← Table of contents
De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

DE BIJLEMER.

Reading edition

Wat aanbetreft de

LIGGING,

Van deezen Stok, van Weesper-Kerspel (welke stok verdeeld wordt in Oost- en West-Bijlemerpolder) kan gezegd worden te paalen ten oosten aan het Gein, ten noordoosten aan de Gaasp, en ten noordwesten aan de Bijlemermeir.

NAAMSOORSPRONG.

Hiervan kan niets met zekerheid gezegd worden, ten minsten voor zo verre ons bekend is: het draagt ook den naam van Bijlemer-broek, of, naar eene oudere spelding Bijlemer-brouk; ook Bijlemermeir-brouk, en eenvoudiglijk Bijlemer: in zekere oude brieven wordt het ook Windelmerebroke genoemd, hetwelk, volgends het geen Commelijn ons verzekert, op Bijlemer-broek of de Bijlemer toegepast moet worden.

GROOTTE.

Daar de grootte der vier Stokken van Weesper-Kerspel zamengenomen opgegeven worden, (gelijk wij hiervoor ook gezien hebben,) is de grootte van iederen Stok niet afzonderlijk te bepaalen: de Bijlemer intusschen, ofschoon van ouds niet zeer groot geweest zijnde, was echter uitgestrekter vóór de bedijking der Bijlemermeir, dan thans na die bedijking; alzo met dezelfde bedijking, eene menigte van de Bijlemer-landen in de bedijking getrokken zijn.

Het

WAPEN

Van de Bijlemer, als een bijzonderen Stok van Weesper-kerspel, is hetzelfde als van geheel het Kerspel, hetwelk, gelijk wij gezien hebben, ook hetzelfde is als van de stad Weesp.

Wegens ons artijkel Kerklijke en Godsdienstige Gebouwen, kan, betreffende de Bijlemer, niets aangetekend worden; de Bijlemers, zijn wel van drieërleien kerkgemeenten, naamlijk, Gereformeerden, Lutherschen, en Roomschen, doch geen van allen heeft in den Stok, kerk of school; de Gereformeerden moeten te Diemen of elders te kerk gaan; de Roomschen hebben eene nadere gelegenheid, naamlijk aan de Diemerbrug, alwaar eene Roomsche kerk gevonden wordt, gelijk wij ten zijner plaatse aangetekend hebben; en de weinige Lutherschen welken er zijn, gaan naar Amsteldam om het nachtmaal te houden, terwijl zij hunnen gewoonen Godsdienst bij de Gereformeerden te Diemen waarneemen.

Dewijl in de Bijlemer ook geen school gevonden wordt, zijn de opgezetenen aldaar verpligt hunne kinderen, in welken Godsdienst zij opgetrokken worden, naar het dorpschool te Diemen te zenden; aan de Diemerbrug is wel een schooltjen, doch zulks is slechts geschikt voor zeer kleine kinderen: deeze ongelegenheid, met betrekking tot het hoogst nuttig onderwijzen van de jeugd, heeft ten gevolge dat er eene diepe onweetendheid onder de Bijlemers gevonden wordt, waarom het wel te wenschen ware, dat daarin door het aanleggen van een algemeen school voor den Stok zelven, voorzien wierde: ligtlijk verstaat men dat het de kinderen niet toebetrouwd kan worden, zo ver van huis, als Diemen gelegen is, ter schoole te gaan: alwaarom zij gemeenlijk ten minsten reeds den ouderdom van agt of negen jaaren bereikt hebben, eer zij het onderwijs van eenen meester kunnen gaan bijwoonen, en op deeze jaaren zijn zij al bekwaam om hunne ouders in de beroepsbezigheden, bestaande voornaamlijk in melkerijen en tuinderijen, eene behulpzaame hand te bieden, waarvan dan ook niet zelden het gevolg is, dat zij des zomers daartoe gebruikt worden, dewijl het zomerwerk van den landman in ’t algemeen, veele arbeidzaame handen, en die onophoudelijk bezig zijn, vereischt: een groot gedeelte van den zomer blijven de kinderen derhalven uit de school, voornaamlijk dezulken, wier ouderen niet vermogend genoeg zijn om de benodigde handen in huur aantestellen, ’t welk intusschen het geval van de meesten is, want weinige Bijlemers kan men gegoede landlieden noemen—de zomer dus sukkelende, wat het schoolgaan betreft, doorgebragt hebbende, gaat het des winters nog erger, ter oorzaake van de guurheid des saisoens, en de onbruikbaarheid der verre wegen; voeg hier bij, een leven zonder eenige gezelligheid, ieder gezin geheel afgezonderd in zijne hut opgesloten, dewijl de wooningen bijna een quartier uurs van elkander gelegen zijn; en ouders die meestal dezelfde of dergelijke opvoeding gehad hebben; wat anders kan dan het gevolg weezen dan eene beklaagelijke onweetendheid?—dat de domme berisper van zijne naasten, die stelt dat alle onweetendheid eigenschuldig is, (zulke zotte berispers zijn er; die genoeg zamenleeving heeft, is er zo wel als wij van overtuigd,) dat deeze zeg ik, zulke en dergelijke streeken onzes Lands, als waarover wij thans spreeken, bezoeke; dat hij de bewooners derzelven onbevooroordeeld raadpleege, en hij zal wel rasch zien, is hij anders niet willens blind, hoe geheel onschuldig het is dat er menschen gevonden worden, bij welken de hoogste onkunde, en bijgeloovigheid, (want deeze is tog een gevolg van een onverlicht oordeel,) heerscht—noch geoefende menschen, noch boeken, worden in de zeer bepaalde zamenleeving der Bijlemers gevonden; hoe zou er dan eenige verlichting kunnen plaats hebben?

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Het eenige dat wij onder dit artijkel kunnen aantekenen, is het Rechthuis van de Bijlemer, staande aan het begin van het grondgebied, van den kant van het Weesper-tolhek gerekend; het is een net vierkant maar klein gebouw, hetwelk echter niets bijzonders aan zig heeft, zo min van binnen als van buiten: er staat een aartig klein torentjen op, waarin een klok, die van binnen getrokken wordt: dezelve wordt geluid bij gelegenheid van eene of andere gerechtlijke afleezing.

Voor het huis staat een geesselpaal, die echter, volgends verzekering der oudste ingelanden, bij geen menschen geheugen gebruikt is geworden; ook maakt men in dit rechthuis geen gebruik van gevangenhouding; zo er al eens een gevangene is, wordt dezelve te Weesp in bewaaringe gezonden; zelfs wordt het Rechthuis niet gebruikt tot het vergaderen der Regeering over de Bijlemer; voorheen geschiedde zulks wel; doch sedert zitten de Regenten over deezen Stok, op het Stadhuis te Weesp, als leden van Weesper-kerspel.

Ons artijkel regeering kunnen wij hier met stilzwijgen voorbijgaan, alzo wij hetzelve in ’t artijkel van dien naam onder Weesper-kerspel verhandeld hebben.

Van voorrechten der Bijlemers, vinden wij nergens iet bijzonders aangetekend.

De

BEZIGHEDEN

Bestaan, gelijk gezegd is, in het kweeken van moes, en in melkerijen: het moes wast er bijzonder goed, voornaamlijk kool en peulvruchten.

Wat de

GESCHIEDENISSEN

Van deezen Stok van Weesper-kerspel in ’t bijzonder betreft; deeze bepaalen zig hoofdzaaklijk bij die van de Bijlemermeir, waarvan straks nader.

En wat aangaat onze jongstledene gebeurtenissen, uit de gelegenheid van den grond, in Weesper-kerspel naamlijk, dat is nabij Weesp, is te besluiten dat de Bijlemer daarvan niet bevrijd is gebleven; voor zig zelve echter zoude het daarmede niet te doen gehad hebben; niet verder als wat betreft het overlastig doortrekken van de Pruissen, van den kant van Weesp naar Amsteldam; doch daar dat doortrekken tegenstand geboden werd, viel er ook vrij wat meer te doen.

De gewapende burgers, naamlijk, waakzaam op de zaak die zij aangenomen hadden te verdedigen, en voor overval van buiten beducht, hadden eene sterke batterij gelegd even door het Weesper-tolhek, aan het begin van de Bijlemer; ’t sprak derhalven van zelf dat de Pruissen, bij hunne aannadering van Amsteldam, hier geen vrijen doortogt hadden, en den tegenstand gewaarwordende bragt hun oogmerk het wegnemen van denzelven noodzaakelijk mede; er volgde derhalven eenen aanval, die echter ook met mannenmoed beantwoord werd; de Pruissische kogels vloogen in menigte door de wooning van den tollenaar, en een ander belenden het Raadhuis staande boerehuis; (waarvan de blijken, in de nieuwe ingezetten stukken muurs nog duidelijk gezien worden;) terwijl de Patriotten niet nalieten den vijand in gelijke taal te beantwoorden; doch men weet hoe deezen hebben moeten goedvinden, den Pruissen den doortogt toetelaaten, het geen ten gevolge had dat de bewooners aldaar, die echter meest, op eenige knechts of meiden na, de wijk naar Amsteldam genomen hadden, niet weinig overlast leeden, vooral van die manschappen welken hun als bezetting gelaten werden: de bewooners der huizingen, die, gelijk wij gezegd hebben, gevlugt waren, werden in hunne wooningen terug geroepen, onder de bedreiging dat anders hunne geheele nagelatene bezitting, (men kan in dergelijke gelegenheden niet alles, dikwijls verre het minste, medeneemen,) aan de genade en ongenade van den soldaat overgegeven zoude worden: aan dit bevel werd gehoorzaamd; en de manschap werd bij de bewooners geïnquartierd: één van allen, eene weduwe, moest er niet minder dan zeven-en-twintig bergen, en de kost geeven; een gezelschap waarover zij, (volgends haar eigen zeggen,) op verre na niet voldaan is, en weshalven zij ook geen verlangen heeft om andermaal zulk een huishouden onder haar dak bijtewoonen—vermids voords den aanmarsch op Amsteldam vervolgd werd, en voor de Bijlemer, of den bodem van dat gebied, niet meer te vreezen was, kwamen de opgezetenen, met het gezegde vrij.

REISGELEGENHEDEN.

Naamlijk directen, zijn hier niet voorhanden; men kan zig te voet naar de Diemerbrug, of naar Weesp enz. begeven, alwaar men de gewoone reisgelegenheden dier plaatsen kan waarneemen.

HERBERGEN.

Gaaspzicht, bij de Bijlemerbrug aan ’t begin van de Gaasp, zijnde tevens eene uitspanning; andere Herbergen zijn er niet van eenig aanbelang, of welken dien naam verdienen te draagen, niettegenstaande men hier en daar gelegenheid vinde om zig te kunnen ververschen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings