← Table of contents
De drie steden

VIJFDE DAG (continued 2)

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

Het vertrek van den witten trein trok echter altijd de meeste belangstelling, was de groote emotie van den dag, want deze voerde de ernstigste zieken terug, die hij had meegebracht en onder dezen bevonden zich natuurlijk de uitverkorenen der Heilige Maagd, de wonderdadig genezenen. Een groote menigte verdrong zich dan ook onder de overkapping en versperde den grooten overdekten, ongeveer honderd meter langen hal. Alle banken waren bezet, volgepropt met pelgrims en bagage, die reeds wachtten. In een der hoeken had men de kleine tafeltjes van het buffet als in een stormaanval in bezit genomen; mannen dronken bier, vrouwen limonade, terwijl aan het andere einde, voor de deur van het bagage-bureau, brancarddragers de passage vrij hielden, om een snel transport der zieken, die dadelijk gebracht zouden worden, te verzekeren. Op het lange perron was het een voortdurend heen en weer geloop van arme, zenuwachtige menschen, druk doende priesters, nieuwsgierige en kalme heeren in overjas, kortom een opeenhooping, zoo gemengd en zoo gemêleerd, als men ze zelfs op stations maar weinig vindt.

Om drie uur was baron Suire buiten zichzelf van wanhoop, omdat er gebrek was aan paarden; onverwachts was er een groot aantal touristen gekomen, die bijna alle rijtuigen voor uitstapjes naar Barèges, Cauterets en Gavarnie gehuurd hadden. Hij vloog naar Berthaud en Gérard, die eindelijk, na de heele stad afgeloopen te hebben, terugkwamen; maar alles liep uitstekend, verzekerden zij; zij hadden paarden weten te bemachtigen en het transport der zieken geschiedde zoo goed als men maar wenschen kon. Op het stationsplein stonden reeds ploegen brancarddragers met hun baren en kleine wagentjes te wachten op de bagage- en meubelwagens en alle andere soorten voertuigen, die men voor de overbrenging gerecruteerd had. Tegen een lantaarnpaal was een groote hoop reserve-matrassen en kussens opgestapeld. Toen de eerste zieken aankwamen, verloor baron Suire opnieuw het hoofd, terwijl Berthaud en Gérard zich naar het perron haastten. Zij hielden daar toezicht en gaven bevelen te midden van het steeds toenemende gedrang.

Pater Fourcade, die aan den arm van pater Massias langs den trein heen en weer liep, bleef staan, toen hij dr. Bonamy aan zag komen.

“O, dokter ik ben zoo gelukkig … Ik had het met pater Massias, die zoo dadelijk vertrekt, juist over de buitengewone genade, die de Heilige Maagd aan dat zoo interessante jonge meisje, mademoiselle Marie de Guersaint bewezen heeft. In geen jaren hebben we een zoo opvallend wonder gehad. Het is een groot geluk voor ons allen, een zegen, die het succes van onze pogingen bevruchten moet … De geheele Christenheid zal er door worden verrukt, vertroost, verrijkt.”

Hij straalde van geluk, en ook de dokter met zijn gladgeschoren gezicht, zijn grove, maar vriendelijke trekken en zijn gewoonlijk zoo moede oogen, was in den zevenden hemel.

“Het is wonderbaar, wonderbaar, eerwaarde vader! Ik zal er een brochure over schrijven, nog nooit heeft er op geloofwaardiger en authentieker wijze een genezing langs bovennatuurlijken weg plaats gehad … Wat een opzien zal het baren!”

Toen zij met hun drieën weer verder liepen, zag hij, dat pater Fourcade nog meer dan gewoonlijk met zijn been trok en zwaar op den arm van pater Massias leunde.

“Is de aanval van jicht weer erger geworden, eerwaarde?” vroeg hij. “U schijnt nog al pijn te hebben.”

“O praat me er niet van, ik heb vannacht geen oog dicht kunnen doen. En dat die aanval nu juist hier in Lourdes moet komen … Hij had best een tijdje kunnen wachten … Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen. Laten we er niet verder over spreken, ik ben veel te gelukkig met de resultaten van dit jaar.”

“Dat is zeker,” zeide op zijn beurt pater Massias met een van geloofsijver bevende stem; “wij kunnen trotsch zijn en met een van geestdrift en dankbaarheid overvloeiend hart teruggaan. Hoeveel andere wonderen nog behalve dat jonge meisje! Zij zijn niet meer te tellen: dooven, die hooren, en stommen, die spreken; door wonden weggevreten gezichten, die weer zoo gaaf als mijn hand geworden zijn, stervende teringlijdsters, die, herleefd, nu weer eten en springen. Het is geen ziekentrein meer, het is de trein der herrijzenis, een trein van glorie, waarmede ik vertrek.”

De zieken zag hij niet meer, hij verliet Lourdes in den vollen triomf van het goddelijke, in de verblinding van zijn geloof. Met hun drieën bleven zij langzaam voortwandelen langs de wagons, waarvan de compartimenten zich langzamerhand begonnen te vullen, glimlachten tegen de pelgrims, die hen groetten, terwijl zij nu en dan bleven staan, om een arme vrouw, die bleek en rillend op een baar voorbijgedragen werd, een paar bemoedigende troostwoorden toe te spreken. Heusch, zij zag er al veel beter uit en zou zeker beter worden.

Maar de stationschef vloog haastig over het perron en riep:

“Geen verstopping op het perron, niet blijven stilstaan!”

Toen Berthaud hem echter onder het oog bracht, dat men toch eerst de draagbaren moest neerzetten, voor men de zieken kon doen instappen, werd hij boos.

“Maar zeg nu zelf, is dat nou verstandig? Kijk, daar laten ze waarachtig midden op de baan een wagentje staan, terwijl ieder oogenblik de trein uit Toulouse binnen kan komen … Wilt u dan uw menschen laten verpletteren?”

Hij vloog al weer verder, om een paar menschen neer te zetten, die de zenuwachtige kudde pelgrims, welke maar op goed geluk af rondliep, van de rails te houden. Velen, voornamelijk oude en eenvoudige lieden, herkenden niet eens de kleur van hun trein; daarom droegen zij allen een kaart van overeenkomstige kleur om hun hals, opdat men ze als gemerkt vee zou kunnen inladen. Maar wat een voortdurende oplettendheid, wat een aanhoudende angst met die veertien extra-treinen, zonder dat de gewone dienst erdoor gestoord werd!

Toen Pierre met zijn valies in zijn hand in het station kwam, kostte het hem ook heel wat moeite om het perron te bereiken. Hij was alleen: Marie had den vurigen wensch te kennen gegeven nog eenmaal vóór de Grot te mogen knielen, opdat haar ziel tot aan de laatste minuten aan de voeten der Heilige Maagd van dankbaarheid zou gloeien; hij had haar met mijnheer de Guersaint laten gaan, terwijl hij zelf de hotelrekening betalen ging. Bovendien had hij hun doen beloven, dat zij een rijtuig naar het station zouden nemen, zoodat zij binnen een kwartier terug konden zijn. Terwijl hij op hen wachtte, was zijn eerste gedachte hun wagon op te zoeken, om er zijn valies in te zetten. Maar dat was zoo heel makkelijk niet; hij herkende hem eerst aan de kaart, die drie dagen in de zon en in het onweer geschommeld had, een vierkant stuk sterk karton met de namen van madame de Jonquière en de zusters Hyacinthe en Claire des Anges. Dat was de wagon: hij zag in zijn herinnering de met zijn reisgenooten gevulde compartimenten terug; kussens wezen reeds het plaatsje van mijnheer Sabathier aan; ja hij vond zelfs op de bank, waar Marie zoo geleden had, een diepe kras terug, die het ijzeren beslag van den bak van het wagentje had achtergelaten. Toen hij zijn valies op zijn plaats had neergezet, bleef hij geduldig op het perron staan rondkijken, eenigszins verbaasd, dat hij dr. Chassaigne niet zag, die vast beloofd had aan den trein afscheid te komen nemen.

Nu Marie weer loopen kon, had Pierre zijn draagriemen afgedaan en droeg hij nog slechts het groote kruis der pelgrims op zijn soutane. Het station, dat hij bij aankomst slechts in het schemerachtige licht van den aanbrekenden dag gezien had, verraste hem door zijn groote perrons, zijn breede uitgangen, zijn lichte vroolijkheid. De bergen waren niet zichtbaar, maar aan de andere zijde, tegenover de wachtkamers, rezen in een heerlijke bekoring groenende heuvels op.

Dien middag was het heerlijk zacht weer, een fijn dons van wolken had de zon omsluierd aan den melkwitten hemel, waaruit slechts een mat licht viel als een stof van parelmoerkleur.

Het had drie uur geslagen en Pierre keek naar de groote stationsklok, toen hij madame Désagneaux en madame Volmar, gevolgd door madame de Jonquière en haar dochter zag aankomen. De dames hadden zich met een rijtuig naar het station laten brengen en zochten nu dadelijk haar wagon op. Raymonde herkende dadelijk het compartiment eerste klasse, waarin zij gekomen was.

“Hier mama, hier is het!… Blijf nog een oogenblikje bij ons, u hebt nog tijd genoeg, uw zieken zijn er nog niet eens.”

Pierre stond vlak tegenover madame Volmar. Hun blikken ontmoetten elkaar. Maar hij kende haar niet terug; nauwlijks knipte zij even met haar oogwimpers. Weer was zij de in het zwart gekleede, langzame, indolente vrouw, die zich het liefst bescheiden op den achtergrond houdt. De gloed van haar groote oogen was dood, laaide slechts nu en dan even in een vonk op onder hun sluier van onverschilligheid, die ze scheen uit te dooven.

“O, een vreeselijke migraine,” herhaalde zij tegen madame Désagneaux. “U ziet zelf, ik weet nu nog niet, waar ik met mijn arm hoofd blijven moet … Dat krijg ik van de reis. Het is ieder jaar zoo.”

Levendiger en roser dan ooit, bewoog de andere zich zenuwachtig heen en weer, terwijl de ondeugende nekhaartjes in den wind fladderden.

“Het is op het oogenblik met mij niet veel beter gesteld … Dat heeft me vanavond plotseling overvallen, een barstende zenuwhoofdpijn … Maar …”

Zij boog zich voorover en fluisterde verder:

“Maar ik geloof, dat het nu zoover is. Ja, de baby, waarnaar ik zoo verlang en die maar niet komen wil … Ik heb de Heilige Maagd gesmeekt, en ik ben zoo onpasselijk geweest, toen ik wakker werd, zoo onpasselijk. Enfin, alle teekenen … Ik zie het gezicht van mijn man al. Wat zal hij gelukkig zijn!”

Ernstig luisterde madame Volmar, die dan op kalmen toon zeide:

“Nu, ik ken iemand, die geen kinderen meer hebben wil … Zij is hier gekomen en heeft ze niet meer gekregen ook …”

Intusschen hadden Gérard en Berthaud de dames gezien en kwamen nu vlug naar haar toe. ’s Ochtends hadden de beide heeren in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs hun opwachting gemaakt, waar madame de Jonquière hen in een klein kamertje naast de linnenkamer ontvangen had. Daar had, na zich eerst met lachende opgewektheid voor den wel wat overhaasten stap verontschuldigd te hebben, Berthaud volgens alle regelen der etiquette, voor zijn neef Gérard de hand van Raymonde gevraagd. Van het eerste oogenblik af hadden zij zich tegenover elkaar op hun gemak gevoeld; de moeder had met ontroering in haar stem gezegd, dat Lourdes het jonge paar geluk zou aanbrengen. Zoo was met enkele woorden en tot algemeene voldoening het huwlijk beklonken. Zelfs werd voor den vijftienden September een afspraak gemaakt op het kasteel Berneville, dicht bij Caen, een landgoed van den oom, den diplomaat, dien Berthaud kende en naar wien hij beloofde Gérard te zullen vergezellen. Daarna was Raymonde binnengeroepen en had met een blos van geluk haar beide handjes in die van haar aanstaanden echtgenoot gelegd.

Deze laatste was één en al voorkomendheid en vroeg aan het jonge meisje:

“Wil je soms een paar kussens voor vannacht? Geneer je maar niet, ik heb er genoeg, ook voor de dames, met wie je reist.”

Raymonde sloeg echter het aanbod op vroolijken toon af.

“Neen, hoor, zoo verwijfd zijn we niet. Die moeten we voor onze arme zieken bewaren.”

De dames spraken allen tegelijk. Madame de Jonquière zeide, dat ze zóó moe was, zóó moe, dat zij haar beenen niet meer voelde; toch was zij blijkbaar heel gelukkig, haar blikken rustten lachend op den jongen man en haar dochter, die zoo opgewekt stonden te praten. Maar Berthaud kon niet langer blijven; zijn dienst riep hem, evenals trouwens Gérard. Beiden namen afscheid, na eerst nog aan de afspraak herinnerd te hebben. Dus vijftien September, op het kasteel Berneville? Ja, ja, dat was afgesproken! Dan nog wat gelach en handjes drukken, terwijl de oogen, de oogen vol liefkoozing en verrukking, voltooiden wat men elkaar te midden van die menigte niet hardop durfde zeggen.

“Wat!” riep de kleine madame Désagneaux uit; “gaat u den vijftienden naar Berneville! Maar als wij, zooals mijn man wil, tot den twintigsten in Trouville blijven, dan zouden we elkaar nog zien!”

En zich tot madame Volmar, die er zwijgend bij stond, wendend:

“Komt u ook, het zou zoo aardig zijn, als we elkaar daar weer terugvonden.”

De jonge vrouw maakte een langzaam gebaar en antwoordde op moe-onverschilligen toon:

“O, voor mij is het pleizier nu uit. Ik ga naar huis terug.”

Weer ontmoetten haar blikken die van Pierre, die bij de dames was blijven staan; hij meende te zien, dat zij een oogenblik verlegen werd, terwijl een uitdrukking van onuitsprekelijke smart op haar dood gelaat kwam.

De zusters van Maria Hemelvaart kwamen en de dames gingen naar haar toe, toen ze bij den kantinewagen waren. Ferrand, die met haar mede gereden had, stapte het eerste in en hielp dan zuster Saint-François de hooge treeplank op. Hij bleef op den drempel van den wagen staan, die in een keuken veranderd was, waarin zich de voorraden voor de reis bevonden: brood, bouillon, melk, chocolade, terwijl zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges, die op het perron waren blijven staan, hem zijn apotheek en de verdere bagage aangaven.

“Hebt u alles?” vroeg zuster Hyacinthe hem. “Ja? Prachtig! Dan kunt u nu in uw hoekje gaan liggen slapen, daar u zich toch beklaagt, dat men uw diensten niet vraagt!”

Ferrand begon zachtjes te lachen.

“Zuster, ik zal zuster Saint-François helpen! Ik zal het petroleumstel aansteken, de kopjes wasschen en, wanneer we op een tusschenstation stil houden, de porties uitdeelen…. En voor het geval u een dokter noodig mocht hebben, kunt u over mij beschikken.”

Nu begon zuster Hyacinthe ook te lachen.

“Maar we hebben geen dokter meer noodig, daar al onze zieken genezen zijn.”

En met haar oogen in de zijne, voegde zij er op haar kalmen, vriendschappelijken toon aan toe:

“Adieu, mijnheer Ferrand!”

Hij glimlachte nog, terwijl een groote ontroering zijn oogen vochtig deed worden. De beving in zijn stem sprak zoo welsprekend van de onvergetelijke reis, van zijn blijdschap haar weer ontmoet te hebben, van de herinnering van eeuwige en hemelsche teederheid, die hij medenam.

“Adieu, zuster!”

Madame de Jonquière wilde met zuster Claire des Anges en zuster Hyacinthe naar haar wagon gaan. Maar deze verzekerde, dat het volstrekt geen haast had; de zieken waren er nog niet. Zij ging met zuster Claire weg en beloofde voor alles goed te zullen zorgen; ja zelfs wilde zij met alle geweld het kleine handtaschje van madame de Jonquière medenemen. Zoodoende konden de dames blijven wandelen en praten op het breede perron, waar zoo’n heerlijke temperatuur heerschte.

Intusschen begon Pierre, die op de groote stationsklok de minuten maar verder zag loopen, ongerust te worden, dat hij Marie en haar vader niet komen zag. Als mijnheer de Guersaint zich maar niet in den weg vergist had! Hij stond nog uit te kijken, toen hij zag hoe mijnheer Vigneron woedend zijn vrouw en den kleinen Gustave voor zich uit joeg.

“O, mijnheer de abbé, zeg me toch als het u blieft, waar onze wagon is, en help mij, om er de bagage en dat kind in te krijgen … Mijn hoofd loopt om, ze hebben me heelemaal uit mijn gewone doen gebracht!”

Voor het compartiment tweede klasse barstte hij uit, terwijl hij de handen van den priester greep, juist toen deze den kleine zieke wilde helpen instappen.

“Kunt u zich zoo iets voorstellen? Zij willen, dat ik vertrek, zij hebben me gezegd, dat, als ik tot morgen wachtte, mijn retour niet meer geldig zou zijn … En of ik hun nu de reden al vertelde, het gaf niets … Het is toch al zoo lollig niet met die doode te blijven, om bij haar te waken, haar te kisten en haar morgen mede te nemen … En nou beweren zij, dat dat hun niet aangaat, dat zij al reductie genoeg op de pelgrimsbiljetten geven om zich nog in te kunnen laten met verhalen van menschen, die dood gaan.”

Madame Vigneron stond, bevend over al haar ledematen, naar hem te luisteren, terwijl de kleine Gustave, heelemaal vergeten en moe op zijn kruk leunend, nieuwsgierig toekeek.

“Enfin, ik heb hun op alle mogelijke manieren aan hun verstand trachten te brengen, dat hier force majeure in het spel was … Wat moet ik met dat lijk doen? Ik kan het toch moeilijk onder mijn arm nemen en vandaag als bagage meenemen … Lieve God, wat zijn er toch een stommelingen op de wereld!”

“Hebt u al met den stationschef gesproken?” vroeg Pierre.

“Ja zeker, de stationschef! Die is in al die drukte niet te vinden. Hoe kan ook bij zoo’n janboel alles geregeld gaan?… Maar ik moet hem vinden, ik zal hem zeggen, hoe ik erover denk.”

En toen hij zijn vrouw onbeweeglijk als een paal zag staan:

“Wat moet jij daar? Stap toch in, dan kunnen we je de bagage en het kind aangeven.”

Het was een haast-je-rep-je; hij duwde haar het compartiment in, wierp haar de pakjes toe, terwijl de priester Gustave in zijn armen nam. De arme jongen, die zoo licht als een vogeltje was, scheen nog magerder geworden te zijn, zijn wonden deden hem zoo’n pijn, dat hij even gilde.

“Heb ik je pijn gedaan, beste jongen?”

“Neen, mijnheer de abbé, maar ze hebben zoo met me rondgesjouwd, en ik ben zoo moe!”

Hij glimlachte op zijn fijne, zoo droevige manier. Hij dook weg in zijn hoekje en deed, uitgeput door die doodende reis, zijn oogen dicht.

“U begrijpt,” begon mijnheer Vigneron weer, “dat ik het allesbehalve lollig vind, om hier mijn tijd te verknoeien, terwijl mijn vrouw en mijn zoon zonder mij naar Parijs teruggaan. Het moet echter wel, het leven in het hotel is niet meer uit te houden, en bovendien zou ik gedwongen zijn, nog eens drie plaatsbewijzen te nemen, als ze niet naar rede willen luisteren … En dan is mijn vrouw zoo onhandig. Nooit zal zij er zich alleen door heen weten te slaan.”

Hij overstelpte madame Vigneron met een stortvloed van de kinderachtigste aanwijzingen: wat zij gedurende de reis moest doen, hoe zij naar huis moest gaan; hoe zij voor den kleinen Gustave moest zorgen, als hij onverhoopt een aanval mocht krijgen.

Gedwee en een beetje angstig antwoordde zij op iederen zin:

“Zeker, manlief … Natuurlijk, manlief!”

Dan voelde hij de toorn weer in hem opkomen.

“En is mijn retour nu geldig of niet? Ik wil het weten … Ze moeten den stationschef voor me halen.”

Hij wilde zich weer een weg door de menigte banen, toen hij de kruk van Gustave op het perron zag liggen. Dat was een ramp, waarover hij zijn armen ten hemel moest heffen, als wilde hij God tot getuige roepen, dat hij nooit uit al die verwikkelingen komen zou. Hij wierp het ding zijn vrouw toe en verwijderde zich dan met de woorden:

“Jij vergeet ook alles!”

Nu kwamen de zieken aan; evenals bij de aankomst was het een eindeloos gedrang en gedraaf langs de perrons en over de spoorbaan. Alle afzichtelijke kwalen, alle open wonden, alle mismaaktheden trokken nogmaals voorbij, zonder dat het aantal minder geworden scheen te zijn, alsof de enkele genezingen slechts een zwak, nauwlijks waarneembaar lichtpuntje waren te midden van den onmetelijken rouw. Men bracht ze terug, zooals men ze meegebracht had. De kleine wagentjes met hun oude machtelooze vrouwen, wier armzalige bagage aan het voeteneinde lag, knarsten over de rails. De baren, waarop opgezwollen ledematen, en bleeke gezichten met van koorts gloeiende oogen lagen, schommelden met moeite door de menigte heen. Het was een dolzinnige, absoluut noodelooze haast, een onverklaarbare verwarring, een gevraag, een geroep, een heen en weer vliegen; in het kort het ronddraaien van een kudde, die de deur van den stal niet meer vinden kan. De brancarddragers verloren ten slotte het hoofd erbij, wisten bij het waarschuwende gegil van de stationsbeambten, die ieder oogenblik den menschen schrik aanjoegen, niet meer welken kant zij uit moesten.

“Oppassen, oppassen!… Schiet toch wat op! Neen, neen, niet meer oversteken! De trein van Toulouse! De trein van Toulouse!”

Pierre, die teruggegaan was, zag de dames, madame de Jonquière en de anderen, nog vroolijk pratend heen en weer wandelen. Naast haar hoorde hij, hoe pater Fourcade Berthaud, dien hij staande gehouden had, geluk wenschte met de goede orde, die gedurende de geheele bedevaart geheerscht had. Gevleid, maakte de vroegere magistraat een buiging.

“Nietwaar, eerwaarde vader, dat is een goede les, die hun republiek daar gekregen heeft. Wanneer dergelijke menigten te Parijs den een of anderen bloedigen datum uit hun vervloekte geschiedenis vieren, dan vermoorden ze elkaar … Ze moeten hier maar eens komen leeren, hoe ze het doen moeten.”

Het denkbeeld, de regeering, die hem gedwongen had zijn ontslag te nemen, onaangenaam te zijn, bracht hem in verrukking. Hij was in Lourdes nooit zoo gelukkig als te midden van den grooten invloed van geloovigen, wanneer het gedrang zóó was, dat vrouwen bijna doodgedrukt werden. Toch scheen hij niet tevreden over het resultaat der politieke propaganda, die hij er ieder jaar gedurende drie dagen kwam maken. Hij werd ongeduldig, het ging niet vlug genoeg naar zijn zin. Wanneer zou Notre-Dame de Lourdes de monarchie terug brengen?

“Ziet u, eerwaarde vader, het eenige middel, de ware triomf zou zijn de werklieden der steden in massa hier te brengen. Ik wil in het vervolg al mijn gedachten, al mijn tijd slechts daaraan wijden. O, als we een Katholieke democratie konden stichten!”

Pater Fourcade was heel ernstig geworden. Zijn mooie, intelligente oogen kregen een droomerige uitdrukking, staarden als in een ver verschiet. Hoevele malen had hij zich de stichting van dat nieuwe volk ten doel gesteld? Maar was daarvoor niet de adem van een nieuwen Messias noodig?

“Ja, ja,” prevelde hij, “een Katholieke democratie … De geschiedenis der menschheid zou opnieuw beginnen!”

Pater Massias viel hem hartstochtelijk in de rede en zeide, dat alle volkeren der aarde ten slotte zouden komen, terwijl dr. Bonamy, die reeds voelde, dat er een zekere verkilling in den ijver der pelgrims kwam, het hoofd schudde en als zijn meening te kennen gaf, dat alle geloovigen der Grot hun ijver verdubbelen moesten. Hij verwachtte vooral succes van de grootst mogelijke publiciteit, die men aan de wonderen moest geven. Hij deed, alsof hij straalde van geluk, en lachte welgevallig, terwijl hij naar het lawaaierige voorbijtrekken der zieken wees.

“Kijk toch eens! Zien zij er niet veel beter uit nu zij weggaan? Velen zijn nog niet genezen, maar dragen toch den kiem der genezing in zich, daar kunt u zeker van zijn! Zij doen meer voor ons dan wij allen voor den roem van Notre-Dame de Lourdes.”

Maar hij moest zwijgen. Madame Dieulafay werd in haar met zijde gecapitonneerde kist voorbijgedragen. Men zette haar neer voor het portier van den wagon eerste klasse, waarin een kamermeisje de bagage reeds opstapelde. Een diep medelijden maakte zich van hen allen meester; de ongelukkige vrouw scheen in drie dagen van haar verblijf te Lourdes niet uit haar gevoelloosheid ontwaakt te zijn. Zooals de brancarddragers haar op den dag van aankomst te midden van haar luxe uit den wagon gedragen hadden, zoo zouden zij haar er nu weer in dragen, gekleed in kant, met juweelen bedekt, met haar doodsch en onnoozel mummiegezicht, dat als het ware wegsmolt; ja, men zou zelfs zeggen, dat zij er nog erger aan toe was, dat men haar nog vermagerder terugbracht, nog meer ingekrompen door de verschrikkelijke kwaal die, na haar beenderen verwoest te hebben, nu ook de weeke deelen der spieren begon aan te tasten. Haar man en haar zuster volgden haar ontroostbaar, met roodgeweende oogen, verpletterd door het verlies van hun laatste hoop, met abbé Judaine, zooals men op het kerkhof een lijk volgt.

“Neen, neen, niet dadelijk!” zeide de priester tegen de dragers en belette hun haar in den wagen te dragen. “Zij moest daar nog lang genoeg in rijden. Laat zij tenminste tot de laatste minuut den vriendelijken hemel boven zich hebben!”

Toen hij Pierre in zijn nabijheid zag staan, nam hij dezen wat ter zijde en ging toen met een door verdriet gebroken stem verder:

“Ik ben kapot … Vanochtend nog had ik hoop. Ik heb haar naar de Grot laten brengen, ik heb de mis voor haar gelezen en toen nog tot elf uur gebeden. Maar niets, de Heilige Maagd heeft mij niet verhoord … Ik, dien zij genezen heeft, ik, een arme, tot niets meer nutte man, ik heb van haar niet de genezing kunnen verkrijgen van die zoo mooie, zoo jonge, zoo rijke vrouw, wier leven eigenlijk één feest moest zijn!… Zeker, de Heilige Maagd weet beter dan wij allemaal bij elkaar wat zij doen moet, en ik buig mijn hoofd en zegen haar naam. Maar waarachtig, mijn ziel is vol vreeselijke droefheid.”

Hij zeide niet alles, hij sprak niet de gedachte uit, die hem in zijn kinderlijken eenvoud en in zijn eigenschap van braaf man, die nooit door hartstocht of twijfel bezocht was, zoo van streek bracht. Het was de gedachte, dat de beklagenswaardige menschen, die zoo weenden, de man en de zuster, te veel millioenen hadden, dat zij te mooie geschenken meegebracht hadden, dat zij te veel zilver aan de Basilica gegeven hadden. Men koopt het wonder niet, de rijkdommen van deze wereld zijn eerder een nadeel bij God. Zeker, de Heilige Maagd was slechts doof gebleven voor hen, had hun slechts een koud en streng hart getoond om meer te luisteren naar de zwakke stem der ongelukkigen, die met ledige handen naar haar toe gekomen waren, maar rijk aan liefde; dezen overstroomde zij met haar genade, met haar brandende liefde van Moeder Gods. En die arme onverhoorde rijken, die zuster, die zoo ongelukkige man, voelden zich te midden van de menigte vertrooste of genezen armen paria’s, zij schenen verlegen met hun luxe, weken terug, schaamden zich, toen zij zagen, dat Notre-Dame de Lourdes bedelaressen verlichting gegeven had, terwijl zij voor de mooie en machtige dame, die daar in haar kant lag te zieltogen, geen blik over gehad had.

Plotseling kwam Pierre op de gedachte, dat hij mogelijk mijnheer de Guersaint en Marie niet had zien komen en dat zij misschien reeds in den wagon waren. Hij ging erheen, maar zag nog steeds niets dan zijn valies op de bank staan. Zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges begonnen in afwachting van de zieken den wagon in te richten; en toen Gérard met mijnheer Sabathier in een klein wagentje kwam aanrijden, hielp Pierre, om hem in zijn compartiment te hijschen, een zwaar werkje, waarvan zij transpireerden. Terneergeslagen, maar toch kalm en berustend, ging hij dadelijk in zijn hoekje zitten.

“Dank u, heeren!… We zijn er nu, gelukkig! Nu behoeven ze me alleen te Parijs nog maar uit te laden.”

Na zijn beenen in een deken gewikkeld te hebben, stapte madame Sabathier weer uit en bleef bij het open portier van den wagon staan. Zij ging met Pierre praten, toen zij zichzelf in de rede viel, om te zeggen:

“Kijk, daar komt madame Maze weer op haar plaatsje zitten … Zij heeft mij dezer dagen het een en ander verteld … Een ongelukkig schepseltje!”

Vriendelijk sprak zij haar aan, vroeg haar of zij op haar bagage wilde letten. Maar madame Maze protesteerde, lachte, deed druk en zenuwachtig als was zij niet goed bij haar hoofd.

“Neen, neen, ik ga niet weg.”

“Wat, gaat u niet mede?”

“Neen, neen, ik ga niet weg … Dat wil zeggen, ik ga wel weg, maar niet met u, niet met u!”

Zij zag er zoo vreemd, zoo verrukt uit, dat Pierre en madame Sabathier moeite hadden haar te herkennen. Haar gezicht van vóór den tijd verlepte blondine straalde, zij scheen wel tien jaar jonger, nu zij plotseling uit de oneindige triestheid van haar eenzaamheid getrokken was.

Zij stiet een kreet van overvloeiende vreugde uit:

“Ik ga met hem weg … Ja, hij is mij komen halen en hij neemt me mee … Ja we gaan samen naar Luchon, samen!”

En met een verrukten blik wees zij naar een flinken, bruinen, opgewekten, gezonden jongen man, die aan een kiosk couranten stond te koopen.

“Kijk, dat is mijn man, die mooie kerel, die met de juffrouw van de kiosk grapjes staat te maken … Vanochtend is hij plotseling uit den hemel komen vallen, en nou neemt hij mij mee, we gaan over twee minuten met den trein naar Toulouse … O, madame, u, voor wie ik mijn hart gelucht hebt, u zult wel begrijpen, hoe gelukkig ik ben.”

Maar zij kon niet zwijgen, zij begon weer over den vreeselijken brief, dien zij Zondag gekregen had, een brief, waarin hij haar beduidde, dat hij, wanneer zij soms van haar verblijf te Lourdes gebruik zou willen maken, om naar hem in Luchon te komen, hij haar gewoon de deur zou wijzen. Een man, met wien zij uit liefde getrouwd was! Een man, die haar tien jaar veronachtzaamde, die van zijn voortdurend heen en weer trekken als handelsreiziger profiteerde, om van het eene einde van Frankrijk naar het andere sletten mede te nemen! Nu echter was het uit, zij had den hemel gesmeekt haar te laten sterven, want zij wist heel goed, dat de trouwelooze op dat oogenblik met twee dames, twee zusters, die zijn maîtressen waren, in Luchon logeerde. Wat was er dan toch gebeurd, lieve God? Het was blijkbaar ingeslagen als de bliksem! De twee dames schenen een ingeving uit den hooge gekregen te hebben, een plotseling besef van haar zonde, een droom misschien, waarin zij zichzelf in de hel zagen. Zonder eenige verklaring hadden zij op een avond heimelijk het hotel verlaten en hem laten zitten, terwijl hij, die niet alleen kon leven, zich zóó gestraft gevoeld had, dat hij eensklaps op het denkbeeld gekomen was, zijn vrouw te gaan halen en een weekje bij zich te houden. Hij zeide het niet, maar ongetwijfeld had de goddelijke genade hem aangeraakt, en zij vond hem veel te lief, om niet aan een echt begin van bekeering te gelooven.

“O, hoe dankbaar ben ik de Heilige Maagd! Van haar komt dit alles, ik heb het gisterenavond wel begrepen. Het kwam mij voor, alsof zij mij een teeken gaf, juist op het oogenblik, dat mijn man het besluit nam mij te gaan halen. Ik heb hem het juiste uur gevraagd, en het klopt precies … Ziet u, er bestaat geen grooter wonder; om die andere, die herstelde beenen, die verdwenen wonden moet ik lachen. O, Notre-Dame de Lourdes zij gezegend, dat zij mijn hart genezen heeft!”

De groote, donkere man keerde zich om, zij vloog naar hem toe en vergat daardoor afscheid te nemen. Dit onverwachte liefde-buitenkansje, deze verlate terugkeer van de wittebroodsweken, die heele week, die zij met haar man, naar wien zij zoo verlangd had, te Luchon ging doorbrengen, maakte haar werkelijk dol van vreugde. Hij, een goedmoedige kerel, die in een oogenblik, dat hij boos was en zich eenzaam voelde, haar weer tot zich genomen had, kwam er ook even van onder den indruk; het avontuur amuseerde hem en hij vond haar veel knapper dan hij gedacht had.

Op dat oogenblik kwam, terwijl de stroom van zieken, die naar hun wagons gebracht werden, steeds aanwies, de trein van Toulouse in zicht. Dat gaf een verdubbeling van lawaai, een buitengewone verwarring. Overal rinkelden signaalklokjes, werden seinen gegeven. Men zag den stationschef toesnellen en hoorde hem zoo hard als hij kon roepen:

“Oppassen daar … Maakt den weg toch vrij!”

Een stationsbeambte moest nog op het laatste oogenblik een wagentje met een oude vrouw, dat daar vergeten was, van de rails duwen. Een verschrikte troep pelgrims stak nog over, ongeveer dertig meter voor de locomotief, die langzaam, puffend en snuivend naderde. Anderen, die heelemaal hun hoofd verloren, zouden onder de wielen gekomen zijn, indien de stationsbeambten hen niet ruw bij den schouders hadden gepakt. Eindelijk stond de trein, zonder iemand overreden te hebben, stil te midden van matrassen en kussens, die rondslingerden, een golf van reizigers stapte uit, terwijl een andere golf instapte, in een dubbelen stroom en tegenstroom, zoodat het gedrang nog erger werd en het tumult zijn toppunt bereikte. Voor de raampjes der gesloten portieren waren hoofden verschenen, eerst nieuwsgierig, doch dan stom-verbaasd door het verwonderlijke schouwspel; in het bijzonder vielen twee aanbiddelijk mooie jongemeisjeskopjes op, wier groote, trouwhartige oogen ten slotte het smartelijkste medelijden uitdrukten.

Madame Maze was, door haar man gevolgd, in een wagon gestapt, zoo gelukkig en zoo lenig, alsof zij pas twintig was, zooals op den avond van haar huwlijksreis. De portieren werden weer gesloten, de locomotief liet een scherp gefluit hooren, zette zich langzaam en dreunende in beweging tusschen de menigte, die achter den trein weer samenvloeide als het water uit een geopende sluis.

“Sluit het perron af!” riep de stationschef tegen de beambten; “en let goed op, als de machine voorkomt!”

Te midden van al dat lawaai kwamen eindelijk de pelgrims, die zich verlaat hadden, aan. La Grivotte met haar koortsachtig schitterende oogen liep met haar dansenden gang voorbij, gevolgd door Elise Rouquet en Sophie Couteau, die buiten adem waren van het harde loopen. Alle drie haastten zij zich naar haar wagon, waar zij een standje van zuster Hyacinthe kregen. Zij waren bijna in de Grot gebleven, waar pelgrims, die zich niet los konden rukken en maar steeds de Heilige Maagd smeekten of dankten, dikwijls achterbleven, terwijl de trein aan het station op hen stond te wachten.

Plotseling zag Pierre, zelf ook ongerust en niet meer wetend wat hij ervan denken moest, mijnheer de Guersaint en Marie heel kalm onder de marquise staan praten met abbé Judaine. Hij snelde naar hen toe.

“Wat hebben jullie toch uitgevoerd? Ik begon de hoop reeds op te geven.”

“Wat we gedaan hebben?” antwoordde mijnheer de Guersaint verbaasd. “We waren naar de Grot, dat weet je toch zelf ook wel … Een priester heeft er schitterend gepreekt. We zouden er nog zijn, indien ik mij niet bijtijds herinnerd had, dat we weg moesten … Wij hebben zelfs een rijtuig genomen, zooals we je beloofd hadden.”

Hij hield even op om op de klok te kijken.

“We hebben niets geen haast. De trein vertrekt pas over een kwartier.”

Dat was zoo, en om Marie’s lippen speelde een glimlach van hemelsche vreugde.

“O, Pierre, als je eens wist, hoe gelukkig dat laatste bezoek aan de Heilige Maagd mij gemaakt heeft. Ik heb gezien, hoe zij mij toelachte, ik heb gevoeld, hoe zij mij kracht tot leven gaf … Heusch, het was een verrukkelijk afscheid, en je moet niet boos op ons zijn, Pierre!”

Hij zelf was ook begonnen te lachen, een weinig verlegen over zijn zenuwachtigen angst. Had hij dan zoo’n vurig verlangen om ver van Lourdes te zijn? Was hij bang, dat Marie door de Grot achtergehouden worden en niet meer terugkomen zou? Nu zij er was, verwonderde hij zich over zichzelf en voelde hij zich weer kalm.

Toen hij hun echter aanried toch maar naar den wagon te gaan, zag hij dr. Chassaigne naar hen toekomen.

“O, beste dokter, ik had het wel gedacht, dat u komen zoudt. Het zou mij zoo vreeselijk gespeten hebben, wanneer ik u niet meer gezien had!”

Maar de oude dokter, die van aandoening beefde, viel hem in de rede.

“Ja, ja, ik heb me verlaat … Stel je voor, toen ik tien minuten geleden hier aankwam, stond ik even met den Commandeur, je weet wel dat origineele type, te praten. Hij grinnikte bij het zien van al die zieken, die weer naar den trein gingen, om, zooals hij zich uitdrukte, thuis te gaan sterven, waar zij eigenlijk mede hadden moeten beginnen … En toen sloeg hij plotseling, als door den bliksem getroffen, tegen den grond … Het was de derde beroerte, die hij verwachtte.”

“Lieve hemel,” prevelde abbé Judaine, die het gehoord had, “hij lasterde God, de hemel heeft hem gestraft!”

Mijnheer de Guersaint en Marie luisterden gespannen en ontroerd.

“Ik heb hem in de loods laten brengen,” ging de dokter voort. “Het zal nu wel uit zijn, ik kon er niets meer aan doen, ongetwijfeld zal hij binnen een kwartier dood zijn … Toen heb ik aan een priester gedacht en ben hierheen geloopen …”

En zich tot abbé Judaine wendend:

“Mijnheer de abbé, u kent hem, u wilt zeker wel met me meegaan. Men kan een Christen toch zoo niet laten sterven. Misschien erkent hij nog zijn dwaling, wil hij zich met God verzoenen.”

Vlug volgde abbé Judaine hem, terwijl mijnheer de Guersaint, Marie en Pierre, die door de gedachte aan dit drama zeer ontroerd waren, ook mede gingen. Alle vijf gingen zij de goederenloods binnen op twintig pas afstands van de menigte, die lawaai bleef maken, zonder te vermoeden, dat zoo vlak bij een mensch lag te zieltogen.

Daar in een stil hoekje, tusschen twee zakken haver, lag de Commandeur op een matras, die men van den reserve-voorraad genomen had. Hij had zijn eeuwige overjas aan met het breede, roode lint in het knoopsgat; iemand, die zoo voorzichtig geweest was, om zijn wandelstok met den zilveren knop op te rapen, had dezen zorgvuldig naast de matras gelegd.

Dadelijk boog abbé Judaine zich over hem heen.

“Je herkent me toch, je hoort me toch, arme kerel?”

Aan den Commandeur schenen nog slechts zijn oogen te leven; maar zij leefden en schitterden dan ook met een vlam van hardnekkige energie. De beroerte, die blijkbaar ditmaal de rechterzijde van zijn lichaam getroffen had, scheen zijn tong verlamd te hebben. Toch stamelde hij nog enkele woorden, slaagde hij erin zich in zooverre verstaanbaar te maken, dat zij begrepen, dat hij daar wilde sterven, zonder dat ze hem verder lastig vielen. Hij had geen bloedverwant te Lourdes, waar niemand iets van zijn verleden of zijn familie wist; hij leefde er sinds drie jaar van zijn onaanzienlijk baantje aan het station, en zag nu, volmaakt gelukkig, eindelijk zijn vurigen wensch, zijn eenigen wensch, namelijk om heen te gaan en in den eeuwigen slaap, het heelende Niet weg te zinken, werkelijkheid worden.

“Heeft u nog een wensch uit te spreken?” vroeg abbé Judaine verder. “Kunnen wij op de een of andere wijze nog iets voor u doen?”

Neen, neen; zijn oogen antwoordden, dat hij zich goed voelde, dat hij tevreden was. Al drie jaar lang was hij geen ochtend opgestaan zonder den wensch, dat hij ’s avonds op het kerkhof zou slapen. Wanneer de zon scheen, placht hij met iets als verlangen in zijn stem te zeggen: “Wat een prachtige dag, om te sterven.” En de dood, die hem van dit verfoeilijk leven verlossen kwam, was hartelijk welkom.

Dr. Chassaigne kon den priester, die hem smeekte nog iets te beproeven, slechts op eenigszins bitteren toon zeggen:

“Ik kan niets, de wetenschap is onmachtig; hij is ten doode opgeschreven.”

Op dat oogenblik kwam een oude vrouw, een tachtigjarige pelgrim, die verdwaald was en niet meer wist, waar zij liep, de loods binnen. Lam en gebocheld, niet grooter dan een kind en behept met alle kwalen van den ouderdom, sleepte zij zich op een stok voort; aan een riem had zij een kruik Lourdeswater hangen, om haar leven ondanks den verschrikkelijken toestand van verval, waarin zij verkeerde, nog te verlengen. Een oogenblik keek zij verschrikt naar den man, die daar lag te sterven. Dan kwam een grootmoederlijke goedheid in haar troebele oogen, deed een gevoel van menschenliefde haar een paar stappen dichterbij komen. Met haar voortdurend bevende handen nam zij haar kruik en gaf dien aan den man.

Dat was voor abbé Judaine een plotselinge lichtstraal, als een ingeving uit den hooge. Hij, die zoo vurig gebeden had voor de genezing van madame Dieulafay en dien de Heilige Maagd niet verhoord had, voelde zich door een nieuw geloof doorgloeien en was overtuigd, dat de Commandeur, als hij dronk, genezen zou worden. Hij viel naast de matras op zijn knieën.

“Broeder, God zendt u deze vrouw … Verzoen u met God, drink en bid, terwijl wij met geheel onze ziel de goddelijke barmhartigheid voor u zullen afsmeeken … God zal u zijn macht willen bewijzen, God zal het groote wonder doen u op te richten, opdat gij nog lange jaren op deze aarde verblijven kunt, om hem lief te hebben en te prijzen.”

“Neen, neen!” riepen de fonkelende oogen van den Commandeur; “neen!” Hij zou even laf zijn als die kudden pelgrims, die van zoo verre en onder zoo groote inspanning hier kwamen, om zich op den grond te werpen en snikkend den hemel te smeeken hen nog een maand, een jaar, tien jaar te laten leven! Het was zoo goed, zoo eenvoudig rustig in je bed te sterven. Je keert je gezicht naar den muur en je sterft.

“Drink, broeder, drink, ik bezweer het u … Het is het leven, dat gij drinken zult, de kracht, de gezondheid en ook de levensvreugde … Drink, om weer jong te worden, om een nieuw en vroom leven te beginnen! Drink, om den lof te zingen van de Moeder Gods, die uw lichaam en uw ziel redden zal … Zij spreekt tot mij, uw herrijzenis is zeker!”

“Neen! Neen!” De oogen weigerden en stieten het leven met een steeds grooter wordende hardnekkigheid weg, waarbij zich nu nog een doffe vrees voor het wonder voegde. De Commandeur geloofde niet, haalde nu al drie jaar lang zijn schouders op voor die zoogenaamde wonderen. Maar je kan in deze idiote wereld alles verwachten. Er gebeurden soms van die vreemde dingen! En indien bij toeval hun water werkelijk een bovennatuurlijke kracht had en zij hem dit met geweld lieten drinken, het zou vreeselijk zijn weer op te leven, weer zijn bagno-tijd te moeten beginnen, het gruwlijke lijden door te maken, dat Lazarus, de deerniswaardige uitverkorene van het wonder, tweemaal doorgemaakt had. Neen, neen, hij wilde niet drinken, hij wilde de afschuwlijke kans der herrijzenis niet loopen.

“Drink, drink, broeder,” herhaalde de oude priester met tranen in zijn oogen, “verhard niet in uw afwijzing der hemelsche genaden!”

En nu zag men het verschrikkelijke, dat deze reeds half doode man zich oprichtte, de benauwend-knellende banden der verlamming afschudde, voor een seconde zijn geketende tong losmaakte en met een heesche bromstem schreeuwde: “Neen, neen, neen!”

Pierre moest de verschrikte oude vrouw wegbrengen. Zij had deze weigering van het water, dat zij als een onschatbaar goed, als het geschenk zelf van den eeuwigen God aan de armen, die niet sterven willen, niet begrepen. Hinkend, gebocheld, op haar stok het droevig overschot van haar tachtig jaar voortslepend, verdween zij tusschen de rondtrappelende menigte, verteerd door haar hartstocht om te leven, snakkend naar lucht, zon en drukte.

Marie en haar vader hadden gehuiverd voor dit vurige verlangen naar den dood, dien gulzigen honger naar het Niet, die zich bij den Commandeur openbaarden. O, slapen, zonder droom slapen, in het oneindige donker, eeuwig, niets kon ter wereld zoo heerlijk zijn! Het was niet de hoop op een beter leven, niet het verlangen om eindelijk gelukkig te zijn in een paradijs van gelijkheid en gerechtigheid; het was alleen het verlangen naar den donkeren nacht, naar den eindeloozen slaap, naar het genot om voor eeuwig niet meer te zijn. Ook dr. Chassaigne had gehuiverd, want ook hij koesterde slechts één gedachte, die van de gelukzaligheid van het oogenblik, waarin hij sterven zou. Maar aan gene zijde van dit aardsche bestaan wachtten hem zijn dierbare dooden, zijn vrouw en zijn dochter, op den drempel van het eeuwige leven. Als een ijskoud stortbad zou het voor hem zijn, als hij een enkel oogenblik tegen zichzelf had moeten zeggen, dat hij haar niet zou terugvinden!

Moeilijk stond abbé Judaine weer op. Hij had meenen op te merken, dat de Commandeur nu zijn oogen op Marie gevestigd hield. Wanhopig, dat zijn smeekbeden niet helpen mochten, wilde hij hem een voorbeeld geven van die goedheid Gods, welke hij afwees.

“U herkent haar, niet waar? Ja, het is het jonge meisje, dat Zaterdag zoo ziek en verlamd aan beide beenen hier gekomen is. En nu ziet u haar zoo gezond, zoo sterk, zoo mooi … De hemel heeft haar genade geschonken, zie, zij is herboren voor haar jeugd, voor het lange leven, waarvoor zij bestemd is … Voelt u geen verlangen naar het leven, nu u haar ziet? Zoudt u misschien dit kind ook dood gewenscht hebben, haar hebben aangeraden niet te drinken?”

De Commandeur kon niet antwoorden; maar zijn oogen waren niet meer af van het gelaat van Marie, waarop een zoo groote blijdschap over haar herrijzenis, een zoo vaste hoop op tallooze komende dagen te lezen was; en tranen kwamen, maakten zijn oogleden dik, rolden langs zijn reeds koude wangen. Hij weende ongetwijfeld over haar, hij dacht ongetwijfeld aan het andere wonder, dat hij voor haar gewenscht had, als zij genas, n.l. gelukkig te zijn. Het was de ontroering van een oud man, die de ellende van deze wereld kent, en dien al de smarten, welke dit arme schepseltje nog wachtten, met medelijden vervulde.

Het beklagenswaardige kind! Hoe dikwijls zou zij het later niet betreuren, dat zij op haar twintigste jaar niet gestorven was.

Onmiddellijk trok dr. Chassaigne Marie ter zijde.

“De trein vertrekt, haast u, haast u!”

Inderdaad drong door het steeds grooter wordende tumult van de menigte het slaan op een bel tot hen door. De dokter, die twee brancarddragers opdroeg te blijven waken bij het lijk, dat straks, als de trein vertrokken was, weggebracht kon worden, wilde zijn vrienden tot hun wagon brengen.

Allen haastten zich. Abbé Judaine volgde hen, na een kort gebed gezegd te hebben voor de rust van deze opstandige ziel. Doch toen Marie, gevolgd door Pierre en mijnheer de Guersaint, over het perron liep, werd zij nog staande gehouden door dr. Bonamy, die haar triomphantelijk aan pater Fourcade voorstelde.

“Eerwaarde vader, mademoiselle de Guersaint, het jonge meisje, dat gisteren zoo wonderdadig genezen is!”

De pater had den stralenden glimlach van een generaal, aan wien men zijn schitterendste overwinning in herinnering brengt.

“Ik weet het, ik weet het, ik was erbij … Geliefde dochter, God heeft u onder allen gezegend, ga heen en prijs zijn naam!”

Dan wenschte hij mijnheer de Guersaint geluk, wiens vadertrots genoot. De ovatie begon opnieuw; een concert van liefdevolle woorden, van verwonderde blikken, die het jonge meisje ’s ochtends door de straten van Lourdes gevolgd waren, en die haar in de laatste minuut vóór het vertrek weer omringden. Al luidde de bel weer, een kring van verrukte pelgrims had zich om haar heen gevormd; het scheen, alsof zij in haar persoon de glorie der bedevaart, den triomf van den godsdienst, die van nu af aan in alle hoeken der wereld zou weerklinken, in haar persoon belichaamde.

Pierre werd diep ontroerd, toen hij de smartelijke groep zag, die dicht daarbij mijnheer Dieulafay en madame Jousseur vormden. Hun blikken hadden zich op Marie gevestigd; zij verbaasden zich evenals de anderen over de wonderdadige herrijzenis van dit zoo mooie jonge meisje, dat zij zoo krachteloos, zoo mager, zoo lijkkleurig gezien hadden. Waarom niet de jonge vrouw, de hun zoo dierbare vrouw, die zij stervend mee naar huis namen? Hun verlegenheid, hun schaamtegevoel scheen grooter te worden: zij weken terug in hun onbehaaglijk gevoel van te rijke paria’s; en het was voor hen een opluchting, toen zij, nadat drie brancarddragers met groote moeite madame Dieulafay in het compartiment eerste klasse gedragen hadden, op hun beurt ook met abbé Judaine verdwijnen konden.

Maar reeds riepen de conducteurs: “Instappen! Instappen!” Pater Massias, die met de geestelijke leiding van den trein belast was, had zijn plaats weer ingenomen en pater Fourcade, die nu op den schouder van dr. Bonamy leunde, op het perron laten staan. Gérard en Berthaud groetten nog eenmaal de dames, terwijl Raymonde zich bij madame Désagneaux en madame Volmar voegde, die het zich in haar hoekje reeds makkelijk gemaakt hadden. Madame de Jonquière begaf zich naar haar wagon, waar zij tegelijk met de Guersaints kwam. Men verdrong zich, het was een geschreeuw, een zenuwachtig heen en weer geloop langs den eindeloozen trein, waaraan men nu de locomotief gekoppeld had, een geheel koperen machine, stralend als een ster.

Pierre liet Marie voorgaan, toen mijnheer Vigneron kwam aanrennen en hem toeschreeuwde:

“Het is geldig! Het is geldig!”

Rood van opwinding liet hij zijn biljet zien, zwaaide het heen en weer. Hij galoppeerde tot den coupé, waarin zijn vrouw en zijn zoon zaten, om hun de goede tijding mede te deelen.

Toen Marie en haar vader zaten, bleef Pierre nog even op het perron staan, om afscheid te nemen van dr. Chassaigne, die hem vaderlijk omarmde. Hij wilde hem doen beloven naar Parijs terug te komen, om in zijn leven wat meer vroolijkheid te brengen. Maar de oude dokter schudde het hoofd.

“Neen, neen, beste jongen, ik blijf … Zij zijn hier en houden mij hier.”

Hij bedoelde zijn lieve dooden. Dan zacht en ontroerd:

“Vaarwel!”

“Neen, niet vaarwel dokter, tot wederziens!”

“Ja, ja, vaarwel … Want zie je, de Commandeur had gelijk. Er is niets zoo heerlijk als sterven, maar sterven, om te herleven.”

Baron Suire gaf order de witte vlaggen aan den kop en aan het eind van den trein weg te nemen. Dringender klonk het geroep der conducteurs: “Instappen, instappen!” Nu volgde een nog grooter gedrang: de stroom van laatkomers, die nu bezweet en buiten adem kwamen aanvliegen. In den wagon telden madame de Jonquière en zuster Hyacinthe haar patienten. La Grivotte, Elise Rouquet, Sophie Couteau waren er. Madame Sabathier zat op haar plaats tegenover haar man, die met half gesloten oogen geduldig op het vertrek van den trein wachtte.

Dan vroeg er een:

“Gaat madame Vincent niet met ons mee?”

Zuster Hyacinthe, die uit het raampje keek en nog een glimlach wisselde met Ferrand, die op den drempel van den kantinewagen stond, riep:

“Daar is zij!”

Madame Vincent liep de rails over en kwam als laatste, buiten adem en hevig verschrikt, aanvliegen. Onwillekeurig keek Pierre dadelijk naar haar armen. Zij waren leeg.

Alle portieren werden nu gesloten, sloegen het een na het ander dicht. De wagons waren vol, het signaal van vertrek behoefde nog slechts gegeven te worden. Hijgend en puffend, liet de locomotief een eerste schel jubel-gefluit hooren; op dat oogenblik verjoeg de tot dusver omsluierde zon het dichte wolkendons en deed den trein met zijn nu geheel gouden machine, die naar het paradijs der legenden scheen te vertrekken, schitteren. Het was een vertrek vol kinderlijke, hemelsche vroolijkheid, zonder eenige bitterheid. Alle zieken schenen genezen te zijn. Al nam men ze ook weer mee terug zooals men ze gebracht had, zij schenen verlicht, gelukkig, voor een uur tenminste. Niet de minste afgunst bedierf hun eendrachtige liefde: zij, die niet genezen waren, verheugden zich over, triompheerden met de genezing der anderen. Hun beurt zou ook zeker komen, het wonder van heden was de uitdrukkelijke belofte voor het wonder van morgen. Na die drie dagen van vurige smeekbeden hield de koorts van het verlangen onverminderd aan, bleef het geloofsvertrouwen der niet-verhoorden even groot in de zekerheid, dat de Heilige Maagd hen voor hun zieleheil eenvoudig tot later bewaard had. In hun binnenste brandden bij al deze ongelukkige hongerenden en dorstenden naar het leven, de onuitbluschbare liefde, de onverwoestbare hoop. Een laatste uitbarsting van vreugde dreunde dan ook uit de overvolle wagons, een uitgelatenheid van geluk, van gelach, van geroep. “Tot het volgend jaar. Wij komen terug. Wij komen terug!” De kleine, zoo vroolijke zusters van Maria Hemelvaart klapten in haar handen, en, aangeheven door de achthonderd pelgrims, steeg het danklied omhoog:

“Magnificat anima mea Dominum…”

Toen gaf de chef, die eindelijk tot kalmte gekomen was, het signaal tot vertrek. Weer floot de locomotief, zette zich dan in beweging, rolde voort in de stralende zon, als in een glorie. Op het perron glimlachte pater Fourcade, leunend op den schouder van dr. Bonamy, hoewel zijn been hem vreeselijk pijn deed, tegen zijn lieve kinderen, terwijl Berthaud, Gérard en baron Suire een andere groep vormden en dicht bij hen dr. Chassaigne en mijnheer Vigneron met hun zakdoeken wuifden. Uit de portieren der voortsnellende wagons hingen vroolijk lachende hoofden, wapperden zakdoeken in de snelle vaart. Madame Vigneron dwong den kleinen Gustave zijn bleek gezichtje nog even te laten zien. Lang kon men het mollige handje van Raymonde groetend zien zwaaien. Maar Marie bleef het langst kijken naar het tusschen het groen steeds kleiner wordende Lourdes.

Triomphantelijk, glanzend, dreunend verdween in de lichte vlakte de trein, die uit volle borst zong:

“Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo.”

IV.

Weer rolde nu op den terugweg naar Parijs de witte trein. En in den wagon derde klasse, waarin het met volle kracht gezongen Magnificat het gedreun der wielen overstemde, was het weer dezelfde ziekenchambrée, dezelfde rijdende en gemeenschappelijke ziekenhuiszaal, die men met één blik over de lage tusschenschotten in al zijn wanorde van geïmproviseerde ambulance overzien kon. Half verborgen onder de banken slingerden kruiken, potten, kommen, bezems, sponsen. Overal en nergens lag bagage opgestapeld, een armoedige verzameling van versleten dingen, pakjes, manden, zakken, die, zonder een oogenblik in rust te zijn, ook aan de koperen haken hingen te slingeren. Dezelfde zusters van Maria Hemelvaart, dezelfde dames der Hospitalité waren er met haar zieken te midden van de gezonde pelgrims, die reeds last hadden van de drukkende hitte en den ondragelijken stank. Achterin zag men weer den geheel met vrouwen gevulden coupé, de tien dicht op elkaar zittende pelgrims, jong en oud, allen even leelijk en op slependen valschen toon luid zingend.

“Hoe laat zijn we ook weer in Parijs?” vroeg mijnheer de Guersaint aan Pierre.

“Morgenmiddag om twee uur, geloof ik,” antwoordde de priester.

Van af het vertrek had Marie hem ongerust en bezorgd aangekeken, alsof een plotseling verdriet, dat zij niet uitspreken wilde, haar aangegrepen had. Toch vond zij haar glimlachje van herkregen gezondheid terug.

“Twee-en-twintig uur, nu, dat zal niet zoo lang en zoo zwaar vallen als toen we gingen.”

“En bovendien,” zeide haar vader, “zijn we niet met zoovelen; we hebben het nu wat ruimer ook.”

Inderdaad liet het achterblijven van madame Maze een hoekje vrij op de bank, welke Marie, die nu zat, ook niet meer vol maakte; bovendien had men de kleine Sophie in het compartiment ernaast gezet, waarin zich thans broeder Isidore en zijn zuster Marthe, die, naar men beweerde, te Lourdes in dienst gegaan was bij een vrome dame, niet meer bevonden. Aan den overkant hadden madame de Jonquière en zuster Hyacinthe de plaats van madame Vêtu vrij, terwijl zij bovendien Elise Rouquet bij de kleine Sophie gelaten hadden, zoodat zij alleen nog maar het echtpaar Sabathier en la Grivotte hadden. Dank zij deze nieuwe indeeling had men het minder warm, zou men zelfs wat kunnen slapen.

Het laatste vers van het Magnificat was gezongen; de dames trachtten het nu zoo huiselijk en makkelijk mogelijk in te richten. Voor alles moesten zij de volle zinken kruiken, die haar beenen hinderden, onder de banken schuiven. Aan de linkerzijde waren alle gordijntjes neergelaten, want de zon stond schuin op den trein en viel in felle plekken binnen. De laatste onweersbuien hadden echter het stof blijkbaar neergeslagen en de nacht zou zeker frisch zijn. Bovendien was het lijden minder, de dood had de ergste zieken weggenomen, terwijl zij, die nog over waren, verdoofd en door en door vermoeid, van lieverlede in een toestand van gevoelloosheid overgingen. Weldra zou de reactie van uitputting intreden, die altijd op groote moreele schokken volgt. De zieken hadden haar krachten verbruikt, de wonderen waren geschied, en nu begon de ontspanning der zenuwen in de stompzinnigheid van een groote verlichting.

Tot Tarbes had men het zeer druk, ieder maakte het zich zoo makkelijk mogelijk en nam zijn plaatsje weer in bezit. Toen ze dit station verlieten, stond zuster Hyacinthe op en klapte in de handen:

“Kinderen, we mogen de Heilige Maagd, die zoo goed voor ons geweest is, niet vergeten … Laten we den rozenkrans beginnen!”

De geheele wagon bad nu met haar het eerste paternoster, de vijf blijde mysteriën: Maria boodschap, het bezoek van Maria aan de H. Elizabeth, de geboorte van Christus, Maria-Lichtmis en het terugvinden van Jezus. Dan hieven zij het lied: “Aanschouwen wij den hemelschen Aartsengel” aan met zoo luide stem, dat de boeren op het land opkeken en den zingenden trein nastaarden.

Maria bewonderde het wijde landschap, den eindeloozen hemel, die zich langzamerhand van zijn warmtewaas ontdaan had en helder-blauw geworden was. Het was het heerlijke einde van een prachtigen dag. Dan gingen haar blikken weer terug naar den wagon en bleven met die zwijgende droefheid, welke haar oogen zooeven reeds omfloerst had, rusten op Pierre, toen zij plotseling tegenover zich heftig gesnik hoorde. Het lied was uit, madame Vincent huilde en stamelde verwarde, door haar tranen verstikte woorden.

“Mijn arm kleintje … Mijn lieveling, mijn schat, mijn leven!”

Tot dusverre was zij schuw en ineengedoken in haar hoekje blijven zitten. Zij had geen woord gesproken, haar lippen waren op elkaar geklemd, haar oogen half gesloten, alsof zij zich in haar vreeselijke smart nog meer wilden afzonderen. Maar toen zij haar oogen even open deed, had zij den leeren riem gezien, dien haar kind aangeraakt, waarmede het gespeeld had, en het zien daarvan vervulde haar met een zoo bittere wanhoop, dat zij niet langer zwijgen kon.

“Mijn arme Rose … Zij had dat ding in haar handjes en draaide eraan, het was haar laatste stukje speelgoed … Ach, toen waren we nog samen, zij leefde nog, ik had haar nog op mijn schoot, in mijn armen. Het was zoo heerlijk nog, zoo heerlijk! Maar nou heb ik ze niet meer, ik zal ze nooit terugkrijgen ook, mijn arme Rose, mijn arme, kleine Rose!”

Met verwilderde blikken keek zij snikkend naar haar leege schoot, naar haar leege armen, waarmede zij geen raad meer wist. Zij had er zoo lang haar kind in gewiegd, zoo lang haar kind in gedragen, dat zij nu het gevoel had, alsof er iets uit haar lichaam was weggenomen, alsof haar lichaam een functie minder verrichtte, waardoor zij zich als het ware onbeteekenender, nutteloos gevoelde. Haar armen, haar knieën hinderden haar.

Diep ontroerd trachtten Pierre en Marie de wanhopige moeder met vriendelijke woorden te troosten. Langzamerhand leerden zij door de onsamenhangende zinnen, die zich met haar tranen vermengden, den lijdensweg kennen, dien zij na den dood van haar kindje beklommen had. Van ’s avonds laat tot den volgenden dag had zij blijkbaar lang met haar dood kindje in haar armen rondgeloopen, blind, doof, gegeeseld door de stortregens. Zij herinnerde zich niet meer, welke pleinen zij overgestoken was, welke straten zij gevolgd had in dat infame Lourdes, dat kinderen-vermoordende Lourdes, dat zij vervloekte.

“O, ik weet het niet meer, ik weet het niet meer … Ja, menschen hebben me opgenomen, hebben medelijden met me gehad, menschen, die ik niet ken, die ergens wonen … O, ik weet het niet meer, ergens, in de hoogte, ver weg, aan het andere einde van de stad … Maar in ieder geval waren het arme menschen, want nou herinner ik me, dat ik met mijn lieve kleine, die ze op hun bed gelegd hadden, heelemaal koud al, in een armoedig kamertje was …”

Bij die herinnering doorschokte haar een nieuwe huilbui, die haar half stikken deed.

“Neen, neen, ik wilde niet scheiden van dat lieve, kleine lichaampje en het in die verschrikkelijke stad achterlaten … Precies kan ik het niet zeggen, maar die arme menschen moeten mij wel overal gebracht hebben. Wij hebben geloopen, neen maar, geloopen, alle hooge mijnheeren van de spoor en van de bedevaart hebben we afgeloopen … Telkens weer zei ik: “Wat kan het u schelen? Sta mij toe het in mijn armen mede te nemen naar Parijs. Ik heb het levend zoo hierheen gebracht, ik kan het zoo wel dood mee terug nemen. Niemand zal er iets van merken … Het is precies, alsof het slaapt.” En al die heeren hebben me weggestuurd, alsof ik hun gemeene dingen vroeg. Toen heb ik er ten slotte een paar domheden uitgeflapt … Maar zeg u nu zelf eens, wanneer je zooveel omhaal maakt, wanneer je zooveel zieken den dood tegemoet zendt, dan moet je er je toch ook mee belasten de dooden terug te brengen?… En weet u, wat zij mij aan het station gevraagd hebben? Driehonderd francs! Ja, dat is de som, geloof ik. Driehonderd francs vragen ze, God beter het, aan mij, die met dertig sous in mijn zak hierheen gekomen ben en er nog vijf over heb! Die verdien ik in geen half jaar met naaien! Hadden ze me mijn leven gevraagd, dan had ik het graag gegeven … Driehonderd francs! Driehonderd francs voor dat arme kleine vogellichaampje, dat ik zoo graag op mijn schoot meegenomen had!”

Dan stamelde zij nog slechts doffe jammerklachten.

“O, als u eens wist, wat voor verstandige dingen die arme menschen gezegd hebben, om me over te halen weg te gaan. Een arbeidster zooals ik, op wie haar werk lag te wachten, moest naar Parijs terugkeeren; en ik had geen geld om mijn retourbillet te laten verloopen; ik moest den trein van tien minuten over half vier nemen … Zij hebben ook gezegd dat je, wanneer je niet rijk was, de dingen moest nemen, zooals ze vielen. Maar de rijken houden hun dooden bij zich en doen daarmee wat zij willen. Ik herinner me niets meer. Ik wist niet eens het uur van vertrek, nooit zou ik in staat geweest zijn het station te vinden. Na de begrafenis op een plek, waar twee boomen stonden, hebben alweer die arme menschen mij half gek daar vandaan meegenomen en me juist op het oogenblik, dat de trein vertrok, in den wagon geholpen … Maar wat een pijn, het is precies, alsof mijn hart onder den grond gebleven is. Het is verschrikkelijk, God, het is verschrikkelijk!”

“Arme vrouw!” prevelde Marie. “Houd moed, vraag aan de Heilige Maagd om bijstand, dien zij den bedroefden nooit weigert.”

Toen doorschokte een aanval van woede haar heele lichaam.

“Dat is niet waar! De Heilige Maagd lacht me uit, de Heilige Maagd is een leugenaarster!… Waarom heeft zij mij bedrogen? Nooit zou ik naar Lourdes gegaan zijn, als ik in een kerk die stem niet gehoord had. Mijn kindje zou nog leven, misschien zouden de dokters het redden … Ik, die voor niets ter wereld naar den pastoor geloopen zou zijn! Of ik gelijk had! Er is geen Heilige Maagd! Er is geen lieve God!”

Zonder berusting, zonder illusie, zonder hoop ging zij voort, lasterde met de echte ruwheid van het volk tegen God, schreeuwde haar smart zoo woest uit, dat zuster Hyacinthe tusschenbeide moest komen.

“Zwijg, ongelukkige. De goede God straft u door uw wond nog meer te laten bloeden.”

“Komt, kinderen, allemaal tegelijk en uit volle borst.”

Au ciel et sur terre

Que toutes les voix

Pour vous, o ma Mère,

Chantent à la fois

Laudate, laudate, laudate Mariam.

Nu zij overstemd werd door dit lied der liefde, snikte madame Vincent alleen nog maar in haar handen; zij was krachteloos, kon nog slechts zacht stamelen als een arme, door smart en uitputting stompzinnig geworden vrouw.

In den wagon begonnen na het lied de anderen zich ook moede te gevoelen. De zoo levendige zuster Hyacinthe en de zachte, ernstige kleine zuster Claire des Anges waren nog de eenigen, die Lourdes verlaten hadden, zooals zij er gekomen en er geweest waren: dezelfde opgewektheid van altijd, dezelfde aan alles gewende, alles overwinnende kalmte, die haar met haar witte schorten en haar witte kapjes nooit verliet. Madame de Jonquière, die in vijf nachten zoo goed als niet geslapen had, deed alle mogelijke moeite om haar arme oogen open te houden; toch was zij verrukt over de reis en ging zij naar huis met de groote vreugde in haar hart een man voor haar dochter gevonden te hebben en het mooiste wonder mede te nemen, een wonderdadig genezene, over wie de heele wereld spreken zou. Zij nam zich voor dien nacht eens lekker te slapen ondanks de harde schokken van den wagon, hoewel zij zich toch ongerust begon te maken over la Grivotte, die zij zoo vreemd, zoo opgewonden, zoo verwilderd vond met haar doffe oogen en de violette plekken op haar wangen. Tienmaal had zij getracht haar wat te kalmeeren, zonder echter gedaan te kunnen krijgen, dat zij met gevouwen handen en gesloten oogen stil bleef zitten. Gelukkig baarden de andere zieken haar geen zorg, allen voelden zij zich verlicht of anders zóó moe, dat zij reeds indommelden. Elise Rouquet had een zakspiegel gekocht, een grooten, ronden spiegel, waarin zij niet moede werd te kijken. Zij vond zich mooi, constateerde, dat van minuut tot minuut de genezing vorderde, en wel met een coquetterie, die haar, nu haar monsterachtig gezicht wat menschelijker werd, haar lippen spitsen en een glimlachje probeeren deed. Sophie Couteau zat lief te spelen; zij had, nu zij merkte, dat niemand meer vroeg haar voet te zien, uit eigen beweging haar schoenen uitgetrokken en zeide telkens, dat zij een steentje in haar kous had; maar toen toch niemand eenige aandacht aan dat door de Heilige Maagd genezen voetje schonk, nam zij het in haar handen, streelde het en scheen het heerlijk te vinden het aan te raken en ermede te spelen.

Mijnheer de Guersaint was opgestaan en keek, leunend tegen het beschot, naar mijnheer Sabathier.

“Vader, vader,” riep plotseling Marie, “kom eens kijken naar die groote kras in het hout. Die is natuurlijk van het ijzeren beslag van mijn wagentje!”

Dit teruggevonden teeken maakte haar zoo gelukkig, dat zij een oogenblik het heimelijke verdriet, dat zij scheen te willen verzwijgen, vergat. Evenals madame Vincent in tranen uitgebarsten was bij het zien van de leeren riemen, waarmede haar dochtertje gespeeld had, zoo kon zij een kreet van vreugde niet onderdrukken, nu zij die kras zag, welke haar herinnerde aan haar lang martelaarschap, aan die voor goed verdwenen, als een booze droom vervlogen pijnen.

“Te denken, dat ik nauwlijks vier dagen geleden daar nog lag en mij niet verroeren kon; en nu loop ik, sta ik en voel ik mij zoo gezond!”

Pierre en mijnheer de Guersaint lachten haar toe, terwijl mijnheer Sabathier, die haar woorden ook gehoord had, langzaam zeide:

“Het is zoo, je laat een beetje van je zelf, van je lijden, van je hoop in de dingen van je omgeving achter, en wanneer je ze terugvindt, spreken ze tegen je, zeggen ze je telkens weer die dingen, die je bedroefd of gelukkig maken.”

Berustend en zich in zijn lot schikkend was hij sedert het vertrek uit Lourdes stil in zijn hoekje blijven zitten; zelfs zijn vrouw had, wanneer zij zijn beenen toedekte en hem vroeg of hij pijn had, geen woord uit hem kunnen krijgen. Hij had geen pijn, maar was door een onoverwinlijke neerslachtigheid aangegrepen.

“Neem mij nu bijvoorbeeld eens,” ging hij voort. “Op de lange heenreis heb ik den tijd gedood met het tellen van de friesen op het plafond. Er waren er dertien van de lamp tot het portier. Ik heb ze nu weer geteld, en er zijn er nog altijd dertien, natuurlijk … Zoo is het ook met die koperen knop naast me. U kunt niet begrijpen, hoeveel droomen ik in den nacht, dat mijnheer de abbé ons de geschiedenis van Bernadette voorgelezen heeft, voor mezelf gedroomd heb, toen ik dat ding zoo zag glanzen. Ja, ik zag me genezen, ik maakte de reis naar Rome, waarover ik nu al twintig jaar lang praat, liep de heele wereld af; enfin allerlei dwaze, maar toch heerlijke droomen. En nu we naar Parijs teruggaan, zijn er nog dertien friesen, glimt de knop nog, en dat alles zegt me nu, dat ik weer met mijn doode beenen op deze bank lig … Nu is het uitgemaakt, ik ben en blijf een arm, oud dier, waarmee het afgeloopen is.”

Twee dikke tranen kwamen in zijn oogen, hij doorleefde blijkbaar een vreeselijk moeilijk uur. Doch dan richtte hij zijn grooten, vierkanten kop met de jukbeenderen, die een zoo hardnekkig geduld verrieden, weer op.

“Dit is nu de zevende maal, dat ik naar Lourdes geweest ben, en de Heilige Maagd heeft mij niet verhoord. Maar dat doet niets ter zake en zal mij niet weerhouden het volgend jaar weer te gaan. Misschien zal zij dan zoo genadig zijn mijn gebed te verhooren.”

“Tusschen twee haakjes,” ging hij voort, “hebt u het geluk gehoord, dat mijn plaatsvervanger gehad heeft? U weet wel, die teringlijder, voor wien ik de vijftig francs reisgeld betaald heb, toen ik mij in de Hospitalité liet opnemen … Welnu die is radicaal genezen!”

“Heusch, een teringlijder?” riep mijnheer de Guersaint uit.

“Waarachtig, mijnheer, volkomen genezen als in een handomdraaien … Ik had hem zoo minnetjes, zoo geel, zoo uitgeteerd gezien, en hij is me zoo gezond als een visch in het Hôpital komen opzoeken. Ik heb hem toen nog honderd sous gegeven.”

Pierre moest een glimlach onderdrukken, want hij had van dr. Chassaigne de ware toedracht der zaak gehoord. De genezene in quaestie was een simulant, dien men ten slotte op het geneeskundig bureau ontmaskerd had. Het moest minstens al het derde jaar geweest zijn, dat hij zich daar aanmeldde, den eersten keer voor een verlamming, den tweeden keer voor een gezwel, beide malen eveneens volkomen genezen. Iederen keer had hij zich laten logeeren en voeden en was, overladen met aalmoezen, weggegaan. Hij was een oud ziekenverpleger, grimeerde zich een kop, die het beste bij zijn kwaal paste, met zoo’n groote handigheid, dat een toeval dr. Bonamy te hulp had moeten komen, om het bedrog te ontmaskeren. De paters hadden een volkomen stilzwijgen over de zaak geëischt. Waarom deze schandelijke daad over te leveren aan den spot der couranten? Wanneer zij dergelijke schelmerijen ontdekten, vergenoegden zij er zich mede den schuldige te doen verdwijnen. Simulanten kwamen trouwens zeer weinig voor ondanks de verhalen, die door Voltairianen over Lourdes verspreid waren. Helaas waren, buiten het geloof, domheid en onwetendheid meer dan voldoende.

Mijnheer Sabathier was zeer onder den indruk van het feit, dat de hemel den man, die op zijn kosten gekomen was, had genezen, terwijl hij krachteloos en in denzelfden deerniswaardigen toestand terugkeerde. Hij zuchtte en zeide niet zonder een zweempje afgunst in zijn berusting:

“Enfin, wat zal je eraan doen? De Heilige Maagd moet toch het beste weten wat zij doet. Noch u, noch ik zullen haar rekenschap van haar daden vragen. Wanneer het haar behagen zal een blik op mij te werpen, zal zij mij altijd aan haar voeten vinden.”

Te Mont-de-Marsan liet zuster Hyacinthe na het Angelus de vijf droeve mysteriën bidden: Jezus in den tuin van den olijfberg, Jezus gegeeseld, Jezus met de doornenkroon, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan het kruis. Vervolgens werd in den wagon het avondmaal gebruikt, want de trein zou niet voor elf uur te Bordeaux stoppen. Alle manden der pelgrims waren volgepropt met mondvoorraad, ongerekend de melk, de bouillon, de chocolade en de vruchten, die zuster Saint-François uit den kantinewagen had laten brengen. Alles werd broederlijk verdeeld; men at van zijn knieën, in het kort het was een maaltijd, waarvoor ieder zijn aandeel leverde. En toen men klaar was, pakte men de rest van het brood en de vette papieren weer in.

“Kinderen,” zeide zuster Hyacinthe, toen zij Morceux voorbijstoomden; “het avondgebed!”

Nu volgde een verward gegons van stemmen: Pater’s, Ave’s, een boetedoening, een geheel zich toevertrouwen aan God, aan de Heilige Maagd, aan de heiligen, een dankzegging voor den gelukkigen dag, besloten met een gebed voor de levenden en voor de gestorven geloovigen.

“Ik zeg nu vast maar vooruit, dat ik, als we om tien uur Lamothe passeeren, stilte bevelen zal. Maar ik hoop, dat u allen verstandig zult zijn en dat we u niet in slaap behoeven te wiegen.”

Deze woorden verwekten gelach. Het was nu half negen. Langzaam was de avond op het veld neergedaald. Alleen over de heuvels lag nog de vage, scheidende schemering, terwijl de lage landen reeds met een donker laken bedekt waren. De trein reed in volle vaart door een uitgestrekte vlakte; er was niets meer te zien dan die zee van donkerte, waarin hij voortjoeg onder den donkerblauwen, met sterren bezaaiden hemel.

Sedert eenige oogenblikken keek Pierre verwonderd naar la Grivotte. Terwijl de pelgrims en de zieken reeds indommelden, opgepakt tusschen de bagage, die door het aanhoudende schokken slingerde, was zij rechtop gaan staan en klemde zich als na een plotselingen angst krampachtig vast aan het tusschenschot. In het bleeke, gele, dansende licht van de lamp scheen zij weer magerder geworden te zijn, terwijl haar gelaat weer lijkkleurig zag en door pijn vertrokken werd.

“Pas op, madame, zij valt,” riep de priester tegen madame de Jonquière, die door haar slaap bijna overmand werd.

Zij sprong haastig op, maar zuster Hyacinthe had zich nog vlugger omgedraaid en ving la Grivotte, die door een hevige hoestbui overvallen werd, in haar armen op. Vijf minuten lang werd de ongelukkige door zoo’n hoest geschud, dat haar arm lichaam ervan kraakte. Dan kwamen er roode draden uit haar mond en kreeg zij een hevige bloedspuwing.

“Lieve God, nu begint het weer,” riep madame de Jonquière wanhopig. “Ik vermoedde het wel, ik was er wel bang voor, toen ik haar zoo vreemd zag doen … Wacht, ik zal naast haar gaan zitten!”

Zuster Hyacinthe wilde daar echter niet van hooren.

“Neen, neen, madame u gaat wat slapen, ik zal waken … U bent het niet gewend en zoudt ten slotte zelf ook nog ziek worden.”

Zij ging zitten en hield het hoofd van la Grivotte, wier bloederige lippen zij schoon maakte, tegen haar schouder. De aanval bedaarde, maar de zwakte kwam zóózeer terug, dat de ongelukkige nauwlijks de kracht had om te stamelen: “O, het is niets, het is heelemaal niets … Ik ben genezen, genezen, heelemaal genezen!”

Pierre was geheel van streek. Die verpletterende instorting had den geheelen wagon met ontzetting vervuld. Velen stonden op en keken angstig over de tusschenschotten. Dan doken allen weer in het hoekje terug, niemand sprak, niemand verroerde zich meer. Pierre dacht aan het interessante medische geval, dat dit meisje bood: de daarginds herstelde krachten, de groote eetlust, de lange wandelingen, haar stralend gezicht, haar dansende ledematen; en nu weer dat opgeven van bloed, die hoest, dat loodkleurige gezicht, de brutale terugkeer van de ziekte, die ondanks alles overwon. Was dit soms een bijzondere soort tering, die door neurose gecompliceerd werd? Of was het een andere ziekte, een onbekende kwaal, die rustig haar gang ging te midden van tegenstrijdige diagnosen? De zee van onwetendheid en dwalingen begon, die duisternis, waarin de menschelijke wetenschap nog steeds rondspartelt. Hij zag dr. Chassaigne weer minachtend zijn schouders ophalen, terwijl dr. Bonamy kalm voortging de genezingen vast te stellen in de absolute zekerheid, dat niemand hem de onmogelijkheid van zijn wonderen zou kunnen bewijzen, evenmin als hij er de mogelijkheid van kon aantoonen.

“O, ik ben niet bang,” stamelde la Grivotte nog steeds, “zij hebben het me daar allemaal gezegd, ik ben genezen, volkomen genezen!”

De wagen rolde, rolde in den zwarten nacht. Ieder maakte het zich zoo makkelijk mogelijk, om te kunnen slapen. Men dwong madame Vincent op de bank te gaan liggen, gaf haar een kussen, waarop zij haar arm, pijnlijk hoofd kon leggen, en zij, die gedwee en volgzaam als een kind geworden was, dommelde nu in, in de gevoelloosheid en verdooving van een nachtmerrie, terwijl dikke, stille tranen uit haar gesloten oogen bleven rollen. Ook Elise Rouquet had een bank voor zichzelf, maakte zich gereed om erop te gaan liggen, maar, nog steeds in haar spiegel kijkend, maakte zij eerst groot nachttoilet, knoopte het zwarte doekje, dat gediend had om haar wond te verbergen, over haar hoofd en keek of zij nu met haar geslonken lip mooi was. En weer zag Pierre tot zijn verbazing, hoe die wond, zoo niet genezen, dan toch op weg van beterschap was, hoe thans dat afzichtelijke gezicht van drie dagen geleden toonbaar was. De zee der onzekerheden begon opnieuw. Was het soms geen echte lupus? Was het misschien een onbekende soort tumor van hysterischen oorsprong? Of moest men aannemen, dat sommige onvoldoend bestudeerde lupusgevallen, die voortkwamen uit een slechte voeding van de huid, door een hevigen moreelen schok genezen konden worden? Het was een wonder, wanneer hij tenminste na drie weken, drie maanden, drie jaar niet terugkwam, zooals de tering bij la Grivotte.

Het was tien uur. De geheele wagon dommelde toen men Lamothe verliet. Zuster Hyacinthe, die het hoofd van de in slaap gevallen Grivotte op haar knieën hield, kon niet opstaan; zij vergenoegde zich om, voor den vorm, met een zachte stem, die in het gedreun der wielen verloren ging, te zeggen:

“Stilte, kinderen, stilte!”

Maar iets bleef er in een compartiment ernaast bewegen; een geluid, dat haar irriteerde en dat zij ten slotte begreep.

“Sophie, wat beteekent dat getrap tegen de bank? Je moet gaan slapen, kindlief.”

“Ik trap niet, zuster, het is een sleutel, die onder mijn schoen gerold is.”

“Wat, een sleutel? Geef mij dien.”

Zij bekeek hem: een armoedige, heel oude, zwartachtige, door het gebruik versleten sleutel, welks opnieuw gesoldeerde ring nog het teeken daarvan droeg. Iedereen had in zijn zakken gevoeld, niemand had een sleutel verloren.

“Ik heb hem in den hoek gevonden,” zeide Sophie. “Hij zal zeker van dien man zijn.”

“Welke man?” vroeg zuster Hyacinthe.

“Van den man, die daar gestorven is.”

Men had hem reeds vergeten. Zuster Hyacinthe herinnerde zich nu: ja, ja, hij was zeker van dien man, want zij had iets hooren vallen, toen zij zijn gezicht afveegde. Zij keerde den sleutel om, bleef ernaar kijken, steeds weer was het denzelfde leelijke, armoedige sleutel, de nu nuttelooze sleutel, die nooit meer het onbekende slot, dat daar ergens in de wijde wereld zich bevond, openen zou. Even dacht zij er in een soort medelijden met dat zoo nederige, zoo geheimzinnige stukje ijzer, al wat er van den man nog over was, over om den sleutel in haar zak te steken, maar dan kwam de godvruchtige gedachte in haar op, dat men zich aan niets op deze aarde moet hechten, en door het half openstaande raampje wierp zij den sleutel weg, die neerviel in den zwarten nacht.

“Sophie, nu niet meer spelen, maar gaan slapen,” zeide zij nogmaals. “En nu stilte, kinderen, stilte!”

Eerst na het korte oponthoud te Bordeaux tegen half twaalf keerde de slaap terug en deed den geheelen wagon indommelen. Madame de Jonquière had den strijd niet langer kunnen volhouden, haar hoofd lag tegen het houten beschot, zij scheen gelukkig ondanks haar vermoeidheid. De Sabathiers sliepen eveneens, zonder bijna adem te halen, terwijl er ook geen geluid meer kwam uit het compartiment, waarin Sophie Couteau en Elise Rouquet tegenover elkaar op de banken lagen. Nu en dan steeg er even een doffe jammerklacht op, een gil van angst of schrik, welke van de lippen van madame Vincent kwam, die blijkbaar benauwd droomde. Alleen zuster Hyacinthe had eigenlijk haar oogen niet dicht; zij maakte zich erg ongerust over la Grivotte, die thans onbeweeglijk, als dood, moeilijk en reutelend lag te ademen.

Van het eene einde van die rijdende slaapzaal, die door het slingeren van den met vollen stoom rijdenden trein hevig geschokt werd, gaven de zieken en pelgrims zich geheel aan den slaap over: beenen en hoofden hingen heen en weer te slingeren in het bleeke, dansende lamplicht. Achter in den wagon, in het compartiment der tien vrouwlijke pelgrims, was het een jammerlijk mengelmoes van arme, leelijke, oude en jonge gezichten, die de slaap aan het eind van een lied, toen zij haar monden nog wijd open hadden, overweldigd had. En een groot medelijden steeg op met die arme, deerniswaardige, moede menschen, uitgeput door vijf dagen van krankzinnige verwachtingen, van eindelooze extase, en die nu den volgenden dag weer zouden ontwaken tot de harde werkelijkheid van het leven.

Toen voelde Pierre zich als alleen met Marie. Zij had zich niet op de bank willen uitstrekken, zeide, dat zij in die zeven jaar lang genoeg gelegen had, en hij was, om mijnheer de Guersaint, die na Bordeaux weer in zijn diepen kinderslaap gevallen was, wat meer ruimte te geven, naast haar komen zitten. Het lamplicht hinderde haar, hij trok het schermpje dicht, zoodat zij nu in het halfdonker, een doorzichtig, prettig half-donker zaten. Op dit oogenblik reed de trein blijkbaar door een vlakte, hij gleed door den nacht als in een eindelooze vlucht met een groot en regelmatig vleugelgeklap. Door het raampje, dat zij neergelaten hadden, kwam een heerlijke koelte uit de donkere, onpeilbare velden, waarin zelfs niet het kleinste, verloren licht van een dorpje scheen. Een oogenblik had hij zich tot haar gewend en gezien, dat zij haar oogen gesloten hield. Maar hij voelde als bij instinct, dat zij niet sliep, maar genoot van die diepe rust in dit donderachtige geratel van den in de diepe duisternis voortjagenden trein; en evenals zij sloot hij zijn oogen en droomde langen tijd.

Nog eenmaal rees het verleden voor hem op, het kleine huisje te Neuilly, de kus, dien zij elkaar bij de bloeiende haag onder de bezonde boomen gegeven hadden. Wat lag die tijd al ver achter hem, maar welk een geur had zijn geheele leven daarvan bewaard! Dan herinnerde hij zich met bitterheid den dag, waarop hij priester geworden was. Nooit zou zij vrouw worden, en hij had erin toegestemd geen man meer te zijn; dat echter zou hun eeuwig ongeluk worden, nu de natuur in haar ironie van haar weer een echtgenoote en een moeder maakte. Had hij nu nog zijn geloof behouden, dan zou hij daarin de eeuwige vertroosting gevonden hebben. Maar vergeefs had hij alle pogingen in het werk gesteld om het te heroveren: zijn reis naar Lourdes; zijn gebeden voor de Grot; zijn hoop, een oogenblik, dat hij ten slotte weer zou gaan gelooven, indien Marie door het wonder genezen werd; dan de totale, onherstelbare ineenstorting, toen de aangekondigde genezing zich op wetenschappelijke wijze voltrokken had. En hun zoo reine en zoo smartelijke idylle, de lange geschiedenis van hun in tranen gedrenkte liefde ontrolde zich ook voor zijn oogen. Zij zelf, die zijn droef geheim doorgrond had, was slechts naar Lourdes gegaan om den hemel het wonder van zijn bekeering te vragen. Toen zij gedurende de fakkelprocessie alleen gebleven waren onder de boomen in den geur der onzichtbare rozen, hadden zij, geheel in elkaar opgaande, met den vurigen wensch voor elkanders genezing, voor elkaar gebeden. Vóór de Grot nog had zij de Heilige Maagd gesmeekt haar te vergeten en hem te redden, wanneer zij slechts één gunst van haar goddelijken Zoon verkrijgen kon.

Toen zij genezen, buiten zichzelf, omhooggevoerd door liefde en dankbaarheid, het wagentje gereden had naar de Basilica, had zij gedacht, dat zij verhoord was, had zij hem haar vreugde toegeschreeuwd, dat zij beiden, beiden gered waren! O, die leugen, die leugen uit barmhartigheid en liefde, de dwaling, waarin hij haar sedert dat oogenblik hield, hoe zwaar drukten die op zijn hart! Dat was de zware steen, die hem nu in zijn vrijwillig graf inmetselde. Hij herinnerde zich de afschuwelijke crisis, waaraan hij bijna gestorven was, in de donkerte van de Crypt, zijn snikken, zijn woedend verzet eerst, zijn verlangen haar voor zich alleen te behouden, haar te bezitten, omdat hij wist, dat zij hem toebehoorde; hij herinnerde zich dien grommenden hartstocht van zijn herleefd man-zijn, die daarna langzamerhand weer tot kalmte gekomen was, verdronken in zijn tranen; hij herinnerde zich, hoe hij, om de goddelijke illusie in haar niet te vernietigen en toegevend aan een broederlijk medelijden, den heldhaftigen eed gezworen had haar voor te liegen, den eed, waardoor hij nu ten gronde ging.

Pierre huiverde in zijn droomerig gepeins. Zou hij de kracht hebben altijd dien eed te houden? Had hij, toen hij op het station stond te wachten, niet een ongeduld in zijn hart gevoeld, een jaloersch verlangen om dat door haar al te zeer geliefde Lourdes te verlaten, in de vage hoop, dat zij, verre van daar, tot hem terug zou keeren? Was hij geen priester geweest, dan zou hij met haar getrouwd zijn. Welk een verrukking, welk een leven vol zalig geluk zich geheel aan haar te mogen geven, haar geheel tot de zijne te maken, te herleven in het kind, dat zij hem schenken zou. O, er bestond geen ander geluk dan het bezit, dan het leven, dat nieuw leven schept. En zijn droom dwaalde af: hij zag zich getrouwd, en dat vervulde hem met zoo’n groote vreugde, dat hij zich afvroeg, waarom die droom niet te verwezenlijken was. Zij had nog de onschuld van een tienjarig kind, hij zou haar onderwijzen, haar ziel opnieuw vormen. Zij zou begrijpen, dat de genezing, die zij meende te danken te hebben aan de Heilige Maagd, afkomstig was van de eenige Moeder, de reine en onpartijdige natuur. Doch naarmate hij al deze dingen overlegde, kwam er een soort heilige angst in hem op, die zijn oorsprong had in zijn godsdienstige opvoeding. Groote God, wist hij, of dit menschen-geluk, waarmede hij haar overstelpen wilde, ooit de heilige onwetendheid, de kinderlijke onschuld, waarin zij thans leefde, zou kunnen evenaren? Welke bittere verwijten later, als zij niet gelukkig was? Welk een gewetensdrama, de soutane af te werpen, de wonderdadig genezene te huwen, haar geloof zóó geheel te verwoesten, om haar te doen toestemmen in die heiligschennis! En toch, daarin lag de dapperheid, daarin lag het leven, de rede; de ware man, de ware vrouw, de noodzakelijke en groote vereeniging. Waarom toch, groote God, durfde hij niet? Een onmetelijke droefheid kwam in zijn droom; hij hoorde nu nog slechts het lijden van zijn arm hart.

De trein joeg voort met zijn groot klapgewiek, steeds was nog alleen zuster Hyacinthe wakker in den door slaap overmanden wagon. Op dat oogenblik boog Marie zich naar Pierre toe en zeide zacht:

“Het is vreemd, ik val om van moeheid, en toch kan ik niet slapen.”

En dan met een onderdrukt lachje:

“Ik heb Parijs in mijn hoofd.”

“Parijs?”

“Ja, ja, ik bedenk, dat het mij verwacht, dat ik daarheen zal terugkeeren … O, wat zal ik in dat Parijs, waarvan ik niets ken, leven!”

Dat gaf Pierre een steek door zijn hart. Hij had het wel voorzien, zij kon niet meer voor hem zijn, zij zou aan anderen toebehooren. Parijs zou haar weer aan hem ontnemen, als Lourdes haar aan hem teruggaf. En hij stelde zich voor, hoe dat onwetende kind zich tot vrouw zou ontwikkelen. Het kleine witte zieltje, dat bij het groote meisje van drie-en-twintig jaar onberoerd gebleven was, het zieltje, dat haar ziekte ver van het leven, ver van de romans zelfs gehouden had, zou, nu het zijn vrije vlucht hernam, heel gauw rijp zijn. Hij zag het jonge meisje lachend, gezond, overal heengaand, kijkend, leerend en … op een goeden dag den echtgenoot ontmoeten, die haar opvoeding voltooien zou.

“Dus stel je je voor je te Parijs nogal te amuseeren?”

“Ik? Hoe kom je eraan? Wij zijn toch niet rijk genoeg om daaraan te kunnen denken … Neen, ik dacht aan mijn zuster Blanche, ik vroeg mijzelf af, wat ik te Parijs zou kunnen doen, om haar taak wat te verlichten. Zij is zoo goed, zij slooft zich zoo af, ik wil niet, dat zij alleen het brood voor ons blijft verdienen.”

En na een nieuwe stilte, toen hij zelf, te ontroerd, bleef zwijgen:

“Vroeger, voordat ik die erge pijnen had, kon ik vrij aardig miniatuurtjes schilderen. Herinner je je nog, dat ik een vrij goed gelijkend portret van vader gemaakt heb, dat iedereen zoo mooi vond … Je wilt me zeker wel helpen om werk voor mij zien te krijgen?”

Dan begon zij over het nieuwe leven, dat zij zou leiden. Zij wilde haar kamer mooier inrichten en die van haar eerste spaarduitjes met blauwgebloemd creton opsieren. Blanche had haar wel eens verteld van dien grooten winkel, waarin je alles zoo goedkoop krijgen kon. Het zou zoo leuk zijn met Blanche uit te gaan en overal rond te kijken, want zij kende niets, had nooit iets gezien, in de zeven jaar, dat zij aan haar ziekbed gekluisterd was. Pierre, die eenigszins kalmer geworden was, begon opnieuw te lijden, nu hij die vurige levenslust, die begeerte om alles te zien, te leeren kennen, in haar ontdekte. Dat was eindelijk het ontwaken der vrouw, die zij worden moest, die hij vroeger in haar geraden en in het kind liefgehad had, een heerlijk schepsel van vroolijkheid en hartstocht met haar bloeienden mond, haar sterre-oogen, haar melkblanken tint, haar gouden lokken, stralend van levensvreugde.

“O, ik zal werken, ik zal werken! En dan, je hebt gelijk Pierre, ik zal mij amuseeren ook, want het is toch geen zonde, om vroolijk te zijn.”

“Neen, zeker niet, Marie!”

“’s Zondags gaan we naar buiten, heel ver weg, naar de bosschen, waar mooie boomen zijn … En we gaan ook naar de comedie, als papa ons meeneemt. Ze hebben me verteld, dat er veel stukken zijn, die je gerust zien kan. Maar dat is trouwens niet het voornaamste. Als ik maar uit ga, in de straten ben en alles zien kan, dan zal ik al zoo gelukkig zijn en tevreden thuis komen!… Het is zoo heerlijk om te leven, niet, Pierre?”

“Ja, Marie, het is heel heerlijk!”

Hij voelde iets als een doodsrilling over zich gaan; het berouw, geen man meer te zijn deed hem als in doodsangst ineenkrimpen. Waarom zeide hij, nu zij hem met haar prikkelende argeloosheid zoo in verleiding bracht, haar de waarheid niet, die hem als lood drukte. Hij zou haar dan hebben kunnen nemen, hebben kunnen veroveren. Nooit had zijn hart, nooit had zijn wil een moeilijker strijd te strijden gehad. Een oogenblik stond hij op het punt de niet meer te herroepen woorden uit te spreken.

Doch reeds ging zij op haar vroolijken kindertoon voort:

“Kijk eens, hoe blij papa is zoo heerlijk te slapen!”

Inderdaad sliep tegenover hen mijnheer de Guersaint op de bank met dezelfde gelukzalige uitdrukking op zijn gelaat, als wanneer hij in zijn bed gelegen had, zonder dat hij iets van de hevige schokken scheen te merken. Dat eentonige slingeren en stampen scheen trouwens slechts het wiegen te zijn, dat den slaap van den geheelen wagon nog zwaarder maakte. Het was een algeheele overgave, de volkomen vernietiging van het lichaam te midden van de eveneens in elkaar gezakte bagages, die als ingeslapen waren in het rookerige licht der lampen. Het rhythmisch geratel der wielen hield maar niet op in het onbekende donker, waarin de trein nog steeds voortsnelde. Een enkele maal, bij een station, onder een brug, stormde de wind van de vaart woest binnen, blies plotseling een storm. Dan begon het wiegende geratel weer, eentonig, eindeloos.

Marie nam zacht Pierre’s hand in de hare. Zij waren zoo verdwaald, zoo alleen te midden van al die door slaap overmande menschen, in dien grooten, dreunenden vrede van den in volle vaart door de vlakte jagenden trein. De triestheid, de triestheid, die zij tot dusver verborgen had, kwam terug en sluierde een donker floers over haar groote blauwe oogen.

“Je gaat toch zeker dikwijls met ons mee, Pierre?”

Hij had gerild, toen hij haar kleine hand de zijne had voelen drukken. Zijn hart lag op zijn lippen, hij besloot te spreken. Toch hield hij zich nog in en stamelde:

“Marie, ik ben niet altijd vrij, een priester kan niet overal komen.”

“Een priester,” herhaalde zij, “ja, ja, een priester; dat begrijp ik.”

En nu sprak zij, bekende zij het doodelijke geheim, dat sedert het vertrek haar hart benauwde. Zij boog zich nog dichter naar hem toe en zeide heel, heel zacht:

“Luister eens, Pierre, ik ben troosteloos bedroefd. Ik zie eruit, alsof ik heel gelukkig ben, maar de dood is in mijn ziel … Je hebt me gisteren voorgelogen.”

Hij schrok, begreep haar eerst niet.

“Heb ik je voorgelogen?”

Een soort schaamtegevoel weerhield haar, zij aarzelde nog, nu zij op het punt stond af te dalen in dit gewetensmysterie, dat het hare niet was. Doch dan als vriendin, als zuster:

“Ja, ja, je hebt me willen doen gelooven, dat je met mij gered was, en dat was niet waar, Pierre; je hebt je verloren geloof niet teruggevonden.”

Groote God, zij wist! Het was voor hem een troosteloosheid, een zoo verpletterende catastrophe, dat hij er zijn eigen kwelling door vergat. Eerst wilde hij in zijn leugen van broederlijke barmhartigheid volharden.

“Daar is geen quaestie van, Marie. Hoe kom je op dat denkbeeld?”

“O, beste jongen, zwijg toch, om Godswil! Het zou me nog maar meer pijn doen, als je me nog langer voorloog … Ik heb het gemerkt aan het station, toen we op het punt stonden weg te gaan, toen die ongelukkige man gestorven is. Die goede abbé Judaine is op zijn knieën gevallen, heeft gebeden gezegd voor de rust van die opstandige ziel. Ik heb alles gevoeld, alles begrepen, toen ik zag, dat jij niet neerknielde, dat het gebed niet ook naar jouw lippen opsteeg.”

“Maar heusch, Marie …”

“Neen, neen, je hebt niet voor den doode gebeden, je gelooft niet meer … En dat is trouwens niet alles, het is alles wat ik als bij intuïtie voel, alles wat van jou tot mij spreekt, een wanhoop, die je niet verbergen kunt, een melancholie in je arme oogen, zoodra zij de mijne ontmoeten … De Heilige Maagd heeft mij niet verhoord, jou het geloof niet teruggegeven, en ik ben zoo diep ongelukkig.”

Zij weende, een warme traan viel op de hand van den priester, die zij nog altijd in de hare hield. Dat deed hem alle zelfbeheersching verliezen, hij streed niet langer, bekende, liet ook zijn tranen den vrijen loop, terwijl hij heel, heel zacht stamelde:

“O, Marie, ik ben ook zoo ongelukkig, zoo diep ongelukkig!”

Een oogenblik zwegen zij in hun wreed verdriet tusschen zich den afgrond van hun geloofsovertuigingen te voelen. Maar vooral het denkbeeld, dat zij voor eeuwig niet meer in staat zouden zijn om dichter bij elkaar te komen, nu de hemel zelf geweigerd had den band weer te knoopen, maakte hen wanhopig. Naast elkaar weenden zij over hun scheiding.

“Ik,” begon zij weer met door droefheid verstikte stem; “ik, die zoo gebeden had voor je bekeering; ik, die zoo gelukkig was … Ik had een gevoel, alsof jouw ziel geheel in de mijne was opgegaan; het was zoo heerlijk te weten, dat wij samen, samen gered waren. Ik voelde de krachten in mij om te leven, ja, de kracht om de geheele wereld uit haar voegen te rukken!”

Hij bleef zwijgen, in een eindeloozen stroom vloeiden de tranen over zijn wangen.

“Te moeten denken,” ging zij voort; “dat ik alleen genezen ben, dat ik dat groote geluk gehad heb zonder jou. Jou zoo verlaten, jou zoo troosteloos eenzaam te zien, terwijl ik overstelpt ben door genade en vreugde, verscheurt mijn hart … O, wat is de Heilige Maagd streng geweest! Waarom heeft zij niet tegelijk met mijn lichaam jouw ziel genezen?”

De laatste gelegenheid bood zich aan; hij had moeten spreken, eindelijk het licht der rede moeten laten schijnen voor dit onschuldige kind, haar het wonder moeten verklaren, opdat het leven, na in haar zijn werk van gezondheid volbracht te hebben, zijn triomf voltooien zou door hen in elkaars armen te werpen. Ook hij was genezen, want zijn verstand was van nu af aan gezond, en niet omdat hij zijn geloof, maar omdat hij haar verloren had, weende hij. Doch ondanks zijn groot verdriet maakte zich een onoverwinbaar medelijden van hem meester. Neen, neen, hij zou den vrede van die reine ziel niet storen, hij zou haar haar geloof niet ontnemen, dat eens misschien, te midden van al de smarten dezer wereld, haar eenige steun zijn zou. Van vrouwen en kinderen mag men het bittere heroïsme van het verstand niet verlangen. Hij voelde, dat hij niet de kracht; hij geloofde zelfs niet, dat hij het recht ertoe had. Het scheen hem een verkrachting, een afschuwlijke moord toe. En hij sprak niet, zijn tranen stroomden nog brandender in deze opoffering van zijn liefde, het wanhopige offer van zijn eigen geluk, opdat zij vertrouwend, onwetend, vroolijk blijven zou.

“O, Marie, wat ben ik ongelukkig! Op de landwegen, in het bagno zijn er geen ongelukkigen, die ongelukkiger zijn dan ik … O, Marie, als je eens wist, hoe ongelukkig ik ben!”

Ook zij verloor nu haar zelfbeheersching, nam hem in haar bevende armen, wilde hem door een zusterlijke omhelzing troosten. Op dat oogenblik raadde de vrouw, die in haar ontwaakte, als bij intuïtie alles, snikte ook zij om alle menschelijke en goddelijke wilskrachten, die hen scheidden. Zij had nog nooit aan die dingen gedacht, nu zag zij plotseling het leven met zijn hartstochten, zijn strijd, zijn lijden en zij zocht naar wat zij zeggen kon, om dat bloedende hart eenigszins tot kalmte te brengen; en diep bedroefd, dat zij niets kon vinden, dat zacht en zoet genoeg klonk, stamelde zij:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings