← Table of contents
De drie steden

TWEEDE DAG (continued 2)

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

“Luister eens Pierre, je moet me niet voor over een uur komen halen, om me naar den vijver te brengen. Ik ben nog niet in een toestand om de genade Gods deelachtig te worden, ik wil bidden, bidden nog.”

Nadat zij zoo vurig verlangd had daar te zijn, werd zij op het oogenblik, dat zij het wonder wilde beproeven, door een angst bevangen, maakten gewetensbezwaren haar aarzelend; en toen zij vertelde, dat zij niets had kunnen eten, kwam een jong meisje naar haar toe.

“Wanneer u u te zwak voelt, mademoiselle, dan hebben we hier bouillon.”

Zij herkende Raymonde. In de Grot waren n.l. jonge meisjes aangewezen, om koppen bouillon en melk onder de zieken uit te deelen. De vorige jaren hadden echter sommigen haar coquetterie met fijne zijden, met kant afgezette schorten zoo ver gedreven, dat er thans een uniform-schort van blauw en wit geruit linnen voorgeschreven was. Desniettemin zag Raymonde er in al dien eenvoud met haar jeugd en haar druk als een jong huisvrouwtje in de weer zijn bekoorlijk uit.

“U geeft me maar even een wenk, dan breng ik u wat.”

Marie bedankte echter, zeide, dat zij zeker niets gebruiken zou; dan wendde zij zich tot den priester:

“Een uur, een uur nog, lieve vriend!”

Pierre wilde bij haar blijven. Maar het geheele plein moest gereserveerd blijven voor de zieken; zelfs dragers werden er niet toegelaten. Meegevoerd door den beweeglijken stroom der menigte, kwam Pierre bij den vijver, waar een buitengewoon schouwspel hem staande hield. Vóór de drie als hostiekastjes gebouwde kapelletjes, in ieder waarvan zich drie badkuipen bevonden, drie voor mannen en zes voor vrouwen, was onder de boomen een groote ruimte, die door een aan de takken vastgemaakt touw afgesloten en geopend werd; daar wachtten in kleine rijtuigjes of op draagbaren de zieken in een rij hun beurt af, terwijl aan den anderen kant zich een ontzaglijke, tot extase opgezweepte menigte bevond. Op dat oogenblik leidde een capucijner, die midden in de vrije ruimte stond, de gebeden. De Ave’s, die de menigte in een luid verward geprevel herhaalden, volgden elkaar op. Plotseling, juist toen madame Vincent, die sedert langen tijd vol angst stond te wachten, eindelijk met haar dierbaren last, haar op een Jezus van was gelijkend dochtertje, naar binnen ging, liet de capucijner zich op de knieën vallen en riep, zijn armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven:

“Heer, genees onze zieken!” En hij herhaalde dien kreet tien, twintigmaal in steeds stijgende geestvervoering, terwijl de menigte, zich bij iederen kreet meer opwindend, dien herhaalde, in snikken uitbarstte en de aarde kuste. Als een storm van waanzin gierde het over allen heen. Pierre bleef staan, geheel van streek door het snikken van lijden, dat uit het diepst der ziel van dat volk omhoog rees, eerst een gebed, dat steeds luider werd, doch waarin weldra een eisch doorklonk, een klank van ongeduld, van verdoovende en verbitterde woede, als om den hemel geweld aan te doen, te willen dwingen. “Heer, genees onze zieken … Heer, genees onze zieken!…” De kreet hield niet op.

Doch er deed zich een incident voor. La Grivotte weende heete tranen, omdat men haar niet wilde laten baden.

“Zij zeggen, dat ik een teringlijdster ben, en dat zij teringachtigen niet in het koude water kunnen dompelen … Maar vanochtend hebben ze het wel gedaan, ik heb het zelf gezien. Waarom ik dan niet? Ik bezweer ze nu al een half uur lang, dat ze de Heilige Maagd verdriet doen. Ik zal genezen worden, ik voel het, ik zal genezen worden …”

Daar het er op ging lijken alsof zij een schandaal wilde maken, ging een der geestelijken naar haar toe, trachtte haar te kalmeeren. Ze zouden dadelijk wel eens zien, ze zouden het oordeel der eerwaarde paters vragen. Als zij zich nu kalm hield, zou men haar misschien wel laten baden.

De kreet: “Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…” bleef doorklinken. Pierre zag nu ook madame Vêtu voor den vijver wachten en hij kon zijn blikken niet meer afwenden van dit door angstige hoop vertrokken gezicht met de op de deur, waaruit de uitverkorenen genezen terugkwamen, starende oogen.

Te midden van de steeds luider opstijgende gebeden en de tot waanzin aanwakkerende geestvervoering, kwam madame Vincent terug met haar kind op de armen, haar jammerlijk, aangebeden kind, dat men bewusteloos in het koude water ondergedompeld had en welks nog niet geheel afgedroogd gezichtje met de gesloten oogen even bleek, even pijnlijk, even lijkkleurig bleef. De moeder, gemarteld door dien langen doodsstrijd, wanhopig door de weigering der Heilige Maagd, die ongevoelig was voor het lijden van haar kind, snikte. En toen op haar beurt madame Vêtu met de opgewonden haast van een stervende, die het leven drinken wil, binnenging, barstte weer, zonder ontmoediging en zonder moeheid, de kreet uit: “Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…”

De capucijner was met zijn gezicht op den grond gevallen, en de menigte brulde, de armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en verslond de aarde met kussen.

Pierre wilde naar madame Vincent gaan, om haar moed in te spreken, maar een nieuwe stroom van pelgrims belette hem door te loopen en wierp hem terug naar de bron, die een andere menigte belegerde. De bron bestond uit een laag bouwwerk, een langen, steenen muur met een uitgehouwen kapversiering; niettegenstaande de twaalf kranen, die het water in het kleine bassin vloeien deden, had men ook daar een queue moeten vormen. Velen vulden daar hun flesschen, kruiken van tin of van aardewerk. Om te groot waterverlies te voorkomen, werd iedere kraan slechts opengezet, wanneer men op een knop drukte. Zij, die geen kruiken te vullen hadden, kwamen drinken of haar gezicht wasschen. Pierre zag een jongen man, die zeven kleine glaasjes dronk en zevenmaal zijn oogen bette, zonder zich af te drogen. Anderen weer dronken uit schelpen, tinnen bekers of lederen zakken.

Vooral werd zijn aandacht getrokken door Elise Rouquet, die het niet noodig oordeelde voor de vreeselijke wonde, waardoor haar gezicht weggevreten werd, naar de vijvers te gaan en zich er sinds den ochtend mee vergenoegde, zich ieder uur aan de bron te wasschen. Zij knielde neer, sloeg den sluier weg en drukte lang op de wond een zakdoek, die zij als een spons met het wonderbare water drenkte; om haar heen verdrong de menigte zich in zoo koortsachtige opwinding, dat de menschen haar gezicht niet meer zagen en zich waschten en dronken aan dezelfde kraan, waaraan zij haar zakdoek bevochtigde.

Op dat oogenblik kwam Gérard voorbij, die mijnheer Sabathier naar den vijver sleepte en, nu hij Pierre daar zag staan, dezen riep. Hij vroeg hem met hem mede te gaan, om hem wat te helpen; want het zou niet makkelijk zijn dezen verlamden zieke in het water te krijgen. Zoo bleef Pierre bijna een half uur bij den vijver der mannen, terwijl Gérard in de Grot een andere ging halen.

Pierre vond de inrichting van dezen vijver uitstekend. Er waren drie afdeelingen, drie hokjes, waaruit men met trapjes naar beneden ging en die door tusschenschotten van elkaar gescheiden waren: de ingang tot iedere afdeeling was voorzien met een klein gordijn, dat men dicht kon trekken, om den zieke af te zonderen. Van voren bevond zich een gemeenschappelijke zaal, een met tegels voorziene ruimte, waarin een bank en twee stoelen stonden en die als wachtkamer diende; de zieken kleedden zich daar aan en uit met een onbeholpen haast en een onrustig gevoel van schaamte. Er was op het oogenblik een nog ontkleed man, die zich half in het gordijn gewikkeld had en met bevende handen zijn verband weer aanlegde. Een andere, een ontzettend magere teringlijder, rilde en reutelde; zijn huid was met violette vlekken beplekt. Pierre doorhuiverde een rilling, toen hij broeder Isidore uit een der vijvers zag halen; hij was bewusteloos, men dacht reeds, dat hij dood was, maar dan begon hij weer te kreunen: het was om diep medelijden te krijgen met dat groote, door het lijden uitgeteerde lichaam, dat denken deed aan een op een slagershakblok geworpen stuk menschenvleesch, waarin een wonde aan de zijde een groot gat vormde. Het kostte den twee mannen, die hem gebaad hadden, de grootste moeite, om hem zijn hemd aan te trekken, bang als zij waren, dat hij een te plotselingen schok niet zou kunnen doorstaan.

“U wilt mij zeker wel even helpen, mijnheer de abbé?” vroeg de helper, die mijnheer Sabathier uitkleedde.

Onmiddellijk was Pierre bereid; en toen hij den verpleger, die deze zoo nederige functies vervulde, eens aankeek, herkende hij in hem markies de Salmon-Roquebert, dien mijnheer de Guersaint hem bij het verlaten van het station aangewezen had. Het was een veertiger met een grooten neus en een lang gezicht. Als laatste afstammeling van een der oudste en aanzienlijkste Fransche families bezat hij een reusachtig fortuin, een koninklijk paleis in de rue de Lille te Parijs en uitgestrekte goederen in Normandië. Ieder jaar kwam hij zoo uit Christelijke liefde, maar zonder godsdienstig fanatisme, want hij nam zijn plichten slechts waar, omdat het een man van de wereld paste, gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart naar Lourdes. Hij wilde volstrekt niets bijzonders zijn, slechts een gewoon helper, die dit jaar met van moeheid geradbraakte armen de zieken hielp baden, terwijl zijn handen van den vroegen ochtend tot den laten avond bezig waren lompen op te rapen, verbanden af te nemen en weer aan te leggen.

“Pas op!” zeide hij, “trek zijn kousen langzaam uit. Bij den armen kerel, dien ze daar weer aan het aankleeden zijn, hebben ze de huid meegetrokken.”

En toen hij een oogenblik mijnheer Sabathier verliet, om den ongelukkige zijn schoenen aan te trekken, voelde hij met zijn vingers, dat de linkerschoen van binnen nat was. Hij keek en zag dat er etter in de neus van den schoen geloopen was; hij moest die eerst gaan leeggooien, voor hij hem den zieke weer kon aantrekken, waarbij hij zeer zorgvuldig vermeed het been aan te raken, dat door een gezwel weggevreten werd.

“Laten we nu samen de onderbroek uittrekken,” zeide hij tegen Pierre, toen hij weer naar mijnheer Sabathier terugkwam; “dan gaat het makkelijker.”

In het kleine vertrek waren alleen de zieken en de met den dienst belaste verplegers. Ook was er een geestelijke, die steeds door Pater’s en Ave’s bad, want het bidden mocht geen oogenblik ophouden. Een eenvoudig, fladderend gordijn sloot de deur, welke uitkwam op de breede, door touwen beschermde ruimte; het vurige bidden der menigte drong er in een aanhoudend geprevel door, terwijl men de doordringende stem van den capucijner zonder onderbreking hoorde herhalen: “Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…” Door hooge ramen viel een koud licht binnen; er hing steeds een vochtige atmospheer, een muffe, vieze kelderlucht.

Eindelijk was mijnheer Sabathier ontkleed; voor de welvoeglijkheid had men hem een smal schortje om zijn buik gebonden.

“Dompel mij langzamerhand onder, wat ik u verzoeken mag,” zeide hij.

Hij was bang voor het koude water. Hij vertelde nog, dat hij de eerste maal zoo’n vreeselijke rilling gekregen had, dat hij zich plechtig voorgenomen had niet weer te beginnen. Als men hem hoorde, was er geen erger marteling denkbaar. Verder, zeide hij, had het water niets aantrekkelijks; want uit vrees, dat het door de bron geleverde water niet voldoende zijn zou, laten de paters der Grot het water slechts tweemaal per dag ververschen; en daar er in hetzelfde water meer dan honderd zieken gingen, kan men zich voorstellen, welk een verschrikkelijke brei het ten slotte werd.

Alles vond men erin, bloeddraden, stukken huid, korsten, pluksel en verbanden, een afschuwlijk consommé van alle kwalen, alle wonden, alle besmetting: een echte kweekplaats van vergiftigende kiemen; een essence van de vreeselijkste giffen; het wonder scheen daarin te bestaan, dat men levend uit die menschelijke modder kwam.

“Zachtjes aan, zachtjes aan!” herhaalde mijnheer Sabathier tegen Pierre en den markies, die hem onder de dijen genomen hadden, om hem naar het bad te dragen.

Hij keek met kinderlijken angst naar het water, dat dikke, loodkleurige water, waarop verdacht glimmende plekken dreven. Links aan den rand lag een roode bloedklonter, alsof een abces op die plek doorgebroken was. Stukken linnen zwommen rond als dood vleesch. Maar zijn schrik voor het koude water was zoo groot, dat hij toch die vuile baden van den namiddag liever had, omdat alle lichamen, die er zich in onderdompelden, het water ten slotte wat warmer maakten.

“Wij zullen u langs de treden laten afglijden,” fluisterde de markies.

Dan verzocht hij Pierre hem stevig onder de oksels vast te houden.

“Wees maar niet bang,” zeide de priester; “ik zal hem niet loslaten.”

Langzaam werd mijnheer Sabathier neergelaten. Men zag nog slechts zijn rug, een armzaligen, pijnlijken rug, die slingerde en opzwol en vlammende kleuren kreeg. Toen hij ondergedompeld werd, viel zijn hoofd krampachtig achterover, hoorde men iets als het kraken van beenderen, terwijl hij benauwd adem haalde, als zou hij stikken.

De geestelijke, die voor het bad stond, begon weer met nieuwen geestdrift:

“Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!”…

Mijnheer de Salmon-Roquebert herhaalde het gebed, dat voor de helpers bij iedere onderdompeling voorgeschreven was. Pierre moest het ook doen en zijn medelijden bij het zien van al dat lijden was zóó groot, dat hij iets van zijn geloof terugvond; in langen tijd had hij niet zoo gebeden; hij wenschte vurig, dat er een God in den hemel was, wiens almacht de lijdende menschheid verlichting zou kunnen schenken. Maar toen zij na drie of vier minuten mijnheer Sabathier doodsbleek en rillend van koude uit het bad optrokken, overviel hem een nog troosteloozer droefheid bij het zien van dien ongelukkigen verlamde, die geen enkele verlichting voelde: nog een nuttelooze poging! De Heilige Maagd had zich ook de zevende maal niet verwaardigd hem te verhooren. Hij sloot de oogen, twee dikke tranen druppelden uit zijn oogleden, terwijl men hem weer aankleedde.

Daarna zag Pierre den kleinen Gustave Vigneron, die met zijn kruk binnenkwam, om zijn eerste bad te nemen. Bij de deur waren zijn vader, zijn moeder en zijn tante, madame Chaise, op hun knieën gevallen. In de menigte werd gemompeld; men fluisterde, dat het een hoofdambtenaar van het ministerie van Financiën was. Juist toen het kind zich begon te ontkleeden, ontstond er een opwindende beweging; pater Fourcade en pater Massias kwamen aanloopen en gaven bevel de onderdompelingen te staken. Het groote wonder zou beproefd worden, de buitengewone genade, waarom sedert den ochtend zoo vurig gesmeekt werd, de herrijzenis van den man.

Buiten bleef het bidden aanhouden, een razend aanroepen van stemmen, die zich, in den warmen zomermiddag, in den hemel verloren. Een overdekte baar werd binnengedragen en midden in het vertrek neergezet. Baron Suire, de voorzitter der Hospitalité, en Berthaud volgden, want het avontuur bracht het geheele personeel in beweging. Tusschen deze twee en de beide paters van Maria Hemelvaart werd een fluisterend gesprek gevoerd. Dan vielen dezen op hun knieën, met hun armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en baden, hun gezicht straalde, verheerlijkt door hun vurigen wensch om Gods almacht zich te zien openbaren.

“Heer, verhoor ons!… Heer, verhoor ons!”

Men had mijnheer Sabathier weggevoerd; er waren geen andere zieken meer dan de kleine Gustave, die half ontkleed op een stoel vergeten was. De lakens van de baar werden weggetrokken, het lijk van den man werd zichtbaar, stijf reeds, als ingeschrompeld en vermagerd, de groote oogen, die zich niet sluiten wilden, wijd open. Maar men moest hem ontkleeden, want hij had zijn kleeren nog aan: dit vreeselijke werk deed de helpers een oogenblik aarzelen. Pierre zag, dat markies de Salmon-Roquebert, die zich met zooveel toewijding aan de levenden gaf, ter zijde was gaan staan en ook neerknielde, om het lijk niet aan behoeven te raken. Hij volgde zijn voorbeeld en knielde, om zich een houding te geven, naast hem neer.

Langzamerhand geraakte pater Massias in geestdrift en bad met zoo luide stem, dat zij die van zijn superieur, pater Fourcade, overstemde.

“Heer, geef ons onzen broeder terug!… Heer, doe het tot Uw roem!”

Reeds had een der helpers zich vermand de broek van den man uit te trekken, maar de beenen gaven niet mede, het lijk moest opgelicht worden; de andere helper, die de oude jas losknoopte, maakte half fluisterend de opmerking, dat het eenvoudiger zou zijn alles met een schaar los te knippen, anders zou men nooit klaar komen.

Berthaud kwam vlug naar hem toe. Hij had even baron Suire geraadpleegd. In den grond van zijn hart keurde hij, als ervaren man, het af, dat pater Fourcade een dergelijk avontuur beproefd had. Maar het was nu niet mogelijk meer de zaak geen voortgang te doen hebben; de menigte wachtte, smeekte sedert den ochtend den hemel. Het was het verstandigst de zaak zoo spoedig mogelijk en met den grootst mogelijken eerbied voor den doode tot een einde te brengen. Berthaud vond het dan ook beter, om hem geheel gekleed onder te dompelen dan met hem te sollen tot hij ontkleed zou zijn. Het zou nog altijd vroeg genoeg zijn om hem van kleeren te doen verwisselen, wanneer hij tot het leven terugkeerde; was dat niet het geval, wat kwam het er dan eigenlijk op aan? Vlug zeide hij dat alles tegen de mannen, waarna hij hen hielp riemen onder de dijen en de schouders van den man te doen.

Pater Fourcade had met een hoofdknikje zijn toestemming gegeven, terwijl pater Massias zijn gebeden nog hartstochtelijker ten hemel zond:

“Heer, blaas op hem en hij zal herleven!… Heer, geef hem zijn ziel terug, opdat hij u love!”

De twee helpers lichtten den man aan de riemen op, droegen hem boven het bad en lieten hem dan, gekweld door vrees, dat hij uit de riemen schieten zou, langzaam in het water neer. En Pierre, door afschuw aangegrepen, zag hoe het lijk onderdompelde met zijn afgedragen kleeren, die tegen het lichaam plakten en het geraamte duidelijk afteekenden. Hij bleef drijven als een verdronken drenkeling. Het afschuwlijkste was, dat het hoofd, ondanks de stijfheid, achterover viel; het bleef onder water, hoezeer de helpers ook trachtten den riem van de schouders op te trekken. Een oogenblik scheelde het weinig of de man was uit de riemen gegleden. Hoe zou hij zijn adem terug kunnen krijgen, nu hij zijn mond onder water had, terwijl zijn groote open oogen onder dezen sluier voor de tweede maal schenen te breken.

Gedurende de drie eindelooze minuten, die men hem onder hield, trachtten de twee paters van Maria Hemelvaart en de andere geestelijke, in een paroxysme van hoop en geloof, den hemel als het ware te dwingen.

“Heer, zie hem slechts aan, en hij zal uit den doode herrijzen!… Heer, dat hij opsta op Uw woord, om de wereld te bekeeren!… Heer, U hebt slechts één woord te zeggen, en de geheele wereld zal Uw lof verkondigen!”

Alsof een bloedvat in zijn keel gesprongen was, viel pater Massias rochelend op zijn ellebogen, had nog slechts de kracht, om de tegels te kussen. En van buiten drong nog steeds het geschreeuw der menigte, de steeds weer herhaalde kreet, dien de capucijner nog altijd uitstiet: “Heer, genees onze zieken!…” Het klonk zoo vreemd, dat Pierre een kreet van verzet moest onderdrukken. Naast zich voelde hij den markies beven. Het was dan ook een algemeene opluchting, toen Berthaud, die beslist boos was over dit avontuur, met iets barsch in zijn stem tegen de helpers zeide:

“Haalt hem eruit! Haalt hem er toch uit!”

Ze haalden den man op en legden hem in de lompen, welke als die van een drenkeling aan zijn ledematen plakten, op de baar. Uit zijn haren dropen kleine beekjes, die den vloer overstroomden. En de doode bleef dood.

Allen waren opgestaan en keken te midden van een benauwende stilte naar hem. Toen men hem weer bedekte en hem wegdroeg, volgde pater Fourcade hem, leunend op den schouder van pater Massias, trekkend met zijn jichtig been, waarvan hij de pijnlijke stijfheid een oogenblik vergeten had. Hij vond onmiddellijk zijn kalme sterkte terug en tijdens een stilte hoorde men hem tegen de menigte zeggen:

“Geliefde broeders en zusters, God heeft hem ons niet terug willen geven. Zeker omdat Hij hem in Zijn oneindige goedheid onder Zijn uitverkorenen heeft opgenomen.”

Dat was alles; van den man was geen sprake meer. Weer werden zieken aangebracht, de twee andere hokjes waren nu ook bezet. Intusschen kleedde de kleine Gustave, die het tooneel zonder angst, met nieuwsgierig-scherpen blik gevolgd had, zich verder uit. Zijn jammerlijk, klierachtig kinderlichaam met zijn vooruitspringende ribben en den doornvormigen ruggegraat, kwam bloot. Het was zoo mager, dat zijn beenen op stokken geleken, het linker vooral, dat heelemaal uitgeteerd, de beenderen liet zien; bovendien had hij twee wonden, een aan de dij en een aan de heup, deze laatste afzichtelijk met het vleesch, dat geheel bloot lag.

Toch glimlachte hij: het lijden had hem zóó gelouterd, dat hij ondanks zijn vijftien jaar, die hem nauwlijks tien deden schijnen, het verstand en de dappere philosophie van een man scheen te hebben.

Markies de Salmon-Roquebert, die hem voorzichtig in zijn armen genomen had, weigerde Pierre’s hulp.

“Dank u, hij is niet zwaarder dan een vogeltje … Wees maar niet bang, jongen, ik zal het langzaam aan doen.”

“O, mijnheer, ik ben niet bang voor koud water, u kunt me gerust kopje onder doen.”

Zoo werd hij in het bad gebracht, waarin men het lijk gedompeld had. Bij de deur waren madame Vigneron en madame Chaise, die niet konden binnenkomen, weer neergeknield en baden vurig, terwijl de vader, die in het vertrek toegelaten was, telkens weer het teeken des kruises maakte.

Pierre ging, nu hij niet meer helpen kon, weg. De plotseling in hem opkomende gedachte, dat het reeds lang drie uur geslagen had en Marie dus op hem wachten moest, deed hem zich haasten. Maar terwijl hij trachtte door de menigte heen te komen, zag hij het jonge meisje reeds komen, voortgereden door Gérard, die steeds meer zieken naar de vijvers bracht. Zij was ongeduldig geworden; plotseling had zij de zekerheid gekregen, dat zij zich nu in een staat, waarin zij de genade waardig was, verkeerde. Vriendelijk verwijtend zeide zij:

“Hadt je me vergeten, vriendlief?”

Hij wist niet wat te antwoorden, zag haar in den ingang van den vrouwenvijver verdwijnen en viel doodelijk bedroefd op zijn knieën. Zóó, in die houding, wilde hij op haar wachten, om haar, ongetwijfeld genezen en lofzangen zingend, naar de Grot terug te brengen. Moest zij, nu zij zeker was van haar genezing, niet genezen worden? Maar vergeefs zocht hij naar woorden des gebeds in het diepst van zijn geschokt gemoed. Hij bleef onder den indruk der verschrikkelijke dingen, die hij gezien had. Hij voelde zich uitgeput van physieke vermoeidheid en zoo geestelijk terneergedrukt, dat hij niet meer wist, wat hij zag of geloofde. Alleen zijn overgroote teedere liefde voor Marie bleef, deze liefde, die in hem een behoefte wakker riep aan smeeken en vernedering, overtuigd als hij was, dat de kleinen, wanneer zij werkelijk lief hadden en de machtigen smeeken, ten slotte genade verkrijgen. En tot zijn eigen verbazing hoorde hij zichzelf met een door angst beklemde stem, die uit het diepst van zijn wezen kwam, met de menigte instemmen:

“Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…”

Dat duurde tien minuten, een kwartier misschien. Toen kwam Marie in haar wagentje terug. De wanhoop stond op haar bleek gelaat; haar mooie haren waren opgenomen in een zwaren, gouden wrong, dien het water niet aangeraakt had. Zij was niet genezen. Eene ontzetting van oneindige moedeloosheid sloot haar mond, terwijl haar oogen zich afwendden als om niet de blikken te ontmoeten van den priester, die, diep ontroerd en met een tot ijs verstijfd hart zich vermande om haar weer voor de Grot terug te rijden.

En de kreet der geloovigen, die, hun armen in den vorm van een kruis ten hemel heffend, den grond kusten, rees weer op in den toenemenden waanzin, die door de scherpe stem van den capucijner aangezweept werd.

“Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…”

Toen Pierre weer met haar voor de Grot stilhield, kreeg zij een flauwte. Gérard, die er ook bij was, zag Raymonde met een kop bouillon toeschieten; en van dat oogenblik af was het tusschen die twee als het ware een wedstrijd, om de zieke te helpen. Raymonde deed al het mogelijke om haar den bouillon te doen drinken: vriendelijk en met de liefkoozende gebaartjes van een verpleegster hield zij haar den kop voor, zoodat Gérard dit meisje zonder vermogen, dat reeds zoo ervaren in de dingen des levens was en geheel voorbereid scheen te zijn met krachtige en toch liefderijke hand een huishouden te besturen, wel bekoorlijk vinden moest. Berthaud had gelijk: dit was de vrouw, die hij noodig had.

“Wil ik haar misschien wat oprichten, mademoiselle?” vroeg hij.

“Dank u, mijnheer, ik ben sterk genoeg … Trouwens ik zal haar met den lepel wat ingieten, dat gaat makkelijker.”

Maar Marie, die in haar schuw zwijgen volhardde, kwam weer bij en weigerde met een gebaar den bouillon. Zij wilde dat men haar met rust laten en niet tegen haar spreken zou. Eerst toen de anderen, tegen elkaar glimlachend, zich verwijderden, zeide zij met doffe stem tegen den priester:

“Vader is dus niet gekomen?”

Pierre aarzelde even, doch moest dan de waarheid bekennen:

“Ik heb je vader laten slapen; hij zal niet wakker geworden zijn.”

Toen viel Marie in haar moedeloosheid terug en zond ook hem met een gebaar, waarmede zij alle hulp afwees, weg. Onbeweeglijk bleef zij liggen, zij bad niet meer, staarde slechts met haar groote strakke oogen naar de marmeren Maagd, het witte beeld in den lichtglans der Grot. En daar het vier uur sloeg, ging Pierre, die zich zijn afspraak met dr. Chassaigne herinnerde, diep bedroefd naar het bureau, waar de wonderen geconstateerd worden.

IV.

Dr. Chassaigne wachtte Pierre vóór het bureau, waarin de genezingen geneeskundig vastgesteld worden, op. Doch er stond daar een dichte, koortsachtig opgewonden menigte, welke de zieken, die binnengingen, afwachtte en ondervroeg, en ze, wanneer ze er weer uit kwamen, toejuichte, als het nieuws van het wonder zich verspreidde: een blinde die zag; een doove, die weer hoorde; een lamme, die weer loopen kon.

“Nu?” vroeg hij aan den dokter; “zullen we een wonder zien, maar een echt, een onbetwistbaar?”

Toegeeflijk in zijn nieuw geloof, glimlachte de dokter.

“Wat zal ik je zeggen, vriendlief? Een wonder geschiedt niet maar zoo op commando. God grijpt in, als Hij wil!”

Heeren der Hospitalité bewaakten streng de deur. Allen kenden den dokter; zij gingen eerbiedig ter zijde en lieten hem met Pierre binnengaan. Dit bureau, waarin de genezingen geconstateerd werden, was zeer ongerieflijk ondergebracht in een jammerlijke planken hut van twee vertrekken, een kleine voorkamer en een gewone, onvoldoend ingerichte vergaderzaal. Er was sprake van dezen tak van dienst te verbeteren, door hem onder te brengen in een groot lokaal onder een der hellingen van de Rozenkranskerk, waar men reeds met de voorbereidende maatregelen bezig was.

In de wachtkamer zag Pierre op de eenige houten bank twee zieken zitten, die onder toezicht van een der heeren van de Hospitalité haar beurt afwachtten. Doch toen hij in het groote vertrek kwam, vond hij daar tot zijn verbazing een groot aantal personen bijeen, terwijl de verstikkende hitte, die tusschen de houten muren, waarop de zon stond te branden, opgehoopt was, hem op zijn keel sloeg. Het was een vierkant, licht geel geschilderd, kaal vertrek met één venster, waarvan de ruiten gewit waren, opdat de menigte, die zich buiten verdrong, niet naar binnen zou kunnen zien. Men durfde zelfs het raam niet openzetten, om wat versche lucht binnen te laten, want dan werden onmiddellijk verschillende nieuwsgierige hoofden naar binnen gestoken.

Het meubilair was al even primitief als de rest: twee vuurhouten tafels van ongelijke hoogte, die tegen elkaar aan geplaatst waren en die men zelfs niet met een kleed had bedekt; een soort groote loketkast vol slecht gerangschikte paperassen, dossiers, registers en brochures; een dertig stoelen met stroozittingen, die ongeveer de geheele ruimte innamen, en eindelijk twee oude versleten fauteuils voor de zieken.

Onmiddellijk ging dr. Bonamy dr. Chassaigne, die een der laatste en roemrijkste veroveringen der Grot was, tegemoet. Hij haalde onmiddellijk een stoel voor hem, en ook uit eerbied voor diens soutane, voor Pierre. Dan zeide hij op zijn meest hoffelijken toon:

“U wilt me zeker wel vergunnen, door te gaan, waarde collega … We waren juist bezig mademoiselle daar te onderzoeken.”

Het betrof een doove, een boerenmeisje van twintig jaar, dat in een der fauteuils zat. Maar in plaats van te luisteren, vergenoegde Pierre, die doodmoe was en wiens ooren nog suisden, er zich mee rond te kijken en te zien wie zich eigenlijk in dit vertrek bevonden. Er waren er ongeveer een vijftig, waarvan er velen tegen den muur stonden te leunen. Voor de twee tafels zaten vijf personen; in het midden het hoofd van den dienst der vijvers, die over een dik register gebogen zat; verder een pater van Maria Hemelvaart en drie jonge seminaristen, die als secretarissen dienst deden, schreven, de dossiers doorliepen en na ieder onderzoek weer ordenden. Pierre keek een oogenblik belangstellend naar een pater der Onbevlekte Ontvangenis, pater Dargelès, hoofdredacteur van den Journal de la Grotte, dien men hem ’s ochtends aangewezen had. Zijn klein mager gezicht met de knippende oogen, den spitsen neus en den fijnbesneden mond, glimlachte steeds. Hij zat bescheiden aan het laagste einde der tafel aanteekeningen te maken voor zijn courant. Hij was de eenige van zijn orde, die zich gedurende de drie dagen der nationale bedevaart vertoonde. Maar achter hem voelde men de anderen, die als een langzaam toegenomen en verborgen kracht, alles organiseerden en bijeenbrachten.

Verder bestond het gezelschap bijna uitsluitend uit nieuwsgierigen, getuigen, een twintigtal doktoren en vier of vijf priesters. De doktoren, die vrijwel uit alle deelen van Frankrijk gekomen waren, bewaarden voor het grootste gedeelte een volkomen stilzwijgen; sommigen waagden het vragen te stellen. Zij wisselden meer dan eens wantrouwende blikken en letten meer op elkaar dan dat zij de aan hun onderzoek onderworpen feiten vaststelden. Wie konden het zijn? Geheel onbekende namen werden genoemd. Een enkele, die van een beroemd professor van een Katholieke universiteit, had sensatie verwekt.

Dien dag bewaarde dr. Bonamy, die, wanneer hij de zitting leidde en de zieken ondervroeg, nooit ging zitten, zijn hoffelijkheid voornamelijk voor een klein blond heertje, een talentvol schrijver en invloedrijk redacteur van een der meest gelezen Parijsche bladen, welk een toeval dien ochtend naar Lourdes gebracht had. Was dat niet een ongeloovige, om te bekeeren, een invloed en een publiciteit, om gebruik van te maken? Dr. Bonamy had hem in den tweeden fauteuil laten plaats nemen, was uiterst voorkomend en vriendelijk en verklaarde herhaaldelijk, dat men niets te verbergen had daar alles in het volle daglicht geschiedde.

“We vragen slechts licht,” herhaalde hij steeds weer. “Wij zien niets liever dan dat menschen van goeden wil de feiten onderzoeken.”

Daar het met de beweerde genezing der doove niet erg vlotten wilde, sprak hij haar wat ruw toe:

“Kom, meisje, het is nog pas een begin van genezing … Je moet nog maar eens terugkomen …”

En half luid voegde hij er aan toe:

“Als je ze gelooven wou, zouden ze allen genezen zijn. Maar wij aanvaarden slechts de bewezen genezingen, die zoo helder zijn als de zon … Let wel, ik zeg genezingen en niet wonderen; want wij, doktoren, veroorloven ons geen interpretatie, wij zijn hier slechts om te constateeren of de zieken, die aan ons onderzoek onderworpen worden, geen spoor van ziekte meer vertoonen.”

Hij zette een hooge borst op, zorgde wel, dat zijn rechtschapenheid buiten spel bleef, en was geen grooter huichelaar of leugenaar dan een ander; hij was geloovig, zonder te gelooven, wist dat de wetenschap zóó duister, zóó vol verrassingen was, dat het onmogelijke steeds werkelijkheid worden kon; en zoo had hij zich, in het laatst van zijn geneeskundige loopbaan, in de Grot een positie verschaft, die haar voor- en nadeelen had, maar over het geheel toch aangenaam en prettig was.

Nu verklaarde hij op een vraag van den Parijschen journalist de manier, waarop hij te werk ging. Iedere zieke der bedevaart kwam met een dossier, waarin zich bijna altijd een certificaat van den behandelenden geneesheer bevond; ja soms waren er zelfs verscheidene certificaten van verschillende doktoren, rapporten van ziekenhuizen, kortom een heele beschrijving van den loop der ziekte. Wanneer er nu een genezing had plaats gehad en de genezene zich hier aanmeldde, behoefde men slechts zijn dossier te vragen en de certificaten te lezen, om de kwaal, waaraan hij leed, te kennen, en door een onderzoek uit te maken, of die kwaal werkelijk verdwenen was.

Pierre luisterde aandachtig. Sedert hij daar zoo rustig zat, werd hij wat kalmer, kreeg hij zijn denkvermogen terug. Alleen de warmte hinderde hem. Geïnteresseerd als hij werd door de verklaringen en zich gaarne een meening willende vormen, zou hij dan ook zeker, als hij het geestelijke kleed niet gedragen had, vragen gesteld hebben. Die soutane dwong hem zich steeds op den achtergrond te houden. Tot zijn groote vreugde hoorde hij dan ook het kleine blonde heertje, den invloedrijken schrijver, de tegenwerpingen ten berde brengen, die onmiddellijk ook bij hem opgekomen waren. Was het niet een verkeerd principe, dat de eene geneesheer de diagnose van een ziekte vaststelde en de tweede de genezing constateerde? Dat was toch zeker een steeds stroomende bron van mogelijke vergissingen. Het beste zou zijn, dat een medische commissie alle zieken bij hun aankomst te Lourdes onderzocht en daarvan processen verbaal opmaakte, waaraan dezelfde commissie zich zou kunnen houden in geval van genezing.

Maar daar kwam dr. Bonamy tegen op; terecht zeide hij, dat geen enkele commissie tegen zoo’n reusachtige taak opgewassen zou zijn: ga u zelf eens na! Duizend verschillende gevallen op één ochtend onderzoeken! En dan hoeveel verschillende opvattingen, hoeveel discussies, hoeveel tegenstrijdige diagnoses, die de onzekerheid nog deden toenemen, zouden er niet zijn! Het voorafgaande, bijna onmogelijk te verwezenlijken onderzoek gaf inderdaad tot even groote vergissingen aanleiding. In de praktijk moest men zich houden aan die door de doktoren afgegeven certificaten, die dan een groot, beslissend gewicht kregen. Men bladerde in de dossiers op een der tafels en liet den Parijschen journalist certificaten lezen. Sommige waren akelig kort, andere, die beter opgesteld waren, specificeerden de ziekte nauwkeurig. Enkele handteekeningen van doktoren waren zelfs door de burgemeesters der betreffende gemeenten gelegaliseerd. Doch er bleef genoeg twijfel over, die niet ter zijde te zetten was: wie waren die geneesheeren? Bezaten zij de noodige wetenschappelijke autoriteit? Hadden zij zich niet laten beïnvloeden door onbekende omstandigheden of zuiver persoonlijke belangen? Men zou geneigd zijn omtrent ieder van hen een onderzoek in te stellen. Van af het oogenblik, dat alles zich baseerde op het door den zieke medegebrachte dossier, was een zeer zorgvuldige controle der daarin vervatte documenten noodig, want alles stortte in, wanneer niet een strenge kritiek de absolute zekerheid der feiten vastgesteld had.

Met een kleur van opwinding en transpireerend liep dr. Bonamy heen en weer.

“Maar dat doen we juist, dat doen we juist!… Zoodra een geval van genezing ons langs natuurlijken weg onverklaarbaar voorkomt, gaan wij over tot een minutieus onderzoek, verzoeken wij de genezene terug te komen, om zich nogmaals te laten onderzoeken … En u ziet wel, dat wij ons met deskundigen omringen. De heeren, die u hier ziet, zijn bijna allen doktoren, die uit alle deelen van Frankrijk hierheen gekomen zijn. Wij bezweren ze ons hun twijfel mede te deelen en de gevallen met ons te bespreken. Bovendien wordt van iedere zitting een gedetailleerd verslag opgemaakt … U begrijpt mij goed, niet waar heeren? Protesteert wanneer er hier iets gebeurt, waarmede u het niet eens kunt zijn.”

Geen der aanwezigen echter zeide iets. Het meerendeel der doktoren was Katholiek en boog zich natuurlijk voor de feiten. En wat de anderen, de ongeloovigen, de geleerden betrof, zij kwamen slechts om te kijken, interesseerden zich voor zekere verschijnselen, maar vermeden uit beleefdheid in, trouwens nuttelooze, discussies te treden. Wanneer het hun als verstandige menschen te bar werd en zij voelden boos te zullen worden, gingen zij weg.

Nu niemand een woord zeide, triumpheerde dr. Bonamy. En toen de journalist hem vroeg, of hij alleen voor zoo’n groote taak stond, antwoordde hij:

“Absoluut alleen; trouwens mijn functie als geneesheer der Grot is niet zoo heel ingewikkeld, want, ik herhaal het, ik heb niets anders te doen dan de genezingen, die zich voordoen, te constateeren.”

Doch dan verbeterde hij zich en voegde er lachend aan toe:

“Dat zou ik bijna vergeten. Ik heb Raboin, die me helpt de boel hier wat in orde te brengen.”

En hij wees op een gezetten, reeds grijzenden veertiger met een dik buldoggengezicht. Hij was een fanatieke geloovige, een geëxalteerde, die niet dulden kon, dat men de wonderen in twijfel trok, waardoor hij leed onder zijn functie aan het bureau der medische constateeringen en steeds van woede knorde, zoodra men deze betwistte. Het beroep op de doktoren had hem dan ook razend gemaakt, zoodat dr. Bonamy hem kalmeeren moest.

“Kom, Raboin, houd je toch kalm en zwijg! Alle oprechte meeningen hebben het recht zich te laten hooren.”

Maar de zieken kwamen weer. Er werd een man gebracht, wiens geheele rug door een eczeem bedekt was; en toen hij zijn hemd uittrok, vielen er grijze schilfers van zijn huid. Hij was niet genezen, hij beweerde alleen, dat hij ieder jaar naar Lourdes kwam en het ieder jaar verlicht verliet. Dan volgde een dame, een afschuwlijk magere gravin met een buitengewoon ziektegeval: zeven jaar geleden voor de eerste maal door de Heilige Maagd genezen van tuberculose, had zij vier kinderen gehad, daarop had zij weer tering gekregen en was zij verslaafd aan morphine geraakt; het eerste bad had haar echter reeds zooveel goed gedaan, dat zij zich sterk genoeg voelde, om met de zeven-en-twintig familieleden, die zij medegebracht had, deel te nemen aan de fakkelprocessie. Vervolgens kwam er een vrouw, die aan een nerveus spraakverlies leed en nu, na maanden lang absoluut stom geweest te zijn, plotseling bij de processie van vier uur, toen het Heilige Sacrament voorbijgedragen werd, haar stem teruggekregen had.

“Heeren,” zeide dr. Bonamy met zijn geaffecteerde stem van geleerde met breede opvattingen, “u weet, dat wij gevallen, die met zenuwstoringen gepaard gaan, ter zijde laten. Toch wil ik er u op wijzen, dat deze vrouw zes maanden in de Salpétrière verpleegd is en dat zij hier is moeten komen, om het gebruik van haar tong weer terug te krijgen.”

Inmiddels begon hij toch eenig ongeduld te toonen, want hij had gaarne den mijnheer uit Parijs een mooi geval willen laten zien, zooals die soms voorkwamen gedurende die processie van vier uur, het oogenblik van genade en extase, waarop de Heilige Maagd ingreep voor haar uitverkorenen. Tot nu toe waren de genezingen, die hier onderzocht waren, twijfelachtig of onbeteekenend geweest. Buiten hoorde men het getrappel en gebrom der menigte, die, opgezweept door lofliederen en in koortsachtig verlangen naar het wonder, door dat wachten steeds opgewondener werd.

Maar toen duwde glimlachend en bescheiden, een meisje met heldere en verstandige oogen de deur open.

“Ha,” riep de dokter vroolijk uit, “daar heb je onze kleine Sophie … Een merkwaardige genezing, mijne heeren, die verleden jaar heeft plaats gehad en waarvan ik u gaarne de resultaten zou willen laten zien.”

Pierre had Sophie Couteau, de begenadigde, die te Poitiers in zijn compartiment gekomen was, herkend. En hij woonde een herhaling bij van het tooneel, dat reeds voor hem afgespeeld was. Dr. Bonamy gaf nu aan het blonde heertje, dat zeer aandachtig luisterde, de meest uitvoerige inlichtingen: een beeneter aan den linkerhiel, een begin van beenderversterf, dat afzetting noodzakelijk maakte, een afzichtelijke, etterende wond, die in een minuut bij de eerste onderdompeling in den vijver genezen was.

“Vertel het eens aan mijnheer, Sophie.”

Het meisje maakte haar vriendelijk gebaartje, dat de aandacht vroeg.

“Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uitvloeide … Dr. Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn. En toen heb ik de Heilige Maagd innig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo’n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen … En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde.”

Dr. Bonamy knikte goedkeurend bij ieder woord.

“En vertel nu nog eens wat de dokter gezegd heeft.”

“Toen dr. Rivoire thuis mijn voet weer zag, zeide hij: “Of het de Goede God of de duivel is, die het kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.””

Er werd om gelachen; de woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit.

“En wat je tegen de gravin, de directrice van je zaal, gezegd hebt.”

“O, ja, dat is waar ook … Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: “De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.””

Weer werd er gelachen, allen vonden het een aardig meisje, dat weliswaar haar verhaal, dat zij van buiten kende, wat te veel reciteerde, maar toch onmiskenbaar de waarheid sprak.

“Sophie, trek je schoenen en kousen eens uit en laat je voet eens aan de heeren zien … Men moet hem aanraken, niemand mag twijfelen.”

Vlug kwam het zindelijke, slanke, ja zelfs gesoigneerde voetje met het litteeken boven den enkel te voorschijn, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad bewees hoe ernstig de ziekte geweest was. Enkele doktoren waren dichterbij gekomen en keken zwijgend. Anderen, wier overtuiging ongetwijfeld reeds vast stond, vonden het blijkbaar de moeite niet waard. Een van de eersten, iemand met een zeer beleefd uiterlijk, vroeg waarom de Heilige Maagd, nu zij zich toch met het geval bemoeid had, haar niet een geheel nieuwen voet gegeven had, wat haar toch niet meer moeite gekost zou hebben. Maar dr. Bonamy antwoordde onmiddellijk, dat de Heilige Maagd dat litteeken ongetwijfeld achtergelaten had, opdat er een bewijs van het wonder zou zijn. Daarop ging hij nog op technische bijzonderheden in en toonde aan, dat een deel van het been en van het vleesch in een allerkortst oogenblik nieuw gemaakt moest zijn, iets wat langs natuurlijken weg onverklaarbaar bleef.

“Lieve hemel!” viel het kleine, blonde heertje hem in de rede; “zooveel omslag is niet noodig. Laat men mij alleen maar een vinger laten zien, waarin een zakmesje een diepe snede gegeven heeft en die met een litteeken uit het water komt. Het wonder is dan even groot en ik zal mij er voor buigen.”

En dan voegde hij er aan toe:

“Als ik een bron bezat, welke op die wijze wonden sloot, dan zou ik de wereld ondersteboven keeren. Ik weet niet precies, hoe ik het doen zou; maar ik zou de volkeren roepen en de volkeren zouden komen. Ik zou de wonderen met zulk een onomstootelijke zekerheid laten vaststellen, dat ik de meester der wereld werd. Denk slechts aan die souvereine, waarachtig goddelijke macht!… Maar er zou geen twijfel mogen overblijven, de waarheid zou even helder moeten stralen als de zon. De geheele aarde zou zien en gelooven.”

En met den dokter besprak hij de controlemiddelen. Hij had toegegeven, dat het onmogelijk was alle zieken bij hun aankomst te onderzoeken. Maar waarom zou men niet aan het Hôpital een afzonderlijke, voor de open wonden gereserveerde afdeeling kunnen verbinden? Men zou daar hoogstens een dertig gevallen krijgen, die aan het voorafgaand onderzoek van een commissie zouden worden onderworpen. Processen-verbaal moest men opmaken, ja zelfs de wonden photographeeren. En in al die gevallen zou het niet meer gaan om een inwendige ziekte, waarvan de diagnose toch altijd moeilijk en betwistbaar is. Dan zou het bewijs geleverd zijn.

Eenigszins van zijn stuk gebracht, herhaalde dr. Bonamy:

“Ongetwijfeld, ongetwijfeld! Wij willen niets liever dan licht … De grootste moeilijkheid zou echter zijn die commissie samen te stellen … U weet niet, hoe weinig men het eens is … Maar het is in ieder geval een denkbeeld …”

De binnenkomst van een nieuwe zieke hielp hem uit zijn verlegenheid. Terwijl de kleine Sophie, reeds vergeten, haar kousen en schoenen weer aantrok, verscheen Elise Rouquet met haar monsterachtig gezicht, dat zij door haar sluier weg te slaan, liet zien. Sedert den ochtend waschte zij zich aan de bron met linnen doeken, en zij meende, naar zij zeide, op te merken, dat haar wond wat opdroogde en samentrok. En inderdaad moest Pierre tot zijn groote verbazing constateeren, dat de wond niet zoo afzichtelijk meer was. Het geval gaf nieuw voedsel aan de discussie over open wonden, want het blonde heertje was niet af te brengen van zijn denkbeeld, om daarvoor een afzonderlijke afdeeling op te richten: immers, welk een triomf zou het voor de Grot zijn een lupus genezen te hebben, indien men ’s ochtends den toestand van het meisje geconstateerd had en zij genas! Het wonder zou dan niet meer te ontkennen zijn.

Tot dat oogenblik had dr. Chassaigne zich onbeweeglijk en zwijgend op den achtergrond gehouden, alsof hij de feiten alleen op Pierre wilde doen inwerken. Nu boog hij zich plotseling naar hem voorover en zeide zacht:

“Open wonden, open wonden. Die mijnheer schijnt absoluut niet te weten, dat tegenwoordig onze grootste geleerden van oordeel zijn, dat vele van die wonden van nerveusen oorsprong zijn. Ja zeker, men heeft ontdekt, dat het niets anders zijn zou dan een slechte voeding der huid. Die voedingsquaesties zijn nog zoo slecht onderzocht!… En men komt tot de slotsom, dat het geloof, dat genezingen bewerkt, zeer goed open wonden, o. a. zekere schijnbare lupusgevallen genezen kan. Nu vraag ik je, welke zekerheid die mijnheer met zijn afdeeling voor open wonden krijgen zou! Een beetje meer verwarring en ruzie nog in de eeuwige twist … Neen, neen, de wetenschap is niets, dat is een zee van onzekerheid!”

Hij glimlachte pijnlijk, terwijl dr. Bonamy Elise Rouquet aanried de wasschingen voort te zetten en zich iederen dag te laten onderzoeken. Dan zeide hij op zijn voorzichtige manier:

“Enfin, heeren, er is een begin, daaraan valt niet te twijfelen.”

Maar nu werd het bureau in opschudding gebracht. Als een wervelwind stormde la Grivotte naar binnen en schreeuwde:

“Ik ben genezen … Ik ben genezen …”

Zij vertelde, dat men haar eerst niet had willen baden, dat zij had moeten bidden en smeeken, dat men het eindelijk na formeele toestemming van pater Fourcade gedaan had. En zij had het van te voren wel gezegd: nog geen drie minuten was zij, zweetend en reutelend, in het water geweest, of zij had haar krachten voelen terugkomen als onder een zwaren zweepslag, die haar geheele lichaam striemde. Zij was door zoo’n geestdriftige opwinding bezield, dat zij, van blijdschap stralend, geen seconde stil kon staan.

“Ik ben genezen, lieve heeren, ik ben genezen.”

Stom van verbazing keek Pierre haar aan. Was dat het meisje, dat hij, vannacht nog, uitgeput op de bank van den wagon had zien liggen, hoestend en bloed opgevend? Hij herkende haar niet meer, zooals zij daar recht en flink stond met een blos op haar wangen en schitterende oogen, één levenskracht en levensgeest.

“Heeren,” zeide dr. Bonamy, “het geval lijkt mij zeer interessant … Wij zullen zien …”

Hij vroeg het dossier van la Grivotte. Maar het was onder de paperassen op de twee tafels niet te vinden. De secretarissen, de jonge seminaristen, doorzochten alles; het hoofd van den dienst der vijvers, die in het midden zat, moest ten slotte opstaan en in de loketkast gaan kijken. Toen hij weer was gaan zitten, vond hij het eindelijk onder het groote register, dat hij opengeslagen voor zich had. Het bevatte drie geneeskundige verklaringen, die hij zelf voorlas. Alle drie concludeerden tuberculose in een vergevorderd stadium, die gepaard ging met zenuwtoevallen.

Dr. Bonamy maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat zulk een overeenstemming allen twijfel buitensloot. Dan beluisterde hij de zieke lang en prevelde:

“Ik hoor niets … ik hoor niets …”

Dan verbeterde hij zichzelf:

“Of zoo goed als niets …”

Eindelijk wendde hij zich tot de vijf-en-twintig of dertig doctoren, die zwijgend toekeken:

“Als enkelen van de heeren mij met hun wetenschap zouden willen bijstaan … We zijn hier om te bestudeeren en te onderzoeken.”

Eerst bleven zij allen roerloos staan. Dan kwam er eindelijk een naar voren. Op zijn beurt ausculteerde hij de jonge vrouw, maar zeide niets, schudde nadenkend en twijfelend zijn hoofd. Eindelijk stotterde hij, dat men, volgens zijn oordeel, moest afwachten. Een andere nam dadelijk zijn plaats in; deze was zeer positief in zijn verklaring: hij hoorde niets, deze vrouw was nooit tuberculeus geweest. Nog anderen volgden, eindelijk waren allen aan de beurt geweest op vier of vijf na, die met een fijn glimlachje een afwachtende houding aannamen. De verwarring bereikte haar toppunt; ieder gaf zijn sterk afwijkende meening te kennen, zoodat men in het geroezemoes der stemmen zijn eigen stem niet meer hoorde.

Alleen pater Dargelès bleef zijn uiterlijke kalmte bewaren, want hij had een van die gevallen geroken, welke de hartstochten opwekken en den roem van Notre-Dame de Lourdes uitmaken. Op een hoekje van de tafel maakte hij reeds zijn aanteekeningen.

Dank zij het luide stemmengegons konden eindelijk Pierre en dr. Chassaigne praten, zonder dat men ze hoorde.

“O, die vijvers, die ik zooeven gezien heb!” zeide de jonge priester. “Die vijvers, waarvan het water zoo zelden ververscht wordt! Wat een smerigheid, wat een kweekplaats voor microben! De manie, die we tegenwoordig hebben voor antiseptische voorzorgsmaatregelen, krijgt een leelijke klap in haar gezicht. Hoe is het mogelijk, dat een zelfde pest al die zieken niet wegrukt? De tegenstanders der microbentheorie zullen wel in hun vuistje lachen!”

De dokter viel hem in de rede.

“Geen quaestie van, jongen … Al zijn de baden niet erg zindelijk, gevaar leveren zij niet op. Bedenk, dat het water nooit warmer wordt dan tien graden en eerst bij vijf-en-twintig microben gekweekt kunnen worden. Bovendien komen er geen besmettelijke ziekten naar Lourdes, geen cholera, geen typhus, geen pokken, geen mazelen, geen roodvonk. Wij zien hier slechts bepaalde organische ziekten: verlammingen, klieren, tumoren, gezwellen, abcessen, kanker, tering; en deze laatste wordt door het water der baden niet overgebracht. De oude wonden, die erin gebaad worden, leveren geen gevaar op voor besmetting … Ik verzeker je, dat, wat dit betreft, de Heilige Maagd niet behoeft in te grijpen.”

“Maar dokter, u zoudt toch, toen u nog praktijk uitoefende, al uw zieken, vrouwen in ieder gedeelte van de maand, jichtlijders, menschen met een hartkwaal en teringlijders niet zoo in ijskoud water gestopt hebben … Zoudt u dat ongelukkige, half doode, transpireerende meisje hebben laten baden?”

“Zeer zeker niet!… Er zijn van die paardenmiddelen, die je gewoonlijk niet durft toe te passen. Een ijskoud bad kan ongetwijfeld een teringlijder dooden, maar weten wij, of het, in sommige omstandigheden, hem niet genezen kan?… Ik, die er ten slotte toe gekomen ben aan te nemen, dat hier een bovennatuurlijke kracht werkzaam is, ik geef heel graag toe, dat er genezingen zijn, die dank zij die onderdompeling in koud water, welke ons dwaas en barbaarsch toeschijnt, langs natuurlijken weg geschieden … O, er is zooveel, dat wij nog niet weten … zooveel, dat we nog niet weten.”

De haat tegen de wetenschap, die hij verachtte, sedert zij hem tegenover den dood van zijn vrouw en van zijn dochter in den steek gelaten had, maakte zich weer van hem meester.

“Je verlangt zekerheid; nu, de geneeskunde zal je die zeker niet geven … Luister een oogenblik naar die heeren en je zal gesticht worden!… Is zoo’n volkomen verwarring, waarin de eene meening lijnrecht in strijd is met de andere, niet uiterst leerzaam? Zeker, er zijn ziekten, die men uitstekend kent, tot in de kleinste phasen van haar ontwikkeling; er zijn geneesmiddelen, waarvan men de uitwerking met de zorgvuldigste nauwgezetheid bestudeerd heeft; maar wat men niet weet, wat men nooit weten kan, is de verhouding, de betrekking van het middel tot den zieke; want zooveel zieken, zooveel gevallen, en iederen keer moet weer een nieuwe proef genomen worden. Dat is de reden, waarom de geneeskunde een kunst blijft: zij kan geen op strenge ervaring berustenden regel bezitten; steeds weer hangt de genezing van een toeval, van een gelukkige omstandigheid, of van een talentvolle vondst van den geneesheer af … En dan kan je wel begrijpen hoe ik lachen moet om al die menschen, die hier komen discussieeren, wanneer zij spreken in naam van de absolute wetten der wetenschap. Waar zijn die wetten in de geneeskunde? Ik wou, dat ze ze mij eens lieten zien.”

Hij wilde er niet verder over praten, maar zijn geestdrift sleepte hem mee.

“Ik heb je verteld, dat ik geloovig geworden ben … Maar ik begrijp heel goed, dat die brave dr. Bonamy zich volstrekt niet opwindt en dat hij de geneesheeren uit de heele wereld samenroept, om de wonden te bestudeeren. Hoe meer geneesheeren, des te minder komt bij dezen strijd over diagnoses en behandelingswijzen, de waarheid aan het licht. Als ze het al niet eens zijn over een open wond, hoe kan je dan overeenstemming verwachten omtrent een inwendige afwijking, die sommigen ontkennen, terwijl de anderen haar bevestigen? En waarom zou dan per slot van rekening niet alles een wonder worden? Want in den grond der zaak staan de geneesheeren, hetzij dan dat de natuur of een bovennatuurlijke macht werkzaam is, meestal perplex bij het zien van den afloop eener ziekte, dien zij zelden voorzien hebben … Ongetwijfeld zijn de dingen hier slecht georganiseerd. Die certificaten van doktoren, welke men niet kent, hebben geen waarde. Een zeer strenge controle der documenten zou noodig zijn. Maar zelfs aangenomen, dat er een absolute wetenschappelijk-strenge regel te stellen was, dan nog zou het heel naïef zijn te gelooven, dat er een voor allen geldende overtuiging mogelijk zou zijn. Dwaling is nu eenmaal het kenmerk der menschen, en er bestaat geen heldhaftiger werk dan het vaststellen van ook maar de kleinste waarheid.”

Toen begon Pierre te begrijpen wat Lourdes eigenlijk was, Lourdes, het buitengewone schouwspel, dat de wereld sedert jaren te midden van de vrome aanbidding van sommigen en den beleedigenden spot van anderen aanschouwde. Blijkbaar waren hier nog slecht bestudeerde, ja zelfs ongekende krachten werkzaam: auto-suggestie, lang van te voren voorbereide schokken, de overspanning der reis, der gebeden en der liederen, een toenemende extase, en vooral de genezende adem, de ongekende kracht, welke in die hevige geloofscrisis van de menigte uitstroomde. Het scheen hem ook dan van dat oogenblik af zeer onredelijk toe aan bedrog te gelooven. De feiten waren van veel hooger orde en eenvoudiger tevens. De paters der Grot behoefden hun geweten niet te bezwaren met leugens, zij behoefden slechts de verwarring wat in de hand te werken, gebruik te maken van de algemeene onwetendheid. Zelfs kon men aannemen, dat allen te goeder trouw waren: de doktoren, die de geneeskundige verklaringen afgaven; de getrooste zieken, die zich genezen waanden; de hartstochtelijk opgewonden getuigen, die meenden gezien te hebben. En uit dat alles rees zeer duidelijk de onmogelijkheid op om te bewijzen dat het wonder bestond of niet bestond. Werd van dat oogenblik af voor de meesten, voor allen, die leden en behoefte hadden aan hoop, het wonder geen werkelijkheid?

Toen dr. Bonamy, die hen in een hoekje zag praten, naar hen toekwam, vroeg Pierre:

“Hoeveel percent genezingen komen er voor?”

“Ongeveer tien,” antwoordde de dokter.

En toen hij verbazing in Pierre’s oogen zag, voegde hij eraan toe:

“O, wij zullen wel meer krijgen … Maar u moet goed begrijpen, ik ben hier eigenlijk alleen maar om als het ware politietoezicht op de wonderen te houden. Mijn werk is al te grooten ijver wat te temmen, te beletten, dat heilige dingen belachelijk gemaakt worden … Per slot van rekening is mijn bureau slechts een afstempelingsbureau, wanneer de geconstateerde genezingen inderdaad belangrijk schijnen.”

Een dof gebrom van Raboin, die boos begon te worden, viel hem in de rede.

“Geconstateerde genezingen, geconstateerde genezingen … Wat is dat allemaal voor onzin? Het wonder duurt ononderbroken voort. Waartoe dient het voor geloovigen te constateeren? Zij hebben hun hoofd te buigen en te gelooven. En voor de ongeloovigen? Die overtuig je toch niet … Het zijn niets dan dwaasheden, die we hier uithalen!”

Streng beval dr. Bonamy hem te zwijgen.

“Raboin, je bent een rebel … Ik zal aan pater Capdebarthe zeggen, dat ik niets meer van je weten wil, daar je ongehoorzaamheid zaait.”

En toch had hij gelijk, die jongen, die zijn tanden liet zien en steeds gereed was om te bijten, als men aan zijn geloof raakte. Pierre voelde dan ook sympathie voor hem. Al dat werk van het constateeringsbureau, dat bovendien nog slecht gedaan werd ook, was nutteloos: beleedigend voor de geloovigen, onvoldoende voor de ongeloovigen. Is het wonder te bewijzen? Men moet eraan gelooven. Er valt niets te begrijpen, wanneer God ingrijpt. In de eeuwen van waar en oprecht geloof gaf de wetenschap zich geen moeite God te verklaren. Wat kwam zij hier doen? Zij legde het geloof kluisters aan en verlaagde zichzelf. Neen, neen, zich ter aarde werpen, den grond kussen en gelooven. Of weggaan. Een compromis was niet mogelijk. Zoodra men met onderzoekingen begon, kon men daarmede niet ophouden, eindigden ze onvermijdelijk in twijfel.

Maar vooral hinderden Pierre de gesprekken, die hij om zich heen hoorde. De geloovigen, die in het vertrek waren, spraken met een ongehoord gemak en een ongehoorde kalmte over de wonderen. De verbijsterende feiten lieten hen eigenlijk volkomen koud. Nog een wonder, nog een wonder! En met een glimlach vertelden zij de waanzinnigste phantasieën zonder dat hun verstand er maar ook even tegen in verzet kwam. Zij leefden blijkbaar in een milieu van zoo visionaire opwinding, dat zij zich over niets meer verwonderden. En dat waren niet alleen de eenvoudigen van geest, de kinderlijken, de ongeletterden, de aan hallucinaties lijdenden, zooals Raboin, maar ook intellectueelen en geleerden, zooals dr. Bonamy en anderen. Het was onbegrijpelijk. Pierre voelde dan ook een steeds sterker wordend gevoel van onbehagen in zich opkomen, een doffe woede, die ten slotte tot uitbarsting gekomen zou zijn. Zijn verstand verzette zich, spartelde tegen als een arm kind, dat men in het water gegooid heeft en dat voelt, hoe de golven het bijna doen stikken. En hij dacht, dat heldere koppen, als van dr. Chassaigne bijvoorbeeld, die tot blind geloof overgaan, eerst toch dien strijd en dat gevoel van onbehagen moeten doormaken, voor zij voor goed schipbreuk lijden.

Hij keek hem aan en zag, hoe oneindig triest hij was, verpletterd door het noodlot, zwak als een huilend kind, nu hij voor zijn verder leven alleen was. En toch kon hij den kreet van verzet, die naar zijn lippen drong, niet onderdrukken.

“Neen, neen; indien men niet alles weet, zelfs indien men nooit alles weten kan, dan is dat nog geen reden, dat men ophoudt met leeren. Het zou verkeerd zijn, dat het ongekende alleen dáárdoor, dat wij niet weten, ongekend zou blijven. Integendeel, onze eeuwige hoop moet zijn eens het onverklaarde te verklaren, en redelijkerwijze zouden wij geen ander ideaal mogen hebben dan die opmarsch naar het ongekende, om het te leeren kennen, dan die langzame overwinning van ons verstand te midden van de zwakheden van ons lichaam en van onzen geest … O, door mijn verstand lijd ik het meest, maar daarvan verwacht ik ook al mijn kracht. Als dat ten gronde gaat, gaat het geheele wezen ten gronde. En al moge het ook de genadeslag zijn voor mijn geluk, ik heb slechts de brandende begeerte om dat steeds meer te bevredigen.”

Tranen kwamen in dr. Chassaigne’s oogen. Ongetwijfeld kwam de herinnering aan zijn lieve dochter bij hem boven. En op zijn beurt fluisterde hij:

“Het verstand, het verstand! Ja, zeker is dat een trotsch en verheven iets, ja zelfs iets, dat het leven het leven waard maakt … Maar de almachtige kracht des levens is de liefde, het eenige, dat men heroveren wil, als men het verloren heeft.”

Zijn stem brak af in een verstikt snikken. Hij bladerde onwillekeurig in de dossiers op de tafel en vond daarbij dat, hetwelk in groote letters den naam: Marie de Guersaint droeg. Hij sloeg het open en las de certificaten der twee geneesheeren, die tot een verlamming van het ruggemerg concludeerden. En hij ging voort:

“Je weet, jongen, dat ik een groote genegenheid voel voor mademoiselle de Guersaint … Wat zou jij zeggen, als zij hier genezen werd? Ik zie daar certificaten, die door zeer eervolle namen geteekend zijn, en je weet, dat dergelijke verlammingen ongeneeslijk zijn … Welnu, wanneer dat jonge meisje plotseling sprong en danste, zooals ik dat van zooveel anderen gezien heb, zou je dan niet heel gelukkig zijn, zou je dan niet eindelijk het ingrijpen van een bovennatuurlijke macht moeten toegeven?”

Pierre wilde antwoorden, toen hij zich plotseling het consult met zijn neef Beauclair herinnerde, die het wonder voorspeld had, dat als een bliksemstraal door een exaltatie van het geheele wezen zou plaats grijpen. Hij voelde zijn onbehaaglijke stemming sterker worden en zeide slechts:

“Dat zou mij inderdaad zeer gelukkig maken … En ik ben het volkomen eens, dat al de onrust van deze wereld niets anders dan wil is om gelukkig te zijn.”

Maar hij kon daar niet langer blijven. De hitte werd zoo, dat het zweet van de gezichten stroomde. Dr. Bonamy dicteerde aan een der seminaristen het resultaat van het onderzoek van la Grivotte, terwijl pater Dargelès, die op de uitdrukkingen lette, hem tusschenbeide iets influisterde, om hem een zin te laten veranderen. Het lawaai om hen heen bleef aanhouden, de discussie der doktoren liep nu over technische punten, die voor het onderhavige geval van geen enkel belang waren. Men kon tusschen die planken muren geen adem meer halen. Het kleine blonde heertje uit Parijs, de invloedrijke schrijver, was weggegaan, ontevreden geen echt wonder gezien te hebben.

“Laten we gaan, ik kan het hier niet meer uithouden, ik word onpasselijk,” zeide Pierre tegen dr. Chassaigne.

Zij gingen tegelijk met la Grivotte, die door dr. Bonamy weggezonden werd. Dadelijk bij de deur stieten zij op een dichte menigte, die zich verdrong, om de door het wonder genezene te zien. Het nieuws van het wonder had zich blijkbaar reeds verbreid, het was een strijd wie de uitverkorene het eerst zou naderen, vragen, aanraken. En zij kon met haar vuurroode wangen, haar fonkelende oogen en haar dansenden gang niet anders antwoorden dan:

“Ik ben genezen … Ik ben genezen …”

Geroep overstemde haar; zij werd in den wervelstroom der menigte opgenomen en medegevoerd. Een oogenblik verloor men haar uit het oog, alsof zij onder water geraakt was, doch dan kwam zij plotseling weer boven, vlak bij Pierre en den dokter, die zich uit het gedrang trachtten te bevrijden. Zij hadden den Commandeur gevonden, van wien het een manie geworden was naar den vijver en naar de Grot te gaan, om zich boos te kunnen maken. In een nauwsluitende jas leunde hij op zijn wandelstok met zilveren knop, terwijl hij een weinig trok met zijn linkerbeen, dat na zijn tweede beroerte wat stijf gebleven was. Zijn gezicht werd vuurrood en zijn oogen schoten vlammen, toen la Grivotte hem op zij stiet en te midden van het ontketende enthousiasme der menigte uitriep:

“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”

Door een plotselinge woede aangegrepen, schreeuwde hij: “Des te erger voor jou, meid!”

De woorden verwekten een luid gelach, want men kende hem, vergaf hem zijn maniak-achtigen hartstocht voor den dood. Maar toen hij verward begon te stamelen en zeide, dat het om medelijden mede te krijgen was, wanneer je nog langer wilde leven, als je niet mooi was en geen fortuin hadt, en dat het meisje liever had moeten bidden dadelijk te sterven, toen begon men toch een vijandige houding tegen hem aan te nemen. Tot zijn geluk kwam juist abbé Judaine voorbij, die hem uit zijn minder aangename positie redde door hem mede te nemen.

“Houd je mond toch! Het is een schandaal … Waarom kom je toch in opstand tegen de goedheid van God, die zich dikwijls zoo genadig betoont voor onze ellenden, door ze te verlichten?… Je moest zelf op je knieën vallen en hem smeeken je je been terug te geven en je nog tien jaar te laten leven.”

Toen stikte de Commandeur bijna van woede.

“Wat, ik vragen mij nog tien jaar te laten leven, ik, die den dag, dat ik in mijn kist lig, als den mooisten van mijn leven beschouw! Ik even gemeen, even laf zijn als die duizenden zieken, die ik hier in een minne vrees voor den dood zie voorbijtrekken, in hun zwakheid hun schandelijken hartstocht voor het leven uitbrullend! Neen, dan zou ik op mezelf moeten spuwen!… Laat mij maar crepeeren, en direct ook! Het zal zoo heerlijk zijn niet meer te bestaan!”

Hij was nu weer dicht bij dr. Chassaigne en Pierre, die zich eindelijk bij den oever van den Gave uit het gedrang hadden kunnen vrijmaken. Hij begon tegen den dokter, dien hij dikwijls sprak:

“Hebben ze zooeven niet geprobeerd een man in het leven terug te roepen! Ze hebben het me daarnet verteld, ik dacht dat ik stikken zou … Begrijpt u nu zoo iets, dokter? Een man, die het geluk had dood te zijn en dien zij zich de vrijheid genomen hebben in hun water te dompelen in de misdadige hoop hem te doen herleven! Maar als het hun gelukt was, als hun water dien ongelukkige weer in het leven geroepen had—je weet immers nooit wat er in deze potsierlijke wereld gebeuren kan—gelooft u dan niet, dat de man groot gelijk zou hebben, als hij dien lijken-opflikkers zijn woede in hun gezicht gespuwd had?… Had die doode hun gevraagd hem weer op te wekken? Het minste wat je toch doet in zulke gevallen is de menschen raadplegen … Stel je voor, dat ze met mij zoo’n grap zouden uithalen, als ik eenmaal eindelijk mijn langen slaap slaap! Ik zou ze leeren. “Bemoei je met je eigen bemoeisels!” Wat zou ik een haast maken, om weer uit te knijpen.”

Hij was in zijn opwinding zoo komisch, dat abt Judaine en de dokter een glimlach niet konden onderdrukken. Maar Pierre bleef ernstig. De rilling, die hem doorhuiverde, maakte hem koud. Waren het niet de radelooze verwenschingen van Lazarus, die hij daareven gehoord had? Dikwijls had hij zich ingebeeld, dat Lazarus, toen hij uit het graf verrees, Jezus toeriep: “O, Heer, waarom hebt gij mij in dit verschrikkelijke leven teruggeroepen? Ik sliep zoo heerlijk den eeuwigen, droomloozen slaap, ik genoot eindelijk in de verrukkingen van het niet zoo’n heerlijke rust. Ik had al de ellenden en al de smarten gekend, de ontrouw en de valsche hoop, rampen en ziekten; ik had aan het lijden mijn vreeselijke schuld van een levende betaald, want ik was geboren zonder te weten waarom, ik had geleefd zonder te weten waarom; en nu, Heer, laat gij mij mijn schuld dubbel betalen door mij te veroordeelen mijn straftijd nog eens te beginnen … Heb ik dan zoo’n onverzoenbare zonde begaan, dat u mij zoo wreed straft? Wat toch is dat herleven anders dan iederen dag weer iets van zijn vleesch te voelen afsterven, dan verstand te bezitten, alleen maar om te twijfelen, dan een wil te hebben, alleen om niets te vermogen, dan een liefderijk gemoed te bezitten, alleen om zijn smarten te beweenen? En het was uit; ik had den moeilijken stap naar den dood gedaan, ik had die zóó vreeselijke seconde, dat zij voldoende is om het heele leven te vergiftigen, achter den rug. Ik had gevoeld, hoe het zweet van den doodsstrijd mijn voorhoofd nat maakte, hoe het bloed uit mijn aderen wegvloeide, hoe de adem in een laatsten hik mij ontvlood. Wilt u dan, dat ik die verschrikking tweemaal leer kennen; wilt u dan, dat ik tweemaal sterf en dat mijn menschelijke ellende die van alle anderen overtreft?… O, Heer, laat het dan dadelijk gebeuren. O, ik smeek u, doe dat andere groote wonder, leg mij weer in dat graf en laat mij weer insluimeren, zonder dat ik in mijn eeuwigen onderbroken slaap lijden moet. O, heb genade en leg mij niet de kwelling op nogmaals te moeten leven, die vreeselijke kwelling, waartoe u nog geen een enkel ander wezen hebt durven veroordeelen. Ik heb u altijd liefgehad en gediend, maak van mij nu niet het vreeselijkste voorbeeld van uw toorn, dat alle geslachten schrik zou aanjagen. Wees goed en genadig, Heer, geef mij den slaap terug, dien ik zoo ruimschoots verdiend heb, laat mij weer insluimeren in de zaligheid van uw niets.”

Intusschen had abbé Judaine den Commandeur, dien hij eindelijk wat had kunnen kalmeeren, meegetroond; Pierre drukte dr. Chassaigne de hand, daar hij zich herinnerde, dat hij Marie beloofd had haar om vijf uur te zullen halen. Toen hij eindelijk naar de Grot terugkeerde, zag hij abbé des Hermoises in een druk gesprek met mijnheer de Guersaint, die, opgeknapt door een goeden slaap, pas uit zijn hotel gekomen was. Beiden bewonderden de buitengewone schoonheid, die de extase van het geloof aan sommige vrouwen geeft, en praatten over hun plan, om een uitstapje naar het keteldal van Gavarnie te maken.

Zoodra mijnheer de Guersaint echter vernam, dat Marie zonder resultaat een eerste bad genomen had, ging hij onmiddellijk met Pierre mede. Zij vonden het jonge meisje nog steeds in dezelfde pijnlijke verdooving, strak starend naar de Heilige Maagd, die haar niet verhoord had. Zij antwoordde niet op de liefdevolle woorden van haar vader; zij keek hem alleen maar aan met haar groote, diep-droeve oogen, die zij dan weer richtte op het marmeren, in den glans der kaarsen witte beeld. En terwijl Pierre stond te wachten, om haar naar het Hôpital terug te rijden, was mijnheer de Guersaint neergeknield. Eerst bad hij vurig voor het herstel van zijn dochter. Dan smeekte hij voor zichzelf de genade af een compagnon te vinden, die hem het millioen zou geven, dat noodig was voor zijn studies over bestuurbare ballons.

V.

’s Avonds tegen elf uur kwam Pierre, die mijnheer de Guersaint in zijn kamer in het Hôtel des Apparitions alleen liet, op het denkbeeld, alvorens zelf zich ter ruste te begeven, nog even naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te gaan. Hij had Marie zoo wanhopig en zoo volhardend in een schuw zwijgen achtergelaten, dat hij zich ongerust maakte. En nadat hij madame de Jonquière even aan de deur van de zaal Sainte-Honorine had laten komen, werd zijn ongerustheid nog grooter, want de berichten waren allesbehalve goed: de directrice vertelde hem, dat het jonge meisje nog geen woord gezegd had, niemand wilde antwoorden en zelfs weigerde te eten. Zij stond er dan ook op, dat Pierre binnenkwam. De vrouwenzalen waren ’s nachts wel voor mannen gesloten; maar een priester is geen man.

“Zij houdt slechts van u, zij zal slechts naar u luisteren. Kom toch binnen, ga bij haar bed zitten en wacht hier op abbé Judaine. Die zou tegen één uur de communie komen toedienen aan de ergste zieken, die niet meer getransporteerd kunnen worden en zoodra het dag is, eten. U zoudt hem kunnen helpen.”

Pierre volgde madame de Jonquière en ging aan het bed van Marie zitten.

“Kindlief, ik breng iemand mee, die veel van je houdt … Je zult nu zeker wel verstandig worden en eens met hem praten.”

Toen de zieke Pierre zag, keek zij hem echter met een uitdrukking van verbitterd lijden aan; haar trekken waren hard.

“Wil je, dat hij je wat voorleest, één van die mooie verhalen, die troost geven, zooals hij er een in den wagon gedaan heeft? Maar daar heb je misschien nu geen lust in. Enfin, straks zullen we wel verder zien … Ik laat je nu maar met hem alleen, en ik weet zeker, dat je dadelijk heel lief zal zijn.”

Vergeefs praatte Pierre zacht met haar en zeide haar alles wat zijn liefdevolle toegenegenheid voor haar hem ingaf; hij smeekte haar zich niet zoo over te geven aan haar wanhoop. Wanneer de Heilige Maagd haar niet den eersten dag genezen had, dan was dat alleen, omdat zij haar voor het een of ander eclatante wonder uitverkoren had. Maar zij had haar hoofd afgewend, zij scheen zelfs niet naar hem te luisteren, om haar mond lag een bittere trek, haar vertoornde oogen staarden in het niet. Hij moest wel zwijgen; keek nu de zaal rond.

Het was een afschuwlijk schouwspel. Nog nooit was hij zoo onpasselijk geworden van een walging, die medelijden en afschuw in hem opwekten. Het middagmaal was reeds lang gebruikt, maar nog steeds lagen er porties op de lakens; en tot aan het lichten van den nieuwen dag waren er, die nog aten, terwijl anderen lagen te jammeren of smeekten, dat men ze omdraaide of op den pot zette. Naarmate het later werd, maakte een soort ijlkoorts zich van allen meester.

Maar heel enkelen sliepen rustig, sommigen lagen uitgekleed onder de dekens, maar de meesten eenvoudig er bovenop uitgestrekt; het was zoo moeilijk haar uit te kleeden, dat zij zelfs gedurende de vijf dagen, die de bedevaart duurde, niet verschoond werden. In het halfdonker leek de zaal nog voller: de vijftien bedden, die langs de muren stonden, de zeven matrassen, die in den hoofddoorgang gelegd waren, andere, die er later nog waren bijgevoegd, een ophooping van tallooze lompen, waartusschen de bagage, de oude manden, de kisten, de valiezen opgestapeld stonden. Men wist niet meer waar men zijn voet moest zetten. Twee walmende lantaarns verlichtten ternauwernood dit kampement van stervenden; ondanks de twee half openstaande ramen, waardoor trouwens slechts de zwoele warmte van den Augustusnacht binnenkwam, was de stank ondragelijk. Schimmen en gillen bevolkten deze hel in den nachtelijken doodsangst van zooveel lijden.

Pierre herkende Raymonde, die, nu haar dienst afgeloopen was, nog even haar moeder een zoen kwam geven, voor zij ging slapen in een der voor de zusters gereserveerde dakkamertjes. Madame de Jonquière, die haar taak als directrice zeer ernstig opnam, deed die drie nachten geen oog dicht. Zij had wel een fauteuil, waarin zij makkelijk kon liggen, maar zij kon er geen oogenblik in gaan zitten, zonder onmiddellijk weer gestoord te worden. Overigens werd zij dapper bijgestaan door de kleine madame Désagneaux, die zich zoo vol toewijding aan haar taak gaf, dat zuster Hyacinthe haar lachend gevraagd had: “Waarom wordt u geen pleegzuster?” Waarop zij eenigszins verschrikt en verbaasd geantwoord had: “Dat gaat niet, ik ben getrouwd en ben dol op mijn man!” Madame Volmar had zich niet meer laten zien. Men vertelde, dat zij zoo’n vreeselijke hoofdpijn had, dat zij naar bed had moeten gaan, wat madame Désagneaux verontwaardigd had doen vragen, waarom je hierheen kwam, om zieken te verplegen, als je zelf zoo zwak was. Maar langzamerhand begon zij zich ook geradbraakt aan armen en beenen te voelen, hoewel zij het zich zelf niet wilde bekennen en bij de minste klacht dadelijk bereid was om te helpen. Zij, die in haar appartementen te Parijs liever een knecht gescheld zou hebben dan zelf een lamp te verzetten, liep hier rond met potten en kannen, ledigde kommen, richtte de zieken op, terwijl madame de Jonquière een kussen achter haar schoof. Doch om elf uur kon zij niet meer. Zij was zoo onvoorzichtig zich even uit te strekken in den fauteuil en sliep toen dadelijk in. Haar aardig kopje met de mooie, blonde, weerspannige haren was op haar schouder afgezakt. En noch het gejammer, noch het roepen, noch eenig ander geluid kon haar wakker maken.

Zachtjes was madame de Jonquière weer naar den jongen priester gekomen en zeide tegen hem:

“Ik had er wel aan gedacht om mijnheer Ferrand, u weet wel den dokter, te laten halen; misschien had hij het arme kind wat kunnen geven om te kalmeeren, maar hij is beneden bezig met broeder Isidore. En bovendien we laten hier niemand geneeskundig behandelen, wij komen hier slechts, om onze lieve zieken in de handen der Heilige Maagd te leggen.”

Zuster Hyacinthe, die dezen nacht met de directrice wilde waken, voegde zich bij hen.

“Ik kom zoo juist uit de mannenzaal; ik had mijnheer Sabathier een paar sinaasappelen beloofd. Het is mijnheer Ferrand gelukt broeder Isidore weer tot het leven terug te roepen … Wilt u misschien, dat ik hem even ga halen?”

Maar Pierre verzette zich ertegen.

“Wel neen, Marie zal wel verstandig zijn. Ik zal haar wel kalmeeren.”

Maar Marie bleef nog steeds hardnekkig zwijgen. Een van de twee lantaarns hing vlak bij haar bed, en Pierre zag heel duidelijk haar mager gezicht, waarin geen spier vertrok. In het bed ernaast zag hij het hoofd van Elise Rouquet, die in een diepen slaap verzonken was. Zij lag zonder sluier met haar gezicht naar boven, waarin de afzichtelijke wond toch bleef toetrekken. Links van zich zag hij de uitgeputte madame Vêtu, die, geschokt als zij werd door een onophoudelijk reutelen, den slaap niet vatten kon. Hij zeide een paar bemoedigende woorden tot haar. Zij dankte hem met een hoofdknikje en voegde er zwakjes aan toe:

“Er hebben vandaag verschillende genezingen plaats gehad, dat maakt me zoo gelukkig.”

La Grivotte, die aan het voeteneinde van het bed op een matras lag, hield maar niet op, zich in haar drukke opgewondenheid op te richten en tegen ieder, die kwam, te herhalen:

“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”

En zij vertelde, dat zij een halve kip verorberd had, zij, die in geen twee maanden gegeten had. Daarna had zij bijna twee uur lang medegeloopen in de fakkelprocessie. Zij zou zeker tot vroeg in den ochtend gedanst hebben, als de Heilige Maagd een bal gegeven had.

“Ik ben genezen, o, heelemaal genezen!”

En met een kinderlijke vroolijkheid, met een glimlachende zelfverzaking kon madame Vêtu nog zeggen:

“De Heilige Maagd heeft er goed aan gedaan, deze te genezen, die zoo arm is. Dat maakt mij gelukkiger dan wanneer ik het zelf was. Ik heb immers mijn winkel en kan nog best wat wachten … Ieder op zijn beurt, ieder op zijn beurt!”

Bijna allen toonden die Christelijke liefde, die ongelooflijke blijdschap over de genezing van anderen. Slechts hoogst zelden waren zij jaloersch, allen gaven zich over aan een soort gelukkige epidemie, de aanstekelijke hoop den volgenden dag ook genezen te worden, als de Heilige Maagd het wilde. Je moest haar niet verdrietig maken, je niet ongeduldig betoonen, want zij had er natuurlijk haar goede redenen voor, wist waarom zij liever met deze dan met gene begon. De ergste zieken baden dan ook, in die broederschap van lijden en hoop, voor haar, die naast haar lagen. Ieder nieuw wonder was een onderpand voor het volgende. Onwrikbaar kwam haar geloof steeds weer boven. Men vertelde de geschiedenis van een verlamd boerenmeisje, dat met een buitengewone wilskracht in de Grot eenige passen geloopen had. In het Hôpital teruggekeerd, had zij zich weer naar beneden laten brengen, daar zij naar de voeten van Notre-Dame de Lourdes wilde teruggaan, maar op de helft van den weg was zij hijgend en doodsbleek neergevallen. Op een brancard had men haar toen weer naar het Hôpital teruggebracht, waar zij gestorven was; genezen, zeiden degenen, die in de zaal naast haar lagen. Ieder op zijn beurt, de Heilige Maagd vergat geen van haar geliefde dochters, indien het tenminste niet in haar bedoeling lag een van haar uitverkorenen onmiddellijk de genade van het paradijs deelachtig te doen worden.

Plotseling, juist toen Pierre zich over haar heen boog, om nogmaals te vragen, of hij haar wat wilde voorlezen, barstte Marie in een wild snikken uit. Zij had haar hoofd laten neervallen op den schouder van haar vriend en zeide hem met een zachte, maar angstaanjagende stem te midden van de vage schaduwen dier vreeselijke zaal haar woede. Het was bij haar, iets, wat zoo zelden voorkomt, een verliezen van het geloof, een plotseling wegzinken van den moed, een opstand van het lijdende schepsel, dat niet langer wachten kan. Ja, het werd bij haar een godslastering.

“Neen, neen, zij is slecht, zij is onrechtvaardig. Ik was er zoo zeker van, dat zij mij vandaag zou verhooren, en ik had haar zoo gesmeekt! Nooit zal ik genezen, nu deze eerste dag ten einde loopt. Het was een Zaterdag, ik was zoo overtuigd, dat zij mij op een Zaterdag genezen zou … O, Pierre, ik wilde niet meer spreken, belet mij om te spreken, want mijn hart is zóó vol, dat ik te veel zeggen zou!”

In een broederlijke omarming had hij haar hoofd tegen zich aangedrukt, trachtte dien kreet van haar verzet te smoren.

“Marie, zwijg toch! Ze mogen je niet hooren … Jij, zoo vroom! Wil je dan al deze zielen ergeren?”

Maar zij kon niet zwijgen.

“Ik zou stikken, ik moet spreken … Ik heb haar niet meer lief, ik geloof niet meer in haar. Alles wat men hier vertelt zijn leugens: er is niets, zij bestaat zelfs niet; zij luistert immers niet, als je haar roept en als je weent. Als je alles eens wist, wat ik tot haar gezegd heb … Neem me mee, dan kan ik op straat sterven, waar de voorbijgangers ten minste medelijden zullen hebben met mijn lijden.”

Haar stem was allengs zwakker geworden, stamelend als een kind viel zij op haar kussen terug.

“En niemand houdt ook van me. Vader was er zelfs niet. En jij, arme jongen, hadt me ook in den steek gelaten. Toen ik zag, dat een ander mij naar den vijver reed, voelde ik in mijn hart zoo’n bittere koude. Ja, die koude van den twijfel, dien ik in Parijs zoo dikwijls gevoeld heb. Een ding is zeker: dat zij mij niet genezen heeft, komt, omdat ik getwijfeld heb. Ik zal slecht gebeden hebben, ik ben niet heilig genoeg …”

De godslasteringen hadden reeds opgehouden, zij vond reeds verontschuldigingen voor den hemel. Maar haar gezicht bleef verbitterd in dien strijd tegen de hoogere macht, die zij zoo lief gehad en gebeden had, maar die haar niet verhoord had. Wanneer er een enkele maal zoo’n aanval van woede losbrak en het in de bedden tot dergelijke opstanden tegen God, tot wanhoop en snikken, ja zelfs tot vloeken kwam, dan trokken de dames en de zusters, eenigszins schuw en bang, eenvoudig de gordijnen dicht. De genade had zich teruggetrokken en men moest wachten, tot zij terugkeerde. Dan trad langzamerhand een kalmte in en na enkele uren was alles te midden van de diepe, treurige stilte gestorven.

“Blijf toch kalm, blijf toch kalm, ik smeek het je,” zeide Pierre, die zag, dat een andere crisis, een van twijfel aan zich zelf, van angst de goddelijke genade onwaardig te zijn, zich van Marie dreigde meester te maken.

Ook zuster Hyacinthe was bij haar bed komen staan.

“Maar je zult straks de heilige communie niet kunnen ontvangen, kindlief, als je in zoo’n opgewonden toestand blijft. En waarom wil je niet, dat mijnheer de abbé je wat voorleest, nu wij het ook goed vinden?”

Zij maakte een moe gebaar als om te zeggen, dat zij het goed vond en onmiddellijk haalde Pierre uit het valies, dat aan het voeteneinde van het bed stond, het kleine boekje met blauwen omslag, waarin zoo naïef de geschiedenis van Bernadette verteld werd. Maar evenmin als den vorigen nacht in den voortrollenden trein hield hij zich aan den besnoeiden tekst van het boekje, maar improviseerde hij, waarbij hij de feiten op zijn wijze weergaf, terwijl de denker en de analyst in hem geen weerstand bieden konden aan de verleiding om de waarheid te herstellen, deze legende, wier eeuwig wonder tot de genezing der zieken medewerkte, meer menschelijk te maken. En weldra richtten zich van alle matrassen naast hem vrouwen op, die het vervolg van het verhaal wilden hooren, want het smachtend verlangen naar de communie belette bijna allen om te slapen.

Zoo verhief Pierre, zittend in het bleeke schijnsel van de lantaarn, die boven hem hing, langzamerhand zijn stem, om zich voor de geheele zaal verstaanbaar te maken.

“Dadelijk na de eerste wonderen begonnen de vervolgingen. Bernadette werd als een leugenaarster en een krankzinnige behandeld, en men dreigde haar in de gevangenis te zetten. Abbé Peyramale, pastoor van Lourdes en monseigneur Laurence, bisschop van Tarbes, benevens de geheele geestelijkheid hielden zich op den achtergrond en wachtten met de grootste voorzichtigheid de dingen af, terwijl de burgerlijke autoriteiten, de prefect, de officier van justitie, de burgemeester, de commissaris van politie zich in hun overmatigen ijver tot betreurenswaardige excessen tegen den godsdienst lieten verleiden …”

Terwijl hij zoo voortging, zag Pierre, hoe de ware geschiedenis met een onweerstaanbare kracht voor hem oprees. Hij ging nog wat in de geschiedenis terug en vond Bernadette weer terug op het oogenblik van de eerste verschijningen. Zij was zoo rein, zoo kinderlijk-oprecht, zoo aanbiddelijk van onschuld en goede trouw in haar lijden. Zij was de helderziende, de heilige, wier gelaat in de oogenblikken van extase een uitdrukking van bovenmenschelijke schoonheid kreeg: haar voorhoofd straalde, haar trekken schenen verheerlijkt te worden, haar oogen baadden in licht, terwijl de half geopende mond van liefde brandde. Haar geheele persoon was dan vol van een verheven majesteit, zij maakte langzame en verheven teekenen des kruises, die als het ware den geheelen horizont omvatten. De aangrenzende dalen, de dorpen, de steden spraken over niets dan over Bernadette. En hoewel de Heilige Maagd zich nog niet bekend gemaakt had, herkende men haar, zeide men: “Dat is de Heilige Maagd!” Den eersten marktdag kwamen er zooveel menschen, dat Lourdes wel overstroomd leek. Allen wilden het gebenedijde kind zien, de uitverkorene van de Koningin der Engelen, die zoo mooi werd, wanneer de hemelen zich voor haar verrukte oogen openden. Iederen ochtend werd de menigte aan den oever van den Gave grooter; duizenden verdrongen er zich om toch maar niets van het schouwspel te verliezen. Zoodra Bernadette zich vertoonde, liep een geprevel door de schare: “Daar is de heilige, de heilige, de heilige!” Men snelde naar haar toe, kuste haar kleeren. Zij was de Messias, de eeuwige Messias, dien de volkeren verwachten en naar wien door alle eeuwen heen alle geslachten smachten. En steeds weer herhaalde zich hetzelfde: een openbaring der Maagd aan een herderin; een stem, die de wereld vermaande tot boetedoening; een bron, die ontsprong; wonderen, die de in steeds grooter getale samenstroomende menigte met verbazing sloegen en verrukten.

O, die eerste wonderen van Lourdes! Welk een heerlijke lentebloesempracht van troost in het hart der ellendigen, die door armoede en ziekte verteerd werden! Het genezen oog van den ouden Bourriette; de jonge Bouhohorts, in het koude water weer tot het leven teruggeroepen; dooven, die weer hoorden; lammen, die weer liepen; en zoovele anderen, Blaise Maumus, Bernade Soubies, Auguste Bordes, Blaisette Soupenne, Benoite Cazeaux, die van de ergste ziekten verlost werden, vormden het onderwerp van eindelooze gesprekken, verlevendigden de hoop weer van allen, die geestelijk of lichamelijk leden. Donderdag, den vierden Maart, den laatsten dag van de door de Heilige Maagd verlangde bezoeken, waren er meer dan twintigduizend personen voor de Grot, was het geheele gebergte afgedaald. En die ontzaglijke menigte vond daar waarnaar zij hongerde: het voedsel van het goddelijke, het feestmaal van het wonderbaarlijke, genoeg van het onmogelijke, om haar geloof te bevredigen aan een hoogere macht, die zich verwaardigde zich in te laten met de armen, die op opzienbarende wijze ingreep in de ellendige toestanden hier op aarde, om er een weinig gerechtigheid en goedheid te brengen. De roep der goddelijke liefde weerklonk, de onzichtbare en hulpvaardige hand strekte zich uit, verbond de eeuwige wonde der menschheid. O, met welk een onverwoestbare kracht schoot deze droom, dien ieder geslacht op zijn beurt opnieuw droomde, weer wortel bij de onterfden, zoodra hij een gunstigen, door de omstandigheden voorbereiden bodem gevonden had. En misschien hadden in geen eeuwen de feiten zich zoo samengevoegd, om, zooals in Lourdes, den mystieken haard van het geloof te doen ontvlammen.

Een nieuwe godsdienst begon zich te grondvesten, en onmiddellijk kwamen de vervolgingen los, want de godsdiensten gedijen slechts onder martelingen en verzet. Evenals vroeger te Jeruzalem, toen het gerucht zich verspreidde, dat wonderen opbloeiden onder de stappen van den verwachten Verlosser, geraakten ook hier de burgerlijke autoriteiten in opwinding, de officier van justitie, de vrederechter, de burgemeester en vooral de prefect van Tarbes. Deze was toevallig een streng geloovig Katholiek, een rechtschapen man, die zijn godsdienstige plichten steeds waarnam, maar bovendien een echte bestuursambtenaar, een hartstochtelijk verdediger van de goede orde, een verklaard tegenstander van alle fanatisme, waaruit oproer en godsdienstige ontaarding voortvloeit. Te Lourdes had hij onder zijn bevelen een commissaris van politie, die den zeer begrijpelijken wensch koesterde zijn gaven van helder doorzicht te bewijzen.

En zoo begon de strijd: den eersten Vastenzondag, vlak na de eerste verschijningen, liet deze commissaris Bernadette voor zich komen, om haar te ondervragen. Vergeefs trad hij in den beginne liefderijk, dan opvliegend en dreigend op: hij kreeg van het meisje steeds dezelfde antwoorden. De geschiedenis, die zij met de langzamerhand toegenomen bijzonderheden vertelde, had zich van lieverlede onherroepelijk in haar kinderlijk brein vastgezet. En bij deze arme hysterica was dat geen leugen; het was een onbewust opgedrongen gedachte, een ongeneeslijk gebrek aan wilskracht om zich los te maken van de eerste hallucinatie. Het ongelukkige kind, het lieve, zachte kind! Van dat oogenblik af was zij voor het leven verloren, werd zij gekruisigd door haar idée fixe, waaruit men haar slechts zou hebben kunnen losrukken door haar in een andere omgeving te brengen, door haar terug te geven aan de vrije buitenlucht in een streek van licht en menschenliefde! Maar zij was de uitverkorene, zij had de Heilige Maagd gezien, daarom zou zij haar geheele leven lijden en ten slotte sterven.

Pierre, die Bernadette zoo goed begreep en aan haar nagedachtenis een broederlijk medelijden, de warme toegenegenheid, die men voor een menschelijke heilige, een eenvoudig, rechtschapen en in de marteling voor haar geloof bekoorlijk wezen heeft, bewaarde, kon zijn ontroering niet verbergen: zijn oogen waren vochtig, zijn stem beefde. Marie, die tot dusverre met haar door verzet hard gelaat, strak voor zich uit had liggen staren, maakte nu een gebaar van medelijden.

“De arme kleine,” prevelde zij, “zoo alleen tegen die magistraten, en zoo onschuldig, zoo fier, zoo zeker van haar zaak!”

Uit alle bedden steeg dezelfde lijdende sympathie op. De hel van deze zaal in haar nachtelijke ellende, met haar vergiftigde atmosfeer, haar opeenhooping van smartelijke ziekbedden, haar spookachtig heen en weer geloop van door moeheid uitgeputte zusters, scheen verlicht te worden door een glans van goddelijke liefde. Arme, arme Bernadette! Allen waren verontwaardigd over de vervolgingen, die zij, om de werkelijkheid van haar visioen te verdedigen, had moeten verduren.

Voortgaande, vertelde Pierre wat Bernadette te lijden had gehad. Na het verhoor door den commissaris had zij nog voor de chambre du Tribunal moeten verschijnen. De geheele magistratuur wilde haar met alle geweld tot een herroeping dwingen. Maar het hardnekkig vasthouden aan haar droom was sterker dan al de redeneeringen van al de burgerlijke overheden te zamen. Twee doktoren, door den prefect gezonden, om haar te onderzoeken, concludeerden te goeder trouw, zooals trouwens ieder geneesheer gedaan zou hebben, tot zenuwstoringen, waarvan het asthma een zekere aanwijzing was en die onder bepaalde omstandigheden hallucinaties in het leven hadden kunnen roepen. Op die conclusie was zij bijna in een ziekenhuis te Tarbes opgesloten. Maar men durfde haar niet uit Lourdes te verwijderen, bang als men was voor de volksverbittering. Een bisschop was gekomen om zich voor haar op zijn knieën te werpen. Dames wilden haar genade met goud koopen. Steeds grooter wordende scharen van geloovigen overstelpten haar met bezoeken. Zij had een toevlucht gezocht bij de zusters van Nevers, die de zieken in het gemeentelijke ziekenhuis verpleegden; daar had zij haar eerste communie gedaan, daar leerde zij met moeite lezen en schrijven. Daar de Heilige Maagd haar slechts voor het geluk van anderen uitverkoren scheen te hebben en haar zelf niet van haar chronische benauwdheden genas, besloot men haar naar de zoo nabij gelegen baden van Cauterets te brengen, die haar echter in het geheel geen goed deden.

Onmiddellijk na haar terugkeer te Lourdes begon de kwelling van verhooren en van aanbidding door een geheel volk opnieuw in nog erger mate, zoodat zij een afschuw van de wereld kreeg. Het was nu voor goed uit: zij kon nu geen vroolijk kind meer zijn; geen jong meisje worden, dat droomt van een echtgenoot; geen jonge vrouw, die de wangen van mollige kinderen kust. Zij had de Heilige Maagd gezien, zij was de uitverkorene en de martelares. De Heilige Maagd, zeiden de geloovigen, had haar slechts drie geheimen toevertrouwd en haar aldus gewapend met die driedubbele wapenrusting, om haar te midden van haar beproevingen te steunen.

Lang had de geestelijkheid, zelf vol twijfel en ongerustheid, zich van het uitspreken van een oordeel onthouden. De pastoor van Lourdes, abbé Peyramale, was een ruw, maar buitengewoon goed, rechtschapen en verwonderlijk energiek man, wanneer hij meende op den rechten weg te zijn. De eerste maal, dat hij Bernadette bij zich kreeg, ontving hij bijna even ruw als de commissaris van politie dit te Bartrès opgevoede kind, dat men nog niet op de leering gezien had; hij weigerde haar verhaal te gelooven en beval haar met eenige ironie de Vrouwe te bidden vóór alles de wilde rozenstruik, die aan haar voeten stond, te doen ontluiken, wat de Vrouwe niet deed. Dat hij later als een goede herder, die zijn kudde verdedigt, het kind onder zijn bescherming nam, was alleen, omdat, toen de vervolgingen begonnen, men erover dacht dat ziekelijke meisje met haar zoo heldere en vrijmoedige oogen gevangen te nemen. En bovendien waarom zou hij het wonder blijven ontkennen, nadat hij er als voorzichtig priester, die weinig lust heeft den godsdienst in een verdacht avontuur te werpen, slechts aan getwijfeld had? De Heilige Boeken staan vol wonderen, het geheele dogma is op het mysterie gebaseerd.

Vanaf dat oogenblik verzette, in de oogen van een priester, niets er zich tegen, dat de Heilige Maagd dit godvruchtige kind belast had met de opdracht voor hem, om een kerk te bouwen, waar de geloovigen zich in processie heen zouden begeven. Op die wijze begon hij Bernadette om haar charme lief te krijgen en te verdedigen, ook al hield hij zich, in afwachting van de beslissing van zijn bisschop, bescheiden op den achtergrond.

Deze bisschop, Mgr. Laurence, scheen zich in zijn paleis te Tarbes achter driedubbele grendels opgesloten te hebben en bewaarde, alsof er te Lourdes niets gebeurde, dat hem kon interesseeren, het meest volmaakte stilzwijgen. Hij had aan zijn geestelijkheid strenge bevelen gegeven, en geen priester had zich nog onder de groote scharen, die geheele dagen voor de Grot doorbrachten, laten zien. Hij wachtte; hij liet in administratieve circulaires den prefect weten, dat de burgerlijke overheid in overeenstemming met de geestelijke overheid was. In den grond der zaak geloofde hij blijkbaar niet aan de verschijningen, zag hij daarin, evenals de geneesheeren, slechts de hallucinaties van een ziekelijk kind. De gebeurtenis, die het geheele land in beweging bracht, was echter belangrijk genoeg, om het van dag tot dag nauwkeurig te laten onderzoeken, en de wijze, waarop hij er zoo langen tijd zoo’n geringe belangstelling voor toonde, bewijst hoe weinig geloof hij aan het beweerde wonder sloeg. Zijn eenige zorg was de Kerk niet te compromitteeren met een geschiedenis die voorbestemd was slecht te eindigen. Mgr. Laurence, een zeer vroom man met een koel en nuchter verstand, had voor het bestuur van zijn diocese een groote dosis gezond verstand medegebracht. De ongeduldigen en de vurige ijveraars gaven hem toendertijd den bijnaam van “Heilige Thomas”, omdat hij in zijn twijfel bleef volharden tot den dag, dat hij door de feiten gedwongen werd. Hij weigerde te hooren en te zien, vast besloten niet toe te geven dan wanneer de godsdienst er niets meer bij verliezen kon.

Maar de vervolgingen werden ernstiger en scherper. De minister van Eeredienst, die op de hoogte gebracht was, eischte, dat alle wanordelijkheden zouden ophouden, waarop de prefect de toegangen tot de Grot door militairen had laten bezetten. Reeds hadden de geloofsijver der getrouwen en de dankbaarheid der genezenen die met bloemvazen versierd. Men wierp geldstukken in de Grot, geschenken voor de Heilige Maagd stroomden toe. Ook waren er reeds primitieve inrichtingen gemaakt: steenhouwers hadden een soort reservoir uitgehouwen, om het wonderwater op te vangen; anderen ruimden de groote rotsblokken weg en schiepen op die wijze een toegang langs den heuvel. En tegenover den steeds aangroeienden stroom der menigte nam de prefect, na van Bernadette’s inhechtenisneming te hebben afgezien, het ernstige en bedenkelijke besluit om den toegang tot de Grot door een zwaar staketsel af te sluiten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings