VIERDE DAG (continued 3)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Langzaam, zonder te spreken liepen Pierre en dr. Chassaigne het inwendige rond. De twaalf kapellen der zijbeuken vormden als het ware een soort compartimenten vol puin en vuil. De grond van het koor was met cement bedekt, blijkbaar om de crypt tegen het doorsijpelen van het water te beschermen; ongelukkig echter schenen de gewelven wat te zakken, want er had zich een inzinking gevormd, die het onweer van den vorigen nacht in een klein meertje herschapen had. Die deelen van het dwarsschip en van de apsis hadden het minst geleden. Geen steen was daar van zijn plaats geraakt, de groote midden-rosetten, boven het triforium, schenen op hun ramen te wachten, terwijl zware eiken platen, die boven op de muren der apsis waren blijven liggen, den indruk hadden kunnen wekken, dat men den volgenden dag met afdekken beginnen zou. Maar toen zij op hun passen teruggekeerd waren en naar buiten gingen, om den gevel te zien, kwam het verschrikkelijk verval van die jonge ruïne nog meer uit. Aan deze zijde was men met het werk niet zoo ver gereed gekomen; en de vijftien jaar van veronachtzaming waren voor de winters voldoende geweest om het beeldhouwwerk, de kleine zuiltjes en het lijstwerk weg te vreten, een werkelijk vreemd en bijzonder vernielingswerk, alsof de sterk ingevreten steen onder tranen weggesmolten was. Het hart kromp ineen bij het zien van die verwoesting, welke het werk reeds aantastte zelfs nog voordat het geheel voltooid was. Nog niet zijn en dan reeds in de open lucht afbrokkelen. Plotseling in den groei tot een reusachtigen kolos gestoord te worden, om langzamerhand tot puin te vervallen!
Zij gingen het schip weer binnen en vonden er de troostelooze triestheid van den op het monumentale gebouw gepleegden moord. Het groote, woeste terrein was door de puinhoopen van steigers versperd, die men, half vermolmd, had moeten afbreken, uit vrees, dat ze anders instorten en mogelijk in haar val menschen verpletteren zouden; overal zag men in het hooge gras planken, steigerhout, balken en hoopen oud touw liggen, dat door het vocht opgevreten werd. Ook stond er een ingevallen geraamte van een lier, dat zich als een galg verhief. Stelen van spaden, gebroken stukken van kruiwagens slingerden nog rond tusschen vergeten gereedschap en hoopen groenachtig geworden, met mos bedekte steenen, waarop slingerplanten bloeiden. Onder de brandnetels zag men hier en daar de rails terug van de kleine spoorbaan, die men voor het vervoer der materialen aangelegd had, terwijl een daarbij behoorende tip ondersteboven in een hoek lag. Maar het meest triest van al die ten doode gedoemde dingen was toch de locomobiel, die onder het dak van een loods, welke haar beschermde, was blijven staan. Sedert vijftien jaar stond zij daar, koud, dood. De loods was ten slotte boven haar ingestort, groote gaten lieten haar bij iedere stortbui doornat van den regen worden. Een uiteinde van de drijfriem, die de lier in beweging bracht, hing als een reusachtige draad van een spin slap neer. Ook stalen en koperen deelen verteerden onder roest en mos en waren met allerlei woekerplanten bedekt, welker geelachtige vlekken haar het aanzien gaven van een heel oude machine, die met gras overwoekerd en door vele winters weggevreten was. Deze doode en koude machine met haar uitgedoofden haard en haar zwijgenden stoomketel was de ziel zelf van het werk, dat stil was blijven liggen in het vergeefsche wachten op het grootmoedige, liefdadige hart, welks komst door de wilde rozestruiken en braamstruiken de Doornroosje-kerk uit haar zwaren puinhoopslaap moest wekken.
Eindelijk begon dr. Chassaigne te spreken.
“O, en te denken, dat vijftig duizend francs voldoende geweest zouden zijn, om zoo’n ramp te verhoeden. Met vijftig duizend francs zou men hebben kunnen afdekken, was het groote werk gered en had men den tijd om te wachten … Maar zij wilden het werk dooden, zooals zij den man gedood hadden.”
Met een gebaar duidde hij de paters der Grot aan, die hij vermeed te noemen.
“En dan te denken, dat zij jaarlijks een inkomen hebben van negenhonderd duizend francs! Maar zij zenden liever geschenken naar Rome, om daar machtige vriendschappen te onderhouden.”
Ondanks zichzelf trok hij weer te velde tegen de tegenstanders van abbé Peyramale. Die heele geschiedenis vervulde hem met een rechtvaardigen, heiligen toorn. Bij het zien van die jammerlijke ruïne vatte hij nog eenmaal de feiten samen: de pastoor wierp zich geestdriftig op den bouw van zijn kerk, maakte schulden, rekende niet meer, terwijl pater Sempé, die op den loer lag, gebruik maakte van ieder van zijn fouten, hem bij den bisschop in discrediet bracht en ten slotte erin slaagde de bron der giften te verstoppen en de werkzaamheden te doen ophouden. Dan volgden, na den dood van den overwonnene, eindelooze processen, vijftien jaren van processen, die aan de winters den tijd gegeven hadden om het werk op te vreten. Nu verkeerde het in zoo’n deerniswaardigen staat, was de schuld tot een zoo hoog bedrag opgeloopen, dat alles voor goed uit scheen. De langzame dood, de dood der steenen voltrok zich. Onder haar ingestorte loods zou de locomobiel, gegeeseld door den regen en opgevreten door het mos, in stukken vallen.
“Ja, ik weet het wel, zij kraaien nu victorie, zij zijn er alleen nog maar, dat is het, wat zij altijd gewild hebben: onbeperkt heer en meester zijn, voor zichzelf alleen al de macht en al het geld behouden … Ja, ik kan je zeggen, dat hun vrees voor concurrentie zoo ver gaat, dat zij de religieuze orden, die zich te Lourdes wilden komen vestigen, daar steeds van verwijderd gehouden hebben. Jezuïeten, Dominicanen, Benedictijnen, Capucijners, Carmelieten hebben erom verzocht; altijd zijn de paters der Grot erin geslaagd het te beletten. Zij dulden slechts vrouwenorden; zij willen alleen maar een kudde … De stad behoort hun toe, zij houden er winkels, zij verkoopen er God in het groot en in het klein.”
Langzaam loopend was hij in het midden van het schip teruggekomen. Met een groot gebaar wees hij op de verwoesting, die hem omringde.
“Kijk eens naar deze verschrikkelijke, troostelooze ellende … En de Rozenkranskerk en de Basilica daar hebben meer dan drie millioen gekost.”
Evenals in het donkere en natte kamertje van Bernadette zag Pierre ook nu, stralend in haar triomf, de Basilica voor zich oprijzen. Niet hier had de droom van abbé Peyramale zich verwezenlijkt, niet hier, waar hij als hoogepriester de knielende menigte had willen zegenen, terwijl het orgel zijn jubelzang uitdreunde. Voor zijn geestesoog rees de Basilica op, waarin alle klokken luidden, die dreunde van het gejuich der bovenmenschelijke vreugde over een wonder en geheel van vlammen gloeide, de Basilica met haar banieren, haar lampen, haar harten van goud en zilver, haar in goud gekleede geestelijkheid, haar monstrans, die was als een gouden zon. Zij vlamde in de ondergaande zon, zij raakte met haar torenspits den hemel aan, terwijl milliarden gebeden, waarvan haar muren beefden, uit haar omhoog zweefden. En hier de kerk dood alvorens geboren te zijn, de kerk door een bisschoppelijk bevel buiten dienst gesteld, de kerk, openstaande voor de vier winden, in puin vallend. Iedere storm nam iets mee van haar steenen; groote, dikke vliegen bromden in de brandnetels, die op den vloer van het schip woekerden; er waren geen andere geloovigen, dan de vrouwen, die er haar armoedige wasch, die op het gras lag, kwamen keeren. In de droefgeestige stilte scheen een stem zacht te snikken, de stem der marmeren zuilen misschien, die onder haar mantel van planken haar onnoodigen luxe beweenden. Soms vlogen vogels door de verlaten apsis en stieten er hun kreten uit. Groote troepen ratten, die onder de puinhoopen der afgebroken steigers een toevlucht gevonden hadden, beten elkaar en sprongen in een duivelschen galop uit hun gaten. Men kon zich niets benauwenders, niets neerdrukkenders denken dan deze met opzet gewilde ruïne, vergeleken bij haar triompheerende mededingster, de van goud stralende Basilica.
Wederom zeide dr. Chassaigne eenvoudig:
“Ga mee!”
Zij gingen de kerk uit, liepen langs den linkerzijbeuk en kwamen voor een ruw, uit enkele over elkaar gespijkerde planken gemaakte deur; toen zij een houten, half vermolmde trap, waarvan de treden onder hun voeten zwiepten, afgedaald waren, bevonden zij zich in de crypt.
Het was een lage ruimte met platte gewelven, die precies de indeeling van het koor weergaf. De in ruwen toestand gelaten, kort in elkaar gedrongen zuilen wachtten ook hier op haar beeldhouwwerk. Overal slingerde materiaal rond, op den grond lagen stukken hout te vermolmen; de geheele groote ruimte was wit van de kalk. Drie op den achtergrond aangebrachte vensteropeningen, die vroeger van ruiten voorzien geweest waren, waarvan er echter geen een meer over was, verlichtten de melancholieke naaktheid der muren met een hel, koud licht.
En daar in het midden sliep het lijk van pastoor Peyramale. Fijngevoelige vrienden waren op het roerende denkbeeld gekomen hem in de crypt van zijn onvoltooide kerk te begraven. Het op een breed voetstuk rustende grafteeken was geheel van marmer. In gouden letters aangebrachte opschriften vertolkten de gedachten der gevers; zij waren als een kreet van waarheid en genoegdoening, die uit het graf oprees. Op de voorzijde las men: “Vrome obolen, uit de geheele wereld saamgekomen, hebben dit grafteeken opgericht tot gezegende nagedachtenis van den grooten dienaar van Notre-Dame de Lourdes.” Aan den rechterkant las men deze woorden uit een breve van Pius IX: “Gij hebt u geheel opgeofferd om een tempel te bouwen voor de Moeder Gods,” terwijl men links het Evangeliewoord las: “Zalig zijn zij, die vervolgd worden om der gerechtigheid wille.” Was dit niet de waarachtige klacht, de gerechtvaardigde hoop van den overwonnene, die zoo lang gestreden had in de eenige begeerte de bevelen der Heilige Maagd, die Bernadette hem overgebracht had, stipt uit te voeren? En Notre-Dame de Lourdes was daar: een klein beeldje, dat boven het grafopschrift aangebracht was tegen den grooten kalen muur, welke alleen versierd was met enkele, aan spijkers opgehangen paarlenkronen. Voor het grafteeken stonden, evenals voor de Grot, vijf of zes banken voor de geloovigen, die hier eenige oogenblikken vertoeven wilden.
De dokter kon een zucht niet onderdrukken.
“Het regent, het regent nu op hem!”
Pierre bleef in een soort heilige ontzetting onbeweeglijk staan. Onder dit neervallend water, onder de windvlagen, die hier ’s winters moesten binnengieren door de gebroken ruiten der ramen, leek deze doode hem zoo deerniswaardig en tragisch. Hij kreeg iets woest grootsch, daar heel alleen in zijn rijk marmeren grafgewelf te midden van de puinhoopen en de ruïne van zijn kerk. Hij was er de eenzame bewaker van, de in slaap gevallen en droomende doode, die de ledige ruimte, welke voor alle nachtvogels open stond, beschermde. Hij was hier het zwijgende, hardnekkige, eeuwige protest. Liggend in zijn kist en de eeuwigheid hebbend om geduld te oefenen, wachtte hij er onvermoeid op de werklieden, die misschien op een mooien Aprilochtend zouden terugkomen. Als zij er tien jaar voor noodig hadden, dan zou hij er zijn; als zij er een eeuw voor noodig hadden, zou hij er nog zijn. Hij wachtte totdat de vermolmde steigers daarboven tusschen het gras van het schip, door een wonder weer zouden worden opgewekt als dooden en langs de muren zouden staan. Hij wachtte tot de met mos bedekte locomobiel plotseling weer gestookt worden en haar adem terugvinden zou, om de dakbalken op te hijschen. Zijn geliefd werk, de reusachtige bouw, stortte in boven zijn hoofd, met gevouwen handen en gesloten oogen bewaakte hij de puinhoopen en wachtte.
Fluisterend vertelde de dokter de wreede geschiedenis verder, hoe men, na pastoor Peyramale en diens werk vervolgd te hebben, thans zijn graf vervolgde. Vroeger was er een borstbeeld van den pastoor geweest en hadden vrome handen het vlammetje van een lamp brandende gehouden. Maar toen een vrouw voorover op den grond gevallen was en zeide, dat zij de ziel van den afgestorvene gezien had, geraakten de paters der Grot in onrust. Zouden daar wonderen gaan gebeuren? Reeds brachten zieken geheele dagen door op de banken voor het grafteeken. Anderen knielden ervoor neer, kusten het marmer, smeekten om genezing. Dat was een schrik: stel je voor, dat zij genazen, dat de Grot een concurrent kreeg in dezen martelaar, die hier alleen lag tusschen oude, door de metselaars vergeten gereedschappen! De bisschop van Tarbes werd op de hoogte gebracht en bewerkt en vaardigde een bevel uit, waarbij de kerk buiten dienst gesteld en iedere vereering, iedere bedevaart, iedere processie naar het graf van den voormaligen pastoor van Lourdes verboden werd. Evenals het met Bernadette gebeurd was, werd ook zijn nagedachtenis in den ban gedaan, was zijn officieel portret nergens te vinden. Even verbitterd als de paters tegen den levende geweest waren, zoo verbitterd waren zij tegen de nagedachtenis van den grooten doode. Zij vervolgden hem tot in zijn graf. Zij alleen verhinderden thans nog, dat het bouwwerk hervat werd, legden telkens nieuwe hinderpalen in den weg, weigerden hun rijke oogst van aalmoezen te deelen. En zij wachtten tot de winterregens vallen en het werk der vernietiging voltooien zouden, tot het gewelf, de muren, het geheele reusachtige bouwwerk op het marmeren grafteeken, op het lijk van den overwonnene in puin vallen zou, zoodat het eronder verpletterd en begraven werd.
“Ach,” prevelde de dokter, “en ik, die hem zoo dapper, zoo vol geestdrift voor edele werken gekend heb! Nu, je ziet het, nu regent het, regent het op hem!”
Moeilijk knielde hij neer en zocht kalmte in een lang gebed.
Pierre, die niet bidden kon, bleef staan. In zijn algemeene menschenliefde had een zoo groote ontroering zich van hem meester gemaakt, dat zijn hart vol schoot. Hij hoorde de zware droppels één voor één in een langzaam rhythme, dat te midden der diepe stilte, de seconden der eeuwigheid te tellen scheen, op het graf uiteenspatten. Hij dacht aan de eeuwige ellende van deze wereld, waarin altijd de besten tot lijden uitverkoren zijn. De twee groote pioniers van Notre-Dame de Lourdes, Bernadette en pastoor Peyramale, leefden weer voor hem op als twee deerniswaardige slachtoffers, gemarteld gedurende hun leven, verbannen na hun dood. Dat alleen zou reeds voldoende geweest zijn om het geloof geheel in hem te dooden, want de Bernadette, die hij aan het einde van zijn onderzoek terugvond, was slechts een mensen, een met alle smarten beladen zuster. Maar desniettemin bleef hij voor haar een vereering vol broederlijke toegenegenheid voelen. En twee tranen rolden langzaam over zijn wangen.