TWEEDE DAG (continued 3)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Er hadden zich ergerlijke dingen voorgedaan: kinderen beweerden den duivel gezien te hebben; sommigen maakten zich daarbij aan leugens schuldig, anderen deden het onder den invloed van ziekelijke hallucinaties, die veroorzaakt werden door zenuwstoringen, welke als een besmettelijke ziekte om zich heen grepen. Maar wat een werk bracht de opruiming van de Grot met zich. De commissaris kon eerst tegen den avond een meisje vinden, dat hem een kar wilde verhuren; twee uren later brak dat meisje bij een val een rib. Eveneens werd den volgenden dag een man, die een bijl geleend had, door een steen een voet verpletterd. Eerst bij het invallen der schemering kon de commissaris onder het hoongelach der menigte de bloempotten, de enkele brandende kaarsen, de geldstukken en de zilveren harten, die in het zand lagen, medenemen. De menschen balden hun vuisten, scholden hem tusschen hun tanden uit voor dief en moordenaar. Dan werden de palen van het staketsel geslagen, de planken vastgespijkerd, een heel bouwwerk, dat het mysterie afsloot, den toegang tot het onbekende versperde en het wonder gevangen zette. En de burgerlijke overheden waren zoo naïef om te gelooven, dat het nu uit was, dat die enkele planken de armen, die dorstten naar illusie en hoop, zouden tegenhouden.
Zoodra de nieuwe godsdienst in den ban gedaan en door de wet als een misdaad vervolgd werd, laaide hij met een onuitbluschbare vlam in de zielen op. De geloovigen bleven in nog grooter getale komen, knielden op eenigen afstand van de Grot neder en snikten bij het zien van den hun verboden hemel. De zieken, de zieken vooral, aan wie een barbaarsch besluit genezing ontnam, stroomden ondanks het verbod toe, kropen door gaten, klommen, allen gedreven door de vurige begeerte om water te stelen, over alle hindernissen. Wat, er was daar wonderdadig water, dat het gezicht teruggaf aan de blinden, lammen weder deed loopen, alle ziekten onmiddellijk verlichtte, en nu waren er hooggeplaatste ambtenaren, wreed genoeg om dat water achter slot en grendel te zetten, opdat het niet langer de armen zou genezen? Het was monsterachtig wreed! Een kreet van vervloeking rees op uit het arme volk, uit de onterfden, die om te leven evenveel behoefte hadden aan het wonderbaarlijke als aan brood.
Volgens het overheidsbesluit moest tegen de overtreders proces-verbaal worden opgemaakt, en zoo zag men voor de rechtbank een rij van oude vrouwen en kreupele mannen trekken, die beschuldigd werden uit de levensbron geput te hebben. Zij stamelden, smeekten en begrepen het niet, wanneer ze een geldboete kregen. Maar buiten knorde en gromde de menigte, steeds grooter werd de volkswoede tegen die magistraten, die zoo hardvochtig waren voor de ellende hier beneden, die heeren zonder erbarmen, die eerst allen rijkdom aan zichzelf getrokken hadden en nu den armen zelfs hun droom van het hiernamaals, hun geloof, dat een hoogere en meedoogende macht zich met moederlijke liefde hun lot aantrok, niet gunden. Op een triesten morgen begaf zich een troep ellendigen en zieken naar den burgemeester; zij knielden neer op het plein en bezwoeren hem snikkend de Grot weer te laten openen; en wat zij zeiden was zoo ontroerend, dat iedereen weende.
Een moeder liet haar halfdood kind zien; moest men dat zoo in haar armen laten sterven, terwijl er een bron was, die de kinderen van andere moeders van den dood gered had? Een blinde wees op zijn omfloerste oogen, een bleeke, klierachtige jongen liet zijn beenwonden zien, een verlamde vrouw trachtte haar kromme handen te vouwen; wilde men hun dood, weigerde men hun de laatste goddelijke kans om te leven, nu de menschelijke wetenschap hen in den steek liet? En even groot was de verontwaardiging der geloovigen, van hen, die overtuigd waren, dat in de duisternis van hun droef bestaan een hoekje van den hemel opengegaan was, die er tegen op kwamen, dat men hun die hersenschimmige vreugde ontnam, de laatste troost in hun menschelijk en maatschappelijk lijden, om te gelooven, dat de Heilige Maagd eindelijk neergedaald was om hun het oneindige erbarmen van haar tusschenkomst te brengen. De burgemeester had niets kunnen beloven, en de menigte was weenend teruggegaan, bereid tot rebellie, als onder den invloed van een groote onrechtvaardigheid, van een dwaze wreedheid tegenover de kleine luiden en de eenvoudigen van geest, die de Hemel wreken zou.
Ettelijke maanden lang duurde de strijd. Het was een buitengewoon schouwspel die mannen van gezond verstand, den minister, den prefect, den commissaris van politie, allen ongetwijfeld door de beste bedoelingen bezield, zich te zien verzetten tegen de steeds aangroeiende menigte radeloozen, die niet wilden, dat men de poort van den droom voor hen sloot. De overheid eischte orde en rust, eerbied voor een verstandigen godsdienst en den triomf van het verstand, terwijl het volk in zijn overspannen begeerte naar heil in deze en in de wereld hiernamaals medegesleept werd door zijn drang naar geluk. O, niet meer te lijden, de gelijkheid van het geluk te veroveren, slechts leven onder de bescherming van een rechtvaardige en algoede Moeder, slechts sterven, om in den hemel weer te ontwaken! En noodzakelijkerwijze moest die brandende begeerte der scharen, die heilige waan van algemeen geluk en algemeene vreugde de starre opvatting wegvagen van een goed geregelde maatschappij, waarin de epidemisch terugkeerende aanvallen van religieuze hallucinaties als aanslagen op de rust van gezonde geesten veroordeeld worden.
Op dat oogenblik kwam de zaal Sainte-Honorine in opstand. Weer moest Pierre een oogenblik zijn verhaal onderbreken door de half gesmoorde uitroepen, die den commissaris voor Satan en Herodes uitmaakten. La Grivotte had zich op haar matras opgericht en stotterde:
“De monsters!… En de goede Heilige Maagd, die mij genezen heeft!”
Madame Vêtu, die ondanks haar onbewuste zekerheid, dat zij sterven zou, toch weer door hoop bezield werd, maakte zich woedend bij het denkbeeld, dat, als de prefect de overwinning behaald had, de Grot thans niet bestaan zou.
“Dan zouden er geen bedevaarten zijn, zouden wij hier niet zijn, zouden er niet ieder jaar honderden genezen!”
Een benauwdheid deed haar half stikken; zuster Hyacinthe moest haar komen oprichten. Madame de Jonquière maakte van de onderbreking gebruik, om aan een jonge vrouw, die aan ruggemergstering leed, den pot te geven. Twee andere vrouwen, die door de ondraaglijke hitte niet in haar bed konden blijven, liepen met kleine, zachte pasjes als witte schimmen in de walmende donkerte heen en weer; van het eind der zaal kwam uit de duisternis een moeilijke ademhaling, die het geheele verhaal van Pierre met een reutelend geluid begeleid had. Alleen Elise Rouquet sliep rustig; zij lag op haar rug en liet haar afzichtelijke wonde, die aan het opdrogen was, zien.
Het was kwart over twaalf; ieder oogenblik kon abbé Judaine binnenkomen voor de communie. De genade keerde weer in het hart van Marie terug; zij was nu overtuigd, dat de schuld bij haar lag, bij haar, die, toen zij in den vijver afdaalde, getwijfeld had, of de Heilige Maagd haar wel genezen zou. En zij had berouw over haar opstand als over een misdaad; zou zij ooit vergiffenis kunnen krijgen? Haar bleek gelaat was tusschen haar mooie, blonde haar weggezonken, haar oogen stonden vol tranen en zij keek Pierre met een wanhopige droefheid aan.
“O, vriendlief, wat ben ik slecht geweest! Toen ik naar de uit trots begane misdaden van dien prefect en de andere overheidspersonen luisterde, heb ik mijn schuld begrepen … Je moet gelooven, Pierre, er bestaat geen geluk buiten geloof en liefde.”
Toen Pierre wilde ophouden, kwamen allen daartegen in verzet, eischten het vervolg. En Pierre moest beloven, dat hij zou vertellen tot den triomf der Grot.
Het staketsel versperde nog steeds den toegang, men moest heimelijk in den nacht komen, als men wilde bidden en een flesch gestolen water medenemen. Intusschen werd de vrees voor oproer steeds grooter, men vertelde, dat al de dorpen uit het gebergte naar beneden zouden komen om God te bevrijden. Het was de levée en masse der kleine luiden, een zoo onweerstaanbare drang van dorstenden naar het wonder, dat het eenvoudige gezonde verstand, de eenvoudige goede orde op het punt stond als kaf voor den wind weggevaagd te worden. Mgr. Laurence in zijn bisschoppelijk paleis te Tarbes was de eerste die zich overgeven moest. Al zijn gereserveerdheid, al zijn twijfel was niet bestand tegen de volksbeweging. Vijf volle maanden had hij zich op den achtergrond kunnen houden, zijn geestelijkheid kunnen beletten de geloovigen naar de Grot te volgen, de Kerk kunnen verdedigen tegen den storm van bijgeloof. Maar waartoe diende het nog verder te strijden? Hij voelde, dat de ellende van zijn schare geloovigen zoo groot was, dat hij er zich bij nederlegde hun den afgodendienst te geven, waarnaar zij zoo smachtten.
Maar toch vaardigde hij uit een restje van voorzichtigheid een bevel uit, waarbij een commissie benoemd werd, die een onderzoek moest instellen: dat was de aanvaarding van het wonder op korter of langer termijn. Kan men niet begrijpen, wat een moeite het Mgr. Laurence, een man van gezonde denkbeelden en helder verstand, kostte om dat bevel te onderteekenen? Hij moest neerknielen in zijn bidvertrek en God, den beheerscher der wereld, smeeken hem voor te schrijven, wat hij doen moest. Hij geloofde niet aan de verschijningen, had een hoogere, meer intellectueele opvatting omtrent manifestaties der godheid. Maar was het niet barmhartig en liefderijk aan de bezwaren van zijn verstand en aan zijn fijnere opvatting van godsvereering het zwijgen op te leggen tegenover de noodzakelijkheid om het brood der leugen, dat de arme menschheid noodig heeft om gelukkig te kunnen leven, uit te reiken.
“O, mijn God, vergeef mij, indien ik U laat afdalen van den troon van Uw eeuwige macht, waarop Gij gezeten zijt, wanneer ik U verneder tot dit kinderlijke spel met nuttelooze wonderen. Maar, o, mijn God, zij lijden zoo, zij hongeren zóó naar het wonderbaarlijke en naar sprookjes, om hun levenssmart te verzachten. Gij zelf zoudt, indien zij Uw schapen waren, helpen hen te misleiden. Laten zij op deze wereld getroost worden, ook al moet de idee van Uw goddelijkheid daarbij lijden!”
En zoo had de bisschop in tranen het offer aan zijn God gebracht in zijn herderlijke liefde voor de ellendige menschelijke kudde.
Dan gaf de keizer, de gebieder, zich over. Hij was toen te Biarritz, dagelijks werd hij op de hoogte gehouden over die zaak der verschijningen, waarmede alle Parijsche bladen zich bezighielden; want de vervolging zou niet volmaakt geweest zijn, indien de inkt der Voltairiaansche journalisten er zich niet mede bemoeid had. En terwijl zijn minister, zijn prefect, zijn commissaris van politie zich afmatten voor het gezond verstand en de goede orde, bewaarde de keizer zijn diep stilzwijgen van wakend droomer, dat niemand ooit doorgrond had. Dagelijks kwamen er petities; en hij zweeg. Bisschoppen waren met hem komen spreken, hooge personnages, hooge dames uit zijn omgeving namen hem ter zijde; en hij zweeg. Eén onafgebroken gevecht werd geleverd om zijn beslissing, eenerzijds de geloovigen of eenvoudigen des geestes vol herschenschimmen, die zich hartstochtelijk voor het mysterieuze interesseerden; anderszijds de ongeloovigen, de regeeringspersonen, die al deze overdrijvingen der phantasie met leede oogen aanzagen; en hij zweeg. Plotseling sprak hij in zijn bedeesd besluit. Het gerucht liep, dat de smeekbeden der keizerin hem tot een beslissing gebracht hadden. Ongetwijfeld had zij ingegrepen, maar het voornaamste was toch, dat in den keizer zijn oude humanitaire droom was opgeleefd, zijn oprecht medelijden met de onterfden teruggekomen was. Evenmin als de bisschop, wilde hij de poort der illusie sluiten voor de ongelukkigen door het impopulaire besluit van den prefect, waarbij verboden werd uit de heilige bron te gaan drinken, te handhaven. En hij zond een telegraphisch bevel het staketsel af te breken, opdat de bron vrij zoude zijn.
Dat was het Hosanna! Dat was de triomf. Onder tromgeroffel en trompetgeschal werd het nieuwe besluit op de pleinen te Lourdes voorgelezen. De commissaris van politie moest in hoogst eigen persoon tot het wegnemen van het staketsel overgaan. Evenals de prefect werd hij verplaatst. Van alle kanten stroomden de menschen toe en in de Grot werd de eeredienst geregeld. Een kreet van goddelijke vreugde steeg op: God had overwonnen. God? Neen, helaas! Maar de menschelijke ellende, de eeuwige behoefte aan de leugen, de hoop van den verdoemde, die, om heil en redding te vinden, zich overgeeft aan de handen van een onzichtbare almacht, die, sterker dan de natuur, alleen in staat is de onverbiddelijke natuurwetten te verbreken. En ook nog had overwonnen het souverein medelijden van de herders der kudden, den bisschop en den keizer, die in hun groote barmhartigheid den grooten zieken kinderen hun fetisch lieten, die de meesten troostte en sommigen zelfs wel genas.
In het midden van November begon de bisschoppelijke commissie met het haar opgedragen onderzoek. Zij ondervroeg Bernadette nog eenmaal en bestudeerde een groot aantal wonderen. Toch hield zij slechts dertig genezingen, waaraan absoluut niet te twijfelen viel, over. Mgr. Laurence beweerde nu overtuigd te zijn. Toch gaf hij nog een bewijs van zijn uiterste voorzichtigheid: hij wachtte nog drie jaar vóór hij in een mandement verklaarde, dat de Heilige Maagd werkelijk in de Grot van Massabielle verschenen was en daarna verschillende wonderen hadden plaats gegrepen. Hij had uit naam van het bisdom, van de stad Lourdes de Grot met het uitgestrekte omliggende terrein gekocht.
Vervolgens werden er verschillende werken uitgevoerd, eerst op bescheiden voet, maar weldra belangrijkere al naar mate het geld van de geheele Christenheid toestroomde. Men richtte de Grot in en sloot hem af met een hek. De Gave werd achterwaarts in een nieuwe bedding geleid, om breede toegangswegen, gazons, lanen en boulevards te kunnen aanleggen. Eindelijk begon de kerk, die de Heilige Maagd gevraagd had, de Basilica op den top van de rots zelf uit den grond te verrijzen. Van af den eersten steek der spade leidde de pastoor van Lourdes, abbé Peyramale, alles met een buitengewonen geloofsijver, want de strijd had van hem den vurigsten, den oprechtsten geloovige van het werk gemaakt. Op zijn ietwat ruw-vaderlijke manier was hij begonnen Bernadette te vereeren; hij gaf zich met lichaam en ziel aan de uitvoering der bevelen, die hij door den mond van deze onschuldige van den hemel ontvangen had. Hij wijdde al zijn krachten aan den bouw, wilde, dat alles mooi en grootsch was, de Koningin der Engelen, die zich verwaardigd had dit hoekje der bergen te bezoeken, waardig.
De eerste godsdienstige plechtigheid had eerst zes jaar na de verschijningen plaats op den dag, dat men met groote pracht en praal in de Grot een beeld der Heilige Maagd plaatste op de plek, waar zij het eerst verschenen was. Dien ochtend had Lourdes zich bij prachtig weer in feestdos gestoken; alle klokken luidden. Vijf jaar later, in 1869, werd de eerste mis gelezen in de crypt der Basilica, wier spits nog niet af was. De geschenken werden steeds talrijker, een stroom van goud vloeide naar de Grot, een geheele stad schoot uit den grond op. Dat was de voltooiïng der stichting van den nieuwen godsdienst. De wensch om te genezen genas, de dorst naar het wonder bewerkte het wonder. Een God van medelijden en hoop kwam voort uit het lijden der menschheid, uit die behoefte aan troostende illusie, welke door alle menschengeslachten heen, de wondervolle paradijzen van het hiernamaals geschapen heeft, waarin een almacht gerechtigheid oefent en het eeuwige geluk uitdeelt.
De zieken van de zaal Sainte-Honorine zagen dan ook in de overwinning der Grot slechts den triomf van de hoop op genezing. En langs de bedden streek een rilling van vreugde, toen Pierre, wiens hart door al die arme, naar zekerheid smachtende gezichten geroerd werd, herhaalde:
“God had overwonnen, en sedert dien dag hebben de wonderen niet opgehouden.”
Hij legde het boekje neer. Abbé Judaine kwam binnen, de communie zou beginnen. Maar Marie, bij wie de koorts van het geloof weer opkwam, en wier handen brandden, boog zich naar hem toe.
“Vriendlief,” fluisterde zij, “bewijs mij den grooten dienst de bekentenis van mijn schuld aan te hooren en mij absolutie te geven. Ik heb God gelasterd en ben in een staat van doodzonde. Als jij me niet helpt, zal ik de heilige hostie niet kunnen ontvangen, en ik heb zoo’n behoefte aan troost en opbeuring!”
De jonge priester weigerde met een gebaar. Nooit had hij deze vriendin, de eenige vrouw, die hij in haar vroolijke en gezonde jeugdjaren lief gehad en begeerd had, de biecht willen afnemen. Maar zij drong aan.
“Ik smeek je erom. Je zult daardoor medewerken aan het wonder van mijn genezing.”
Hij gaf toe, hoorde haar schuldbelijdenis aan, de bekentenis van den goddeloozen opstand van haar lijden tegen de Heilige Maagd, die doof gebleven was voor haar smeekbeden; dan gaf hij haar met de sacramenteele woorden de absolutie.
Reeds had abbé Judaine de hostievaas op een klein tafeltje tusschen twee brandende waskaarsen, twee sombere sterren in het halfdonker der zaal, gezet. Men had de ramen eindelijk wijd opengezet, zoo ondragelijk was de stank van die lijdende lichamen en die opgehoopte lompen geworden; maar er kwam geen frissche lucht binnen: de nauwe, donkere binnenplaats leek wel een gloeiende mijnput. Pierre bood zich aan als misdienaar en zeide het Confiteor. Dan hief de aalmoezenier in zijn miskleed, na het Misereatur en het Indulgentiam uitgesproken te hebben, de hostievaas op:
“Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!”
Ieder der vrouwen, die vol ongeduld de communie verwachtten, zooals de stervende het leven verwacht van een nieuwe drank, die maar uitblijft, herhaalde driemaal met gesloten mond de acte van deemoediging: “Heer, ik ben niet waardig, dat Gij ingaat in mijn lichaam, spreek echter slechts één woord, en mijn ziel zal genezen worden!” Abbé Judaine was intusschen, gevolgd door Pierre, zijn tocht langs de ziekbedden begonnen, terwijl madame de Jonquière en zuster Hyacinthe, beiden met een kaars in de hand, met hen meeliepen.
De zuster wees de zieken aan, die de communie moesten ontvangen, dan boog de priester zich over haar heen en legde, eenigszins op goed geluk af, onder het prevelen van Latijnsche woorden, de hostie op haar tong. Allen richtten zich op met wijd-geopende, schitterende oogen te midden van de door een al te haastige inrichting van de zaal ontstane wanorde. Toch moest men er nog twee, die vast sliepen, wakker maken. Velen kreunden, zonder zich ervan bewust te zijn, begonnen, zoodra zij God ontvangen hadden, weer te kreunen. Achter in de zaal bleef het rochelen van de vrouw, die men niet zag, nog steeds aanhouden. Men kon zich moeilijker iets melancholiekers denken dan die kleine stoet in het half-donker, waarin de twee gele lichten van de brandende kaarsen als sterren plekten.
Het gezicht van Marie, die weer in extase verzonken was, leek wel een goddelijke verschijning. Aan la Grivotte, die ’s ochtends in de Rozenkranskerk de heilige communie ontvangen moest, werd de heilige hostie geweigerd, hoewel zij hongerde naar het brood des levens; madame Vêtu had in een hik de hostie op haar zwarte tong ontvangen. Thans was Marie aan de beurt, onder het bleeke licht der kaarsen zoo mooi tusschen haar blonde haren, met haar wijd geopende oogen, haar door het geloof verheerlijkte trekken, die allen bewonderden. Zij vierde het avondmaal met groote innigheid, de hemel daalde zichtbaar neer in haar arm, jong, tot een zoo physieke ellende vermagerd lichaam. Een oogenblik hield zij Pierre met haar hand terug.
“O, lieve vriend, zij zal mij genezen, zij heeft het mij gezegd …. Ga wat rust nemen. Ik zal ook lekker slapen gaan!”
Toen hij met abbé Judaine wegging, zag hij de kleine madame Désagneaux languit liggen in den fauteuil, waarin zij van vermoeidheid neergevallen was. Niets had haar wakker kunnen maken. Het was half twee. Madame de Jonquière, geholpen door zuster Hyacinthe, liep nog steeds heen en weer, draaide de zieken om, verschoonde en verbond ze. Maar toch was er eenige kalmte in de zaal gekomen, sedert Bernadette er met haar bekoring door gekomen was. De kleine schim der helderziende dwaalde thans triomphantelijk rond tusschen de bedden, nu zij haar werk gedaan had door aan iedere onterfde, iedere wanhopige van deze aarde een stukje van den hemel te geven. En terwijl allen langzamerhand in slaap gleden, zagen zij, hoe zij, ook zoo ziekelijk en zoo zwak, zich voorover boog en haar glimlachend kuste.