← Table of contents
De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

DE BIJLEMERMEIR.

Reading edition

De nabijgelegenheid van deeze Meir bij de Bijlemer, veroorlooft ons hier de beschrijving derzelve te laaten volgen.

Men kan haare

LIGGING

Bepaalen te zijn, ten noordwesten en ten westen van de Bijlemerlanden, en ten noorden van Weesper-kerspel, zijnde voords omtrent een quartier uur gaans ver van de Watergrafts- of Diemermeir: het is een waterplas van goede drie uuren in den omtrek.

Dewijl deeze Meir, na droog geweest te hebben, weder tot eene waterplas geworden is, gelijk wij nader zullen verhaalen, is de gelegenheid derzelve op verre na niet zo vermaaklijk als die van de Diemer- of Watergrafts-meir; zo aangenaam als eene wandeling om den ring van deeze is, zo onaangenaam is zulk eene wandeling rondsom de Bijlemermeir: op verre afstanden van elkander liggen eenige bouwerijen en melkerijen, waardoor de gezegde wandeling allerlastigst eenzaam wordt: de ring ligt geheel woest, en heeft, met één woord, niets aangenaams.

Vermaaklijkst nog is de wandeling naar den Meirkant, door het groenland, zo als men aldaar spreekt, dat is door de bebouwde landen binnensdijks gelegen: vóór de overstrooming bovengemeld, moet, volgens overleveringen, deeze droogmaak geene onaangenaame wandelplaats geweest zijn; men verhaalt, onder anderen dat er een laan gelegen heeft, van het Weesper-tolhek, dwars over de meir, tot aan Abcoude.

Men wil dat deeze Meir, benevens de geheele Bijlemer, weleer die landen geweest zijn, die de Heeren uit den Huize van Amstel, aan den Bisschop van Utrecht hebben afgestaan, in den zoen van den Jaare 1285; „Doch hoe deeze landen”, zeggen de schrijvers van den Tegenwoordigen staat van Holland, „naderhand weder aan de Graaflijkheid van Holland zijn gekomen, weeten wij niet te zeggen.”

De

NAAMSOORSPRONG,

Kan niets anders gezocht worden, dan in de nabijheid van de Bijlemer, zeggende den naam van Bijlemermeir, de Meir die bij de Bijlemerlanden, gelegen is.

AANLEG EN GROOTTE.

De aanleg moet, en het geen van zelf spreekt, niet anders verstaan worden, dan van het bedijken der Meir, hetwelk, (benevens het uitmaalen der plasse,) zijn vollen beslag had in den jaare 1627, gelijk nader verhaald zal worden.

De grootte hebben wij niet te weeten kunnen komen, niet anders dan dat de ringdijk die er om gelegen is, en derhalven de Meir in zijnen omtrek, beslaat eenen weg van drie uuren gaans, gelijk wij boven reeds zeiden.

Dewijl het droogmaken deezer Meir, met geen wenschlijken uitslag bekroond is geworden, en de bewooning derzelven, of liever van den ring, gelijk wij ook reeds zeiden, zeer gering is, zijn hier ook noch kerklijke, noch wereldlijke gebouwen voorhanden, en daar de weinige bewooners van den ringdijk, rondsom de meir, crimineel en civil voor de rechtbanken van Amsteldam of Weesp betrokken worden, (echter heeft de meir haar eigen Bailluw en Dykgraaf, Schout en Secretaris,) en wij derhalven in ons artijkel regeering ook niets te zeggen hebben, blijft ons weinig meer aantetekenen, dan wegens de

VOORRECHTEN

Van de bewooners van den ringdijk, die door het instorten van modder reeds goede gronden binnensdijks aangewonnen hebben; daarin bestaande naamlijk dat zij gerechtigd zijn tot dezelfde gronden, als de bebouwers van de Watergraafsmeir; zie onze beschrijving van die Meir, Art. Voorrechten.

De Ingelanden van de Meir, hebben, volgens gemaakte overeenkomst, ook vrijheid van in de meir te mogen visschen, niettegenstaande de verpachting derzelve, waarvan nader.

BEZIGHEDEN.

Ingevolge het gezegd aanwinnen van land, door het plempen van modder, bestaan de bezigheden van de bewooners der Meir, of liever van die van den ringdijk in moestuinderijen en melkerijen; geen van beiden zijn echter talrijk, om dat de ring niet dan op ruime afstanden bewoond wordt—de Meir zelve wordt voords door de steden Amsteldam en Weesp, ten gemeenen voordeele verpacht, thans voor eene somme van duizend guldens, waarbij nog ruim vierhonderd guldens aan onkosten van knechts, schuiten, en netten moet gerekend worden; indien wij voords verzekeren dat die verpachting nog aanzienlijken winst opbrengt, zal men kunnen besluiten tot de overvloed van visch welke in dat water gevangen moet worden: de voornaamste visch die er gevangen wordt is paling, baars en karper; de laatste wordt er meest door de Jooden opgekocht; de baars door de visschers aan de Schulpbrug, en de paaling wordt grootendeels door den pachter zelven alomme gesleten.

GESCHIEDENIS.

Wij hebben reeds gehoord dat niet geweeten wordt hoe deeze Meir, zo wel als de Bijlemer zelve, na de Heeren van Amstel dezelve aan den Bisschop van Utrecht hebben moeten afstaan, weder aan de Graaflijkheid van Holland is gekomen, dit is zeker dat zij er aangekomen zijn, reeds sedert den jaare 1622, want toen werd er van de Staaten van Holland en Westfriesland octrooi verzocht en ook verkregen om deeze Meir te mogen bedijken, droog te maaken, en in eigendom te mogen houden, op eene erkentenis van duizend guldens jaarlijks; een verlof dat in de daad in ons Land wel zonder erkentenis mogt gegeven worden; aangezien het gevaar waarmede deeze en dergelijke streeken het Land over ’t algemeen dreigen—de gezegde duizend guldens jaarlijks zouden verdeeld worden over de morgentalen van de bedijkte Meir, mits de Ingelanden wier landen in de bedijking zouden betrokken zijn, (zie hier voor de Beschrijving van de Bijlemer, art. Grootte,) te vergenoegen en op zodanige voorwaarden van bestuuring over de drooggemaakte landen, als meesttentijds bij het bedijken van meiren of waterplassen verzocht wordt, midsgaders vrijdommen van lasten voor eenige jaaren—dit groote en nuttige werk, had ook waarlijk zijnen voordgang, en dat niet alleen, maar ook zijn goed gevolg, zodanig naamlijk, dat de Meir in den jaare 1627 droog geweest is; als wanneer door de onderneemers of Ingelanden aan de Heeren Staaten van Holland en Westfriesland verzocht werd om het Hooge, Middenbaare en Laage rechtsgebied over de drooggemaakte landen te mogen oefenen, dat hun ook geredelijk toegestaan werd; in gevolge van welke vergunning de drooggemaakte landen, zo lange zij bestaan hebben, ook hunnen eigenen Baljuw hebben gehad; en wel tot den jaare 1702, toen (tusschen den 5 en 6 April,) eenen hevigen storm, den ringdijk der Meir zodanig van het buitenwater deed lijden, dat dezelve doorbrak, en de geheele droogmaak weder in een Meir deed veranderen; dat is bijna in die gedaante waarin wij dezelve nog heden ten dage zien.

L. Smids, in zijn Oorlogend Europa, bladz. 126, stelt de voorgemelde tijd van volbragt werk, wegens deeze droogmaaking, vier jaaren laater, naamlijk in 1631; hij zegt naamlijk: „Tusschen den 5 en 6, (April 1702,) hadt men bij nacht eenen droevigen watersnood, rondsom Amsteldam, tot aan Haarlem en Edam, Utrecht en Amersfoord, zijnde de dijken bij Muiden weggespoeld, en de Bijlemermeir, tusschen Diemen en Gaasp, anno 1631 bedijkt, nu weder gantsch overspoeld:” ongetwijfeld moet dit verschil der jaartallen gebragt worden, tot den tijd der voltooide droogmaaking, en den tijd dat de in die droogmaak aangehoogde gronden bebouwbaar waren.

„Dit ongeval,” leezen wij, „is aan de landen deezer bedijkinge te vooren nogmaals overgekomen, in den jaare 1672, (gelijk wij in onze beschrijving van de Diemer- of Watergrafts-meir mede aangetekend hebben; zie aldaar) „toen de nabijheid der Franschen de Regeering der Stad Amsteldam deed oordeelen dat het tot haare veiligheid noodzaaklijk was, alle de landen die digt omtrent haar gelegen waren, onder water te zetten: dit ongemak scheen men tot weering van den vijand geduldig te lijden, en zig op nieuw de droogmaaking te getroosten; maar na de laatste doorbraak, in 1702, hebben de Ingelanden nimmer eene volstrekte uitmaalinge van het water in deeze Meir ondernomen: dit was ongetwijfeld de oorzaak”, vervolgt onze schrijver, „dat de steden Amsteldam en Weesp, zekerlijk tot behouding der onderlinge gemeenschap, te raaden geworden zijn de Bijlemermeir te aanvaarden, op zodanige voorwaarden, als zij met de eigenaars zouden verdragen; waartoe deeze twee steden met elkander eene overeenkomst aangingen, den 20 November des jaars 1702; waarbij vastgesteld werd dat van wederzijde voor de helfte in de onkosten zoude gedragen worden, tot het herstellen van den dijk, en het droog- of dras-maalen van de Meir, als mede tot het jaarlijks onderhouden van den dijk, met het geen er toe behoorde van molens als anderzins; waartoe wederom de voordeelen wederzijds ter helft zouden genoten worden van de tollen, vogelkooi, visscherij, ’t riet- en gras-gewas van den dijk, en wat verder ten nutte zoude kunnen komen.”

Den 24 Augustus des jaars 1703 volgde hierop eene overeenkomst tusschen de gemelde steden Amsteldam en Weesp, ter eener, en de Ingelanden van de Meir ter andere zijde, waarbij de steden gemagtigd werden, tot alles wat ter behoudenisse van den dijk, en tot bewaaring van den boezem der Meir zoude mogen dienen, als mede om van binnen om den dijk modder of andere stoffen te brengen, drijfbalken te leggen, enz. alles zonder tegenspraak van de Ingelanden, die echter in tegendeel de molen aan zig zouden houden, en ieder van hun zijne huizen en getimmerten, om daar naar welgevallen mede te mogen handelen: ook zouden de Ingelanden bovendien de visscherij over de geheele Meir behouden; maar wat betreft den dijk zelven, het genot daarvan, mits er geene beesten over moesten loopen, voords ook het riet- en gras-gewas, rondsom de geheele Meir, zou verdeeld worden tusschen de meergemelde twee steden ter eener, en de Ingelanden ter andere zijde, iedere partij voor de zuivere helft: de gezegde steden zouden voords niet gehouden zijn te draagen in de schulden en eisschen, loopende ten lasten van de Ingelanden.

Ten aanzien van het droogmaalen der Bijlemermeir, is sedert niets meer voorgevallen, dan dat men door het instorten of plempen van modder (waarvan wij reeds iet zeiden,) langzaamerhand land aanwint; ’t is te hoopen dat deeze moejelijke taak van tijd tot tijd voordgezet zal worden; en ’t is te berekenen dat het mogelijk is, door dat middel, ofschoon niet binnen weinige jaaren, de breede waterplas onder bedwang te krijgen, niet alleen, maar zelfs haar gevreesd vermogen zodanig te verzwakken dat zij, om zo te spreeken, het hoofd voor den ijver des arbeids zal moeten onderhaalen, en het water in vruchtbaar land veranderd zal worden, zonder de zwaare onkosten van uitmaalinge.

Geene andere

BIJZONDERHEDEN,

Zijn hier voorhanden, dan op den ringdijk, niet verre van het Bijlemer rechthuis, een boerewooning, die in den groote doorbraak van den jaare 1702, waardoor alles overstroomd, en weggespoeld is, alleen is blijven staan; en in die woning nog een teken aan één der wanden van dezelve, aanwijzende hoe hoog het water, bij gelegenheid van die doorbraak, gestaan heeft.

Onze artijkels reisgelegenheden of logementen hier niet te passe komende, kunnen wij onze beschrijving van de Bijlemermeir sluiten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings