EERSTE DAG
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Toen in den rijdenden trein de pelgrims en de zieken, die op de harde banken van den wagon 3de klasse opeengehoopt zaten, het Ave Maris Stella, dat zij bij het verlaten van de Gare d’Orleans aangeheven hadden, ten einde zongen, zag Marie, die zich, door een koortsachtig ongeduld aangegrepen, half opgericht had van haar ziekbed, de vestingwerken.
“Ha, de vestingwerken!” riep zij, ondanks haar pijn, op vroolijken toon. “Nu zijn we tenminste Parijs uit!”
Haar vader, mijnheer de Guersaint, die tegenover haar zat, lachte over haar blijdschap, terwijl abbé Pierre Froment, die haar met broederlijke liefde aankeek, in zijn medelijdende bezorgdheid zeide:
“Ja, en nu zitten we tot morgenochtend in den trein, want we zijn pas om 3.40 in Lourdes. Meer dan twee-en-twintig uur reizen!”
Het was half zes, de zon was stralend opgegaan over een prachtig-helderen ochtend. Het was een Vrijdag, 19 Augustus. Doch reeds kondigden aan den horizont kleine dikke wolkjes een verschrikkelijk warmen, van onweer zwangeren dag aan. Schuin vielen de zonnestralen door de compartimenten van den wagon en vulden die met een stof van dansend goud.
Marie, die weer in haar angst teruggevallen was, fluisterde:
“Ja, twee-en-twintig. Lieve God, wat is dat nog lang!”
Haar vader legde haar weer wat makkelijker in haar nauwe kist, een soort dakgoot, waarin zij sedert zeven jaar leefde. Bij uitzondering had men toegestaan de twee paar wielen, die afgenomen en aangebracht konden worden, in den bagagewagen te vervoeren. Ingesloten tusschen de planken van die rollende kist, nam zij drie plaatsen in op de bank; rustig bleef zij een oogenblik liggen met haar gesloten oogen, met haar uitgeteerd, vaalbleek gezicht, dat ondanks haar drie-en-twintig jaar nog een kinderlijke teerheid behouden had; ondanks alles zag zij er nog bekoorlijk uit met haar prachtige blonde haren, haren als van een koningin, die door de ziekte verschoond waren. Eenvoudig gekleed in een zwartwollen japon, had zij om haar hals haar kaart met haar naam en haar volgnummer. Zelf had zij dezen armelijken eenvoud gewenscht, daar zij haar familie, die van lieverlede in moeilijke omstandigheden gekomen was, niets kosten wilde. Zoo kwam het, dat zij hier in die derde klasse van den witten trein lag, den trein voor de ergste zieken, den droevigsten der veertien dien dag naar Lourdes vertrekkende treinen, dien, waarin behalve de vijfhonderd pelgrims, bijna driehonderd door zwakheid uitgeputte en door pijnen gekwelde zieken samengedrongen waren, die in volle vaart van het eene eind van Frankrijk naar het andere vervoerd werden.
Ontstemd haar bedroefd gemaakt te hebben, bleef Pierre haar met zijn liefdevollen blik van een ouderen broer aankijken. Hij was even dertig jaar, bleek, mager en had een breed voorhoofd. Nadat hij de reis tot in de kleinste bijzonderheden geregeld had, hield hij het voor zijn plicht mede te gaan en had zich daarom opgegeven als helper van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut; hij droeg onder zijn soutane het roode, met oranje afgezette kruis der baardragers. Mijnheer de Guersaint had op zijn grijslaken jas het scharlakenrood pelgrimskruis. Hij scheen het reizen prettig te vinden, telkens en telkens weer keek hij naar buiten en kon zijn vriendelijk en afgetrokken gezicht, dat er, hoewel hij reeds een goede vijftig was, er nog jong uitzag, niet stil houden.
In de afdeeling ernaast was ondanks het hevige schudden, dat Marie deed gillen van pijn, zuster Hyacinthe, die gezien had, dat het jonge meisje in de volle zon lag, opgestaan.
“Ach, mijnheer de abbé, laat het gordijntje wat neer … Kom, kom! Wij zullen het ons zoo makkelijk mogelijk maken en trachten het een beetje gezellig in te richten!”
In haar zwart kleed van ordezuster, dat opgevroolijkt werd door het witte kapje, den witten sluier en de groote witte schort, glimlachte zuster Hyacinthe dapper en moedig. Haar jeugd sprak duidelijk uit haar klein, frisch mondje, uit de diepte van haar mooie, blauwe, altijd liefdevol blikkende oogen. Zij was misschien niet knap, maar prettig om naar te kijken, teer, slank, met de borst van een jongen onder de hooge schort, van een flinken jongen met een blanken tint, overvloeiend van gezondheid, vroolijkheid en onschuld.
“Maar die lieve zon laat ons bijna smelten. Mevrouw, wees zoo goed ook een gordijntje neer te halen!”
In den hoek, naast de zuster zat madame de Jonquière nog steeds met haar koffertje op haar schoot. Langzaam trok zij het gordijntje naar beneden. Zij was een flinke brunette en zag er nog knap uit, niettegenstaande zij reeds een dochter van vier-en-twintig had, Raymonde, die zij met twee andere vrijwillige verpleegsters, madame Désagneaux en madame Volmar, eerste klasse reizen liet. Zij zelf, directrice van een zaal in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te Lourdes, verliet haar zieken niet; en buiten aan het deurtje van het compartiment hing het voorgeschreven bordje, waarop onder haar eigen naam die van de twee zusters van Maria Hemelvaart stonden, welke haar waren toegevoegd. Als weduwe van een geruïneerd man leefde zij met haar dochter bescheiden van vier à vijf duizend francs rente in de rue Vaneau; zij gaf al haar tijd aan het werk van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, waarvan zij het roode kruis op haar popelinen Karmelietenkleed droeg en zij een der vurigste ijveraarsters was. Eenigszins trotsch aangelegd en graag gevleid en gefêteerd, verlangde zij steeds naar die jaarlijksche reis, welke zoowel haar trots als haar hart bevredigde.
“U hebt gelijk, zuster, we zullen het ons wat makkelijk maken. Ik weet zelf niet, waarom ik dat koffertje zoo op mijn schoot houd.”
Zij zette het naast zich neer onder de bank.
“Wacht,” zeide zuster Hyacinthe; “die waterkan staat precies tusschen uw beenen. Die hindert u natuurlijk!”
“Wel neen, heusch niet! Laat maar. Hij moet toch ergens staan.”
Toen voegde zij het woord bij de daad en richtte zich zoo makkelijk mogelijk in voor een dag en een nacht met haar zieken. Het was jammer, dat zij Marie niet in haar compartiment had kunnen nemen, daar deze er beslist op gestaan had bij haar vader en Pierre te blijven, maar ze konden tenminste over het lage beschot nu en dan eens een buurpraatje met haar houden. Trouwens de geheele wagon met zijn vijf compartimenten van tien plaatsen, vormde één rijdende, gemeenschappelijke kamer, die men met één blik overzien kon. Met de kale, gele houten beschotten en het wit geschilderde plafond deed het denken aan een echte ziekenzaal, of in zijn wanorde en het door elkaar heen staan van alles eerder op een geïmproviseerd veldlazaret. Half verborgen lagen onder de bank kruiken, kommen, bezems, sponsen. Daar de trein geen bagagewagen had, hoopten zich overal en nergens valiezen, witte houten kisten, hoedendoozen, koffertjes op, een jammerlijke opeenstapeling van oude, versleten met touw dichtgemaakte dingen; verder hingen allerlei kleedingstukken, pakjes en manden aan koperen haken te slingeren. En te midden van dien ouden rommel werden de zwaar-zieken, die op hun kleine matrassen verscheidene plaatsen innamen, door het geschok der wielen heen en weer geschud, terwijl zij, die zitten konden, met hun bleeke gezichten tegen kussens leunden. Volgens het voorschrift moest er voor ieder compartement een diakones zijn. Aan het andere einde bevond zich een tweede zuster van Maria Hemelvaart, zuster Claire des Anges. Gezonde pelgrims stonden reeds op en begonnen te eten en te drinken. Achterin was een geheel compartiment voor vrouwen, oude en jonge, dicht tegen elkaar gedrukt, allen even jammerlijk- en droevig-leelijk. Daar men om de teringlijdsters, die er zich onder bevonden, de raampjes niet durfde openzetten, begon er een drukkende hitte en een benauwende stank te heerschen.
Te Juvisy hadden de pelgrims de rozenkrans afgebeden. Toen men om zes uur in volle vaart het station Bretigny doorvloog, stond zuster Hyacinthe op, die de geestelijke oefeningen leidde, welke de meeste pelgrims in een klein boekje met blauwen omslag volgden.
“Het Angelus, kinderen,” zeide zij met haar moederlijk glimlachje, dat haar jeugd zoo bekoorlijk en zacht maakte.
Weer volgden de Ave’s elkaar op. Toen het klaar was, keken Pierre en Marie vol deelneming naar twee vrouwen, die de twee andere hoeken van hun compartiment innamen. De eene, die aan het voeteneinde van Marie’s matras lag, was een tengere blondine, een ruim dertigjarige, voor haar tijd verwelkte burgervrouw. Zij hield zich bescheiden op den achtergrond en nam bijna geen plaats in. Zij had een donkere japon aan, haar haar was verkleurd, haar gezicht lang en pijnlijk vertrokken en drukte een grenzenlooze verlatenheid en eindelooze droefgeestigheid uit. De andere, die op dezelfde bank als Pierre zat, een ongeveer even oude arbeidersvrouw met een zwart mutsje en een door ellende en zorgen verwoest gezicht, had een meisje van zeven jaar op haar schoot, zoo bleek en zoo minnetjes, dat men het geen vier gegeven zou hebben. Het kind met haar spits neusje, haar blauw-omkringde, gesloten oogjes en haar wasbleek gezichtje, kon nog niet praten; het kreunde en steunde slechts, wat telkens weer het hart van de over haar kleine gebogen vrouw verscheurde.
“Zou ze misschien een paar druiven lusten?” vroeg bedeesd de burgervrouw, die tot dat oogenblik gezwegen had. “Ik heb er in mijn mandje.”
“Dank u, madame,” antwoordde de arbeidersvrouw. “Ze drinkt alleen maar melk, en dan moet u nog niet vragen hoe … Ik heb een flesch meegenomen.”
En toegevend aan de behoefte, die ongelukkigen steeds hebben om te praten, vertelde zij haar geschiedenis. Zij heette madame Vincent en had haar man, die vergulder van beroep geweest was, aan de tering verloren. Alleen achtergebleven met haar kleine Rose, die zij aanbad, had zij dag en nacht genaaid, om het kind op te voeden. Maar het kind was ziek geworden. Nu al veertien maanden lang hield zij het kind, dat steeds pijn had en altijd maar achteruitging en afviel, in haar armen. Toen was zij, die anders nooit naar de mis ging, uit wanhoop een kerk binnengeloopen, om de genezing van het kind af te smeeken: daar had zij een stem gehoord, die haar zeide, dat zij met het kind naar Lourdes gaan moest, waar de Heilige Maagd zich over de kleine erbarmen zou. Daar zij niemand kende en niet wist, hoe die bedevaarten werden ingericht, had zij maar één gedachte gehad: werken, reisgeld sparen, een kaartje nemen, met de dertig sous, die zij nog over had, de reis aanvaarden en slechts een flesch melk voor het kind meenemen, zonder zelfs maar te denken voor zichzelf een stuk brood te koopen.
“Wat scheelt het lieve kind eigenlijk?”
“O, madame, het is een buikverharding. Maar de dokters hebben er hun eigen naam voor … Eerst heeft ze gewoon buikpijn gehad. Maar toen is de buik gaan opzetten en heeft ze een pijn gehad, dat je er gewoon bij stond te huilen. Nu is die opzetting heelemaal weg; maar het kind leeft nu, om zoo te zeggen niet meer, ze heeft geen beenen meer, zoo mager is ze; en door dat eeuwige transpireeren neemt ze nog meer af …”
Maar Rose had even gekreund en haar oogleden opengeslagen; angstig en bleek wordend boog de moeder zich over haar heen.
“Mijn schatje, mijn lieveling, wat is er?… Wil je wat drinken?”
Maar het kind had haar leege, mat-blauwe oogen al weer gesloten; het antwoordde zelfs niet meer, was weer teruggezonken in haar apathie, heelemaal wit in haar wit jurkje, een laatste coquetterie der moeder, die deze onnoodige uitgave gedaan had in de hoop, dat de Maagd genadiger zijn zou voor het zieke wichtje, als het netjes in het wit gekleed was.
Na een kort stilzwijgen begon madame Vincent weer:
“En u, madame, u gaat zeker voor u zelf naar Lourdes?… Het is u wel aan te zien, dat u ziek is.”
Maar de burgervrouw trok zich angstig-verschrikt in haar hoekje terug en prevelde:
“Neen, neen, ik ben niet ziek … Was ik het maar, dan zou ik minder lijden!”
Zij heette madame Maze en had een ongeneeslijk verdriet in haar hart. Na uit liefde getrouwd te zijn met een flinken, levenslustigen jongen man, was zij na een jaar van wittebroodsweken door hem in den steek gelaten. Haar man, die als handelsreiziger bijna altijd van huis was en veel geld verdiende, bleef dikwijls maanden lang weg, bedroog haar van het eene einde van Frankrijk tot het andere, ja nam zelfs maîtressen mee. Zij aanbad hem en leed er zoo onder, dat zij zich in de armen van den godsdienst geworpen had. Eindelijk was zij besloten naar Lourdes te gaan, om de Heilige Maagd te smeeken haar man te bekeeren en hem aan haar terug te geven.
Zonder het precies te begrijpen, voelde madame Vincent toch, dat haar reisgenoote zedelijk veel leed. Ze bleven elkaar aankijken, de verlaten vrouw, die door haar hartstochtelijke liefde verteerd werd, en de moeder, die ten gronde ging, omdat zij haar kind sterven zag.
Nu mengde Pierre, die evenals Marie met groote deelneming geluisterd had, zich in het gesprek, het verwonderde hem, dat de arbeidersvrouw haar kind niet in het ziekenhuis had laten opnemen. De Association de Notre-Dame de Salut was na den oorlog door de Augustijnen opgericht met het doel, om door gemeenschappelijk gebed en door het uitoefenen van weldadigheid werkzaam te zijn voor het heil van Frankrijk en de verdediging der Kerk; ook hadden zij de bedevaarten in het leven geroepen en met name de nationale bedevaart, die jaarlijks tegen het einde van Augustus naar Lourdes ondernomen werd, georganiseerd en steeds meer uitgebreid. Zoo had zich langzamerhand een uitstekende organisatie ontwikkeld; uit de geheele wereld werden giften gezonden, in iedere parochie zieken op de lijsten gebracht, met de spoorwegmaatschappijen speciale regelingen getroffen, ongerekend nog de krachtdadige hulp der zusters van Maria Hemelvaart en de stichting van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, een uitgebreide vereeniging van alle liefdadigheidsgenootschappen, waarin mannen en vrouwen, grootendeels tot de voornamere kringen behoorend, onder toezicht van den leider der bedevaarten, de zieken verpleegden, droegen en voor het handhaven der orde zorgden. De zieken moesten een schriftelijk verzoek indienen, om in die Hospitalité opgenomen te worden, waardoor zij alle reis- en verblijfkosten vrij hadden; ze werden thuis gehaald en weer gebracht, ze behoefden dus slechts eenige levensmiddelen voor de reis mede te nemen. Maar het grootste gedeelte kwam van aanbevelingen van geestelijken of van liefdadige personen, die bij de inschrijvingen zorg droegen voor de noodzakelijke identiteitsbewijzen en de geneeskundige certificaten. Was dit geschied, dan behoefden de zieken zich met niets meer te bemoeien, waren zij in de zorgende handen der barmhartige broeders en zusters niets meer dan het armzalige object voor lijden en wonderen.
“U hadt,” legde Pierre haar uit, “u slechts behoeven te wenden tot den pastoor van uw parochie. Dat arme kind verdient ons aller medelijden. Het zou dadelijk opgenomen zijn.”
“Ik wist het niet, mijnheer de abbé.”
“Maar hoe hebt u het dan klaar gespeeld?”
“Ik heb een biljet gekocht op een plaats, die een buurvrouw, die de courant leest, mij genoemd heeft.”
Zij sprak over biljetten, welke tegen zeer verminderde prijzen onder de pelgrims, die betalen konden, werden verdeeld. Onder het luisteren werd Marie door een groot medelijden en ook door schaamte aangegrepen: haar ontbrak het toch niet aan middelen, en zij was er met behulp van Pierre in geslaagd, zich in de Hospitalité te laten opnemen, terwijl die moeder en haar ongelukkig kind, na haar armzalige spaarduitje gegeven te hebben, zonder een sou bleven.
Maar een heftige schok van den wagon ontrukte haar een gil van pijn.
“Licht me wat op, vader. Ik kan niet langer zoo op mijn rug blijven liggen.”
Toen haar vader haar in een zittende houding had opgericht, zuchtte zij diep. Ze waren nauwelijks Etampes, anderhalf uur van Parijs voorbij, en reeds begonnen in de gloeiende zon, het stof en het lawaai, de vermoeidheid en de uitputting zich te doen gelden.
Madame de Jonquière sprak over het beschot het jonge meisje met een paar vriendelijke woorden moed in. Ook zuster Hyacinthe was weer opgestaan en klapte vroolijk in haar handen, om zich door den geheelen wagon verstaanbaar te maken.
“Kom, kom! Laten we niet aan onze pijntjes denken! Laten we bidden en zingen, de Heilige Maagd zal met ons zijn.”
Zij hief den Rozenkrans aan volgens de woorden van Notre-Dame de Lourdes, en alle zieken en pelgrims volgden haar voorbeeld. Het was de eerste rozenkrans, de vijf blijde mysteriën, Maria Boodschap, de Visitatie, de Geboorte, Maria Lichtmis, de wedergevonden Jezus. Dan hieven allen het lied aan: “Aanschouwen wij den hemelschen aartsengel …” De stemmen gingen verloren in het geratel der wielen, men hoorde slechts het doffe gegons van den troep, die in den gesloten, eindeloos voortrollenden wagen half stikte.
Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij zijn godsdienstige plichten trouw vervulde, nooit een lied tot het einde toe mede zingen. Hij stond telkens op, om dan dadelijk weer te gaan zitten. Eindelijk bleef hij over het beschot heen leunen en ging hij praten met een zieke, die in het compartiment ernaast tegen hetzelfde beschot zat. Mijnheer Sabathier was een dikke, kale vijftiger met een groot, goedig hoofd. De laatste vijftien jaren leed hij aan ataxie, pijn had hij slechts bij tusschenpoozen, maar zijn beenen waren geheel verlamd; zijn vrouw, die hem vergezelde, legde ze, als waren het doode beenen, van de eene plaats op de andere, wanneer ze hem ten slotte zoo zwaar werden als stukken lood.
“Ja, mijnheer, vroeger was ik leeraar in de vijfde klasse van het lycée Charlemagne. In den beginne dacht ik, dat het gewone heupjicht was. Doch daarna heb ik vreeselijke pijnen gekregen, zooiets alsof er gloeiende degens in mijn spieren gestoken werden. De laatste tien jaar echter is mijn heele lichaam er door aangetast, ik heb alle mogelijke doktoren geraadpleegd, ik heb alle mogelijke en onmogelijke badplaatsen bezocht; en nu heb ik tegenwoordig wel minder pijn, maar ik kan niet meer van mijn stoel opstaan … Ik had mijn leven lang niets aan godsdienst gedaan, maar nu ben ik weer tot God teruggebracht door de gedachte, dat ik te ongelukkig was en dat onze Lieve Vrouwe van Lourdes medelijden met mij hebben zou.”
Pierre was ook over het beschot komen leunen en luisterde aandachtig.
“Lijden brengt de ziel weer terug tot God, niet waar, mijnheer de abbé? Dit is nu al het zevende jaar, dat ik naar Lourdes ga, maar ik twijfel geen oogenblik aan mijn genezing. Dit jaar zal de Heilige Maagd mij genezen, dat weet ik zeker. Ja, ik reken er vast op weer te kunnen loopen; ik leef nog slechts in die hoop.”
Mijnheer Sabathier hield even op, om zijn vrouw zijn beenen wat meer naar links te laten leggen. Pierre nam hem eens goed op; het verwonderde hem een zoo hardnekkig geloof te vinden bij een intellectueel, een van die geleerden, die gewoonlijk zoo Voltairiaansch gezind zijn. Hoe had het vertrouwen in het wonder in dit brein wortel kunnen schieten en opbloeien? Het was werkelijk zooals hij zelf zeide: heftige smarten en pijnen alleen konden deze behoefte aan illusie, den bloeitijd der eeuwige troosteresse verklaren.
“Zooals u ziet, zijn mijn vrouw en ik gekleed als armen, want ik wilde dit jaar niet meer zijn dan een arme; uit deemoed heb ik mij in de Hospitalité doen opnemen, opdat de Heilige Maagd mij zou rekenen tot de arme ongelukkigen, haar kinderen … Maar, omdat ik niet de plaats van een echten arme heb willen innemen, heb ik vijftig francs bij de Hospitalité gestort, wat, zooals u natuurlijk weet, het recht geeft een zieke op de bedevaart mede te nemen … Ik ken mijn zieke zelfs. Zooeven heeft men hem mij op het station voorgesteld. Het schijnt een teringlijder te zijn, die al ver, heel ver weg is …”
Weer volgde een stilte.
“Moge de Heilige Maagd, die alles kan, ook hem redden. Ik zou gelukkig zijn, als zij mij met haar weldaden overstroomde.”
De drie mannen bleven nog wat doorpraten, eerst over geneeskunde, dan over Romaansche bouwkunst, toen zij op een heuvel een klokketoren zagen, waarvoor alle pelgrims het teeken des kruises gemaakt hadden. Te midden van die arme zieken, te midden van die door hun ellende stompzinnig geworden armen van geest, lieten de jonge priester en zijn twee reisgenooten zich even door hun beschaving medesleepen. Een uur verliep, er waren nog twee liederen gezongen, zij hadden de stations van Toury en les Aubrais achter den rug, toen zij eindelijk bij Beaugency hun gesprek staakten en zuster Hyacinthe in haar handen klapte en met haar heldere, klankrijke stem begon:
En het zingen begon opnieuw, aller stemmen vereenigden zich, wederom steeg een vloed van gebeden omhoog, die de pijn verminderde, de hoop opnieuw deed opleven, langzamerhand zich meester maakte van het geheele wezen, dat uitgeput was door het onophoudelijke denken aan de genade en de genezingen, die men zoo ver zoeken ging.
Toen Pierre weer ging zitten, zag hij, dat Marie heel bleek was en haar oogen dicht had; toch begreep hij uit het pijnlijk samentrekken van haar gezicht, dat zij niet sliep.
“Heb je weer meer pijn?” vroeg hij.
“Ja, verschrikkelijk. Ik houd het nooit tot het einde uit. Dat voortdurende schokken …”
Zij kreunde, deed haar oogen weer open. Bijna in zwijm vallend bleef zij naar de andere zieken zitten kijken. In het compartiment ernaast had tegenover mijnheer Sabathier la Grivotte, die tot dat oogenblik roerloos als een doode op haar matras gelegen had, zich opgericht. Het was een groot meisje van een goede dertig, lam en vreemd, met een rond, door pijn vertrokken gezicht, dat echter door haar kroeshaar en haar vurige oogen bijna mooi was. Zij was in hoogen mate teringachtig.
“Wat zou het heerlijk zijn, mademoiselle,” zeide zij, zich met haar heesche, nauwlijks verstaanbare stem tot Marie wendend; “als we eens een klein dutje konden doen. Maar het is niet mogelijk met dat eeuwige gedreun der wielen.”
Niettegenstaande het spreken haar groote inspanning kostte, begon zij het een en ander van zichzelf te vertellen. Zij was matrassenmaakster geweest en had met haar tante te Bercy, van de eene boerenplaats naar de andere trekkend, veel matrassen gemaakt; aan die vergiftige wol, die zij in haar jeugd zelf gekaard had, schreef zij haar kwaal toe. De laatste vijf jaar had zij in verschillende Parijsche ziekenhuizen gelegen. Zij sprak dan ook heel familiaar over de meest bekende doktoren. De zusters van Lariboisière, die gezien hadden, hoe zij geheel in godsdienstige plechtigheden opging, hadden haar geheel bekeerd en haar tot de overtuiging gebracht, dat de Heilige Maagd van Lourdes slechts op haar wachtte, om haar te genezen.
“En dat mag ook wel, want de dokters zeggen, dat ik al één long kwijt ben en dat het met de andere ook zoo heel lang niet meer duren zal. Het zit hem in de holten van de longen, weet u … In den beginne had ik alleen maar pijn tusschen mijn schouders en gaf ik bij het hoesten slijm op. Thans ben ik zoo mager geworden, dat de tranen je erbij in de oogen kwamen. Nou zweet ik maar altijd door en hoesten, verschrikkelijk, maar opgeven gaat niet meer, daar is de slijm te dik voor. En zooals u ziet, staan kan ik niet meer en eten ook niet.”
Een hoestaanval belette haar verder te gaan; haar gezicht werd lijkkleurig.
“Enfin,” ging zij dan weer voort, “ik steek nog liever in mijn vel dan in dat van den broer, die in het compartiment hiernaast zit. Hij heeft precies hetzelfde als ik, maar hij is nog verder weg.”
Zij vergiste zich. Wel lag in de afdeeling achter Marie op een matras een jonge zendeling, broeder Isidore, dien men echter niet zag, daar hij zich geen vinger breed oprichten kon, maar hij was geen teringlijder, doch leed aan een leverontsteking, die hij in Senegal gekregen had. Het was een lange, magere jonge man met een geel, ingevallen, als perkament zoo gerimpeld gezicht. Het abces, dat zich aan den lever gevormd had, was van buiten opengebroken, en de ettering, die met een voortdurende koorts, brakingen en ijlen gepaard ging, putte al zijn krachten uit. Alleen zijn oogen leefden nog, oogen vol onuitbluschbare liefde, wier warme glans zijn gezicht, dat aan den aan het kruis stervenden Christus denken deed, deed stralen, zijn gewoon boerengezicht, dat door zijn hartstochtelijk geloof bij tijden geadeld werd. Hij kwam uit Bretagne en was het laatste, ziekelijke kind van een te talrijke familie; het kleine beetje land had hij aan zijn oudere broers overgelaten. Een van zijn zusters begeleidde hem, Marthe, twee jaar ouder dan hij, en die als dienstmeisje naar Parijs gekomen was; zij hield zooveel van haar jongeren broer, dat zij haar betrekking opgegeven had, om met hem mede te kunnen gaan, ook al gingen daar al haar spaarduitjes mede heen.
“Ik stond op het perron, toen zij hem in den wagon droegen. Vier mannen …”
Maar zij kon niet verder; weer kreeg zij een hoestbui, die haar dwong te gaan liggen. Zij stikte bijna, de roode plekjes op haar wangen werden blauw. Onmiddellijk steunde zuster Hyacinthe haar hoofd en veegde haar lippen af met een doekje, dat zich dadelijk rood kleurde. Op hetzelfde oogenblik wijdde madame Jonquière haar zorgen aan de zieke, die tegenover haar zat. Zij heette madame Vêtu en was de vrouw van een klein horlogemakertje in het quartier Mouffetard, die zijn winkel niet had kunnen sluiten, om met haar mee naar Lourdes te gaan. Om zeker te zijn, dat zij goed verzorgd zou worden, had zij zich in de Hospitalité laten opnemen. Angst voor den dood bracht haar terug naar de kerk, waarin zij sedert haar eerste communie geen voet gezet had. Zij wist, dat zij onherroepelijk ten doode opgeschreven was, weggeknaagd als zij werd door maagkanker; reeds had zij het verwilderde en gele uiterlijk van kankerlijders en gaf zij zwarte fluimen op, alsof zij roet spuwde. De geheele reis door had zij nog geen woord gezegd, haar lippen waren vast op elkaar geklemd, zij leed onuitstaanbare pijnen. Daarna had zij brakingen gekregen en het bewustzijn verloren. Zoodra zij haar mond opende, ademde zij een verschrikkelijken, verpestenden stank uit, die de omzittenden misselijk maakte.
“Dat is niet uit te houden,” mompelde madame de Jonquière, die zich een onmacht nabij gevoelde; “er moet wat gelucht worden.”
Intusschen had zuster Hyacinthe la Grivotte weer op haar kussen gelegd.
“Zeker, we kunnen best een raampje open zetten. Maar niet aan dezen kant, anders krijgt zij daar dadelijk weer een hoestbui … Zet het aan den anderen kant open.”
De hitte werd steeds erger, men stikte bijna in die bedompte, walgelijk-vieze atmosfeer; het was een opluchting, toen er een tochtje binnenkwam. Er was nu weer voor wat anders te zorgen: de zuster maakte de schalen en kommen, waarvan zij den inhoud uit het raampje wierp, schoon, terwijl de diakones den vloer, die door het dreunen hevig schokte, reinigde. Dan weer een andere zorg: de vierde zieke, die zich nog niet verroerd had, een mager meisje, wier gezicht met een zwarte doek omwikkeld was, zeide, dat zij honger had.
“Overhaast u maar niet, zuster,” zeide madame de Jonquière, die reeds naar de zieke toeging. “Ik zal haar brood wel in kleine stukjes snijden.”
In haar behoefte naar afleiding had Marie al een paar malen aandachtig gekeken naar dat door dien zwarten sluier verborgen gelaat. Zij vermoedde, dat zij een open wond in haar gezicht had. Men had haar alleen gezegd, dat het een bonne was. De ongelukkige, Elise Rouquet uit Picardië, had haar betrekking moeten verlaten en woonde te Parijs bij een zuster, die haar slecht behandelde; daar zij verder niet ziek was, had geen enkel ziekenhuis haar willen opnemen. Vroom van natuur had zij reeds maanden lang de vurige begeerte gekoesterd naar Lourdes te gaan. In angstige spanning wachtte Marie, dat de sluier weggenomen zou worden.
“Zijn ze zoo klein genoeg,” vroeg madame de Jonquière op moederlijken toon. “Zou je ze zoo in je mond kunnen krijgen?”
“Ja zeker, madame!” bromde onder den zwarten sluier een heesche stem.
Eindelijk werd de sluier weggenomen; Marie rilde van afschuw. Het was een lupus, die, langzamerhand steeds grooter geworden, den neus en den mond aangetast had, een zweer die zich onder de korsten steeds uitbreidde en de slijmvliezen wegvrat. Het hoofd, dat zich in den vorm van een hondensnuit uitgerekt had, was met het borstelig haar en de groote, ronde oogen verschrikkelijk om aan te zien. Reeds was het kaakbeen van den neus bijna geheel weggevreten, de mond was ingevallen en werd door de opgezwollen bovenlip naar links getrokken als een schuine, vormlooze, onreine spleet. Een bloedig, met etter vermengd slijm vloeide uit de groote, blauw-zwarte wonde.
“Kijk toch eens Pierre!” fluisterde Marie rillend.
Den priester doortrilde eveneens een huivering, toen hij Elise Rouquet voorzichtig de kleine stukjes brood zag steken in de bloedige opening, die als mond dienst deed. De geheele wagon was bij dien vreeselijken aanblik bleek geworden. En dezelfde gedachte steeg op in die met hoop vervulde zielen: O, Heilige Maagd, machtige Maagd, welk een wonder, indien zulk een kwaal genas!
“Kinderen, laten we niet aan ons zelf denken, als we ons goed willen voelen,” zeide zuster Hyacinthe weer.
En zij liet den tweeden rozenkrans bidden, de vijf smartelijke mysteriën: Jezus op den Olijfberg, de geeseling van Jezus, Jezus met doornen gekroond, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan het kruis. Dan volgde het lied: “Ik stel mijn vertrouwen in uw hulp, o Maagd …”
Na een reis van drie uur reden zij nu door Blois. Marie wendde haar blikken af van Elise Rouquet en liet ze nu op een man rusten, die in een hoek van het compartiment, waarin ook broeder Isidore lag, zat. Reeds een paar maal had zij hem opgemerkt; hij was nog jong en heel armoedig gekleed en had een dunne, reeds grijzende baard; klein en mager, met een uitgeteerd en met zweet bedekt gezicht scheen hij veel pijn te lijden. Toch bleef hij onbeweeglijk in zijn hoekje zitten; hij sprak met niemand en staarde met zijn groote, wijd geopende oogen strak voor zich uit. Plotseling zag zij dat zijn oogen dichtvielen en hij bewusteloos werd.
Zij riep zuster Hyacinthe.
“Zuster, ik geloof, dat het met dien mijnheer heelemaal niet goed is.”
“Welken heer, kindlief?”
“Die daar met zijn hoofd achterover.”
Het gaf een heele opschudding, alle gezonde pelgrims stonden op om te kijken. Madame de Jonquière kwam op het denkbeeld Marthe, de zuster van Isidore, toe te roepen, dat zij den man op zijn hand moest slaan.
“Vraag hem, of hij pijn heeft!”
Marthe schudde hem zacht heen en weer en vroeg het hem. Maar de man antwoordde niet; hij rochelde slechts en zijn oogen bleven vast gesloten.
Een verschrikte stem riep:
“Ik geloof, dat hij sterven zal.”
De angst werd grooter; men riep door elkaar, aan alle kanten van den wagen weerklonken raadgevingen. Niemand kende den man. Hij had zich in geen geval in de Hospitalité op laten nemen, want hij had niet de kaart met de witte kleur van den trein om zijn hals. Een vertelde, dat hij hem drie minuten voor het vertrek had zien aankomen; hij sleepte zich toen met groote moeite voort en had zich dadelijk laten neervallen in den hoek, waarin hij nu met een uitdrukking van oneindige moeheid lag te sterven. Daarna had hij zich niet meer bewogen. Men zag zijn plaatskaartje in het lint van zijn ouden hoed, die naast hem hing.
Doch zuster Hyacinthe uitte een kreet van vreugde.
“Hij haalt weer adem. Vraag hoe hij heet!”
Opnieuw door Marthe naar zijn naam gevraagd, liet de jonge man slechts een gekreun hooren, een nauwlijks verstaanbaren zucht:
“Ik heb zoo’n pijn!”
En van dat oogenblik af gaf hij slechts dat antwoord. Op alles wat men wilde weten, wie hij was, waar hij vandaan kwam, wat hij mankeerde, waarmede men hem kon helpen, antwoordde hij niet, doch stiet steeds weer denzelfden zucht uit:
“Ik heb zoo’n pijn! Ik heb zoo’n pijn!”
Zuster Hyacinthe werd eenigszins ongeduldig. Als zij maar in hetzelfde compartement geweest was! Zij nam zich voor van plaats te veranderen. Maar de trein zou pas in Poitiers stoppen. De toestand werd steeds erger, te meer daar het hoofd van den man weer achterover gevallen was.
“Hij sterft … hij sterft!” riep dezelfde stem weer.
Lieve God, wat moest men beginnen? De zuster wist, dat een pater van Maria Hemelvaart, pater Massias, zich met het Heilige Oliesel in den trein bevond en steeds gereed was om de stervenden te bedienen, want jaarlijks stierven er op de reis pelgrims. Maar zij durfde niet aan de noodrem te trekken. Ook was in den cantinewagen, die door zuster Saint-François bestuurd werd, een dokter met een kleine apotheek. Indien de zieke Poitiers, waar een half uur rust gehouden zou worden, haalde, zou hem alle mogelijke hulp verleend kunnen worden. Verschrikkelijk zou het zijn, als hij vóór Poitiers stierf. Doch de kalmte keerde eenigszins terug. De man ademde wat rustiger en hij scheen te slapen.
“Te sterven voor je er was,” mompelde Marie rillend, “te sterven vóór het beloofde land …”
En toen haar vader haar gerust stelde:
“Ik heb ook zoo’n pijn, ik heb ook zoo’n pijn!”
“Heb maar vertrouwen,” zeide Pierre, “de Heilige Maagd waakt over je!”
Zij kon niet meer blijven zitten, men moest haar weer in haar nauwe kist leggen. Haar vader en de priester moesten daarbij met de grootste omzichtigheid te werk gaan, want de minste schok ontlokte haar een kreet van pijn. Zij lag er nu zonder te ademen, als een doode, met haar doodsbleek gezichtje, omgolfd door haar koninklijke lokkenpracht. Al vier uur lang reden zij nu reeds. Dat de wagon zoo onbarmhartig heen en weer geschud en geslingerd werd, was een gevolg van het feit, dat deze zich achter in den trein bevond: de koppelstangen knarsten, de wielen rammelden vreeselijk. Door de raampjes, die men genoodzaakt was half open te laten staan, drong het stof scherp en gloeiend binnen; vooral de hitte werd verschrikkelijk, een verstikkende onweershitte onder een rosige lucht, die bedekt was met dikke, roerlooze wolken. Op oververhitte ovens geleken de compartimenten, die rollende hutten, waarin men at en dronk, waarin de zieken in de bedorven lucht, te midden van het oorverdoovende lawaai van weeklachten, gebeden en gezangen, al hun behoeften bevredigden.
Marie was niet de eenige, die zich zieker voelde; ook de anderen leden door de reis. Op den schoot van haar wanhopige moeder, die met haar groote, door tranen verduisterde oogen naar haar keek, lag de kleine Rose roerloos en met zoo’n bleek gezicht, dat madame Maze zich tweemaal over haar heen gebogen had, om haar handjes te voelen, met de vrees die koud te zullen vinden. Ieder oogenblik moest madame Sabathier de beenen van haar man verleggen, zij waren zoo zwaar, zeide hij, dat zijn heupen er pijn van deden. Broeder Isidore had in zijn bewusteloosheid kreten van pijn uitgestooten; zijn zuster had hem alleen verlichting kunnen geven door hem iets op te richten en in haar armen te houden. La Grivotte scheen te slapen, maar een hardnekkige hik liet haar niet met rust, een dun straaltje bloed sijpelde uit haar mond. Madame Vêtu had weer een zwarte, de lucht verpestende fluim opgegeven. Elise Rouquet dacht er niet meer aan de afschuwelijke open wond in haar gezicht te verbergen. De man in het andere compartiment bleef rochelen, alsof hij iedere seconde zou sterven. Tevergeefs spanden madame Jonquière en zuster Hyacinthe al haar krachten in, zooveel kwalen tegelijk konden zij niet verlichten en verzachten. Het was een hel, die wagon van ellende en pijn, die in volle vaart voortsnelde en geschokt werd door het slingeren, dat de bagage, de oude opgehangen kleeren, de versleten, met touwen vastgebonden manden heen en weer deed schudden, terwijl in de achterste afdeeling de tien vrouwelijke pelgrims, de oude en de jonge, allen even leelijk, zonder ophouden in scherpe, jammerende en valsche tonen zongen.
Toen dacht Pierre aan de andere wagons van den trein, van dezen witten trein, die de ernstigste zieken vervoerde: alle rolden zij voort vol van hetzelfde lijden, met hun driehonderd zieken en vijfhonderd bedevaartgangers. Toen dacht hij aan de andere treinen, welke eveneens dien ochtend uit Parijs vertrokken, aan den grijzen en den blauwen trein, die eerder gegaan waren, aan den groenen, den gelen, den rosen, den oranjekleurigen trein, die alle nog volgen moesten. Van het een einde der lijn naar het andere raasden de treinen ieder uur weg. En hij dacht aan de andere treinen nog, die denzelfden dag uit Orleans, uit Le Mans, uit Poitiers, uit Bordeaux, uit Marseille, uit Carcassonne vertrokken. Frankrijk werd op datzelfde uur in alle richtingen door dergelijke treinen doorploegd, die zich alle spoedden naar de Heilige Grot en dertig duizend zieken en pelgrims aan de voeten der Heilige Maagd brachten. En hij bedacht, dat een zelfde menschenstroom ook andere dagen van het jaar naar die plek golfde, dat er geen week voorbijging, waarin Lourdes geen bedevaart zag aankomen, dat niet Frankrijk alleen zich daarheen op weg begaf, maar geheel Europa, ja de geheele wereld, dat in sommige jaren van bijzonder groote godsvrucht, driehonderd duizend, ja zelfs wel vijfhonderd duizend zieken en bedevaartgangers samengekomen waren.
Pierre meende die rollende treinen te hooren, die treinen, welke van overal alle samenkwamen bij dezelfde rotsgrot, waarin kaarsen brandden. Alle rolden zij ratelend voort te midden van smartkreten en het opstijgen van vrome liederen. Het waren de rijdende hospitalen vol wanhopige zieken, het was de wilde jacht van menschelijke ellende naar hoop op genezing, een brandend verlangen naar verlichting en troost bij het toenemend lijden en onder de bedreiging van den snel naderenden dood. Zij rolden, zij rolden steeds door, zij rolden zonder ophouden, de ellende van deze wereld met zich voerend, op weg naar een goddelijke illusie, de gezondheid der zieken en de troosteresse der bedroefden.
En Pierre’s hart vloeide over van een groot medelijden, de menschelijke religie bij zoovele kwalen, bij zoovele tranen, die den zwakken en hulpeloozen mensch verteren.
Hij voelde zich tot stervens toe droef; een oplaaiende barmhartigheid brandde in hem als het onuitbluschbaar vuur van een broederlijke liefde voor alle dingen en voor alle schepselen.
Toen zij om half elf het station Saint-Pierre-des-Corps verlieten, gaf zuster Hyacinthe opnieuw een teeken; en men bad den derden Rozenkrans, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Onzen Heer, de Hemelvaart van Onzen Heer, de Uitstorting des Heiligen Geestes, de Hemelvaart van de Zeer Heilige Maagd, de Kroning der Zeer Heilige Maagd. Dan hieven zij het lied van Bernadette aan, de eindelooze weeklacht van zestig coupletten, waarin steeds het “wees gegroet” als refrein terugkeerde, een zacht wiegen, een langzame obsessie, die zich langzamerhand van het geheele wezen meester maakt en ten slotte in een extatischen slaap doet wegzinken in de heerlijke verwachting van het wonder.
II.
Nu reden zij door de groene weiden van Poitou, en abbé Pierre, die naar buiten zat te staren, zag de boomen voorbijvliegen, die hij langzamerhand ophield te onderscheiden. Een kerktoren verdween reeds weer voor men hem goed en wel gezien had: alle pelgrims maakten het teeken des kruises. Ze zouden pas om vijf minuten over halfeen in Poitiers zijn; zonder ophouden reed de trein voort in de toenemende afmatting van den onweerzwangeren dag. De jonge priester, die in een diep gepeins verzonken was, hoorde het zingen nog slechts als het in slaap wiegende, langzame deinen van de zee.
Het was een vergeten van het tegenwoordige oogenblik, een ontwaken van het verleden, dat zijn geheele wezen in beslag nam. Hij ging in zijn herinneringen terug zoo ver als hij gaan kon. Hij zag het huis in Neuilly terug, waarin hij geboren was, waarin hij nu nog woonde, het huisje van vrede en arbeid met zijn mooien tuin, waarin enkele boomen stonden; slechts een levende haag en een omheining van struiken scheidden hem van den tuin van het huis ernaast, dat precies als het zijne was. Hij was drie, vier jaar misschien, en hij zag hoe op een zomermiddag zijn vader, zijn moeder en zijn oudere broer in de schaduw van een grooten kastanjeboom zaten te ontbijten. Zijn vader, Michel Froment, had geen bijzonder opvallend gezicht, hij zag hem slechts vaag en onbestemd voor zich, den beroemden scheikundige, die lid van het Instituut was en zich opsloot in zijn laboratorium, dat hij hier in deze afgelegen streek had laten bouwen. Maar zijn broer, den veertienjarigen Guillaume, die juist dien ochtend met vacantie thuis gekomen was, zag hij heel duidelijk voor zich en vooral zijn moeder, zoo zacht, zoo kalm met haar oogen vol ontroerenden deemoed. Later had hij de zorgen en den kommer van deze godvruchtige ziel leeren kennen, van deze vroom-geloovige, die uit achting en dankbaarheid erin toegestemd had te trouwen met een ongeloovige, die vijftien jaar ouder was dan zij en aan haar familie groote diensten bewezen had. Hij, een “nakomertje”, was geboren, toen zijn vader reeds bijna vijftig was, en had zijn moeder niet anders gekend dan als een deemoedige vrouw, onderworpen aan haar man, dien zij hartstochtelijk had leeren liefhebben met de vreeselijke marteling te weten, dat hij verdoemd was. En plotseling rees een andere herinnering in hem op, de verschrikkelijke herinnering aan den dag, dat zijn vader gestorven was, gedood door het ongelukkig springen van een retort. Hij was toen vijf jaar, maar hij herinnerde zich nog de kleinste bijzonderheden, den kreet van zijn moeder, toen zij te midden van de puinhoopen het verminkte lichaam vond, haar schrik, haar jammeren, haar gebeden bij de gedachte, dat God den voor eeuwig verdoemden goddelooze met zijn bliksem vernietigd had. Daar zij zijn papieren en boeken niet durfde verbranden, had zij eenvoudig de studeerkamer, welke daarna door niemand meer betreden werd, gesloten. Van dat oogenblik af had het beeld der hel haar niet meer losgelaten, had zij nog slechts één gedachte gehad: zich geheel meester te maken van haar jongsten zoon, hem streng geloovig op te voeden, hem tot het zoenoffer voor zijn vader te maken. Haar oudste zoon Guillaume, die het lyceum bezocht en reeds geheel onder den invloed van de denkbeelden der eeuw stond, was haar reeds ontgroeid, maar hij, Pierre, de jongste, zou het huis niet verlaten, zou onderwijs krijgen van een geestelijke; en haar stille droom, haar vurige hoop was hem zelf eens priester te zien, er getuige van te zijn, dat hij zijn eerste mis las.
Een ander levendig beeld tusschen groene, met zonnestralen doorplekte takken rees voor zijn geestesoog op. Pierre zag plotseling Marie de Guersaint, zooals hij haar op een morgen door een gat in de haag, die de twee aan elkaar grenzende bezittingen scheidde, gezien had. Mijnheer de Guersaint, van kleinen Normandischen adel, was een architect, die zich graag voor uitvinder uitgaf en toen juist bezig was met het bouwen van arbeiderssteden met kerk en school: een groote, slecht overwogen onderneming, waarin hij met zijn gewone onstuimigheid en zijn onberadenheid van mislukt kunstenaar zijn vermogen van driehonderd duizend francs op het spel zette. Dezelfde vrome godsvrucht had madame de Guersaint en madame Froment samengebracht; maar de eerste was een vastberaden, flinke vrouw, die met ijzeren vuist het huishouden bestuurde en verhinderde, dat de catastrophe te groot werd; zij voedde haar twee dochters, Blanche en Marie streng godsdienstig op, de oudste was reeds ernstig als zij zelf, terwijl de jongste, ofschoon ook heel vroom, toch ook van spel en vroolijkheid hield in haar uitgelaten levensvreugde, die zich ook in haar heerlijk, helder lachen openbaarde. Van jongs af aan speelden Pierre en Marie samen, onophoudelijk kropen zij door de haag, steeds waren de families bij elkaar. Op dien mooien, zonnigen ochtend, waarop hij haar weer zag, zooals zij de takken van de haag uit elkaar boog, was zij reeds tien jaar. Hij was toen zestien en zou den volgenden Dinsdag naar het seminarie gaan. Nooit nog had hij haar zoo mooi gevonden. Haar goudblonde lokken waren zoo lang, dat zij, wanneer ze loshingen, haar geheel bedekten. Hij zag ook haar gezichtje van toen tot in de kleinste bijzonderheden terug: haar ronde wangen, haar blauwe oogen, haar roode lippen, maar vooral haar als sneeuw glanzende huid. Zij was vroolijk en stralend als de zon, een verblindende verschijning; en zij had tranen in haar oogen, want zij wist maar al te goed, dat hij gauw weg zou gaan. Samen waren zij achter in den tuin in de schaduw van de haag gaan zitten. Hun vingers waren ineengestrengeld; zij voelden zich zoo bedroefd. Toch hadden zij elkaar bij hun spelen nooit iets plechtig beloofd, zoo volmaakt onschuldig waren hun zielen nog. Maar op den avond voor zijn vertrek konden zij hun liefde niet verzwijgen, spraken zij erover zonder het te begrijpen, zwoeren zij altijd aan elkaar te zullen denken en elkander eenmaal terug te zullen vinden, zooals men elkaar in den hemel terugvindt, en volmaakt gelukkig te zijn. Dan hadden zij elkaar in hun armen gedrukt, elkaar, onder het schreien van heete tranen, op de wangen gekust. Het was een heerlijke herinnering, die Pierre steeds en overal met zich gedragen had, die hij na zoo vele jaren en na zoovele smartelijke verzakingen nog steeds in zich voelde leven.
Een hevige schok wekte hem uit zijn overpeinzingen. Hij keek den wagon rond en zag in onduidelijke omtrekken de lijdende schepsels: madame Maze, onbeweeglijk, door haar smart vernietigd; de kleine Rose zacht kreunend op den schoot van hare moeder, la Grivotte benauwd door een heesche hoestbui. Even trad de vroolijke gestalte van zuster Hyacinthe met haar witte schort en haar wit kapje op den voorgrond. Het was nog steeds de moeilijke reis met den straal van goddelijke hoop daar in de verte als doel. Dan verdween langzamerhand alles weer in een nevel, die uit het verre verleden oprees; bleef nog slechts over het in slaap wiegende zingen van onduidelijke droomstemmen, die òpklonken uit het onzienlijke.
Van dat oogenblik af was Pierre op het seminarie. Duidelijk stonden de klassen, de speelplaats met haar boomen, hem nog voor den geest. Maar plotseling zag hij, als in een spiegel, niets meer dan de gestalte van den jongen man, die hij toenmaals was; en hij nam haar op, ontleedde haar als de gestalte van een vreemde. Groot en slank, had hij een lang gezicht met een sterk ontwikkeld voorhoofd, hoog en recht als een toren, terwijl zijn dunne kaken uitliepen in een zeer spitsen kin. Hij scheen één en al hersenen te zijn; alleen zijn ietwat groote mond had iets teers behouden. Wanneer zijn ernstig gezicht zich wat ontspande, dan verrieden zijn mond en zijn oogen een eindelooze teederheid, een ongestilden honger om lief te hebben, zich te geven en te leven. Onmiddellijk echter kwam de intellectueele hartstocht terug, die, welke hem verteerde met een begeerte om te begrijpen en te weten. Slechts met verwondering kon hij aan dien seminarietijd terug denken. Hoe had hij toch zoo lang die strenge leer van blind geloof kunnen aanvaarden, hoe had hij steeds zonder onderzoek alles maar in goed vertrouwen kunnen aannemen? Men had een volledige prijsgeving van zijn gezond verstand geëischt, en hij had er zich toe gedwongen, was erin geslaagd het martelende verlangen naar waarheid in zich te verstikken. Ongetwijfeld was hij verteederd door de tranen van zijn moeder, voelde hij slechts in zich de begeerte om haar het gedroomde geluk te geven. Thans echter kwam hem voor den geest, hoe in dien tijd toch wel oproerige gedachten in hem opgerezen waren; vond hij in zijn geheugen nachten terug, waarin hij meer geweend dan geslapen had, zonder dat hij wist waarom, nachten, bevolkt met onbestemde beelden, waarin het vrije en manlijke leven van buiten doordrong, waarin onophoudelijk het beeld van Marie hem verscheen, zooals hij haar een ochtend gezien had, stralend en badend in tranen, hem kussend in volle overgave. Dat alleen was thans overgebleven, de jaren van zijn religieuze studiën met hun eentonige lessen, met hun onveranderlijk blijvende geestelijke oefeningen en ceremoniën verdwenen alle in een nevel, in een onbestemd half-donker, dat vervuld was met een doodsche stilte.
Dan gingen hem, toen ze in volle vaart een station voorbijgereden waren, in het oorverdoovend lawaai van den rit, een menigte dingen in bonte volgorde aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag een groote, eenzame, afgesloten ruimte; hij meende er zich terug te zien op twintigjarigen leeftijd. Zijn droom was echter niet duidelijk meer. Een vrij ernstige ziekte, die hem in zijn studies een heel eind achteruitzette, had hem genoodzaakt naar buiten te gaan. In langen tijd had hij Marie niet gezien, tweemaal was hij met vacantie in Neuilly geweest zonder haar te ontmoeten, want zij was bijna altijd op reis. Hij wist, dat haar gezondheid slecht was tengevolge van een val van haar paard op dertienjarigen leeftijd juist op het oogenblik, dat zij vrouw worden zou; in haar wanhoop ging haar moeder, gehoor gevend aan de tegenstrijdige raadgevingen der geneesheeren, ieder jaar met haar naar een andere badplaats. Toen had hij den zwaren slag vernomen, die haar getroffen had, den plotselingen dood van die zoo strenge, maar voor de haren zoo onmisbare moeder: een longontsteking, die zij op een avondwandeling in la Bourboule gekregen had, toen zij haar mantel uitgetrokken had, om hem Marie, die daar voor een kuur was, om te doen, had haar in vijf dagen weggerukt. Haar vader had zijn van verdriet half waanzinnige dochter en het lijk moeten komen halen. Het ergste was, dat na het overlijden van de moeder, de zaken steeds slechter gingen in de handen van den architect, die, zonder te rekenen, zijn vermogen in den afgrond van zijn ondernemingen wierp. Marie kon niet meer van haar rustbed opstaan, zoodat slechts Blanche overbleef om het huis te bestieren, doch deze werd zelf geheel in beslag genomen door haar laatste examens, die zij wilde doen, om diploma’s te halen, daar zij heel goed inzag, dat er een tijd komen zou, waarin zij zelf haar brood moest verdienen.
Plotseling kwam Pierre een duidelijk beeld voor den geest, dat zich uit die massa verwarde, half vergeten feiten losmaakte. Het was gedurende een vacantie, die hij voor zijn gezondheid had moeten nemen. Hij was toen vier-en-twintig jaar, maar in zijn studie wat achter, daar hij pas de vier laagste geestelijke ordeningen ontvangen had; na zijn terugkeer zou hij onmiddellijk het sub-diaconaat krijgen, wat hem voor altijd door een onverbreekbaren eed binden zou. Heel duidelijk voor oogen stond hem het tooneel in den kleinen tuin van de Guersaints te Neuilly, waarin hij vroeger zoo dikwijls gespeeld had. De ruststoel van Marie was onder de hooge boomen dicht bij de haag gerold; zij waren alleen te midden van den droefgeestig stemmenden vrede van den herfstmiddag, hij zag Marie in zwaren rouw half uitgestrekt met haar verlamde beenen liggen, terwijl hij, ook in het zwart, reeds in soutane, op een leunstoel naast haar zat. Al vijf jaar lang was zij nu reeds lijdende. Nu, op haar achttiende jaar, zag zij er bleek en mager uit, zonder dat zij echter opgehouden had aanbiddelijk te zijn met haar koninklijke lokkenpracht, die de ziekte spaarde. Hij meende reeds te weten, dat zij altijd verlamd blijven zou, dat zij veroordeeld was nooit vrouw te worden, daar haar geslachtsleven door dien val gestoord was. De geneesheeren, die het onderling niet eens waren, hadden haar opgegeven. In ieder geval vertelde zij hem alles op dien droeven namiddag, toen de verdorde bladeren op hen neervielen. Maar haar woorden herinnerde hij zich niet, wel echter haar droevig glimlachje, haar jong, nog zoo bekoorlijk gezichtje, dat echter reeds de bittere trekken had van hen, die het leven opgegeven hebben. Toen had hij begrepen, dat zij dacht aan den reeds zoo ver achter hen liggenden dag, dat zij op deze zelfde plaats achter de met zonnestralen doorplekte haag afscheid genomen hadden, aan hun tranen, aan hun kussen, aan hun belofte om elkaar eens in de zekerheid van hun geluk terug te zullen vinden. Zij vonden elkaar terug, maar waartoe diende dat nu? Zij toch was reeds als dood en hij zou straks afsterven van het leven van deze wereld. Nu de geneesheeren verklaard hadden, dat zij nooit vrouw zou zijn, nooit echtgenoote, nooit moeder, nu kon hij er ook wel afstand van doen man te zijn, geheel opgaan in God, aan wien zijn moeder hem gewijd had. En hij voelde nog de zoete bitterheid van deze laatste ontmoeting, Marie pijnlijk glimlachend over hun vroegere hinderpalen, hem sprekend over het geluk, dat hij zeker vinden zou in den dienst van God, zoo ontroerd bij die gedachte, dat zij hem had doen beloven haar uit te noodigen, om er getuige van te zijn, als hij zijn eerste mis las.
Bij het station Sainte-Maure rukte een lawaai in den wagon Pierre weer even uit zijn overpeinzingen. Hij dacht aan een ongeluk, aan een nieuwe bezwijming. Maar de smartelijke gezichten, die hij zag, waren nog dezelfde, toonden dezelfde pijnlijke uitdrukking, hetzelfde angstige wachten op de goddelijke hulp, die zoo langzaam kwam. Mijnheer Sabathier trachtte vergeefs zijn beenen in een makkelijke houding te brengen, broeder Isidore kreunde aan één stuk door zachtjes als een stervend kind, terwijl madame Vêtu, ten prooi aan een hevigen aanval, ineenkromp van pijn en, haar lippen op elkaar geklemd en haar gezicht vertrokken, zelfs geen adem meer haalde. Het lawaai was veroorzaakt door madame de Jonquière, die bij het schoonmaken van een kom, de waterkan had laten vallen. En ondanks haar martelende pijnen had dit de zieken aan het lachen gemaakt evenals eenvoudige zielen, die door het lijden kindsch worden. Onmiddellijk liet zuster Hyacinthe, die ze met het grootste recht haar kinderen noemde, kinderen, die zij met één enkel woord gehoorzamen deed, hen weer den Rozenkrans afbidden, in afwachting van het Angelus, dat volgens het vastgestelde programma te Châtellerault gebeden zou worden. De Ave’s volgden elkaar op, het was nog slechts een dof gemurmel, dat verloren ging in het knarsen der koppelstangen en het lawaai der wielen.
Pierre was zes-en-twintig en priester. Enkele dagen vóór zijn wijding waren nog laat bedenkingen bij hem opgekomen, het heimelijke bewustzijn, dat hij zich verbond zonder nauwkeurig zelf-onderzoek. Maar hij had het met opzet nagelaten, hij leefde in de verdooving van zijn beslissing, daar hij meende met één bijlslag al wat in hem aan den mensch herinnerde, gedood te hebben. Zijn vleesch was afgestorven met zijn onschuldigen jeugdroman, dat blanke jonge meisje met haar goudblonde haren, dat hij nog slechts voor zich zag op haar ziekbed, het vleesch afgestorven als het zijne. Vervolgens had hij zijn gezond verstand ten offer gebracht, wat hij toen voor heel makkelijk hield, daar hij hoopte, dat het voldoende zou zijn te willen, om niet meer te denken. Ook was het te laat, hij kon op het laatste oogenblik niet terug; en ook al voelde hij zich in het uur, dat hij den laatsten plechtigen eed uitsprak, bevangen door een geheime vrees, door een onbestemde, smartelijke spijt, toch had hij alles vergeten, was hij goddelijk beloond voor zijn offer, toen hij zijn moeder de zoo lang verwachte groote vreugde gaf haar zijn eerste mis te hooren lezen. Hij zag haar nog, zijn arme moeder in de kleine kerk te Neuilly, die zij zelf gekozen had, de kerk, waarin de uitvaartdiensten voor zijn vader gehouden waren, hij zag haar nog, zooals zij op dien kouden Novemberochtend bijna alleen in de sombere kapel met haar gelaat in haar handen geknield lag en lang weende, terwijl hij de hostie ophief. Daar had zij haar laatste geluk gekend, want zij leefde eenzaam en alleen: haar oudsten zoon, die, andere denkbeelden toegedaan, alle betrekkingen met zijn familie had afgebroken, sedert zijn broer besloten had priester te worden, zag zij niet meer. Men vertelde, dat Guillaume, evenals zijn vader een talentvol scheikundige, maar beneden zijn stand geraakt en opgaande in revolutionnaire droombeelden, een klein huisje in de buitenwijken van Parijs bewoonde, waar hij zich geheel wijdde aan gevaarlijke studiën van springmiddelen; terwijl men er ook nog bij wist te vertellen, wat iederen band tusschen hem en zijn zoo vrome moeder verbroken had, dat hij in vrije liefde leefde met een vrouw, die hij ergens “opgeduikeld” had. In geen drie jaar had Pierre, die in zijn jonge jaren van Guillaume als van een vaderlijken, goeden en vroolijken vriend gehouden had, hem meer gezien.
Dan voelde hij zijn hart pijnlijk samenkrimpen: hij zag zijne moeder dood terug. Ook hier een plotseling sterven, een ziekte van nauwlijks drie dagen, een plotselinge dood, zooals bij madame de Guersaint. Op een avond, toen hij als een krankzinnige rondgeloopen had, om een dokter te vinden, had hij haar bij zijn terugkomst dood, onbeweeglijk, bleek gevonden; op zijn lippen voelde hij nog steeds de ijskoude aanraking van haar lippen. Van de rest herinnerde hij zich niets meer, niets van het waken bij de doode, niets van de voorbereidselen, niets van de begrafenis. Dat alles was verdwenen in het duister van zijn wezenloosheid, een zoo woest verdriet, dat hij er bijna aan gestorven was. Na den terugkeer van het kerkhof rilde hij van de koorts, een slijmkoorts, die hem drie weken lang tusschen leven en dood had doen zweven.
Zijn broeder was hem komen verplegen; daarna had Guillaume zich bezig gehouden met de regeling van de erfenis, hem het huis en een kleine rente overlatend, terwijl hij zelf zijn deel in contanten nam; vervolgens was hij, toen hij zag, dat zijn broer buiten gevaar was, weer weggegaan en naar zijn verborgen hoek teruggekeerd. Maar welk een langzaam herstel in dat eenzame verlaten huis! Pierre had niets gedaan, om Guillaume terug te houden, want hij begreep, dat er een afgrond tusschen hen gaapte. In den beginne had hij onder die eenzaamheid geleden. Doch later was zij hem lief geworden in de groote stilte der kamer, die niet door geluiden van buiten gestoord werd, en onder de vredige schaduw van den kleinen tuin, waarin hij geheele dagen zitten kon, zonder een levende ziel te zien. Zijn geliefkoosd toevluchtsoord was het oude laboratorium, de werkkamer van zijn vader, dat zijn moeder twintig jaar lang zorgvuldig gesloten gehouden had, als om er het verleden van ongeloof en verdoemenis in op te sluiten. Misschien zou zij, ondanks haar zachtmoedigheid en haar eerbiedige vereering voor den doode, er ten slotte toch toe zijn overgegaan, om de boeken en de papieren te vernietigen, indien de dood haar niet was komen overvallen. Pierre had de kamer goed laten luchten, het bureau en de boekenkast laten afstoffen, had den grooten lederen fauteuil tot den zijne gemaakt en bracht er heerlijke uren in door; door zijn ziekte als wedergeboren en zich opnieuw in zijn jeugd teruggebracht voelend, genoot hij van het lezen der boeken, die hem in handen kwamen, als van een zeldzaam intellectueel genot.
Gedurende die twaalf maanden van langzaam herstel, had hij, voor zoover hij zich herinneren kon, niemand ontvangen dan dr. Chassaigne, een oud vriend van zijn vader, een werkelijk knap geneesheer, die zich bescheiden hield bij zijn taak om te praktiseeren, wiens eenige eerzucht was zijn patiënten te genezen. Madame Froment had hij niet van den dood kunnen redden; maar hij beroemde er zich op den jongen priester genezen te hebben van een ernstige ziekte; van tijd tot tijd kwam hij, om hem wat afleiding te bezorgen, nog eens met hem praten en sprak dan voornamelijk over Pierre’s vader, den grooten scheikundige; hij was onuitputtelijk in allerlei anecdoten over den doode, in allerlei bijzonderheden, waarin nog altijd zijn warme vriendschap doorstraalde. Op die wijze had gedurende zijn langzaam herstel de zoon zich van zijn vader langzamerhand een beeld van beminlijken eenvoud, van goedheid en gulle hartelijkheid gevormd. Dat was zijn vader, zooals hij werkelijk was, en niet de man van strenge wetenschap, zooals hij hem zich vroeger, naar wat zijn moeder altijd vertelde, voorgesteld had. Zeker, zij had hem nooit iets anders geleerd dan een eerbiedig opzien tegen den dierbaren doode; maar was hij niet de ongeloovige, de godloochenaar, die de engelen deed weenen, de medewerker aan de goddeloosheid, die zich tegen het werk van God richtte. Op die wijze was hij een schrikbeeld der duisternis gebleven, de verdoemde, die als een spook door het huis zwierf, terwijl hij er nu het vriendelijke, glimlachende licht van werd, een door vurigen waarheidsdrang bezield werker, die nooit iets anders nagejaagd had dan de liefde en het geluk van allen. Dr. Chassaigne, een zoon der Pyrenaeën, geboren in een dorp, waarin men nog aan tooverheksen geloofde, voelde zich eerder aangetrokken tot den godsdienst, ook al had hij in de veertig jaren, dat hij te Parijs woonde, geen voet in de kerk gezet. Maar van één ding was hij volkomen zeker: als er ergens een hemel was, dan zou Michel Froment daar zijn, en wel gezeten op een troon aan de rechterhand van God.
En nog eenmaal herleefde Pierre in enkele minuten de vreeselijke crisis, die gedurende twee maanden hem gemarteld had. Niet zoozeer, dat hij in de bibliotheek boeken van anti-religieuze strekking gevonden had of dat zijn vader, wiens papieren hij ordende, zich ooit buiten het gebied van zijn technische onderzoeking bewogen had, neen, er was langzamerhand, ondanks zijn wil, in hem een wetenschappelijke klaarheid gekomen, er had zich in hem een geheel van bewezen verschijnselen gevormd, die de dogma’s vernietigden en in hem niets overlieten van al die dingen, waaraan hij moest gelooven. Het was, alsof zijn ziekte hem een wedergeboorte had doen ondergaan, alsof hij opnieuw begon te leven en te leeren in den weldadig-aandoenden terugkeer van zijn krachten, die aan zijn verstand een zoo doordringende helderheid gaf. Op het seminarie had hij, op raad van zijn leeraren, zijn wetensdrang, zijn zucht tot onderzoek steeds beteugeld. Wat men hem leerde, verbaasde hem wel, maar hij had toen het offer van zijn verstand, dat men van zijn vroomheid eischte, gebracht. En nu stortte deze met zooveel zorg en inspanning opgebouwde stelling van het dogma ineen door een opstand van het souvereine verstand, dat zijn rechten opeischte, dat hij niet meer tot zwijgen dwingen kon. De waarheid borrelde op, brak zich met zoo’n onweerstaanbare kracht baan, dat hij begrepen had nooit meer de dwaling te kunnen laten zegevieren. Het was de volkome, de onherstelbare debacle van het geloof. Al had hij het vleesch in zich kunnen dooden door afstand te doen van zijn jeugdroman, al voelde hij zich zoozeer heer en meester over zijn zinnelijke lusten, dat hij eigenlijk opgehouden had man te zijn, hij wist nu, dat het offer van zijn verstand onmogelijk meer te brengen zou zijn. En hij vergiste zich niet, het was zijn vader, die diep in zijn binnenste herleefde, die in de overgeleverde twee-eenheid, waarin zijn moeder zoo lang als heerscheresse getroond had, de overwinning behaalde. Zijn recht, torenvormig voorhoofd scheen nog hooger geworden te zijn, terwijl zijn spitse kin en zijn week-teedere mond nog meer naar achteren sprongen. En toch leed hij er onder, was hij radeloos van smart niet meer te kunnen gelooven, van verlangen om het nog te willen, wanneer zijn goed hart, zijn behoefte aan liefde in de schemeruren weer in hem ontwaakten; dan moest eerst de lamp komen, moest hij eerst weer duidelijk om en in zich kunnen zien, om de energie en kalmte van zijn verstand, de kracht voor het martelaarschap, den wil om alles voor den vrede van zijn geweten op te offeren, terug te vinden.
Toen was de crisis uitgebroken. Hij was priester en geloofde niet meer. Als een bodemlooze afgrond gaapte dit plotseling voor zijn voeten. Wat was het einde van zijn leven, de ineenstorting van alles. Wat moest hij doen? Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane van zich te werpen en in de wereld terug te keeren? Maar hij had reeds zulke afvallige priesters gezien en ze veracht. Een getrouwde priester, dien hij kende, vervulde hem met walging. Ongetwijfeld was dat nog slechts een overblijfsel van zijn lange religieuze opvoeding: hij hield nog vast aan de gedachte van de onschendbaarheid van het priesterschap, de gedachte, dat hij, die zich eenmaal aan God gegeven had, zich niet meer vrij maken kon. Misschien ook voelde hij zich reeds te zeer gebrandmerkt, te zeer verschillend van de anderen, zoodat hij bang zijn moest onbeholpen en onwelkom te zullen wezen. En na lange dagen vol kwelling en strijd, waarin zijn verlangen naar geluk en de levenskracht van zijn teruggekeerde gezondheid worstelden, nam hij het heldhaftige besluit priester, en een eerlijk priester te blijven. Hij zou de kracht tot deze verzaking hebben. Nu hij, al was het hem dan niet gelukt zijn verstand het zwijgen op te leggen, het vleesch in zich gedood had, deed hij zichzelf de plechtige gelofte zijn eed van kuischheid te houden; dat was het onwankelbare, dat was het reine en rechtschapen leven, dat hij volkomen zeker was te zullen leiden. Wat kwam het overige erop aan, indien hij alleen maar behoefde te lijden, indien niemand ter wereld den uitgedoofden vulkaan in zijn hart, de nietswaardigheid van zijn geloof, den afgrijselijken leugen, waarin hij zich ten doode kwelde, vermoedde. Zijn krachtige steun zou zijn rechtschapenheid zijn, hij zou zijn priesterambt blijven vervullen als een eerlijk man, zonder een der geloften, die hij uitgesproken had, te verbreken, door volgens de kerkelijke voorschriften zijn plichten te blijven vervullen als dienaar van God, dien hij zou prediken, dien hij zou dienen aan het altaar, dien hij als brood des levens onder de geloovigen uitdeelen zou. Wie zou het hem dan als een misdaad aanrekenen, dat hij zijn geloof verloren had, gesteld dat dit groote ongeluk eens bekend worden zou? En wat kon men nog meer van hem vragen? Had hij niet zijn geheele leven geofferd aan zijn eed; had hij zijn priesterambt niet hoog gehouden; had hij niet alle goede werken der Christelijke liefde gedaan zonder eenige hoop op een toekomstige belooning? Zoo had hij langzamerhand de kalmte in zich doen wederkeeren, het hoofd nog omhoog, in die troostelooze verhevenheid van den priester, die zelf niet meer gelooft en blijft waken over het geloof van anderen. Hij stond ongetwijfeld niet alleen, hij voelde, dat hij broeders had, priesters, die, hoewel door twijfel en ongeloof gemarteld, toch op het altaar bleven als soldaten zonder vaderland, toch den moed hadden de goddelijke illusie te doen lichten over de neergeknielde scharen.
Na zijn volkomen herstel had Pierre zijn dienst in de kleine kerk te Neuilly weer hervat. Iederen ochtend las hij er de mis. Maar hij was vastbesloten iedere plaats, iedere bevordering te weigeren. Maanden, jaren verliepen: halsstarrig bleef hij bij zijn besluit een gewoon priester te zijn, de meest onbekende, de nederigste der priesters, die men in een parochie duldt, die komen en weer gaan, wanneer zij zich van hun plicht gekweten hebben. Iedere waardigheid, die hij erbij aanvaarden zou, zou hem een verergering van zijn leugen geschenen zijn, een roof tegenover hen, die het meer verdienden. En hij moest voor talrijke aanbiedingen bedanken, want zijn verdiensten konden niet onopgemerkt blijven: men verwonderde zich in het aartsbisschoppelijk paleis over die hardnekkige bescheidenheid, had van de kracht, die men in hem vermoedde, gebruik willen maken. Slechts hoogst zelden voelde hij een spijt in zich opkomen, dat hij niet nuttig kon zijn, dat hij zich niet met hart en ziel geven kon aan een grootsch en verheven werk, aan het weder brengen van vrede op aarde, aan het heil en het geluk der menschheid. Gelukkig had hij zijn dagen vrij en kon hij troost zoeken in een ware werkwoede; hij verslond alle boeken uit de bibliotheek van zijn vader, vatte zijn vroegere studiën en onderzoekingen weer op, hield zich vooral bezig met de geschiedenis der menschheid, verteerd als hij werd door de begeerte om het maatschappelijke en religieuze kwaad in zijn oorsprong na te gaan, om zich te vergewissen of er dan werkelijk niets aan te verhelpen was.
Op een ochtend, dat hij in een der groote schuifladen onder in de boekenkast zocht, had Pierre een dossier ontdekt over de verschijning te Lourdes. Er bevonden zich zeer volledige en belangrijke documenten in, afschriften van de verhooren van Bernadette, administratieve processen-verbaal, politierapporten, geneeskundige verklaringen en onderzoekingen, ongerekend nog particuliere en vertrouwelijke brieven, die van het grootste belang waren. Verbaasd over deze vondst, had hij er met dr. Chassaigne over gesproken, die zich herinnerde, dat zijn vriend Michel Froment indertijd het geval van Bernadette bestudeerd had; hij zelf, die in een dorpje dicht bij Lourdes geboren was, had zijn tusschenkomst verleend om den scheikundige een gedeelte van het dossier te bezorgen. Op zijn beurt had Pierre zich toen een maand lang met niets anders dan met dat geval beziggehouden, aangetrokken als hij zich gevoelde door de rechtschapen en reine figuur der helderziende, maar tevens in opstand komend tegen wat eruit voortgekomen was, tegen het fetichisme, het jammerlijk bijgeloof, de triompheerende simonie. In zijn worsteling met het ongeloof was deze geschiedenis uitermate geschikt om de ineenstorting van zijn geloof te verhaasten. Maar tevens had zij zijn weetgierigheid geprikkeld; hij zou een onderzoek hebben willen instellen, de onbetwistbare wetenschappelijke waarheid aan het licht brengen, aan het reine, zuivere Christendom den dienst bewijzen haar te bevrijden van die slak, van dit zoo roerend en kinderlijk tooversprookje. Dan had hij zijn studie moeten opgeven, daar hij te veel opzag tegen een reis naar de Grot en de groote moeilijkheden, waarmede hij te kampen zou hebben om de inlichtingen, die hem nog ontbraken, te verkrijgen; in hem bleef nog slechts voortleven een teeder gevoel voor Bernadette, aan wie hij niet denken kon zonder een wonder-mooi gevoel van bekoring en een eindeloos medelijden.
De dagen verstreken en Pierre’s leven werd hoe langer hoe eenzamer. In een aanval van doodelijke ongerustheid was dr. Chassaigne plotseling naar de Pyrenaeën vertrokken: hij had zijn praktijk in den steek gelaten en zijn zieke vrouw, die hij en zijn dochter, een knap jong meisje, dagelijks meer achteruit zagen gaan, naar Cauterets gebracht. Van af dat oogenblik was het in het kleine huisje te Neuilly akelig-stil geworden. Pierre’s eenige afleiding bestond in de bezoeken, welke hij nu en dan bij de Guersaints aflegde, die intusschen verhuisd waren, maar die hij in een kleine woning achter in een der armzaligste straten van de wijk teruggevonden had. En de herinnering aan zijn eerste bezoek daar stond hem nog zoo levendig voor den geest, dat hij nog een steek in zijn hart voelde, wanneer hij zich zijn ontroering bij het zien van die arme Marie herinnerde.
Hij ontwaakte uit zijn gepeins, keek om zich heen en zag Marie op de bank liggen, zooals hij haar toen teruggevonden had in die op een dakgoot gelijkende kist, waaraan wielen aangebracht konden worden, om haar voort te bewegen. Zij, vroeger zoo overvloeiend van levenslust, altijd bereid om rond te springen en te lachen, leed diep onder dat gedwongen niets doen, dat gedwongen stil liggen. Van vroeger had zij nog slechts haar lokken, die haar als een gouden mantel omhulden, zij was zoo mager, dat zij kleiner geworden scheen te zijn, weer het figuurtje van een kind gekregen scheen te hebben. Wat echter in dat bleeke gezicht het pijnlijkst was om aan te zien, dat waren die levenlooze starende blikken, die niets zagen, die een uitdrukking van wezenloosheid, van geheel opgaan in haar ziekte hadden. Toch merkte zij, dat hij haar aankeek, en zij wilde tegen hem glimlachen. Maar slechts een zucht ontsnapte haar lippen, en hoe pijnlijk was het glimlachje van dit arme, verlamde wezentje, dat overtuigd was te zullen sterven vóór het wonder! Hij werd er diep door ontroerd, hij hoorde nog slechts haar, zag nog slechts haar te midden van al het lijden, dat de wagon herbergde, ja alsof zij al dat lijden samengevat had in den langen doodsstrijd van haar schoonheid, haar opgewektheid en haar jeugd.
En langzamerhand keerde Pierre, zonder dat zijn oogen Marie loslieten, terug naar het verleden, doorleefde hij nog eens de uren vol bittere en droeve bekoring, die hij bij haar doorgemaakt had, wanneer hij haar in het kleine, armelijke woninkje gezelschap houden ging. Mijnheer de Guersaint had zich geheel en al geruïneerd door verbetering te willen brengen in de kerkelijke platen, wier middelmatigheid hem een doorn in het oog was. Zijn laatste sous waren verdwenen in het faillissement van een kleurendrukkerij; in zijn verstrooidheid en in zijn gebrek aan doorzicht had hij niets gemerkt van de verschrikkelijke armoede, die hij steeds grooter maakte; in de voortdurende illusie van zijn kinderlijke ziel verliet hij zich geheel op God en was al weer bezig met het probleem van een bestuurbaren luchtballon, zonder zelfs te zien, dat zijn oudste dochter Blanche zich bovenmenschelijk moest inspannen om tenminste in het levensonderhoud te voorzien van het kleine gezin, van haar twee kinderen, zooals zij haar vader en haar zuster noemde. Blanche was het ook, die het geld, dat de verpleging van Marie eischte, vond door van den vroegen ochtend tot den laten avond in modder en stof geheel Parijs af te draven, om taal- en pianolessen te geven. Marie was dikwijls de wanhoop nabij, barstte dan in tranen uit en verweet zichzelf, dat zij de hoofdoorzaak van den ondergang was, omdat men voor haar nu reeds zoovele jaren lang hooge doktersrekeningen betalen moest, haar alle denkbare badplaatsen, la Bourboule, Aix, Lamalou, Amélie-les-Bains had moeten laten bezoeken. Thans, na tien jaar van tegenstrijdige diagnosen en behandelingen, hadden de doktoren haar opgegeven; sommigen dachten, dat de groote ligamenten gebroken waren, anderen geloofden aan de aanwezigheid van een tumor, nog anderen weer aan een verlamming, die uit het ruggemerg voortkwam. En daar zij in haar maagdelijk schaamtegevoel ieder nader onderzoek weigerde en de doktoren zelf geen dieper op de kwestie ingaande vragen durfden doen, hield ieder zich aan zijn eigen diagnose en verklaarde, dat zij niet beter worden kon. Trouwens, streng vroom als zij na haar ziekte geworden was, rekende zij nog slechts op Gods hulp. Haar grootste verdriet was, dat zij niet meer naar de kerk kon gaan, en zij las iederen ochtend de mis. Haar verlamde beenen schenen afgestorven te zijn en bij tusschenpoozen was zij zoo zwak, dat haar zuster haar helpen moest met eten.
Op dat oogenblik kwam weer een andere herinnering bij Pierre boven. Het was op een avond, nog voor de lamp op was. Hij zat naast haar in het donker en plotseling had Marie hem gezegd, dat zij naar Lourdes wilde gaan, dat zij zeker was genezen terug te zullen komen. Hij had zich bij die woorden alles behalve op zijn gemak gevoeld, en, zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezend, uitgeroepen, dat het een dwaasheid was om aan dergelijke bakerpraatjes te gelooven. Nooit had hij met haar over godsdienst gesproken, steeds had hij geweigerd haar de biecht af te nemen, ja zelfs haar raad te geven bij de kleine gewetensbezwaren, die zij als strenggeloovige had. Een zeker schaamtegevoel en een zeker medelijden hadden hem daarvan afgehouden; want zou het hem eenerzijds zwaar gevallen zijn haar voor te liegen, anderzijds zou hij zich als een misdadiger beschouwd hebben, indien hij ook maar met één ademtocht dat mooie reine geloof, dat haar sterk maakte tegen het lijden, bezoedeld had. Hij nam het zich dan ook ten zeerste kwalijk, dat hij dien kreet niet had kunnen inhouden, en zijn verwarring werd nog grooter, toen hij gevoeld had, hoe de kleine, klamme hand der zieke de zijne vastgreep; en in de duisternis haar schroom overwinnend, had zij hem met stokkende stem durven zeggen, dat zij zijn geheim wist, dat zij zijn ongeluk kende, die voor een priester zoo afschuwelijke ellende, om niet meer te kunnen gelooven. In hun gesprekken had hij, ondanks zichzelf, alles gezegd, was zij met de fijne intuïtie van een zieke vriendin doorgedrongen tot in het diepst van zijn geweten. Zij maakte zich vreeselijk bezorgd over hem, beklaagde hem om zijn ongeneeslijke ziekte nog meer dan zichzelf. En toen hij, diep ontroerd, geen antwoord wist te vinden en door zijn zwijgen de waarheid bekende, was zij weer over Lourdes begonnen te praten, voegde zij er op zachten toon aan toe, dat zij ook hem wilde toevertrouwen aan de Heilige Maagd en haar smeeken, hem zijn geloof terug te geven. En van dien avond af had zij niet opgehouden telkens en telkens weer te herhalen, dat zij, als zij naar Lourdes ging, beter worden zou. Maar de geldquaestie, waarover zij met haar zuster zelfs niet had durven praten, was de groote hinderpaal. Twee maanden verliepen; zij werd met den dag zwakker, zij putte haar krachten uit in droomen, haar blikken steeds in de verte gericht op de stralende schittering van de Wondergrot.
Pierre maakte toen zware dagen door. In den beginne had hij Marie beslist geweigerd met haar mede te gaan. Doch later was dat vaste besluit aan het wankelen gebracht door het denkbeeld, dat hij, wanneer hij tot de reis besloot, die tevens dienstbaar maken kon aan zijn onderzoek over Bernadette, wier bekoorlijke figuur geen oogenblik uit zijn gedachten was. En eindelijk voelde hij een zacht gevoel, een hoop, die hij zichzelf niet bekennen wilde, hem doortrillen bij de gedachte, dat Marie misschien gelijk had, dat de Heilige Maagd zich ook over hem zou kunnen erbarmen door hem het blinde geloof, dat geloof van het kleine kind, dat lief heeft en niet redeneert, terug te geven. O, met hart en ziel te kunnen gelooven, geheel en al in het geloof te kunnen opgaan. Een ander geluk was ongetwijfeld niet meer mogelijk. Hij snakte naar het geloof met al de vreugde van zijn jeugd, wet al de liefde, die hij voor zijn moeder gehad had, met geheel het brandende verlangen om te ontsnappen aan de marteling om te willen weten en begrijpen, om voor altijd in te slapen in de schoot der goddelijke onwetendheid. Het was heerlijk en laf tegelijk, dat hoopvol verlangen om niets meer te zijn, niets meer te zijn dan een ding in Gods handen. En zoo kwam ook in hem de begeerte het uiterste middel te beproeven.
Een week later was tot de reis naar Lourdes besloten. Doch Pierre had een laatste consult van geneesheeren geëischt, om te weten of Marie werkelijk nog vervoerd kon worden; en dat was ook weer een tooneel, dat hem steeds levendig voor den geest stond, en waarvan hij sommige bijzonderheden duidelijk voor zich zag, terwijl andere daarentegen reeds uit zijn geheugen waren verdreven. Twee doktoren, die vroeger de zieke behandeld hadden en waarvan de een aan een breuk der groote ligamenten geloofde en de ander de ziekte weet aan een verlamming tengevolge van een beleediging van het ruggemerg, waren het ten slotte eens geworden over die verlamming in verband met verwondingen aan de groote ligamenten: alle symptomen wezen er op, het geval scheen hun zoo duidelijk, dat zij niet geaarzeld hadden een bijna gelijkluidend certificaat af te geven. Verder geloofden zij, dat de reis mogelijk, maar zeer pijnlijk zou zijn. Dat deed Pierre besluiten, want hij vond, dat de heeren zeer voorzichtig waren en zooveel mogelijk getracht hadden de waarheid te vinden. Hij had nog slechts een vage herinnering aan den derden geneesheer, Beauclair, een achterneef van hem, een nog jongen man met een helder inzicht, die nog weinig bekend was, en naar men beweerde, een zonderling. Nadat hij Marie langen tijd aangekeken en opgenomen had, had hij sterk geïnformeerd naar haar voorouders en met zeer veel belangstelling geluisterd naar wat men hem vertelde over mijnheer de Guersaint, den architect, die zich verbeeldde een uitvinder te zijn, met zijn zwak karakter en overdreven phantasie; daarna had hij het gezichtsveld van Marie willen weten en zich, door haar op bescheiden wijze te bekloppen, vergewist, dat de pijn zich ten slotte gelocaliseerd had in den linker eierstok, en dat de pijn, wanneer men op die plek drukte, als een dikke massa, die haar dreigde te doen stikken, naar haar keel scheen op te stijgen. De verlamming der beenen achtte hij blijkbaar van weinig of geen beteekenis. En op een hem op den man af gedane vraag had hij uitgeroepen, dat men haar naar Lourdes moest brengen, dat zij er ongetwijfeld zou genezen, als zij de vaste overtuiging bezat daar beter te zullen worden. Hij sprak ernstig over Lourdes; het geloof was voldoende, twee van zijn patiënten, zeer vrome dames, die hij er het vorige jaar heen gezonden had, waren stralend van gezondheid teruggekomen. Zelfs voorspelde hij, hoe het wonder geschieden zou: als bij tooverslag, bij een ontwaken, in een exaltatie van het geheele wezen, waarin de kwaal, die verschrikkelijke, duivelsche drukking, waaronder het jonge meisje bijna stikte, nog voor een laatste maal opstijgen en dan verdwijnen zou, alsof hij door haar mond ontsnapte. Maar hij weigerde beslist een certificaat af te geven. Hij was het niet eens met zijn twee collega’s, die hem zoo’n beetje uit de hoogte als een kwakzalver behandelden. Pierre had, al was het vaag, enkele gedeelten der discussie, die in zijn tegenwoordigheid gehouden was, en enkele brokstukken van de door Beauclair opgestelde diagnose onthouden: een ontwrichting van het orgaan met een lichte scheuring der ligamenten tengevolge van den val van het paard, vervolgens een langzaam herstel, waarbij alles weer op zijn juiste plaats gekomen was, waarop verschillende nerveuze aanvallen kort op elkaar gevolgd waren, zoodat de zieke verder slechts geleefd zou hebben onder de obsessie van haar eersten angst, al haar denken was thans geconcentreerd op het beleedigde punt, onbeweeglijk lag zij neer in toenemende pijnen, terwijl zij niet in staat was nieuwe voorstellingen in zich op te nemen, tenzij onder de krachtige inwerking van een hevige gemoedsaandoening. Overigens gaf hij toe, dat er bijkomende voedingsstoornissen konden zijn, doch deze waren nog te weinig onderzocht om het belang en den loop ervan te kunnen aangeven. Maar het denkbeeld, dat Marie’s kwaal ingebeeld kon zijn, dat de hevige pijnen, die haar martelden, afkomstig zouden kunnen zijn van een reeds lang geleden herstelde kwetsuur, was Pierre, toen hij haar daar zoo zag liggen met haar reeds afgestorven beenen, zoo paradoxaal voorgekomen, dat hij er niet verder bij was blijven stil staan, blij bovendien als hij was, dat de drie dokters eenstemmig de reis naar Lourdes toestonden. Het was voor hem voldoende, dat zij genezen kon; daarvoor zou hij met haar naar het eind der wereld gegaan zijn.
O, die laatste dagen te Parijs, in welk een drukte en opwinding had hij ze doorleefd! De nationale bedevaart stond op het punt te vertrekken, hij was op het denkbeeld gekomen Marie in de Hospitalité te laten opnemen, ten einde groote kosten te vermijden. Verder had hij zich allerlei bezoeken moeten getroosten, om zelf bij de Hospitalité de Notre-Dame de Salut geplaatst te worden. Mijnheer de Guersaint was in den zevenden hemel, want hij hield van de natuur en brandde van verlangen, om de Pyrenaeën te leeren kennen; hij bekommerde zich natuurlijk om niets, beschouwde het als een van zelf sprekend feit, dat de jonge priester de reis voor hem betaalde en in het hotel daarginds voor hem zorgde als voor een kind; en toen zijn dochter Blanche hem op het allerlaatste oogenblik een louis in zijn hand stopte, vond hij zich den koning te rijk. Die arme en heldhaftige Blanche bezat een geheimen schat, een spaarduitje van vijftig francs, die ze, om haar niet boos te maken, wel hadden moeten aannemen, want zij wilde ook medehelpen aan de genezing van haar zuster, al kon zij de reis niet medemaken, teruggehouden als zij werd door haar lessen te Parijs, dat zij in alle richtingen door bleef trekken, terwijl de haren daar ver weg neerknielden tusschen de verrukkingen der Grot. En zoo waren zij dan vertrokken en reden zij nu voort, reden zij steeds verder door.
Bij het station Châtellerault deed een plotseling geroezemoes van stemmen Pierre uit zijn overpeinzingen opschrikken. Wat! Waren zij reeds te Poitiers? Maar het was nauwlijks twaalf uur. Neen, zuster Hyacinthe liet het Angelus bidden, de drie driemaal herhaalde Ave’s. De stemmen stierven weg, een nieuw gezang, dat langzamerhand in een klaaglied veranderde, werd aangeheven. Nog vijf-en-dertig lange minuten voor ze te Poitiers waren, waar, zooals het scheen, het oponthoud van een half uur aller lijden zou verzachten. Allen voelden zich zoo onbehaaglijk, werden zoo onbarmhartig heen en weer geschud in dien verpesten, gloeiend-heeten wagon. De ellende was te groot, dikke tranen rolden over de wangen van madame Vincent, een gesmoorde vloek was ontsnapt aan de lippen van Mijnheer Sabathier, die anders zoo lijdzaam en geduldig was, terwijl broeder Isidore, la Grivotte en madame Vêtu niet meer schenen te leven en op wrakhout geleken, dat door den stroom werd medegevoerd. Marie had haar oogen gesloten en antwoordde niet meer; zij wilde ze niet meer open doen, vervolgd als zij werd door den vreeselijken aanblik van het gezicht van Elise Rouquet, dat half weggevreten, open hoofd, dat voor haar het beeld van den dood was. En terwijl de trein, die deze menschelijke troostelooze ellende met zich voerde onder den onweerzwangeren hemel, zijn vaart door de gloeiende velden versnelde, werden allen door een nieuwe schrik aangegrepen. De man ademde niet meer, een stem riep, dat hij gestorven was.
III.
Zoodra de trein te Poitiers stil stond, haastte zuster Hyacinthe zich uit te stappen, te midden van het gedrang der stationskruiers, die de portieren openden, en van de pelgrims, die zich naar buiten drongen.
“Wacht even, wacht even!” riep zij steeds. “Laat mij het eerst uitstappen; ik wil zien, of het werkelijk afgeloopen is.”
Toen zij in het andere compartiment weer ingestapt was, lichtte zij het hoofd van den man op; eerst geloofde zij ook, dat hij inderdaad gestorven was, toen zij hem daar zoo bleek en met wezenlooze oogen liggen zag.
“Neen, neen, hij ademt nog. Gauw, we moeten opschieten!”
En zich wendend tot de andere zuster, die achter in den wagon het toezicht hield: “Ach, zuster Claire des Anges, wees zoo goed en ga dadelijk pater Massias, die in het derde of vierde rijtuig zijn moet, halen. Zeg hem, dat wij een zieke hebben, die in levensgevaar verkeert, en dat hij dadelijk met het Heilig Oliesel komt.”
Zonder te antwoorden verdween de zuster in de drukte. Zij was klein, fijn gebouwd en teer, met een peinzend gelaat en sprookjesoogen, maar toch steeds in de weer.
Pierre, die staande in het andere compartiment het tooneel volgde, veroorloofde zich een opmerking.
“Zou het misschien niet gewenscht zijn ook den dokter te halen?”
“Zeker, daar dacht ik ook juist aan,” antwoordde zuster Hyacinthe. “O, mijnheer de abbé, als u de goedheid zoudt willen hebben zelf eens te gaan kijken.”
Pierre was juist van plan in den cantinewagen een kop bouillon te halen. De zieke, die zich wat verlicht gevoelde, nu zij niet meer heen en weer geschud werd, had haar oogen weer opengedaan en zich door haar vader in zittende houding laten oprichten. Zij zou in haar vurig verlangen naar frissche lucht wel graag gewild hebben, dat ze een oogenblik op het perron gezet was, maar zij voelde, dat dat te veel gevraagd zou zijn en het te veel moeite kosten zou, om haar straks weer in den wagon te krijgen. Mijnheer de Guersaint, die evenals de meeste pelgrims en zieken in den trein ontbeten had, bleef dicht bij het geopende portier een sigaret staan rooken, terwijl Pierre naar den cantinewagen liep, waarin zich eveneens de dienstdoende geneesheer met een kleine apotheek bevond.
In den wagon waren ook de andere zieken gebleven, die men met den besten wil van de wereld niet naar buiten kon brengen. La Grivotte had telkens benauwende hoestaanvallen en ijlde; zij belette ook madame de Jonquière weg te gaan, die met haar dochter Raymonde, madame Volmar en madame Désagneaux afgesproken had gezamenlijk in de wachtkamer te ontbijten. Maar hoe kon zij dat ongelukkige schepsel, dat ieder oogenblik den geest kon geven, alleen op die harde bank achterlaten? Marthe was ook gebleven bij haar broeder, den zendeling, die maar steeds door bleef kreunen. Aan zijn plaats als vastgenageld, wachtte mijnheer Sabathier op zijn vrouw, die een tros druiven voor hem was gaan halen. De anderen, die loopen konden, drongen naar de deur, om uit te stappen, ten einde een oogenblik den wagon vol jammer en ellende, waarin hun ledematen in de zeven lange uren, die de reis geduurd had, stijf geworden waren, te ontvluchten. Madame Maze had zich dadelijk van de anderen verwijderd en een eenzaam hoekje van het station gezocht, waar zij dadelijk weer in haar gewone melancholie terugviel. Versuft van smart had madame Vêtu, die met moeite eenige stappen gedaan had, zich neer laten vallen op een bank midden in de zon, waarvan zij het branden echter niet eens voelde, terwijl Elise Rouquet, die haar zwarte sluier weer omgedaan had, in haar verlangen naar frisch water overal naar een fonteintje zocht. Madame Vincent liep langzaam met de kleine Rose op haar arm heen en weer; zij glimlachte tegen de kleine en trachtte haar wat op te vroolijken door haar schreeuwend gekleurde platen aan te wijzen, waar het kind naar keek, zonder ze echter te zien.
Intusschen kostte het Pierre de grootste moeite zich een weg te banen door de dichte menigte, die het perron overstroomde. Men kon zich geen voorstelling maken van dien levenden stroom van gebrekkigen en gezonden, die den trein verlaten hadden, meer dan achthonderd personen liepen door elkaar heen en verdrongen elkaar. Iedere wagon had zijn ellende uitgestort als een ziekenhuiszaal, die men ontruimt; nu kon men zien, welk een schrikwekkend aantal kwalen deze verschrikkelijke witte trein met zich voerde. Hier sleepten zieken zich voort, anderen werden gedragen, de meesten echter bleven dicht bij elkaar op het trottoir staan. Hier hoorde men plotseling gillen en schreeuwen; daar haastte men zich naar de wachtkamer of de restauratie. Ieder wilde zoo spoedig mogelijk den inwendigen mensch versterken. Het was zoo kort, dit half uur oponthoud, het eenige, dat zij voor Lourdes zouden hebben. En het eenige vroolijke te midden van de zwarte soutanes, van de afgedragen en verschoten kleeren der armen, was het lachende wit der kleine zusters van Maria Hemelvaart, die in haar sneeuwige mutsjes, sluiers en schorten druk af en aan liepen.
Toen Pierre eindelijk bij den kantinewagen, die zich midden in den trein bevond, kwam, vond hij dien reeds belegerd. Er was daar een petroleumfornuis en een geheel volledige kleine keukeninstallatie. De bouillon, die van geconcentreerd vleeschnat gemaakt werd, stond te warmen in plaatijzeren ketels, de in doozen van één liter gecondenseerde melk werd slechts aangelengd en bruikbaar gemaakt, wanneer ze noodig was. Enkele andere artikelen, als beschuit, druiven en chocolade werden bewaard in een soort kast. Maar bij het zien van al die handen, welke zich begeerig naar haar uitstrekten, verloor zuster Saint-François, een korte en gezette vrouw van vijf-en-veertig jaar met een vriendelijk, frisch gezicht, die met de leiding belast was, eenigszins het hoofd. Terwijl zij naar Pierre, die den dokter riep, welke zich met zijn reisapotheek in een ander compartiment van den wagen bevond, luisterde, moest zij met uitdeelen doorgaan. Maar toen de jonge priester haar vertelde van den man, die op sterven lag, liet zij zich vervangen, daar zij zelf den ongelukkige wilde zien.
“O ja, zuster, ik kwam ook nog een kop bouillon voor een zieke halen.”
“Goed, mijnheer de abbé, ik zal hem meenemen. Gaat u maar voor!”
Onder het wisselen van vragen en antwoorden spoedden de twee mannen zich voort, gevolgd door zuster Saint-François, die temidden van de dringende en stootende menschenmassa voorzichtig den kop bouillon droeg. De dokter was een donkere, krachtige, knappe jonge man van nog geen dertig jaar met den kop van een Romeinschen krijger, zooals men die nog aantreft in de door de zon verzengde landen van Provence. Zoodra zuster Hyacinthe hem zag, riep zij in blijde verrassing uit:
“Wat, bent u het, mijnheer Ferrand?”
Beiden waren een oogenblik perplex over die ontmoeting. De zusters van Maria Hemelvaart hadden de zware taak de armen te verplegen, en wel alleen die armen, welke niet betalen kunnen en hun doodsstrijd strijden in dakkamertjes; zoo brengen zij haar geheele leven door met de behoeftigen; zij richten zich huiselijk in bij het armzalige ziekbed in het enge vertrek, bewijzen den zieken de meest intieme diensten, zorgen voor het eten en de huishouding, leven daar als dienstboden en bloedverwanten tot aan het herstel of tot aan den dood. Zoo was op een goeden dag zuster Hyacinthe, nog heel jong toen, met haar frisch, melkblank gezichtje, waarin haar blauwe oogen aan één stuk door lachten, gekomen bij dezen jongen man, die toen nog studeerde en zware typheuse koortsen had; hij was zoo arm, dat hij in de rue du Four op een soort zolder onder de dakpannen woonde, die men alleen met een ladder bereiken kon. Zij had hem niet meer verlaten, had hem met haar hartstocht, om slechts voor anderen te leven, van den dood gered, zij, die als klein kind bij de deur van een kerk gevonden was en geen andere familie had als die der lijdenden, waaraan zij zich wijdde met den vurigen drang om lief te hebben. En welk een heerlijke maand was daarop gevolgd, welk een prachtige kameraadschap in deze reine verbroedering van het lijden! Wanneer hij haar “lieve zuster” noemde, dan was het werkelijk met zijn zuster, dat hij sprak. Zij was tegelijk zijn moeder ook, die hem oprichtte en weer neerlegde als haar kind, zonder dat er een andere band tusschen hen ontstaan was dan het innigste medelijden, de goddelijke liefde der barmhartigheid. Altijd was zij vroolijk, zonder geslachtelijke opwinding, met geen anderen drang dan om leed te verzachten en te troosten; en hij vereerde haar, aanbad haar en had aan haar de reinste en geestdriftigste herinnering bewaard.
“Zuster Hyacinthe! Zuster Hyacinthe!” mompelde hij verrukt.
Een bloot toeval bracht hen weer samen, want Ferrand was geen geloovige; dat hij zich hier bevond kwam, omdat hij op het allerlaatste oogenblik, wel had willen inspringen voor een vriend, die plotseling verhinderd was mede te gaan. Sedert bijna een jaar was hij assistent in de Pitié. Deze reis naar Lourdes onder zoo bijzondere omstandigheden vond hij zeer interessant.
Maar de vreugde van het wederzien deed hem heelemaal den zieke vergeten. Zij dacht er het eerst weer aan.
“Kijk, mijnheer Ferrand, daar hebt u den armen kerel. Wij hebben een oogenblik gedacht, dat hij dood was … Van af Amboise hebben we ons erg ongerust gemaakt en dadelijk bij aankomst hier heb ik om den priester met het Heilige oliesel gestuurd. Vindt u hem ook zoo minnetjes? Kunt u hem niet wat opwekken?”
De jonge dokter was reeds met het onderzoek begonnen; de andere zieken, die in den wagon gebleven waren, keken belangstellend toe. Marie, aan wie zuster Saint-François den kop bouillon gegeven had, hield dien met een zoo beverige hand vast, dat Pierre hem van haar moest overnemen en trachtte haar te laten drinken, maar zij kon den bouillon niet doorkrijgen, haar oogen waren vol angstige verwachting strak gevestigd op dien man, alsof het om haar eigen leven ging.
“Hoe vindt u hem?” vroeg zuster Hyacinthe weer. “Welke ziekte heeft hij?”
“Welke ziekte?” fluisterde Ferrand. “Hij heeft ze allemaal.”
Dan haalde hij een fleschje uit zijn zak en trachtte een paar droppels tusschen de op elkaar geklemde tanden van den zieke te gieten. Deze stootte een zucht uit, lichtte zijn oogleden even op, doch om ze dadelijk weer dicht te laten vallen; dat was alles, geen ander levensteeken gaf hij.
Zuster Hyacinthe, die anders altijd zoo kalm was en nooit haar zelfbeheersching verloor, werd nu ongeduldig.
“Maar dat is verschrikkelijk! En zuster Claire des Anges komt maar niet terug. Ik heb haar toch goed den wagon van pater Massias uitgeduid … Lieve God, wat moeten we doen?”
Zuster Saint-François, die inzag, dat zij zich hier toch niet nuttig maken kon, ging weer naar haar kantinewagen terug, maar eerst vroeg zij nog, of de man misschien niet van honger alleen omkwam; want dat gebeurde meer en zij was alleen maar gekomen om haar voorraden aan te bieden. Toen zij werkelijk wegging, beloofde zij, als zij haar toevallig tegenkwam, zuster Claire des Anges tot spoed te zullen aanzetten; zij was nog geen twintig meter verder of zij draaide zich om en wees met een groot gebaar naar de zuster, die alleen terugkwam.
Uit het portier leunend, riep zuster Hyacinthe haar toe.
“Kom dan toch, kom dan toch … En waar is pater Massias?”
“Die is er niet.”
“Wat, is die er niet?”
“Neen. Het gaf niets al haastte ik me nog zoo, je kunt gewoon niet tusschen al die menschen door. Toen ik bij den wagon kwam, was pater Massias al uitgestapt en had hij ongetwijfeld het station al verlaten.”
Zij vertelde, dat de pater, naar men haar gezegd had een afspraak had met den pastoor van Sainte-Radegonde. Vorige jaren had de nationale bedevaart hier een oponthoud van vier-en-twintig uur: de zieken werden dan in het stedelijk ziekenhuis ondergebracht, terwijl de anderen zich in processie naar Sainte-Radegonde begaven. Maar dit jaar was dit onmogelijk, de trein moest onmiddellijk door; en de pater had zeker nu een onderhoud met den pastoor.