DERDE DAG
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Op dien mooien, warmen, helderen Augustusochtend was mijnheer de Guersaint reeds om zeven uur op en gekleed in een der twee kamertjes, die hij het geluk gehad had nog te kunnen huren op de derde verdieping van het Hôtel des Apparitions in de rue de la Grotte. Hij was om elf uur naar bed gegaan en nu heerlijk uitgerust wakker geworden; onmiddellijk ging hij naar het kamertje van Pierre. Maar deze, die pas om twee uur met door slapeloosheid verhit bloed in het hotel gekomen was, had eerst tegen het aanbreken van den dag den slaap kunnen vatten en sliep nog. Zijn over een stoel geworpen soutane en zijn andere overal verspreid liggende kleeren verrieden zijn moeheid en zijn opwinding.
“Wat is dat, luilak?” riep mijnheer de Guersaint vroolijk. “Hoor jij de klokken niet luien?”
Pierre schrok wakker, kon niet dadelijk dit kleine, door het zonlicht overstroomde hotelkamertje thuis brengen. Inderdaad drong door het open gebleven raam het vroolijk gelui der klokken naar binnen, het was alsof de geheele stad in haar geluk luide.
“We zullen nooit voor acht uur in het Hôpital kunnen zijn, om Marie te halen, want we zullen toch zeker eerst ontbijten.”
“Natuurlijk, bestel dadelijk twee kop chocolade. Ik sta onmiddellijk op en heb niet veel tijd noodig om mij aan te kleeden.”
Toen hij alleen was, sprong Pierre, ondanks zijn stijve ledematen, die hem pijn deden, dadelijk uit zijn bed. Hij had zijn gezicht nog in de kom, om zich in het koude water op te frisschen, toen mijnheer de Guersaint, die niet alleen blijven kon, alweer terug kwam.
“Ik heb het besteld, ze zullen het boven brengen … O, dit hotel! Heb je den heelemaal in het wit gekleeden en zoo deftigen eigenaar, mijnheer Majesté, in zijn bureau gezien? Het schijnt, dat het hotel overvol is, nog nooit hebben ze zooveel menschen gehad … Het is me dan ook een heidensch kabaal. Driemaal hebben ze me vannacht wakker gemaakt. Ik begrijp niet, wat ze in de kamer naast de mijne uitspoken: daarnet nog werd er tegen den muur gestooten, en daarna hoorde ik fluisteren en zuchten.”
Hij viel zichzelf in de rede, om te vragen:
“Heb jij goed geslapen?”
“Heelemaal niet,” antwoordde Pierre. “Ik was doodop van moeheid en het was me niet mogelijk een oog dicht te doen. Zeker door al dat lawaai, waarvan u spreekt.”
Op zijn beurt sprak hij nu over de dunne beschotten, het propvolle hotel, dat onder den last van al die menschen, die men erin ophoopte, kraakte. Den heelen nacht door had hij onverklaarbare schokken gehoord, woest loopen in de gang, zware stappen en zware stemmen, die, je wist niet waarvandaan, opstegen; ongerekend nog het steunen der zieken en het hoesten, het verschrikkelijke hoesten, dat van alle kanten uit de muren scheen te komen. Blijkbaar kwamen er den geheelen nacht door menschen thuis en liepen dan weer uit, stonden op en gingen weer naar bed, want men vroeg niet meer naar uren, leefde in het ongeregelde van hartstochtelijke opwindingen.
“En hoe was het gisterenavond met Marie?” vroeg mijnheer de Guersaint weer.
“Veel beter,” zeide de priester. “Na een vreeselijken aanval van wanhoop heeft zij al haar moed en al haar geloof weer teruggevonden.”
Er volgde een korte stilte.
“O, ik maak me heelemaal niet ongerust,” begon de vader weer met zijn rustig optimisme. “Je zult zien, dat het goed afloopen zal … Ik ben in den zevenden hemel … Ik had van de Heilige Maagd haar bijstand voor mijn eigen zaken ook afgesmeekt, je weet wel, mijn groote uitvinding van de bestuurbare ballons. En wil je wel gelooven, dat zij mij hare genade reeds getoond heeft? Ja, waarachtig, gisterenavond heeft abbé des Hermoises mij aangeboden te Toulouse een geldschieter voor mij te vinden, een schatrijken vriend van hem, die zich voor de werktuigkunde interesseert. Ik heb er dadelijk den vinger Gods in gezien.”
Hij lachte zijn gewoon kinderlijk lachje. Dan voegde hij eraan toe:
“Een charmante man, die abbé des Hermoises! Ik zal toch eens informeeren, of wij samen niet voor een koopje dat uitstapje naar het keteldal van Gavarnie kunnen maken.”
Pierre, die alles, het hotel en de rest, betalen wilde, moedigde hem aan.
“Natuurlijk moet u die gelegenheid om de bergen te bezoeken niet ongebruikt voorbij laten gaan, nu u er zoo naar verlangt. Uw dochter zal gelukkig zijn, als zij weet, dat u gelukkig bent.”
Maar zij werden gestoord; een kamermeisje bracht hun de twee koppen chocolade met kadetjes op een met een servet bedekt blad; daar zij de deur open had laten staan, kon men een gedeelte van de gang in de lengte zien.
“Zoo, wordt de kamer van mijn buurman al gedaan?” vroeg mijnheer de Guersaint nieuwsgierig. “Hij is getrouwd, niet?”
Het kamermeisje keek verbaasd.
“Wel neen, hij is heelemaal alleen!”
“Wat, heelemaal alleen? En den heelen nacht heb ik hem hooren loopen. En vanmorgen werd er gepraat en gefluisterd!”
“Dat kan niet; hij is heelemaal alleen … Daar net is hij naar beneden gegaan, nadat hij eerst order gegeven had, dat men onmiddellijk zijn kamer schoon moest maken. En hij heeft maar één kamer met een groote kast in de muur, waarvan hij den sleutel meegenomen heeft … Daar bewaart hij zeker zijn geld in.”
Zij bleef praten, terwijl zij de twee koppen chocolade op de tafel zette.
“Het is een heele deftige mijnheer … Het vorige jaar had hij een van de afzonderlijk liggende zomerhuisjes, die mijnheer Majesté in de straat hiernaast verhuurd. Maar van het jaar was hij te laat en heeft hij zich tot zijn groote spijt tevreden moeten stellen met deze kamer … Daar hij niet met Jan en alleman wil eten, laat hij zijn diner boven brengen. Nou, hij drinkt een goed wijntje!”
“Dan begrijp ik het al!” zeide mijnheer de Guersaint vroolijk. “Hij zal gisterenavond in zijn eentje een beetje te goed gedineerd hebben.”
Pierre had nieuwsgierig geluisterd.
“En logeeren naast mij niet twee dames met een mijnheer en een kind op krukken?”
“Ja, mijnheer de abbé, ik ken ze heel goed … De tante, madame Chaise, heeft een van de kamers, terwijl mijnheer en mevrouw Vigneron met hun zoon Gustave de andere hebben … Het is al voor het tweede jaar, dat ze komen. Ook heel deftige lui!”
Inderdaad had Pierre gemeend ’s nachts de stem van mijnheer Vigneron, die blijkbaar last van de warmte had, te herkennen. Het meisje, eenmaal op haar praatstoel, vertelde nu verder welke andere logés er op deze verdieping waren: links, een geestelijke, een moeder met drie dochters, een oud getrouwd paar; rechts, nog een ongetrouwd heer, een dame alleen, en een heele familie met vijf kleine kinderen. Het hotel was tot onder de dakpannen vol. De kamermeisjes, die haar kamertjes aan de logé’s hadden afgestaan, sliepen allen bij elkaar in het waschhuis. Gisterennacht had men op de portalen van iedere verdieping kermisbedden opgeslagen. Zelfs had een geestelijke, omdat er nergens anders plaats meer was, op een biljart moeten slapen.
Toen het kamermeisje eindelijk weg was en de heeren ontbeten hadden, ging mijnheer de Guersaint, die erg op reinheid stond, weer naar zijn eigen kamer, om zijn handen te wasschen. Pierre ging, aangetrokken door het heerlijke zonnetje buiten, even op het kleine balcon staan. Alle kamers der zesde verdieping hadden aan dien kant van het hotel een balcon, dat met een balustrade van uitgesneden hout voorzien was. Maar tot zijn groote verbazing zag hij, dat op een balcon ernaast, dat behoorde tot de door den ongetrouwden heer gehuurde kamer, een vrouw, in wie hij madame Volmar herkende, even haar hoofd naar buiten stak. Er was geen twijfel aan of zij was het met haar lang gezicht, haar fijnbesneden trekken, haar groote mooie oogen, die wel gloeiende kolen geleken, waarover soms als een sluier, een vlammige weerschijn kwam, die ze scheen uit te dooven. Toen zij hem herkende, sprong zij van schrik terug. En hij zelf ook ging, verlegen, in zijn kamer terug. Onmiddellijk begreep hij alles: de mijnheer had niets anders kunnen huren dan deze kamer en verborg daarin zijn maîtresse voor aller oogen door haar, terwijl de kamer gedaan werd, in de groote muurkast op te sluiten; samen aten zij het middagmaal, dat boven gebracht werd, en dronken uit hetzelfde glas; ook de geluiden van ’s nachts waren nu te verklaren. Op die wijze waren het voor haar in dit afgesloten vertrek drie dagen van volkomen gevangenschap in dollen hartstocht.
Blijkbaar had zij, toen de kamer opgeruimd was, het gewaagd de kast van binnen weer open te maken en even haar hoofd naar buiten te steken, om te zien, of haar vriend nog niet terugkwam. Daarom had men haar dus niet in het ziekenhuis gezien, waar de kleine madame Désagneaux telkens naar haar vroeg. Pierre stond onbeweeglijk, zijn hart kromp ineen en hij verzonk in een onrustige droomerij, terwijl hij nadacht over het bestaan van deze vrouw, die hij kende, aan de marteling van haar huwlijksleven tusschen een barsche schoonmoeder en een onwaardig echtgenoot, en dan aan deze drie enkele dagen van volkomen vrijheid per jaar, dit hooge oplaaien van de liefdesvlam, onder het heiligschennend voorwendsel te Lourdes God te willen dienen. Tranen, die hij zichzelf niet verklaren kon, tranen, die uit het diepst van zijn innerlijk wezen, uit zijn vrijwillige kuischheid opstegen, vulden in een gevoel van eindelooze droefheid zijn oogen.
“Nou, ben je klaar?” riep mijnheer de Guersaint, die met zijn handschoenen aan weer binnenkwam.
“Ja, ja, we gaan!” zeide Pierre, die, terwijl hij zijn hoed zocht, zich omkeerde, om zijn tranen af te vegen.
Toen zij weggingen, hoorden zij links van zich een brommende stem, welke zij als die van mijnheer Vigneron herkenden, die hardop zijn ochtendgebed deed. Op de gang hadden zij een ontmoeting, die hen interesseerde: zij kwamen n.l. een flinken, eenigszins gezetten heer van een veertig jaar met bakkebaarden tegen. Hij liep wat gebogen en zoo gauw, dat zij zijn gezicht niet konden zien. In zijn hand had hij een zorgvuldig omwikkeld pakje. Hij stak den sleutel in het slot, opende de deur en verdween zacht en geruischloos als een schim.
Mijnheer de Guersaint keek om.
“Kijk, daar heb je den ongetrouwden mijnheer. Hij heeft zeker op de markt wat lekkers gekocht.”
Pierre deed alsof hij het niet hoorde, want hij vond mijnheer de Guersaint te lichtzinnig, om hem ten opzichte van een geheim, dat niet het zijne was, in vertrouwen te nemen. Bovendien voelde hij een verlegenheid, een soort kuischen schrik in zich opkomen bij het denkbeeld aan die wrekende bevrediging van vleeschelijke lusten te midden van de mystieke extase, waardoor hij zich omringd voelde.
Juist op het oogenblik, dat de zieken naar beneden gebracht werden, om ze naar de Grot te rijden, kwamen zij bij het Hôpital. Zij troffen Marie, die goed geslapen had, in een opgewekte stemming aan. Zij gaf haar vader een zoen en, toen zij hoorde, dat hij nog niet tot zijn uitstapje naar Gavarnie besloten was, een standje. Als hij niet ging, zou hij haar een groot verdriet doen. Bovendien zou zij, zooals zij met haar uitgerust en glimlachend gezichtje zeide, toch vandaag niet genezen worden. Eindelijk verzocht zij Pierre dringend te trachten verlof voor haar te krijgen, om den volgenden nacht voor de Grot te mogen doorbrengen: dit was een gunst, die door allen vurig gewenscht, doch slechts zelden aan enkele bevoorrechten toegestaan werd. Pierre, die er zich, ongerust als hij zich maakte over haar gezondheid, wanneer zij zoo’n heelen nacht in de open lucht zou doorbrengen, eerst tegen verzette, moest, toen hij plotseling een trek van groote teleurstelling op haar gezicht zag komen, wel beloven het te zullen doen. Ongetwijfeld dacht zij, dat de Heilige Maagd haar slechts onder vier oogen in den onbeperkten vrede van de duisternis, zou aanhooren. Dien ochtend voelde zij zich, na de mis in de Grot gehoord te hebben, zoo verloren gaan onder de vele zieken, dat zij onder voorwendsel, dat haar oogen zoo’n pijn deden van het felle gaslicht, reeds om tien uur naar het Hôpital teruggebracht wilde worden.
Toen haar vader en de priester haar weer in de zaal Sainte-Honorine gedragen hadden, gaf zij hun voor den verderen dag verlof.
“Neen, je behoeft me niet te komen halen, ik ga vanmiddag niet naar de Grot terug, het is onnoodig … Maar vanavond om negen uur breng je me ernaar toe, niet waar, Pierre? Dat is afgesproken, je hebt me je woord gegeven!”
Hij beloofde, dat hij zou trachten verlof te krijgen, dat hij het, als het noodig was, aan pater Fourcade zelf zou vragen.
“Tot vanavond dan, lieveling!” zeide op zijn beurt mijnheer de Guersaint, terwijl hij haar een zoen gaf.
Zij lieten haar alleen, rustig liggend, met haar groote, peinzende en glimlachende oogen in het niet starend.
Toen zij weer in het Hôtel des Apparitions terugkwamen, was het pas half elf. Mijnheer de Guersaint wilde onmiddellijk dejeuneeren, om dan met het mooie weer een wandeling door Lourdes te maken. Toch wilde hij eerst naar zijn kamer; Pierre volgde hem en samen vielen zij boven midden in een drama. De deur der Vignerons stond wijd open; ze zagen den kleinen Gustave languit liggen op een canapé, die als bed dienst deed. Hij zag lijkkleurig en had juist een flauwte gehad, die zijn vader en zijn moeder een oogenblik had doen gelooven, dat het het einde was. Madame Vigneron was, verbijsterd van angst, op een stoel neergevallen, terwijl mijnheer Vigneron alles door elkaar gooide om een glas suikerwater te maken, waarin hij enkele droppels van een elixer goot. Maar hoe was het mogelijk? Een zoo sterke jongen flauw vallen en zoo wit worden als een jong meisje? Hij keek madame Chaise aan, die voor den canapé stond; zijn handen begonnen nog erger te beven bij de gedachte, dat de erfenis der tante, wanneer zijn jongen in die idiote flauwte gebleven was, nu niet meer aan hen zou ten deel vallen. Hij was buiten zichzelf, maakte de lippen van het kind open en liet hem het geheele glas leegdrinken. Maar toen hij hem hoorde zuchten, kwam zijn vaderlijke goedhartigheid dadelijk weer boven; hij huilde en noemde hem zijn lief kereltje. Met een gebaar van plotselingen haat, alsof hij de moreele ontaarding begrepen had, waartoe het geld van die vrouw zijn ouders, zonder dat zij het zelf wisten, bracht, stiet de kleine Gustave madame Chaise, die wat dichter bij wilde komen, terug. Beleedigd ging de oude dame afzonderlijk zitten, terwijl de vader en de moeder, gerustgesteld nu, de Heilige Maagd dankten, dat zij hun lieveling, die hen aankeek met zijn teer en droevig glimlachje van jongen, die alles begrijpt en op zijn vijftiende jaar al zijn levenslust reeds verloren heeft, gered had.
“Kunnen we u misschien ergens mee helpen?” vroeg Pierre dienstvaardig.
“Heel vriendelijk, heeren, maar het is niet noodig,” antwoordde mijnheer Vigneron, die even op de gang kwam. “Het is me anders een schrik geweest. Het is ook ons eenig kind en we houden zooveel van hem.”
Het dejeuner-uur bracht het geheele hotel in beweging. Deuren sloegen dicht, de gangen en de trappen dreunden van het voortdurend heen en weer gevlieg. Drie jonge meisjes stormden met ruischende rokken langs hen heen. In een kamer naast hen huilden kleine kinderen. Oude menschen wisten niet hoe zij zich het best haasten konden, geestelijken vielen geheel uit hun rol en lichtten hun soutanes met beide handen op, om maar hard te kunnen loopen. Van boven tot beneden zwiepten de planken onder den te zwaren last der opeengehoopte menschen. Een kamermeisje, dat op een blad een volledig dejeuner droeg, had aan de deur van den ongetrouwden mijnheer geklopt. Toen zij eindelijk op een kiertje openging, zagen zij de opgeruimde kamer, waarin de heer met zijn rug naar de deur zat.
“Ik hoop, dat het nu voorbij is en dat de Heilige Maagd hem zal genezen,” zeide mijnheer Vigneron, die de twee anderen niet meer losliet. “Wij gaan nu dejeuneeren, want ik heb honger als een paard.”
Toen Pierre en mijnheer de Guersaint beneden kwamen, vonden zij tot hun groote teleurstelling geen enkel tafeltje in de eetzaal vrij. Het was er ontzettend vol, de enkele tafeltjes, die nog leeg stonden, waren besproken. Een kellner vertelde hun, dat onder de bestorming van den eetlust, die door de scherpe berglucht nog meer geprikkeld werd, de zaal van tien tot een uur geen minuut minder leeg was. Zij moesten, of zij wilden of niet, wachten en verzochten den kellner hen te waarschuwen, wanneer er twee plaatsen vrij waren. En daar zij niet wisten wat zij anders doen moesten, gingen zij wat wandelen in de vestibule van het hotel, die op de straat uitkwam.
Maar de eigenaar van het Hôtel des Apparations, de in het wit gekleede mijnheer Majesté, kwam in hoogst eigen persoon naar hen toe en vroeg met de grootste hoflijkheid:
“Als de heeren soms in den salon willen wachten?”
Het was een dikke man van een vijf-en-veertig jaren, die alle moeite deed om zijn naam op koninklijke wijze te dragen. Kaal en gladgeschoren, met ronde blauwe oogen in een waskleurig gezicht en met een driedubbele onderkin deed hij hoogst gewichtig en deftig. Hij was met de zusters, die het weeshuis bestuurden, van Nevers gekomen en had een kleine, donkere vrouw uit Lourdes getrouwd. Samen hadden zij in nog geen tien jaar van hun hotel een der aanzienlijkste en drukst bezochte inrichtingen der stad gemaakt. Enkele jaren geleden had hij er een handel in religieuze artikelen aan verbonden, die een groot magazijn besloeg en onder toezicht van madame Majesté door een jong nichtje bestuurd werd.
“Als de heeren misschien in den salon willen wachten?” herhaalde de hôtelier, dien de soutane van Pierre zeer voorkomend maakte.
Maar beiden gaven zij er de voorkeur aan wat op en neer te loopen, waarop Majesté, die, zooals hij gewoonlijk deed met gasten, welke hij met bijzondere onderscheiding behandelde, met hen een praatje wilde maken, zich bij hen voegde. Het gesprek liep eerst over de fakkelprocessie van dien avond, welke met dit prachtige weer schitterend beloofde te worden. Er waren meer dan vijftigduizend vreemdelingen te Lourdes. Uit alle badplaatsen in den omtrek waren wandelaars gekomen, wat de overbelasting der tables-d’hôte verklaarde. Misschien zou er wel brood te kort zijn in de stad, evenals verleden jaar.
“U ziet hoe vol het is, wij weten waarachtig niet, hoe we iedereen bedienen moeten. Het is heusch mijn schuld niet, als wij u wat moeten laten wachten.”
Op dat oogenblik kwam de brievenbesteller met een groot pak couranten en brieven, die hij op een tafeltje in het bureau neerlegde. Een brief hield hij in zijn hand, terwijl hij vroeg:
“Logeert hier ook een madame Maze?”
“Madame Maze, Madame Maze?” herhaalde de hôtelier. “Neen, neen, ik weet zeker van niet.”
Pierre had de vraag ook gehoord en zeide:
“Er moet een madame Maze logeeren bij de zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, de Blauwe Zusters, zooals ze hier, geloof ik, genoemd worden.”
De brievenbesteller dankte voor de inlichting en ging weg. Maar een bitter glimlachje was op de lippen van mijnheer Majesté gekomen.
“De Blauwe Zusters,” mompelde hij; “ja, de Blauwe Zusters …”
Hij keek schuins naar de soutane van Pierre en hield dan plotseling op, alsof hij bang was te veel te zullen zeggen. Zijn hart was echter te vol, hij moest het lucht geven, en deze jonge priester, die er niet uitzag, alsof hij bekrompen van geest was, behoorde blijkbaar niet tot de “bende”, zooals hij al degenen, die in de Grot dienst deden en geld sloegen uit Notre-Dame de Lourdes, noemde. Langzamerhand liet hij zich gaan.
“Ik zweer u, mijnheer de abbé, dat ik een goed Katholiek ben. Dat zijn we hier trouwens allemaal. Ik neem mijn plichten waar en houd mijn Paschen. Maar dat moet ik toch zeggen, de nonnen moesten er geen hotel op nahouden. Dat is niet goed.”
Hij liet zijn wrok van zakenman, die door oneerlijke concurrentie schade lijdt, den vrijen teugel. Hadden die zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, die Blauwe Zusters, zich niet moeten houden aan haar eigenlijke taak, de vervaardiging van hosties en het strijken en onderhouden van de wasch der geestelijken? Maar neen, zij hadden haar klooster veranderd in een groot hotel, waarin ongetrouwde dames afzonderlijke kamers vonden en gemeenschappelijk konden eten, wanneer zij niet liever apart bediend werden. Alles was heel zindelijk, heel goed ingericht en door de ontelbare voordeelen, die zij genoten, niet duur. Geen enkel hotel te Lourdes wierp zooveel rente af.
“Maar zegt u zelf eens, komt het te pas, dat nonnen zoo iets doen? Daarbij komt nog, dat de overste een flinke vrouw is. Toen zij het geld zag vloeien, wilde zij het alleen voor haar huis hebben en heeft zij zich geheel en al losgemaakt van de paters der Grot, die trachtten den baas over haar te spelen. Ja, mijnheer de abbé, zij is naar Rome gegaan en heeft haar proces gewonnen; nu steekt zij al het geld van de rekeningen in haar zak. Nonnen, lieve Hemel, nonnen, die gemeubileerde kamers verhuren en een table-d’hôte houden!”
Hij hief zijn armen ten hemel en stikte bijna van woede.
“Maar,” merkte Pierre kalm op, “waar zoudt u, nu uw hotel propvol is en u geen bed of geen bord meer vrij hebt, de reizigers, die nog zouden kunnen komen, onder dak willen brengen?”
Maar Majesté had onmiddellijk zijn antwoord klaar.
“O, mijnheer de abbé, men kan wel zien, dat u het land niet kent. Zeker, tijdens de nationale bedevaart hebben we het allemaal druk, mogen we niet klagen. Doch dat duurt maar vier of vijf dagen; en in gewone tijden is het lang zoo druk niet … O, ik heb Goddank altijd logeergasten genoeg. Het hotel is bekend en staat gelijk met het Hôtel de la Grotte, waarmede reeds twee eigenaars rijk geworden zijn … Maar dat neemt niet weg, dat het vervelend is om te zien, hoe die Blauwe Zusters de clientèle afroomen, de dames uit de beste kringen, die dikwijls veertien dagen en drie weken in Lourdes blijven, van ons wegnemen; en dat vooral in stille tijden, wanneer er niet veel gasten zijn! U begrijpt wel wat ik bedoel, mijnheer de abbé: rijke ongetrouwde dames, die het land hebben aan lawaai en heele dagen lang alleen in de Grot gaan bidden, en die goed betalen zonder af te dingen!”
Op dat oogenblik mengde madame Majesté, die Pierre en mijnheer de Guersaint nog niet gezien hadden, daar zij, over een register heen gebogen, rekeningen zat op te tellen, zich in het gesprek.
“Verleden jaar, heeren, hebben wij gedurende twee maanden zoo’n dame in ons hotel gehad. Zij ging naar de Grot, kwam terug, ging er weer heen, at en sliep. En nooit één aanmerking, altijd hetzelfde tevreden glimlachje. Zij heeft haar rekening betaald, zonder die zelfs in te kijken … Om zulke gasten kan het je wel eens spijten.”
De kleine, magere, geheel in het zwart gekleede brunette stond op.
“Als de heeren een paar kleine herinneringen aan Lourdes willen meenemen, moeten zij ons niet vergeten. Wij hebben hiernaast een magazijn, waarin zij een groot aantal van de meest gevraagde artikelen zullen vinden … De personen, die bij ons logeeren, zijn gewoonlijk zoo vriendelijk hun souvenirs nergens anders te koopen.”
Weer schudde Majesté zijn hoofd.
“Zeker,” zeide hij, “zou ik niet graag in eerbied tegenover de eerwaarde paters te kort schieten, maar toch mag ik niet ontkennen, dat zij te gulzig zijn … U hebt natuurlijk hun winkel bij de Grot gezien, die altijd stampvol is en waar ze religieuze artikelen en kaarsen verkoopen. Verschillende priesters zeggen, dat het een schande is en dat men opnieuw de wisselaars uit de tempels moest jagen … En naar men beweert, zijn de paters ook deelgenoot in het groote magazijn hier recht tegenover, waaruit de kleinere winkels hun artikelen betrekken. In het kort, wanneer je de praatjes gelooven mag, dan zouden zij de hand hebben in den geheelen handel in religieuze artikelen en zouden zij vooruit zoo en zooveel percent nemen van de millioenen rozenkransen, beeldjes en medailles, die jaarlijks te Lourdes verkocht worden.”
Hij was fluisterend gaan spreken, want met zijn beschuldigingen wees hij nu bepaalde personen aan, en ten slotte begon hij toch angstig te worden, dat hij zich zoo vrij uitliet tegenover vreemdelingen. Het zachte en vriendelijke gezicht van Pierre stelde hem echter gerust; en nu besluitend alles te vertellen, ging hij in zijn verontwaardiging van benadeeld concurrent, door:
“Nu wil ik heel graag gelooven, dat er veel overdreven wordt. Maar het feit blijft toch bestaan, dat het een groot nadeel voor den godsdienst is, wanneer de eerwaarde paters, als de eerste de beste leek, een winkel houden …. Ik wil toch het geld voor hun missen niet met hen deelen en ik vraag toch niet zoo en zooveel procent van de cadeaux, die zij krijgen? Maar waarom gaan zij dan verkoopen, wat ik verkoop? Door hen is mijn laatste jaar alles behalve schitterend geweest. Er zijn er toch al te veel van ons, iedereen te Lourdes handelt in den goeden God, zoodat je er ten slotte geen droog brood meer mee verdient … Ja, mijnheer de abbé, de Heilige Maagd mag bij ons zijn, maar toch zijn het dikwijls slechte tijden.”
Hij werd even door een gast weggeroepen, maar hij kwam weer terug, juist toen een jong meisje madame Majesté kwam halen. Het was een knap, klein, mollig jong ding uit Lourdes met mooi, zwart haar en een rond, vroolijk gezicht.
“Onze nicht Appoline,” stelde Majesté voor. “Sedert twee jaar beheert zij ons magazijn. Zij is de dochter van een armen broer van mijn vrouw en hoedde te Bartrès schapen, toen wij, aangetrokken door haar lieftalligheid, besloten haar bij ons te nemen; en wij hebben er geen berouw van, want ze is een uitstekend verkoopster.”
Wat hij niet vertelde was, dat er nog al rare praatjes over Appoline liepen. Men had haar ’s avonds met jongelui langs den Gave zien dwalen. Maar zij was voor Majesté veel waard, want zij trok, misschien door haar groote zwarte oogen, die graag lachten, veel klanten. Het vorige jaar was Gérard de Peyrelongue niet uit den winkel weg te krijgen geweest, en alleen zijn huwlijksplannen beletten hem nu terug te komen. Hij scheen vervangen te zijn door den galanten abbé Des Hermoises, die er veel dames bracht om te koopen.
“U sprak daar over Appoline,” zeide madame Majesté, toen zij weer uit het magazijn terug kwam. “Heeren, hebt u niet opgemerkt hoe sprekend zij op Bernadette lijkt … Kijk, daar hangt een portret van Bernadette op haar achttiende jaar …”
Pierre en mijnheer de Guersaint kwamen wat dichter bij, terwijl Majesté uitriep:
“Bernadette, precies! Net Appoline, maar minder mooi, en melancholieker en armer.”
Eindelijk kwam de kellner zeggen, dat er een klein tafeltje vrij was. Tweemaal was mijnheer de Guersaint al eens in de eetzaal gaan kijken, want hij brandde van verlangen om te dejeuneeren en met het mooie weer naar buiten te gaan. Hij haastte zich dan ook weg zonder verder te luisteren naar Majesté, die met een beminlijk glimlachje opmerkte, dat de heeren toch niet zoo heel lang hadden behoeven te wachten. Het tafeltje stond heelemaal achteraan, zoodat zij de geheele zaal door moesten loopen.
Het was een lange, in eikenhout geschilderde zaal, waarvan het schilderwerk echter reeds vol vlekken was. Men voelde er de slijtage en het vuil worden tengevolge van het aanhoudend af en aan loopen van hongerige menschen, die even aan een tafeltje neervielen. De geheele luxe bestond uit een schoorsteengarnituur: een druk-vergulde pendule met twee kandelabers. Ook hingen er voor de vijf ramen, die op het Zuiden uitzagen, kanten gordijnen. Door de neergelaten jaloezieën schoten toch brandende zonnepijlen naar binnen. In het midden zaten dicht op elkaar veertig menschen om de acht meter lange table-d’hôte, waaraan er eigenlijk nauwlijks dertig konden plaats nemen, terwijl aan de kleine tafeltjes rechts en links aan den muur nog een veertig andere gasten samengedrukt zaten. Bij het binnenkomen werd men als het ware verdoofd door een buitengewoon lawaai, een geroezemoes van stemmen en een rinkelen van borden en vorken. Het scheen, alsof men in een vochtigen oven kwam: een benauwende damp, bezwangerd met een benauwende etenslucht, sloeg je in het gezicht.
Pierre kon in den beginne niets onderscheiden. Maar toen hij eindelijk aan hun tafeltje zat, een tuintafeltje, dat voor deze gelegenheid binnen gezet was en waarop de twee couverts elkaar aanraakten, werd hij eenigszins misselijk bij het zien van de groote tafel, die hij met één blik overzag. Sedert een uur werd eraan gegeten, twee afdeelingen gasten hadden hun beurt reeds gehad; de couverts stonden schots en scheef door elkaar, wijn- en jusvlekken plakten op het tafellaken. Om de symmetrie der compote-schalen, die als tafelversiering dienden, bekommerde men zich sedert lang niet meer.
Maar meer dan dat nog hinderde Pierre de druk doende menigte gasten: dikke priesters, magere jonge meisjes, moeders met hangborsten en hangbuiken, opgeblazen, ongetrouwde heeren, heele families, waarvan de leden naar den leeftijd zaten en waarvan de een er al slechter en treuriger uitzag dan de ander. En al die menschen zweetten, slokten gulzig hun maal naar binnen, hun armen tegen hun lichamen aangeplakt, terwijl zij hun handen bijna niet verroeren konden. En in die groote, door de vermoeienis vertiendubbelde eetlust, in die haast, om zich vol te proppen, ten einde des te vlugger naar de Grot te kunnen terugkeeren, zat in het midden van de tafel een corpulente geestelijke, die volstrekt geen haast had en van iederen schotel met een bedachtzame langzaamheid, met een ononderbroken, voorzichtig kauwen at.
“Bliksems,” zeide mijnheer de Guersaint, “koud is ook anders! Maar toch wil ik graag wat eten, want, hoe het komt weet ik niet, maar sedert ik in Lourdes ben, voel ik mijn maag jeuken … Heb jij ook zoo’n honger?”
“Ja, ik zal ook wat eten,” zeide Pierre, die niet den minsten trek had.
Het was een overvloedig menu: zalm, omelette, côteletten met gestoofde aardappelen, gestoofde nieren, bloemkool, koud vleesch en abrikozentaart; alles te veel gekookt, verdrinkend in de jus en onsmakelijk als de opgewarmde restjes. Doch op de fruitschalen lagen goede vruchten, o.a. prachtige perziken. Bovendien schenen de gasten niet veeleischend te zijn en weinig smaak te hebben. Een tenger jong meisje met mooie oogen en een als zijde glanzende huid, die tusschen een ouden priester en een vuilen mijnheer met een langen baard zat, smulde blijkbaar van de nieren, die in het grijze water, waarin zij gestoofd waren, lagen te zwemmen.
“Waarachtig,” zeide mijnheer de Guersaint, “die zalm is zoo kwaad niet … Als je er wat zout bij doet, smaakt ze uitstekend.”
Pierre moest, om zich op den been te houden, wel eten. Aan een klein tafeltje naast het hunne, had hij madame Vigneron en madame Chaise gezien, die, het eerst naar beneden gekomen, tegenover elkaar zaten te wachten; weldra verschenen ook mijnheer Vigneron en Gustave, bleek nog en zwaar leunend op zijn kruk.
“Ga naast je tante zitten,” zeide hij. “Voor mij is er nog plaats naast je moeder!”
Toen hij zijn buren zag, ging hij even naar hen toe.
“Ja, hij is weer heelemaal opgeknapt. Ik heb hem eens goed met eau-de-Cologne gewreven, en straks zal hij zijn bad in den vijver nemen.”
Hij ging aan tafel zitten en at gulzig. Maar wat een schrik was het geweest! Ondanks zichzelf praatte hij er nog luid over, zoo had de schrik, zijn zoon vóór zijn tante te zien sterven, hem aangegrepen. Deze laatste vertelde, dat zij, toen zij den vorigen dag voor de Grot geknield lag, zoo’n verlichting gevoeld had; zij vleide zich reeds van haar hartkwaal genezen te zijn, gaf allerlei kleine bijzonderheden, waarnaar haar zwager met groote, onwillekeurig ongeruste oogen luisterde. Zeker, hij was een goede kerel, hij zou nooit iemands dood gewenscht hebben; maar hij voelde een verontwaardiging en een verzet in zich opkomen bij het denkbeeld, dat de Heilige Maagd die oude vrouw zou genezen, terwijl zij zijn nog zoo jongen zoon vergeten zou. Hij was reeds aan de côteletten en slokte vorken vol aardappelpurée naar binnen, toen hij meende op te merken, dat madame Chaise tegen haar neef mokte.
“Gustave,” zeide hij plotseling, “heb je je tante al excuus gevraagd?”
Verwonderd zette de jongen zijn heldere oogen in zijn uitgeteerd gezichtje wijd open.
“Ja, je bent ondeugend geweest, je hebt ze weggestooten, toen ze boven dicht bij je kwam.”
In het volle bewustzijn van haar waardigheid zweeg madame Chaise en wachtte, terwijl Gustave, die zonder eenigen eetlust aan zijn in kleine stukjes gesneden côtelette bezig was, met zijn oogen op zijn bord bleef staren en ditmaal stijfhoofdig weigerde zich aan dat treurige werkje, om lief te zijn, te onderwerpen.
“Kom, Gustave, wees nou lief; je weet hoe goed tante altijd voor je is en wat ze van plan is voor je te doen.”
Neen, neen, hij zou niet toegeven. Hij verwenschte op dit oogenblik deze vrouw, die niet gauw genoeg dood ging en de liefde van zijn ouders zoo leelijk voor hem maakte, dat hij, wanneer hij hen zich zoo druk om haar zag maken, niet meer wist, of zij hem wilden redden dan wel de erfenis, die zijn leven vertegenwoordigde.
Doch madame Vigneron kwam haar man te hulp.
“Je doet me veel verdriet, Gustave. Vraag dadelijk vergiffenis aan je tante, als je me niet heelemaal boos wil maken!”
Nu gaf hij toe. Waarom ook nog zich verzetten? Was het niet beter, dat zijn ouders dat geld hadden? Zou hij zelf op zijn beurt niet sterven, al was het ook later, daar dit de zaken van zijn familie in orde bracht? Hij wist dat, begreep alles, zelfs die dingen, welke men voor hem verzweeg; zijn ziekte had hem zoo’n scherp gehoor gegeven, dat hij zelfs gedachten hoorde.
“Tante, ik vraag u excuus, dat ik daarnet niet lief tegen u ben geweest.”
Twee groote tranen rolden uit zijn oogen, terwijl hij glimlachte op de manier van een liefderijk, ontgoocheld iemand, die veel meegemaakt heeft.
“Al zijn de nieren niet zoo bijster lekker,” zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre, “de bloemkool smaakt uitstekend.”
In de geheele zaal duurde het ontzettende kauwen voort. Nog nooit had Pierre zoo zien eten, in zoo’n zweet, in zoo’n benauwende warmte als waren zij in een gloeiend waschhuis. De etenslucht verdichtte zich langzaam tot een damp. Om zich verstaanbaar te maken, moest men schreeuwen, want alle gasten praatten hardop, terwijl de kellners met de borden en schalen rinkelden; ongerekend nog het lawaai van de kaken, dat je duidelijk hooren kon en dat als het schuren van molensteenen klonk. Wat echter den jongen priester het meest hinderde was het buitengewoon gemengde gezelschap aan de tafel, waar de mannen, de vrouwen, de jonge meisjes en de geestelijken pêle-mêle door elkaar zaten en hun honger verzadigden als een losgelaten troep jachthonden, die hun brokken naar binnen slokken. De broodbakjes gingen rond en waren onmiddellijk leeg. Onder het koude vleesch en het overgebleven vleesch van den vorigen dag, lams- en kalfsvleesch en ham werd een ware slachting aangericht. Men had reeds te veel gegeten en toch wekten die vleezen de eetlust weer op, daar men meende, dat men niets over moest laten. De priester aan het midden der tafel, die een goede eter scheen te zijn, was nu reeds aan zijn derde perzik, enorme perziken, die hij langzaam schilde en met een ernstig, nadenkend gezicht in kleine stukjes naar binnen werkte.
Dan ontstond er plotseling een heele beweging in de zaal, een kellner deelde de post, die mevrouw Majesté uitgezocht had, uit.
“Kijk!” zeide mijnheer Vigneron, “een brief voor mij. Ik begrijp het niet, ik heb niemand mijn adres gegeven.”
Dan bedacht hij zich.
“O ja, dat is waar ook, hij zal van Sauvageot zijn, die zoolang aan Financiën voor mij waarneemt.”
Toen hij den brief open gemaakt had, begonnen zijn handen te beven en riep hij uit:
“De chef is dood.”
Madame Vigneron was zoo van streek, dat zij onwillekeurig zeide:
“Dan zal jij benoemd worden!”
Het was een heimelijke, lang gekoesterde droom: de dood van den chef de bureau, opdat hij, sedert tien jaar onderchef, eindelijk zou kunnen opklimmen tot den hoogsten graad, zijn maarschalkstaf. En ook zijn blijdschap was zóó groot, dat hij er alles uit gooide.
“O, lieve vrouw, de Heilige Maagd is beslist met ons … Vanochtend nog heb ik haar mijn promotie gevraagd, en zij verhoort mij!”
Doch toen hij de blikken van madame Chaise op zich gevestigd voelde en zijn zoon zag glimlachen, begreep hij plotseling, dat hij niet op die manier juichen moest. Ongetwijfeld vroeg iedereen in de familie aan de Heilige Maagd de gunsten, die hij persoonlijk het meest noodig had. En als een braaf mensch verbeterde hij zichzelf dan ook:
“Ik bedoel, dat de Heilige Maagd van ons allen veel houdt en dat zij ons allen heel tevreden van hier zal laten gaan … Wat spijt me dat van mijn armen chef. Ik zal zijn weduwe een kaartje zenden.”
Hoe hij het ook probeerde, hij kon zijn vreugde niet inhouden. Hij twijfelde er niet meer aan, of hij zou zijn geheimste wenschen, zelfs die, welke hij zichzelf niet bekennen durfde, in vervulling zien gaan. Aan de abrikozentaart werd groote eer bewezen, Gustave kreeg verlof er een klein stukje van te eten.
“Het is verwonderlijk,” zeide mijnheer de Guersaint, die nog een kop koffie genomen had, tegen Pierre, “het is verwonderlijk, dat je hier niet meer zieken ziet. Al die menschen hier schijnen een flinke eetlust te hebben.”
Intusschen had hij behalve Gustave, die als een klein kuikentje kruimeltjes at, ontdekt, dat er tusschen twee vrouwen, waarvan er een ongetwijfeld een kankerlijdster was, een man met een groot kropgezwel aan de table-d’hôte zat. Verderop was een zoo mager en bleek meisje, dat men wel aannemen moest, dat zij een teringlijdster was. Tegenover haar zat een idiote vrouw, die, gesteund door twee bloedverwanten, binnengekomen was en nu, met wezenlooze oogen starend, met haar lepel zat te eten, waarbij zij het grootste gedeelte op haar servet morste. Misschien waren er ook nog andere zieken, die men te midden van dat lawaaierige, druk etende gezelschap niet opmerkte, zieken, die door de reis opgewonden waren en nu aten, alsof zij in geen jaren gegeten hadden. De abrikozentaart, de kaas en de vruchten verdwenen naar binnen, en in de groote wanorde der couverts bleef niets meer over dan de jus- en wijnvlekken, die zich op het tafellaken uitbreidden.
Het was bijna twaalf uur.
“We gaan zeker dadelijk naar de Grot terug?” vroeg mijnheer Vigneron.
Men hoorde trouwens niets anders dan: “Naar de Grot! Naar de Grot!” De volle monden haastten zich, keerden terug naar de gebeden en de lofzangen.
“Nu we toch den heelen middag voor ons hebben,” zeide mijnheer de Guersaint weer, “zou ik je wel willen voorstellen de stad eens te gaan bekijken, dan kan ik tegelijk zien een rijtuig te krijgen voor mijn uitstapje naar Gavarnie, waar mijn dochter zoo op staat.”
Pierre, die het vreeselijk benauwd had, was blij de eetzaal te kunnen verlaten. In den vestibule haalde hij verruimd adem. Maar daar hoopte zich een nieuwe troep gasten op, die, in afwachting van een plaats, queue maakte; men betwistte elkaar de kleine tafeltjes; het minste open gaatje aan de table-d’hôte was onmiddellijk weer bezet. Een uur lang nog zou de bestorming aanhouden, het menu defileeren en naar binnen geslokt worden, te midden van het geschuur der kaken, van de steeds benauwder wordende warmte en de toenemende walging.
“Pardon, ik moet nog even naar boven,” zeide Pierre; “ik heb mijn beurs vergeten.”
Boven in de stilte van de trap en de verlaten gangen hoorde hij, toen hij bij de deur van zijn kamer kwam, een zacht geluid. In het vertrek ernaast klonk een kirrend lachje, dat op den te harden stoot met een vork gevolgd was. Dan kwam ongrijpbaar, meer vermoed dan inderdaad gehoord, de zucht van een kus, het beven van lippen, die zich op andere lippen drukten, om ze te doen zwijgen. De ongetrouwde mijnheer dejeuneerde ook.
II.
Buiten liepen Pierre en mijnheer de Guersaint langzaam te midden van den steeds aangroeienden stroom der Zondagsmenigte. De hemel was helderblauw, de zon zette de stad in vlammen; in de lucht was een feestelijke vroolijkheid, de levendige vroolijkheid, die op groote marktdagen heerscht, welke het leven van een geheel volk in het volle daglicht plaatsen. Toen zij het stampvolle trottoir der avenue de la Grotte afgeloopen waren, werden zij op den hoek van het plateau de la Merlasse tegengehouden, zoo stroomde de menigte tusschen het onophoudelijk heen en weer rijden der rijtuigen terug.
“We behoeven ons niet te haasten,” zeide mijnheer de Guersaint. “Ik wou naar de place du Marcadal in de oude stad, want het kamermeisje heeft mij verteld, dat daar een kapper woont, wiens broer goedkoop rijtuigen verhuurt … Heb je lust om mee te gaan?”
“Ik,” riep Pierre uit, “ik vind alles goed.”
“Prachtig! Dan zal ik me tegelijk even laten scheren!”
Zij kwamen op de place du Rosaire voor de grasperken, die zich tot den Gave uitstrekken, toen een nieuwe ontmoeting hen weer stil deed staan. Madame Désagneaux en Raymonde de Jonquière stonden daar vroolijk met Gérard de Peyrelongue te praten. Beiden hadden zij lichte japonnetjes, dunne strand-japonnetjes, aan en haar wit zijden parasols schitterden in de volle zon. Zij vormden daar een aardig groepje, een leuk hoekje van mondain gebabbel met frisch, jong gelach.
“Neen, neen!” herhaalde madame Désagneaux; “wij kunnen uw “popote” niet zoo bezoeken, terwijl al uw vrienden aan het eten zijn.”
Gérard drong zeer galant aan en wendde zich daarbij vooral tot Raymonde, wier eenigszins vol gezicht dien dag door een stralenden charme van gezondheid verhelderd werd.
“Maar het is heusch heel interessant om te zien en u zult schitterend ontvangen worden … U kunt u gerust aan mij toevertrouwen, mademoiselle, en bovendien zullen wij er zeker mijn neef Berthaud vinden, die het zich tot een groote eer zal rekenen om de honneurs in onze installatie waar te nemen.”
Raymonde glimlachte en zeide met haar levendige oogen, dat zij wel wilde. Op dat oogenblik gingen mijnheer de Guersaint en Pierre de dames begroeten. Onmiddellijk werden zij op de hoogte gebracht. “Popote” noemden zij een soort restaurant, een soort table-d’hôte, die de leden der Hospitalité de Notre Dame de Salut, de brancarddragers en zij, die in de Grot, bij de vijvers en in de ziekenhuizen, behulpzaam waren, opgericht hadden, om gemeenschappelijk en goedkoop te eten. Daar verschillende van hen niet rijk waren, omdat de Hospitalité leden telde onder alle klassen, waren zij overeengekomen, om drie goede maaltijden te gebruiken tegen een storting van drie francs daags; daarvan hielden zij dan nog eten over, dat zij onder de armen verdeelden. Maar zij bestuurden alles zelf, kochten zelf de levensmiddelen en huurden een kok en een paar jongens, terwijl zij er niet tegen op zagen zelf een handje mede te helpen om het lokaal in orde te houden.
“Dat moet heel interessant zijn,” riep mijnheer de Guersaint uit. “Dat zou ik wel eens graag willen zien, als wij tenminste niet te veel zijn.”
Toen stemde ook madame Désagneaux toe.
“Nu we met een troepje gaan, wil ik ook wel. Ik was bang, dat het niet passen zou.”
En toen zij lachte, begonnen al de anderen ook te lachen. Zij had den arm van mijnheer de Guersaint aangenomen, terwijl Pierre, die werkelijk sympathie voelde voor het opgewekte vrouwtje, dat zoo bekoorlijk was met haar blonde kroesharen en haar melkblanken tint, links van haar liep.
Achter hen kwam Raymonde aan den arm van Gérard, met wien zij met haar ernstig stemmetje als een heel verstandig jongmeisje, dat er nog zoo zorgeloos-jeugdig uitzag, liep te praten. En nu zij eindelijk den zoo lang gedroomden echtgenoot in haar nabijheid had, nam zij zich ernstig voor hem ditmaal te veroveren. Zij bedwelmde hem dan ook met haar geur van mooi, gezond meisje en wekte tevens zijn bewondering door haar verstand van het huishouden en haar spaarzaamheid in kleine dingen, want zij liet hem bijzonderheden vertellen over hun inkoopen en toonde hem aan, dat zij hun uitgaven nog meer konden beperken.
“U bent zeker heel moe?” vroeg mijnheer de Guersaint aan madame Désagneaux.
Zij protesteerde onmiddellijk in edele woede.
“Wel neen! Stel u voor, dat ik vannacht in het Hôpital van moeheid in een fauteuil neergevallen ben. En toen zijn de dames zoo lief geweest mij te laten slapen.”
Opnieuw begon men te lachen. Maar zij bleef woedend.
“Zoodat ik acht uur achter elkaar als een blok geslapen heb. En ik had me nog al voorgenomen den heelen nacht te waken.”
Eindelijk kon zij haar lachen ook niet meer bedwingen.
“Een mooie ziekenverpleegster, hé?… Die arme madame de Jonquière heeft nu tot het begin van den dag gewaakt. Ik heb daareven getracht haar over te halen met ons mee te gaan, maar zij wilde niet.”
Raymonde, die het gehoord had, verhief haar stem:
“O, die arme mama, ze kon bijna niet meer staan. Ik heb haar gedwongen wat naar bed te gaan, en haar verzekerd, dat zij gerust kon slapen, dat alles goed marcheeren zou.”
En zij wierp Gérard een lachenden blik toe. Hij meende zelfs een onmerkbaren druk van haar frisschen, ronden arm te voelen, dien hij in den zijne hield, alsof zij te kennen wilde geven, dat zij het prettig vond zoo alleen met hem te zijn en zij, zonder door iemand gestoord te worden, hun kleine aangelegenheden konden regelen. Hij vond het verrukkelijk, en hij vertelde haar, waarom hij dien dag niet met zijn kameraden gegeten had. Een familie, die hij goed kende, was vandaag vertrokken en had hem van tien uur af aan het buffet van het station uitgenoodigd, zoodat hij pas na het vertrek van den trein van half één vrij geweest was.
“Hoort u wel hoe vroolijk zij zijn?” vroeg hij.
Ze waren vlak bij de “popote” en hoorden inderdaad het luide lachen van jongelui, dat uit een groepje boomen kwam, waaronder het oude uit gips en zink opgerichte gebouw zich verborg, waarin zij de “popote” ondergebracht hadden. Eerst liet hij hen de keuken doorgaan, een groote, goed ingerichte ruimte, waarin een groot fornuis en een lange tafel stonden en een aantal reusachtige pannen aan den muur hingen. Hij wees hen erop, dat de kok, een dikke, vroolijke kerel, ook het roode kruis op zijn witte jas droeg, want hij nam deel aan de bedevaart. Dan deed hij een deur open en bracht hen in de gemeenschappelijke zaal.
Het was een lange zaal, waar een dubbele rij eenvoudige vuurhouten tafels naast elkaar stond. Behalve een andere tafel voor de overgeschoten spijzen en café-stoelen met zittingen van stroo waren er geen andere meubelen. Maar de witgekalkte muren en de glimmend roode vloer leken in deze gewilde kaalheid van een monnikenrefectorium zeer zindelijk. Doch wat vooral bij het eerste binnenkomen al aangenaam aandeed was de kinderlijke vroolijkheid, die er heerschte: honderdvijftig gasten van alle leeftijden zaten er met een heerlijke eetlust te eten, te schreeuwen, te zingen en te applaudiseeren. Een weinig voorkomende broederzin verbond hen, die van overal, uit alle standen, uit alle klassen, uit alle provincies saamgekomen waren. Velen kenden elkaar niet, zaten ieder jaar gedurende drie dagen naast elkaar, leefden als broeders, vertrokken weer en hoorden dan het verdere gedeelte van het jaar niets meer van elkaar. Er stak een eigenaardige bekoring in, om elkaar in de uitoefening der barmhartigheid terug te vinden in die drie dagen van groote inspanning, maar ook van jongensachtige vreugde met elkaar te leven; het deed eenigszins denken aan een buitenzijn van groote, aan zichzelf overgelaten jongens, die zich gelukkig voelen, wanneer zij diensten bewijzen en lachen kunnen. En alles, de eenvoudige maaltijden, de trots voor zich zelf te zorgen, te eten wat ze zelf gekocht en gekookt hadden, droeg bij tot de algemeene vroolijkheid.
“U ziet,” zeide Gérard, “dat we niet melancholiek zijn ondanks het harde werk, dat wij doen. De Hospitalité telt meer dan driehonderd leden, maar er zijn er hier thans niet meer dan honderdvijftig, want we eten in twee ploegen, om den dienst in de Grot en in de ziekenhuizen te vergemakkelijken.”
Het zien van het kleine groepje bezoekers, die op den drempel waren blijven staan, scheen de vroolijkheid verdubbeld te hebben. Berthaud, de leider der brancarddragers, die aan het hoofd der tafel zat, stond op, om de dames te begroeten.
“Maar het ruikt hier heel lekker!” riep madame Désagneaux op haar onbezonnen manier uit. “Inviteert u ons niet om morgen eens van uw keuken te komen proeven?”
“Neen, de dames niet!” antwoordde Berthaud lachend. “Maar als de heeren morgen onze gasten willen zijn, dan zullen ze ons daarmee een groot pleizier doen.”
Met één oogopslag had hij de goede verstandhouding tusschen Gérard en Raymonde opgemerkt; hij was er zeer mee ingenomen, want hij zou graag een huwelijk tusschen die twee zien.
“Is dat markies de Salmon-Roquebert niet,” vroeg het jonge meisje, “daar tusschen die twee jongelui, die je voor winkelbedienden zoudt houden?”
“Het zijn inderdaad de zoons van een klein papierhandelaartje uit Tarbes,” antwoordde Berthaud. …“En de andere is uw buurman uit de rue de Lille, de eigenaar van dat koninklijke hotel en een der rijkste mannen van Frankrijk … Kijk eens, hoe hij van onzen schapenragout smult!”
Het was inderdaad zoo. De markies met zijn millioenen scheen zich heel gelukkig te gevoelen voor zijn drie francs per dag te eten en democratisch aan tafel te zitten met kleine middenstanders, ja zelfs werklieden, die hem op straat niet zouden hebben durven groeten. Was dit toevallig naast elkaar zitten eten niet de sociale gemeenschap in volle Christelijke liefde? Hij had dien ochtend des te meer trek, omdat hij in de vijvers een zestig zieken, al de afzichtelijke kwalen der treurige menschheid, had helpen baden. En om zich heen kon hij de verwezenlijking der evangelische gemeenschap zien; maar zonder twijfel was zij daarom zoo aantrekkelijk en vroolijk, omdat zij slechts drie dagen duurde.
Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij pas gedejeuneerd had, de verleiding niet weerstaan eens van den schapenragout te proeven. Intusschen herinnerde Pierre, die baron Suire, den directeur der Hospitalité, gewichtig op en neer zag wandelen, alsof hij zich tot taak gesteld had op alles, zelfs op de wijze, waarop zijn personeel zich voedde, toezicht te houden, zich plotseling den vurigen wensch van Marie om den nacht voor de Grot door te brengen; en hij dacht, dat de baron de daarvoor noodige toestemming wel zou kunnen geven.
“Zeker,” zeide hij ernstig, “wij staan dat soms toe, maar het is altijd een teer iets! U kunt mij beslist verzekeren, niet waar, dat het jonge meisje niet teringachtig is?… Welnu, omdat u zegt, dat zij er zoo op staat, zal ik het met pater Fourcade in orde brengen en madame de Jonquière laten weten, dat u haar komt halen.”
Ondanks het air, dat hij zich gaf onmisbaar en met de zwaarste verantwoordelijkheden belast te zijn, was hij in den grond der zaak een goedhartig man. Op zijn beurt ging hij naar de bezoekers toe en vertelde hun tot in de kleinste bijzonderheden alles omtrent de inrichting der Hospitalité: de gemeenschappelijk uitgesproken ochtendgebeden, de vergaderingen van den raad van bestuur, die tweemaal daags gehouden en ook bijgewoond werden door de hoofden van dienst, de paters en enkele andere geestelijken. Men vierde zoo dikwijls mogelijk het Heilig Avondmaal. Dan volgden er allerlei gecompliceerde bezigheden, het was steeds een buitengewoon groote wisseling van personeel, in het kort een heele wereld, die met vaste hand bestuurd moest worden. Hij sprak als een generaal, die ieder jaar een groote overwinning op den geest der eeuw behaalt, en hij zond Berthaud weg om verder te eten, daar hij er op stond zelf de dames uitgeleide te doen tot aan het met zand bestrooide en door mooie boomen beschaduwde plein.
“Heel interessant, heel interessant!” herhaalde madame Désagneaux. “Wij zijn u zeer dankbaar voor uw groote welwillendheid!”
“Integendeel, madame, het was mij een zeer groot genoegen in de gelegenheid gesteld te worden u mijn klein volkje te laten zien!”
Gérard had Raymonde geen oogenblik verlaten. Mijnheer de Guersaint en Pierre hadden elkaar reeds een paar maal aangekeken, of zij nu niet eindelijk naar de place du Marcadal zouden gaan, toen madame Désagneaux zich plotseling herinnerde, dat een vriendin haar opgedragen had haar een flesch Lourdes-water op te zenden. Zij vroeg aan Gérard, hoe zij dat het beste doen kon.
“Als u mij misschien weer als gids wilt aannemen,” zeide hij. “En als de heeren er niets op tegen hebben mede te gaan, zal ik u eerst het magazijn laten zien, waarin men de flesschen vult, die dan toegekurkt, in doozen verpakt en verzonden worden. Het is heel interessant.”
Onmiddellijk stemde mijnheer de Guersaint toe. Met hun vijven gingen zij weer verder, madame Désagneaux tusschen den architect en den priester, terwijl Raymonde en Gérard voorop gingen. De menigte werd in den brandenden zonneschijn steeds grooter; de place du Rosaire was vol van een drukke en lanterfanterende massa, als was het een volksfeest.
De werkplaats was er vlak bij, links, onder één der bogen. Het was een reeks van drie zeer eenvoudige vertrekken. In het eerste werden op de meest eenvoudige wijze de flesschen gevuld: een klein zinken, groen geverfd tonnetje, dat aan een miniatuur sproeiwagentje deed denken, kwam, door een man gesleept, vol uit de Grot: daaruit vulde men dan heel eenvoudig met behulp van een kraan stuk voor stuk de flesschen van wit glas zonder dat de werkman er steeds op lette, dat er geen water wegstroomde. Op den grond stond dan ook steeds een vrij groote plas. De flesschen droegen geen etiquette; de loodcapsules over de mooie, eerste kwaliteit kurken hadden echter een opschrift, dat de herkomst aangaf, terwijl er verder, waarschijnlijk om het water goed te conserveeren, loodwit overheen gestreken werd. De twee andere vertrekken dienden voor verpakking, echte emballeurs-werkplaatsen met de daarbij behoorende werktafels, gereedschappen en spaanders. Men maakte er voornamelijk doozen voor een of twee flesschen, heel aardige bewerkte doozen, waarin de flesschen op een bed van fijne spaandersnippers lagen. Het geheel leek veel op de expeditiemagazijnen van bloemen te Nice of van ingelegde vruchten te Grasse.
Gérard gaf nog eenige uitleggingen.
“U ziet, het water komt regelrecht uit de Grot, wat de misplaatste grappen, die rondgaan, geheel den kop indrukt. Er gebeurt niets bijzonders; alles gaat even natuurlijk en geschiedt in het volle daglicht … Bovendien doe ik u opmerken, dat de paters niet, zooals men hun verwijt, het water verkoopen. Een volle flesch kost, als u die hier koopt, twintig centimes, den prijs van het glas. Als u ze laat verzenden, komen er natuurlijk de emballage- en expeditiekosten bij en betaalt u een franc zeventig … Bovendien staat het u vrij alle kannen en anderszins, die u meebrengt, te vullen.”
Pierre berekende, dat op dit punt de winst der paters niet zoo heel groot kon zijn; want zij verdienden bijna alleen op de doozen en op de flesschen, die hun, bij duizendtallen genomen, zeker geen twintig centimes kostten. Maar madame Désagneaux en Raymonde voelden, evenals mijnheer de Guersaint met zijn levendige phantasie, een groote teleurstelling bij het zien van dat kleine groene tonnetje, de met loodwit bestreken capsules en de hoopen spaanders om de werktafels. Zij hadden er zich ceremoniën bij voorgesteld, een zekeren ritus, om het wonderwater in de flesschen te doen, priesters in heilige kleeren, die het zegenden, terwijl zuivere kinderstemmen in koor zongen. En Pierre dacht ten slotte bij het zien van dit gewone bottelen en emballeeren aan de werkzame kracht van het geloof. Wanneer een dezer flesschen heel ver weg in de kamer van een zieke komt, wanneer men haar uitpakt en hij op zijn knieën valt, wanneer hij door het zien en drinken van dit heldere water wordt opgezweept tot een extase, die zelfs de genezing van zijn kwaal bewerken kan, dan is daarvoor zeker een groote sprong in het rijk der almachtige illusie noodig.
“En,” riep Gérard uit, toen zij weggingen, “wilt u nu nog eerst, voor wij naar de administratie gaan, het kaarsenmagazijn zien?”
Hij wachtte niet eens op hun antwoord, doch nam hen mede naar de overzijde van de place du Rosaire, waarmede hij eigenlijk geen ander doel had dan Raymonde aangenaam bezig te houden. In werkelijkheid was het schouwspel, dat het kaarsenmagazijn bood, nog minder stichtelijk dan dat van de emballage-werkplaatsen, waar zij juist uitkwamen. Het lag onder een der rechtsche booggewelven en bestond uit een soort kelder, een soort diepe opslagplaats, die door houten staketsels in groote vakken verdeeld werd. In die vakken was de vreemdsoortigste voorraad kaarsen, naar de grootte uitgezocht en gerangschikt, opgestapeld. Het te veel aan kaarsen, welke aan de Grot geschonken werden, sliep hier; iederen dag waren deze zoo talrijk, dat speciale wagentjes, waarin de pelgrims ze nederlegden, meermalen hun inhoud in die vakken moesten leeg gaan storten en dan weer terugkeerden om gevuld te worden. De stelregel was, dat iedere geofferde kaars aan de voeten der Heilige Maagd moest branden, doch er waren er te veel; al brandden er dag en nacht tweehonderd van iedere grootte en dikte, nooit zou men erin slagen deze verschrikkelijke voorraden, die onophoudelijk grooter werden, uit te putten. Het gerucht liep, dat de paters zich genoodzaakt zagen de was weer te verkoopen. Sommige vrienden der Grot erkenden zelfs met een zekeren trots, dat de opbrengst uit de kaarsen voldoende geweest zou zijn om de geheele zaak aan den gang te houden.
“En de flesch, die ik verzenden moet?” vroeg madame Désagneaux.
“Wij gaan nu naar het bureau,” antwoordde Gérard. “Een quaestie van vijf minuten.”
Zij moesten de place du Rosaire weer over en de trap op, die naar de Basilica leidt. Het bureau lag links boven, dicht bij den ingang van den weg naar den Calvariënberg. Het was een eenvoudig gebouw, niet veel meer dan een houten hut, door regen en wind beschadigd, met een uithangbord, waarop te lezen stond: “Zich hier aan te melden voor missen, giften en broederschappen. Verzending van Lourdeswater. Abonnementen op de Annales de N. D. de Lourdes.” Hoeveel millioenen waren reeds door dit armzalige bureau gegaan, dat nog uit den tijd afkomstig scheen, toen men nauwlijks de grondslagen voor de Basilica legde!
Nieuwsgierig gingen zij allen naar binnen. Maar zij zagen slechts één loket. Madame Désagneaux moest zich bukken, om het adres van haar vriendin te geven; en toen zij één francs zeventig gestort had, kreeg zij een reçu, een klein stukje papier, zooals op de stations de goederenbeambte afgeeft.
Weer buiten gekomen, wees Gérard op een groot gebouw, dat een paar honderd meter verder lag.
“Dat is de woning van de paters der Grot.”
“Maar je ziet ze nooit,” zeide Pierre.
De jonge man keek hem een oogenblik verbaasd aan, zonder te antwoorden. Dan:
“Je ziet ze nooit, omdat zij alles, de Grot en de rest, gedurende de nationale bedevaart aan de paters van Maria Hemelvaart overlaten.”
Pierre nam het gebouw, dat op een versterkt slot geleek, op. De ramen waren gesloten, zoodat men denken zou, dat het leeg stond. Maar toch kwam alles daaruit, keerde alles er weer naar terug. En de jonge priester meende de stille, maar vreeselijke beweging van een hark te hooren, die zich over het geheele dorp uitstrekte, het samengestroomde volk samenharkte en het goud en het bloed der menigte naar de paters bracht.
“Maar kijk, ze laten zich toch wel zien. Daar heb je juist den eerwaarden pater rector Capdebarthe,” zeide Gérard op fluisterenden toon.
Inderdaad kwam een geestelijke voorbij, een nauwlijks ontbolsterde boer, met een beenig lichaam en een dik, grof gebouwd hoofd. In zijn ondoorzichtige oogen was niets te lezen, zijn verweerd gezicht had een aardachtigen tint behouden, den rosachtigen en doffen weerschijn van den grond. Mgr. Laurence had indertijd wel een zeer verstandige keus gedaan, toen hij de organisatie en de exploitatie der Grot toevertrouwde aan deze taaie en eerzuchtige missionarissen van Garaison, bijna allen zonen der bergen, die hartstochtelijk hun geboortegrond liefhebben.
Met hun vijven gingen zij over het plateau de la Merlasse en liepen den breeden boulevard af, die zich links om de helling slingert en op de avenue de la Grotte uitkomt. Het was reeds over éénen, maar het dejeuneeren duurde in de geheele, van menschen overstroomde stad nog steeds voort: de vijftienduizend pelgrims en nieuwsgierigen hadden nog niet allen een plaatsje aan tafel kunnen vinden. Pierre, die in het hotel de table-d’hôte vol achtergelaten en zooeven de leden der Hospitalité dicht op elkaar gedrongen had zien zitten eten in de “popote”, vond nu weer andere tafeltjes, steeds meer tafeltjes. Overal at men en at men. Maar hier in de open lucht, aan de beide kanten van den boulevard, bestormden de kleine luiden de tafels, die op de trottoirs neergezet waren, eenvoudige lange planken op schragen met twee rijen banken onder een kleine linnen tent. Men verkocht er bouillon, melk en koffie van twee sous per kop. De broodjes, die in hooge manden lagen, kostten ook twee sous. Aan de stokken, die de tent ondersteunden, hingen saucijsjes, hammen en worst. Sommigen van deze openlucht-restaurateurs bakten aardappelen, terwijl anderen porties vleesch met uien bakten.
Een bijtende rook en een scherpe stank stegen, vermengd met het stof, dat de voortdurend voorbijslenterende wandelaars deden opdwarrelen, naar de zon op. Voor ieder van die eettenten wachtten geduldig lange rijen menschen, die elkaar van lieverlede opvolgden op de banken langs de met wasdoek bedekte planken, waarop in de breedte nauwelijks voor twee soepborden plaats was. Allen haastten zich en aten gulzig in den geeuwhonger van hun moeheid, die onverzadigbare eetlust, welke groote moreele schokken altijd geven. Het dier eischte zijn rechten op, propte zich vol na de uitputting der eindelooze gebeden en het verblijf in den hemel der legende, waarin het zijn lichamelijke behoeften vergeten had. Het was onder dien schitterenden hemel van dien mooien Zondag een echt kermisveld, de gulzigheid van een vroolijk volk, één levensvreugde ondanks de afzichtelijke ziekten en de te spaarzame wonderen.
“Zij eten, zij amuseeren zich, wat zal je ervan zeggen?” zeide Gérard, die de gedachten van het gezelschap, dat hij rondleidde, raadde.
“Ach!” antwoordde Pierre, “het komt hun toe, de arme stakkerds!”
Deze wraak, die de natuur nam, trof hem diep. Maar toen zij weer onder aan den boulevard waren op den weg naar de Grot, werd hij door de opdringerigheid van de troepen kaarsen- en bloemenverkoopsters, die de voorbijgangers op de meest onbeschaamde manier lastig vielen, hoogst onaangenaam getroffen. Het waren voor het grootste gedeelte jonge vrouwen, blootshoofds of het hoofd met een zakdoek bedekt en die een buitengewone brutaliteit aan den dag legden; waarvoor de ouderen echter slechts weinig onder deden. Allen droegen een groot pak kaarsen onder haar arm, zwaaiden degene, die zij te koop aanboden, in de lucht en drukten haar koopwaar den wandelaars bijna in de handen.
“Mijnheer, mevrouw, koop een kaars van mij, dat zal u geluk aanbrengen!”
Een heer, die door drie van de jongsten omringd en heen en weer getrokken werd, verloor bijna de slippen van zijn jas. Met de bloemen was het hetzelfde liedje, groote, ronde, ruw met touw vastgebonden bouquetten, die wel bloemkoolen geleken.
“Een bouquet, mevrouw, een bouquet voor de Heilige Maagd.”
Wanneer de dame ontsnapte, hoorde zij gesmoorde verwenschingen achter zich. De handel, de schaamtelooze handel drong zich op die wijze tot aan den ingang van de Grot aan de pelgrims op. Niet genoeg, dat hij zich triomphantelijk in alle winkels installeerde, die, dicht op elkaar gedrongen, iedere straat in een bazar herschiepen, neen hij liep de straten af, versperde den weg en reed op handkarren rozenkransen, medailles, beelden, vrome plaatjes rond. Van alle kanten kocht men, kocht men bijna evenveel als men at, om een souvenir van deze heilige kermis mede te nemen. En de levendige noot, de vroolijkheid in deze hebzucht, in dit gedrang van marskramers vormden nog de door de menigte heen vliegende jongens, die den Journal de la Grotte verkochten. Hun schelle stem verscheurde de ooren:
“De Journal de la Grotte! Het laatste nummer! Twee sous! De Journal de la Grotte!”
Te midden van het gedrang van de steeds heen en weer stroomende menschenmassa’s geraakte het vijftal van elkaar. Raymonde en Gérard bleven achter. Beiden waren in een glimlachende intimiteit zacht gaan praten. Madame Désagneaux moest blijven stilstaan en hen roepen:
“Loopt toch wat door, we zullen je nog kwijt raken.”
Toen zij wat dichterbij kwamen, hoorde Pierre het jonge meisje zeggen:
“Mama heeft het zoo druk! Praat u met haar voor ons vertrek!”
En Gérard antwoordde:
“Afgesproken. U maakt mij heel gelukkig, mademoiselle.”
Het huwelijk was dus gedurende deze bekoorlijke wandeling tusschen de wonderwerken van Lourdes veroverd en beklonken. Zij, geheel alleen, had overwonnen, en hij had eindelijk, toen hij haar aan zijn arm zoo vroolijk en verstandig voelde, een besluit genomen.
Maar mijnheer de Guersaint, die opgekeken had, riep uit:
“Zijn dat daarboven op het balkon die rijke menschen niet, die met ons gereisd hebben, u weet wel, die zieke jonge vrouw met haar man en haar zuster?”
Hij bedoelde de Dieulafay’s; en inderdaad zaten zij op het balcon van het appartement, dat zij in een nieuw huis, dat uitzag op de grasperken van de Rozenkranskerk, gehuurd hadden. Zij bewoonden hier de eerste étage, welke met al den luxe, dien Lourdes had kunnen verschaffen, tapijten en gordijnen, gemeubeld was, terwijl zij bovendien nog een groot personeel van dienstboden naar Lourdes vooruit gezonden hadden. Met het mooie weer had men de zieke, die in een grooten fauteuil lag, naar buiten gereden. Zij had een peignoir van kant aan. Haar man, als altijd in een gekleede jas, stond rechts van haar, terwijl haar zuster in een prachtige, licht-mauve japon, links van haar zat en zich dikwijls glimlachend over haar heen boog, om te praten, zonder echter ooit antwoord te krijgen.
“O,” zeide de kleine madame Désagneaux: “ik heb dikwijls over madame Jousseur, die jonge vrouw in het mauve, hooren spreken. Zij is de vrouw van een diplomaat, die haar, ondanks haar groote schoonheid, veronachtzaamt; verleden jaar is er veel gepraat over een hartstocht, dien zij voor een jongen, in Parijsche kringen wel bekenden kolonel opgevat had. Maar de Katholieke salons beweren, dat zij dien, dank zij den godsdienst, overwonnen heeft.”
Allen keken naar haar op.
“En te denken,” ging zij voort, “dat haar zuster, de zieke, haar levend evenbeeld geweest is. Zelfs had zij een veel zachteren trek van goedheid en opgewektheid in haar gelaat … En kijk nu eens, het is bijna een doode, niets meer dan vel over been, die men bijna niet durft te verleggen. Een vreeselijk ongelukkig schepsel!”
Raymonde vertelde, dat madame Dieulafay, die nauwlijks drie jaar getrouwd was, al haar juweelen medegebracht had, om die aan Notre-Dame de Lourdes te schenken; Gérard bevestigde deze bijzonderheid en wist bovendien nog, dat de juweelen ’s morgens aan de schatkamer der Basilica gegeven waren, om niet te spreken van een gouden, in edelsteenen gevatte lantaarn en een groote, voor de armen bestemde som gelds. Maar de Heilige Maagd had zich blijkbaar nog niet laten verteederen; de zieke scheen eerder achteruit te gaan.
Van dat oogenblik af zag Pierre nog slechts die jonge vrouw op het weelderig ingerichte balkon, dat ondanks haar grooten rijkdom zoo beklagenswaardige schepsel, dat troonde boven de feestende menigte in Lourdes, dat vroolijk was en lachte onder den mooien Zondagshemel. De twee haar zoo dierbaren, die zoo liefderijk voor haar zorgden, de zuster, die haar succes als aangebeden vrouw der wereld, en de man, die zijn bank, welker millioenen naar de vier windstreken der aarde rolden, verlaten had, droegen door hun onberispelijke verschijning niet weinig bij tot den pijnlijken indruk, welken deze groep, dien zij daar in de hoogte boven alle hoofden neerziende in het wondermooie dal vormden, maakte. Voor Pierre bestonden nog slechts deze drie menschen, die zoo oneindig rijk en zoo oneindig arm waren.
Maar de vijf wandelaars, die daar zoo midden op de avenue bleven staan, liepen ieder oogenblik kans verpletterd te worden. Telkens weer kwamen er nieuwe rijtuigen over de breede wegen, vooral landauers, met vier paarden bespannen, die in volle vaart reden en wier belletjes vroolijk rinkelden. Het waren touristen, badgasten uit Pau, Barèges en Cauterets, die, verrukt door het mooie weer en opgewekt door den snellen rit door de bergen, uit nieuwsgierigheid hierheen kwamen; zij bleven slechts enkele uren, liepen in hun strandtoiletten naar de Grot en naar de Basilica en vertrokken dan weer lachend en blij dat alles gezien te hebben. Families in lichte zomerdracht, gezelschappen jonge vrouwen met veelkleurige parasols, zwermden zoo tusschen de grijze en kleurlooze menigte pelgrims door en maakten het geheel nog meer tot een kermisgewoel, waar de beau monde wel zoo vriendelijk is zich te komen vermaken.
Plotseling riep madame Désagneaux uit:
“Wat, ben jij het, Berthe?”
En zij omhelsde een groote, bekoorlijke brunette, die met drie andere opgewekte en druk doende jonge dames uit een landauer stapte. Het was dadelijk een door elkaar gepraat, een gelach, één blijdschap elkaar zoo toevallig te ontmoeten.
“We zijn in Cauterets, beste meid! En nou zijn we, zooals iedereen, met ons vieren hierheen gekomen. Is je man bij je?”
“Wel neen, die is in Trouville, dat weet je toch ook wel. Donderdag ga ik weer naar hen toe.”
“O ja, dat is waar ook!” zeide de groote brunette, die er nog echt als een jonge, aardige wildzang uitzag. “Ik vergat heelemaal, dat je met de bedevaart meekomt … En vertel eens …”
Zij begon fluisterend te praten, om Raymonde, die er glimlachend bij stond.
“Vertel eens … heb je de kleine baby, die zoo lang uitblijft, aan de Heilige Maagd gevraagd?”
Madame Désagneaux kreeg een kleur en fluisterde haar in het oor:
“Zeker, al twee jaar, en ik verzeker je, dat ik het knap vervelend vind nog niets te zien komen … Maar ditmaal geloof ik, dat het er is. Neen, lach nu niet, ik heb vanochtend, toen ik in de Grot bad, beslist iets gevoeld!”
Doch nu werd het lachen haar ook te machtig; allen riepen nu weer door elkaar en hadden een uitgelaten pleizier. Onmiddellijk bood zij de anderen aan haar rond te leiden, met de belofte haar binnen twee uur alles te laten zien.
“Ga jij met ons mee, Raymonde. Je moeder zal zich heusch niet ongerust maken.”
Zij drukten Pierre en mijnheer de Guersaint de hand. Ook Gérard nam met een teederen handdruk afscheid van het jonge meisje, zijn oogen diep in de hare, als om zich definitief te verbinden. Dan verwijderden de zes dames zich in de richting van de Grot, vol levensvreugd en den bekoorlijken charme van haar jeugd met zich dragend.
Toen Gérard, die weer dienst moest doen, op zijn beurt afscheid genomen had, zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre:
“En onze kapper op de place du Marcadal? Ik moet toch naar hem toe … Je gaat zeker wel mee?”
“Natuurlijk. Nu Marie ons niet noodig heeft, ben ik tot uw beschikking.”
Door de alleeën van de groote grasperken, die zich voor de Rozenkranskerk uitstrekten, kwamen zij op de nieuwe brug. Daar ontmoetten zij abbé des Hermoises, die twee uit Tarbes gekomen jonge dames rondleidde. Met zijn galant air van mondain priester liep hij tusschen haar in en liet haar Lourdes zien, waarbij hij het vermeed haar in aanraking te brengen met de leelijke kanten ervan, de armen, de zieken, den geheelen stank van diepe menschelijke ellende, die er op dezen mooien, zonnigen dag bijna uit verdwenen was.
Bij de eerste woorden van mijnheer de Guersaint, die hem aansprak over het huren van een rijtuig voor het uitstapje naar Gavarnie, scheen hij bang te worden zijn bekoorlijk gezelschap te moeten verlaten.
“Zooals u wilt, waarde heer. Wees zoo goed en belast u met die dingen, en u hebt volkomen gelijk, zoo goedkoop mogelijk, want twee niet zoo heel rijke geestelijken willen ook mee. We zullen met ons vieren zijn … En doe mij het genoegen mij vanavond het uur van vertrek te laten weten.”
Dan ging hij weer naar zijn dames en nam ze mee naar de Grot, daarbij de schaduwrijke, frissche en voor verliefde paartjes zoo stille allée, die langs den Gave loopt, volgend.
Pierre had zich, moede tegen de borstwering van de nieuwe brug leunend, op den achtergrond gehouden. Voor het eerst viel hem het buitengewoon groote aantal priesters onder de menigte op. Ontelbare zag hij er over de brug gaan. Alle soorten kwamen langs hem heen: de correcte priesters, die met de bedevaart meegekomen waren en die men aan hun zelfvertrouwen en hun schoone soutanes herkende; de arme plattelandsgeestelijken, meer bedeesd, slecht gekleed, die geen offer ontzien hadden hierheen te komen en nu angstig-verschrikt door de straten liepen; eindelijk de zwerm van wereldlijke geestelijken, die, men niet wist vanwaar, naar Lourdes gekomen waren en daar een volkomen vrijheid genoten, zonder dat het zelfs mogelijk was na te gaan, of zij iederen ochtend hun mis lazen. En deze vrijheid vonden zij blijkbaar zoo aangenaam, dat de groote meerderheid zich, zooals abbé des Hermoises, hier met vacantie bevond, bevrijd van iederen plicht en blij, dank zij de groote menigte, waarin zij als het ware verdwenen, als gewone menschen te kunnen leven.
En vanaf den jongen, goed verzorgden en geparfumeerden vicaris tot aan den ouden priester met vuile soutane en afgeloopen schoenen, was de geheele soort vertegenwoordigd: dikke, vette, magere, groote en kleine; zij, die het geloof hier bracht en die van ijver brandden; zij, die eenvoudig als rechtschapen menschen hun plicht kwamen doen; zij ten slotte, die intrigreerden en alleen uit een verstandige politiek hier waren. Pierre bleef bedaard onder den stroom van priesters, die langs hem kwamen, ieder met een eigen doel, die allen naar de Grot gingen, zooals men gaat naar een plicht, naar een geloof, naar een vermakelijkheid of naar een corvée. Hij zag er een, heel klein, mager en donker, met een uitgesproken Italiaansch uiterlijk, wiens schitterende oogen het plan van Lourdes schenen op te nemen als een van die spionnen, welke vóór de verovering het land afloopen; hij zag er een, zwaarlijvig, met een vaderlijk voorkomen, hijgend van het vele eten en die bij een arme zieke vrouw stil bleef staan en haar honderd sous in de hand drukte.
Mijnheer de Guersaint kwam weer naar hem toe.
“We behoeven alleen nog maar den boulevard en de rue Basse te loopen,” zeide hij.
Pierre volgde hem, zonder te antwoorden. Ook hij had nu de soutane op zijn schouders gevoeld en nog nooit had hij haar zoo licht gedragen als nu te midden van het gedrang der pelgrims. Hij leefde in een soort verdooving en onbewustheid, ondanks het onbehaaglijke gevoel, dat bij het aanschouwen der dingen, die hij zag, steeds grooter werd, nog altijd hopend op den bliksemstraal, die het geloof in hem weer zou doen ontvonken. De aangroeiende stroom van geestelijken hinderde hem nu niet meer, hij vond een broederlijk gevoel voor hen terug: hoeveel van hen vervulden, zonder te gelooven, evenals hij eerlijk hun zending als herders en troosters.
Mijnheer de Guersaint begon weer, maar nu wat luider:
“Je weet toch, dat deze boulevard nieuw is? Wat ze hier in de laatste twintig jaar gebouwd hebben, is niet te gelooven! Er staat waarachtig een heele nieuwe stad!”
Rechts van hen, achter de huizen, stroomde de Lapaca. Uit nieuwsgierigheid gingen zij een klein straatje in en stieten daar op oude, typische gebouwen, die langs het kleine beekje stonden. Verscheidene ouderwetsche molens rijden er hun raderen naast elkaar. Men wees hen dien, welken Mgr. Laurence na de verschijningen aan Bernadette’s ouders gegeven had. Ook liet men hun een klein huisje bezichtigen, waarin, naar beweerd werd, Bernadette gewoond zou hebben, toen de Soubirous uit de rue des Petits-Fossés daarheen verhuisd waren; het jonge meisje, dat toen reeds bij de zusters van Nevers was, zal er wel niet veel geweest zijn. Eindelijk kwamen zij door de rue Basse op de place du Marcadal.
Dit was een lang, driehoekig plein, het drukste en mooiste van de oude stad en waar de café’s, de apotheken en de mooie winkels stonden. Van al deze viel er dadelijk een, lichtgroen geschilderd en met hooge ramen, en waarboven een groot uithangbord met, in gouden letters, de woorden: “Cazaban, coiffeur” hing, in het oog.
Mijnheer de Guersaint en Pierre gingen naar binnen. Doch er was niemand in den scheersalon, zoodat zij moesten wachten. Een verschrikkelijk gerinkel van vorken kwam uit het vertrek ernaast, de huiskamer, die nu in een table-d’hôte herschapen was en waar, hoewel het reeds twee uur was, een tiental personen zaten te dejeuneeren. De middag was een heel eind reeds verstreken en nog at men steeds van het eene eind van de stad naar het andere. Evenals alle andere huiseigenaars in de stad, onverschillig hoe hun godsdienstige overtuigingen waren, verhuurde Cazaban gedurende het seizoen der bedevaarten zijn eigen kamer en huiskamer, om zijn toevlucht te zoeken in den kelder, waar hij met zijn huisgezin at, sliep en samenhokte in een gat zonder lucht van drie vierkante meter. Het was een rage om overal geld uit te slaan, de bevolking verdween als die van een veroverde stad, liet aan de pelgrims tot de bedden van vrouwen en kinderen, deed hen aan hun tafels zitten en van hun borden eten.
“Is er niemand?” riep mijnheer de Guersaint.
Eindelijk verscheen een klein mannetje, het type van een levendigen, beenigen Pyrenaeër met een lang gezicht, vooruitspringende kaakbeenderen, een door de zon verbranden tint met roode vlekken. Zijn groote, schitterende oogen stonden nooit stil; en over zijn geheele magere gezicht liep een rilling, een onafgebroken overvloed van gebaren en woorden.
“Mijnheer wenscht zeker geschoren te worden. Ik vraag mijnheer excuus, maar mijn bediende is uit en ik zat daar bij mijn gasten … Als mijnheer wil gaan zitten, dan zal ik hem onmiddellijk helpen.”
En Cazaban, zich verwaardigend zelf te helpen, kreeg de zeep en zette het mes aan. Hij keek ongerust naar de soutane van Pierre, die, zonder een woord te zeggen, een courant was gaan zitten lezen.
Er heerschte een stilte. Maar dat kon Cazaban niet lang uithouden; en terwijl hij de kin van zijn klant inzeepte, begon hij:
“Stel u voor, mijnheer, dat mijn gasten zoo lang in de Grot gebleven zijn, dat ze nu pas dejeuneeren. U hoort het zeker wel. Ik was uit beleefdheid bij hen gebleven. Maar ik mag mijn klanten ook niet laten loopen, nietwaar? Je moet het iedereen naar den zin zien te maken.”
Toen begon mijnheer de Guersaint, die ook graag een praatje maakte, hem te vragen.
“Dus u verhuurt aan pelgrims?”
“Ja, mijnheer, dat doen we allemaal,” antwoordde de kapper eenvoudig. “Dat is nu eenmaal de gewoonte.”
“En gaat u met hen mee naar de Grot?”
Cazaban kwam dadelijk tegen dat vermoeden op, en terwijl hij het scheermes in de lucht hield, zeide hij vol waardigheid.
“Nooit, mijnheer, nooit! In geen vijf jaar heb ik een voet gezet in de nieuwe stad, die zij daar bouwen.”
Hij hield zich nog in en keek opnieuw naar de soutane van Pierre, die achter de courant schuil ging; ook het roode kruis op de jas van mijnheer de Guersaint maakte hem voorzichtig. Maar zijn tong kon hij toch niet beheerschen.
“Kijk u eens, mijnheer; meeningen zijn vrij; ik eerbiedig de uwe, maar ik voor mij moet van al die goocheltoeren niets hebben. En dat heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken … Onder het keizerrijk, mijnheer, was ik al republikein en vrijdenker. We waren dat in dien tijd in de heele stad maar met ons vieren. Ja, daar ga ik trotsch op!”
Hij was nu met de linkerwang begonnen; hij triompheerde. Van dat oogenblik af stroomde er een onuitputtelijke zondvloed van woorden over zijn lippen. Hij begon met de bezwaren, die Majesté tegen de paters van de Grot had uitgesproken; den handel in religieuze artikelen, de oneerlijke concurrentie, die zij den kooplieden, den hoteliers en den kamerverhuurders aandeden. Ook hij koesterde een bitteren haat tegen de Blauwe Zusters der Onbevlekte Ontvangenis, want zij hadden hem twee oude dames, die ieder jaar drie weken te Lourdes kwamen, afgetroggeld. Vooral voelde men in hem echter den langzamerhand opgehoopten, nu overvloeienden wrok van de oude stad tegen de nieuwe, die zoo snel aan de andere zijde van het Kasteel opgeschoten stad, die rijke stad met huizen zoo groot als paleizen, waarheen al het verkeer, al het geld, al de weelde stroomde, zoodat zij steeds weer grooter en rijker werd, terwijl de oudste, de oorspronkelijke arme bergstad met haar kleine, verlaten straatjes, waarin het gras groeide, in doodsstrijd verkeerde. Toch werd de strijd voortgezet, de oude stad wilde niet sterven, trachtte haar ondankbare, jongere zuster tot deeling te dwingen door zelf ook pelgrims te huisvesten en winkels te openen; maar de winkels kregen alleen klanten, als zij dicht bij de Grot waren, terwijl eveneens alleen maar de arme pelgrims er zoo ver vandaan wilden logeeren. Deze ongelijke strijd vergrootte de breuk, maakte twee onverzoenlijke vijandinnen van de hooge en van de lage stad, die elkaar met onophoudelijke intriges trachten te verslinden.
“Neen, mij zullen zij in hun grot niet zien!” begon Cazaban weer woedend. “Het is een schandaal, zooals zij de menschen met hun Grot voor den gek houden en telkens wat anders probeeren. Een dergelijke afgoderij, een zoo brutaal bijgeloof in de negentiende eeuw!… Vraag hun eens, of zij in de laatste twintig jaar ooit één zieke uit de stad genezen hebben? En er loopen toch genoeg lammen in onze straten. In den beginne hadden de menschen van hier tenminste nog voordeel van de eerste wonderen. Maar het schijnt, dat sedert lang hun wonderwater voor ons alle kracht verloren heeft: wij zijn er te dicht bij, je moet van ver weg komen, als je wilt, dat het helpt! Het is waarachtig te gek! Neen, hoor, voor geen honderd francs krijgt u mij daarheen!”
Het onbeweeglijk blijven zitten van Pierre scheen hem te irriteeren. Hij was nu aan de rechterwang begonnen en trok nu van leer tegen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, wier schraapzucht de eenige oorzaak van de twist was. Die paters, die op hun eigen grond woonden, omdat zij van de gemeente de terreinen, waarop zij wilden bouwen, gekocht hadden, hielden zich niet eens aan het met de stad gesloten contract, waarbij zij zich verbonden hadden geen handel te drijven, geen water en geen religieuze artikelen te verkoopen. Iederen dag zou men hun een proces kunnen aandoen. Maar zij lachten erom, zij voelden zich zoo sterk, dat zij geen enkel geschenk meer aan de parochie lieten komen en dat al het geld zich ophoopte en in een stroom naar de Grot en de Basilica vloeide.
Openhartig-naïef riep Cazaban:
“En als zij nu nog maar wilden deelen!”
Dan, toen mijnheer de Guersaint zich gewasschen had en weer was gaan zitten:
“En wanneer ik u vertel, mijnheer, wat ze van onze arme stad gemaakt hebben! Veertig jaar geleden waren onze meisjes hier heel zedig, dat verzeker ik u. Ik herinner me nog heel goed, dat, wanneer, in mijn jonge jaren, een jonge man eens wat wilde uithalen, er hier hoogstens drie of vier van die vrouwspersonen waren, om hem te bevredigen, zoodat ik op kermisdagen de mannen queue zag maken voor haar deur, zoo waar als ik hier sta!… De tijden zijn wel veranderd, de zeden zijn dezelfde niet meer! Tegenwoordig doen bijna alle meisjes niets dan kaarsen en bouquetten verkoopen; enfin, u zult wel gezien hebben, hoe zij de voorbijgangers aanklampen en hun haar koopwaar opdringen. Het is een schandaal zulke brutale wijven! Zij verdienen veel, geven zich over aan luiheid, doen ’s winters in afwachting van het volgend seizoen der bedevaarten, absoluut niets. En ik beloof u, dat tegenwoordig jongens, die een grapje uit willen halen, niet ver behoeven te loopen … Voeg daarbij de wisselende en verdachte bevolking, waarmede we, zoodra de eerste mooie dagen er zijn, overstroomd worden, koetsiers, marskramers, kroeghouders, een heel gemeen nomadenvolk, dat naar vuilheid en ontucht stinkt, dan hebt u een beeld van de eerbare, nieuwe stad, die ze ons met de menigten, die naar hun Grot en hun Basilica komen, geschonken hebben!”
Zeer onder den indruk had Pierre zijn courant laten zakken. Hij luisterde aandachtig, zag nu voor het eerst de twee Lourdes: het oude, in zijn kalme eenzaamheid zoo eerbare en vrome Lourdes en het nieuwe verdorven Lourdes, gedemoraliseerd door zooveel millioenen, zooveel bij elkaar gebedelde en opgehoopte rijkdommen, door den wassenden stroom van vreemdelingen, die de stad in looppas doortrokken, door de fatale vervuiling der opeenhooping, door de besmetting van slechte voorbeelden. Welk een ommekeer, als men terugdacht aan de onschuldige Bernadette, die neerknielde voor de primitieve, woeste grot, aan het naïeve geloof, aan de reine geestdrift der eerste arbeiders van het werk! Hadden zij die vergiftiging van het land door de hebzucht en het vuil der menschen gewild? De volkeren behoefden slechts te komen om de pest te doen uitbreken!
Toen Cazaban zag, dat Pierre luisterde, maakte hij nog een laatste dreigend gebaar, als om dat vergiftigende bijgeloof weg te vagen. Dan borstelde hij zwijgend het haar van mijnheer de Guersaint.
“Als het u blieft, mijnheer!”
Toen eerst begon de architect over het rijtuig. De kapper maakte eerst bezwaar, beweerde, dat zij naar zijn broer in de gemeentewei moesten gaan. Maar ten slotte stemde hij toch toe de bestelling op zich te nemen. Een landauer met twee paarden naar Gavarnie kostte vijftig francs. Maar blij, omdat hij zooveel had kunnen praten en gevleid als een fatsoenlijk man behandeld te worden, sloeg hij tien francs af. Ze waren met hun vieren, dat was dus tien francs per persoon. Ze kwamen overeen om ’s nachts tegen drie uur te vertrekken, zoodat ze Maandagavond weer vroegtijdig terug zouden zijn.
“Het rijtuig staat om drie uur voor het Hôtel des Apparitions,” herhaalde Cazaban op zijn nadrukkelijke manier. “U kunt op mij rekenen, mijnheer!”
Hij spitste zijn ooren. Het gerinkel met borden in de kamer ernaast hield maar niet op. Men at er nog altijd, zooals overal, met de vraatzucht, die van het eene einde van de stad naar het andere woedde. Er werd nog om brood geroepen.
“Pardon,” zeide Cazaban vlug; “mijn gasten hebben me noodig.”
En met zijn handen nog vet van de kam, snelde hij weg. Daar de deur even open bleef, zag Pierre aan de wanden der huiskamer, tot zijn verbazing godsdienstige platen hangen, met name een afbeelding van de Grot. Ongetwijfeld hing de kapper die alleen maar gedurende de bedevaarten op, om zijn gasten een pleizier te doen.
Het was tegen drieën. Toen Pierre en mijnheer de Guersaint weer buiten kwamen, hoorden zij tot hun verwondering hoe het gelui van verschillende klokken de lucht vervulde. Op den eersten klank van het Vesperkleppen der Basilica had de parochiekerk juist geantwoord, en nu voegden zich de kloosters een voor een bij het toenemend gelui. De kristalheldere klok van de Karmelieten paarde zich aan de ernstig-diepe van de Onbevlekte Ontvangenis; en al de vroolijke klokken der zusters van Nevers en de Dominicanessen klepten tegelijk. Op mooie feestdagen streken zoo van den vroegen morgen tot den laten avond vluchten van klokken met breede vleugels over de daken van Lourdes. Er was moeilijk iets vroolijkers denkbaar dan dat welluidende gezang onder den wijden blauwen hemel, boven deze vraatzuchtige stad, die eindelijk gedejeuneerd had en nu haar spijsvertering in de zon koesteren.
III.
Zoodra de avond gevallen was, werd Marie in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs ongeduldig, want zij wist van madame de Jonquière, dat baron Suire van pater Fourcade verlof voor haar gekregen had, om den nacht voor de Grot door te brengen. Iedere minuut vroeg zij zuster Hyacinthe:
“Zuster, is het nog geen negen uur?”
“Wel neen, kindlief, het is net half negen!… Hier heb je een dikke wollen omslagdoek, die je met het aanbreken van den dag om moet doen, want de Gave is vlak bij en de ochtenden zijn in dit bergland frisch.”
De geheele zaal benijdde haar. Een heelen nacht voor de Grot te mogen bidden was de onuitsprekelijke vreugde, de opperste zaligheid. Men zeide, dat de uitverkorenen in den grooten vrede van de duisternis zeker de Heilige Maagd zagen. Maar men moest veel protectie hebben, om een dergelijke gunst te verkrijgen. De paters stonden haar niet graag toe, omdat er zieken gestorven waren, als in haar extase ingeslapen.
“Je zult morgenochtend, voor je hier terugkomt, in de Grot het Avondmaal vieren, is het niet, kindlief?” vroeg zuster Hyacinthe.
Het sloeg negen uur. Zou Pierre, die altijd zoo juist op tijd was, haar vergeten? Men vertelde haar nu van de fakkelprocessie, die zij van het begin tot het einde zou zien, als zij dadelijk wegging. Iederen avond werden de plechtigheden met een dergelijke processie besloten; maar die op Zondag was altijd de mooiste, en er werd verteld, dat de processie van dien avond zoo buitengewoon schitterend zou zijn, als men er maar zelden een zag. Meer dan dertigduizend pelgrims, ieder met een kaars in de hand, zouden eraan deelnemen. De wonderen van den nachtelijken hemel zouden zich openen, de sterren op aarde nederdalen. De zieken jammerden, dat het zoo vreeselijk was aan je bed gekluisterd te zijn en niets van die wonderdingen te kunnen zien.
“Kindlief,” kwam madame de Jonquière zeggen, “daar zijn je vader en mijnheer de abbé!”
Marie straalde van vreugde en had het lange wachten al vergeten.
“O Pierre, laten we toch gauw gaan, laten we toch gauw gaan,” drong zij aan.
Zij droegen haar naar beneden en de priester duwde het kleine wagentje voort, dat zacht voortrolde onder den met sterren bezaaiden hemel, terwijl mijnheer de Guersaint naast haar liep. Het was een wondermooie nacht zonder maan, een donkerblauw fluweel met diamanten bestikt; de zachte lucht was heerlijk, een lauwwarm bad van zuivere lucht, doorbalsemd met den geur der bergen. Veel pelgrims verdrongen zich in de straat in de richting der Grot; doch de menigte was stil en in zichzelf gekeerd, zonder de rumoerige kermisdrukte van den dag. Bij het plateau de la Merlasse breidde de duisternis zich uit, kwam men onder den onmetelijken hemel in het schaduwmeer der grasperken en groote boomen, waaruit men links alleen de slanke, witte spits der Basilica zag oprijzen.
Pierre werd bij het zien van de menschenmassa, die, naarmate zij de Grot naderden, compacter werd, eenigszins ongerust. Op de place du Rosaire kon men nog slechts met moeite loopen.
“Er is geen denken aan, om bij de Grot te komen,” zeide hij en bleef stilstaan. “Het beste zou zijn een allée achter den “Abri des pèlerins” in te slaan en daar te wachten.”
Maar Marie wilde met alle geweld het vertrek der processie zien.
“Laten we probeeren bij den Gave te komen, Pierre. Ik kan het dan uit de verte zien, ik behoef er niet zoo dicht bij te zijn.”
Mijnheer de Guersaint, die even graag wilde kijken als zij, drong ook aan.
“Maak je maar niet ongerust, ik zal achter haar gaan staan en zorgen, dat niemand haar stooten kan.”
Pierre moest nu het wagentje trekken. Hij had een kwartier noodig om onder een der bogen van de rechtsche helling te komen, zoo verdrong zich daar de menigte. Dan sloeg hij eenigszins schuins af en was eindelijk op de kade aan den oever van den Gave, waar alle kijkers op het trottoir stonden; hij kon nog een vijftig meter verder komen en liet dan het wagentje stilstaan tegen de borstwering zelf, bijna vlak tegenover de Grot.
“Is het hier goed?”
“Ja, ja, dank je wel! Maar ik moet zitten, dan kan ik nog beter zien.”
Mijnheer de Guersaint richtte haar op en klom dan zelf op de steenen bank, die langs de geheele kade loopt. Een groote menigte nieuwsgierigen stond daar dicht opeengehoopt als op avonden, dat er vuurwerk afgestoken werd. Allen gingen op hun teenen staan en rekten hun hals uit. Ook Pierre was vol belangstelling, ofschoon je nog niet veel bijzonders zag.
Er moesten daar dertigduizend personen zijn, en nog steeds stroomde het menschen. Allen droegen in hun hand een kaars, gewikkeld in een soort peperhuis van wit papier, waarop in blauw een afbeelding van de Notre-Dame de Lourdes gedrukt was. Maar die kaarsen waren nog niet aangestoken. Boven de deinende zee van hoofden zag men slechts de helder blinkende Grot, die den hellen gloed als van een ijzergieterij uitstraalde. Een dof gezoem steeg op, men hoorde zuchten, die alleen reeds den indruk maakten, dat daar duizenden opeengedrongen stonden in de diepte der duisternis, hun adem inhoudend, op en neer bewegend als een levend, steeds grooter wordend laken. Er waren er onder de boomen aan den anderen kant van de Grot, in de diepten van de donkerte, die men zelfs niet vermoedde. Eindelijk begon het met enkele kaarsen, die hier en daar opvlamden; plotselinge vonken, die op goed geluk af de duisternis doorboorden. Het aantal nam snel toe: eilandjes van sterren vormden zich, terwijl op andere punten strepen, melkwegen te midden van de sterrenbeelden vloeiden. Dat waren de dertigduizend kaarsen, die allengs een voor een aangestoken werden, den fellen gloed der Grot uitdoofden en van het eene einde van den boulevard naar het andere de kleine gele vlammen van een reusachtig bekken met gloeiende kolen voortwentelden.
“O, Pierre, hoe mooi!” fluisterde Marie. “Precies de herrijzenis der nederigen, der kleine arme zielen, die weer wakker worden en schitteren.”
“Prachtig, prachtig!” viel mijnheer de Guersaint haar in een opwelling van zijn kunstenaarsgeestdrift bij. “Kijk eens naar die twee lijnen, die elkaar snijden en een kruis vormen.”
Pierre was zeer getroffen door wat Marie gezegd had. Zoo was het; die zwakke vlammetjes, nauwlijks lichtende puntjes, bescheiden als een deemoedig volk, en wier groot aantal een glans uitmaakte en een zonneschittering vormde. Telkens weer kwamen er nieuwe te voorschijn, verder weg en als verdwaald.
“O,” prevelde hij, “dat daar heelemaal alleen, in de verte en zoo dansend … Zie je, Marie, hoe het aan komt drijven en zich langzaam in het groote vuurmeer verliezen gaat.”
Men zag nu weer duidelijk als op klaarlichten dag. De van onder af belichte boomen lieten hun intens groen loof zien als geschilderde boomen op coulissen. Boven het golvende kolenbekken bleven de banieren, sprekend-duidelijk met haar geborduurde heiligen en zijden snoeren, onbeweeglijk. En de fel-helle weerkaatsing steeg langs de rots naar de Basilica op, welker spits nu scherp-wit afstak tegen den donker-zwarten hemel, terwijl aan de overzijde van den Gave de heuvels ook òp-lichtten met de witte gevels van hun kloosters tusschen het somber-groene loof.
Er was nog een oogenblik onzekerheid. Het vlammenmeer, waarin ieder brandend pitje een golfje was, deinde zijn sterrengeflonker voort, scheen op het punt te breken, om samen te vloeien tot een rivier. Dan fladderden hoogop de banieren, begon er beweging te komen.
“Wat,” riep mijnheer de Guersaint uit, “komen ze nu niet hier langs?”
Toen legde Pierre, die op de hoogte was, uit, dat de processie eerst den met groote kosten langs den beboschten heuvel aangelegden zigzagweg volgde. Dan draaide zij om de Basilica heen, alvorens langs de rechtsche helling weer naar beneden te gaan en door de tuinen haar weg te vervolgen.
“Kijk, je ziet de eerste kaarsen reeds door het groen naar boven gaan.”
Het was als uit een Duizend-en-een-Nacht-sprookje. Kleine bevende lichtjes maakten zich los uit den grooten, vurigen haard en verhieven zich in een zachte vlucht langzaam in de hoogte, zonder dat men iets kon onderscheiden, dat ze aan de aarde vasthield. Het bewoog zich als gouden zonnestofjes in de duisternis. Weldra was het overgegaan in een schuin vallende straal, die zich dan plotseling scherp om een hoek terugboog, en er ontstond een nieuwe straal, die zich op zijn beurt ook weer kromde. Eindelijk was de geheele heuvel door één vlammenzigzag doorgroefd, die denken deed aan bliksemstralen, zooals men die op plaatjes uit den zwarten hemel schieten ziet. Maar het lichtende spoor ging niet uit, steeds gleden de kleine vlammetjes met dezelfde zachte, langzame beweging voort. Soms echter ontstond plotseling een verduistering, wanneer de processie achter een boomgroep voorbijtrok. Maar even verder brandden de kaarsen dan weer, zetten haar tocht langs ingewikkelde, telkens weer onderbroken en opnieuw herstelde zigzaglijnen naar den hemel voort. Dan kwam een oogenblik, dat zij, boven op den heuvel gekomen, niet langer stegen en bij de laatste kromming van den weg verdwenen.
In de menigte klonk het:
“Nu draaien ze om de Basilica heen.”
“O, het duurt nog wel een twintig minuten, voor ze naar beneden komen.”