar aantestellen, met den tijtel van Meester en Bewaarder van den Reigerbossche: sommigen meenen dat deeze plaats door den grouwzaamen Elisabeths vloed van den jaare 1421, mede is vernield geworden.
In het dichtstukjen De Amstelstroom, leest men desaangaande het volgende couplet; Ouderkerk toegezongen.
Toen pronkte nog uw Reigershof,
Voorheen om uwen luister te achten,
Daar Hollands Graaven, met veel lof
En roem, zig te verlusten plagten,
In veel doorluchtig tijdverdrijf,
Van snelle jagten, schutterijen,
Om strijd, of daar ’t vermoeide lijf,
Behaalde een reeks van lekkernijen;
Daar elk om prijs den reiger schoot,
En ridderlijk de lansie boodt.
Eene wandeling naar Amstelveen, is mede niet onvermaaklijk.
REISGELEGENHEDEN.
Met de Schuiten op Bladz. 6 genoemd, vindt men telkens gelegenheid om na en van dit dorp te komen.
LOGEMENTEN.
Brugzicht, dit was weleer De oude Prins; maar het volk van Van Salm, (dat getrouwe volk!) heeft dat uithangbord niet kunnen dulden, en het derhalven doen wegneemen.
Paardenburg.
De jonge Prins.
Voords eenige weinigen van minderen rang.
De drie eerstgemelde zijn mede Uitspanningen.