← Table of contents
De drie steden

TWEEDE DAG

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

I.

De stationsklok, waarvan de wijzerplaat door een reflector verlicht werd, wees drie uur twintig minuten aan. Onder de kap, die over het ongeveer honderd meter lange perron liep, drentelden in geduldige afwachting schimmen op en neer. In de verte, in de zwarte vlakte, zag men niets dan een rood seinlicht.

Twee van die heen-en-weer drentelende schimmen bleven staan. De grootste, een pater van Maria Hemelvaart, de eerwaarde pater Fourcade, directeur van de nationale bedevaart, een zestiger en een flinke verschijning in zijn zwarte pelerine met de lange kap, was den vorigen dag te Lourdes aangekomen. Zijn mooie kop met de heldere, gebiedende oogen en den dikken, grijzenden baard deed denken aan dien van een veldheer, welke vastbesloten is te overwinnen. Lijdend aan jicht, trok hij wat met zijn been en leunde op den schouder van dr. Bonamy, den aan het bureau voor het constateeren van wonderen verbonden geneesheer, een klein, ineengedrongen mannetje met een kaalgeschoren gezicht, doffe en verwaterde oogen, en grove, kalme trekken.

Pater Fourcade vroeg aan den stationschef, die uit zijn bureau kwam loopen:

“Mijnheer, is de witte trein veel te laat?”

“Neen, eerwaarde, hoogstens tien minuten. Om half vier is hij binnen … Ik maak me meer ongerust over den trein uit Bayonne, die al door moest zijn.”

Hij liep weg om een bevel te geven, kwam dan weer terug, mager en zenuwachtig, in de koortsachtige opgewondenheid, die hem tijdens de groote bedevaart dagen en nachten op den been hield. Dien ochtend verwachtte hij buiten den gewonen dienst, achttien extra-treinen met meer dan vijftien duizend reizigers. De grijze en de blauwe trein, die het eerst van Parijs vertrokken waren, waren op het vastgestelde uur binnen gekomen. Maar de vertraging van den witten trein was des te onaangenamer, omdat de expres uit Bayonne ook nog niet gemeld was, zoodat het te begrijpen was, dat het personeel iedere seconde op zijn qui-vive moest zijn.

“Over tien minuten, dus?”

“Ja, over tien minuten, wanneer we tenminste de lijn niet moeten afsluiten,” riep de chef, die zich naar de telegraaf spoedde.

Langzaam hervatten de geestelijke en de geneesheer hun wandeling. Het verbaasde hun, dat er te midden van al die koortsachtige drukte nooit een ernstig ongeluk gebeurd was. Vroeger vooral heerschte er een ongelooflijke wanorde. En onwillekeurig dacht de pater terug aan de eerste bedevaart, die hij in 1875 had georganiseerd en geleid: de verschrikkelijke, eindelooze reis, zonder kussens of matrassen, met half-doode zieken, die men niet wist hoe tot het leven terug te roepen; dan de aankomst te Lourdes, het ordelooze uitstappen, niet het minste transportmateriaal, geen draagbaren, geen brancards, geen rijtuigen. Thans echter was alles prachtig ingericht en georganiseerd; de hospitalen voor de zieken, die men nu niet meer op stroo in loodsen behoefde te leggen. Wat een ramp vroeger voor die ongelukkigen! Welk een wilskracht moest de geloovigen naar het wonder brengen. En de pater glimlachte zacht bij de gedachte aan het werk, dat hij gedaan had. Nog steeds op diens schouder leunend, vroeg hij aan den dokter:

“Hoeveel pelgrims hebt u verleden jaar gehad?”

“Ongeveer tweehonderd duizend. Dat is het gemiddelde, dat zich aardig blijft handhaven … Het jaar van de kroning der Heilige Maagd was het aantal vijfhonderd duizend. Maar dat was een uitzonderingsgeval en het gevolg van een groote propaganda. Zulke getallen bereik je niet meer.”

Er volgde een korte stilte, dan prevelde de pater:

“Ongetwijfeld … het werk wordt gezegend, neemt van dag tot dag in bloei toe. Dit jaar hebben we ongeveer tweehonderdvijftig duizend francs voor deze reis aan giften gekregen; en God zal met ons zijn, morgen zult u talrijke genezingen te constateeren hebben, daar ben ik vast van overtuigd.”

En zichzelf in de rede vallend:

“Is pater Dargelès er niet?”

Dr. Bonamy maakte een gebaar om te zeggen, dat hij het niet wist. Pater Dargelès was belast met de redactie van den Journal de la Grotte. Hij behoorde tot de orde van de paters der Onbevlekte Ontvangenis, die door den bisschop te Lourdes waren gevestigd en daar onbeperkt heer en meester waren. Doch wanneer de paters van Maria Hemelvaart met de nationale bedevaart uit Parijs kwamen, waarbij zich de geloovigen uit de steden Kamerijk, Atrecht, Chartres, Troyes, Reims, Sens, Orleans, Blois en Poitiers voegden, was het net, alsof zij geheel en al verdwenen waren: men zag ze niet bij de Grot, niet bij de Basilica; zij schenen met het afgeven der sleutels tevens de verantwoordelijkheid van zich te werpen. Zelfs hun overste, pater Capdebarthe, een groot, krachtig en grof gebouwd man, een soort boer, wiens verweerd gezicht den roodbruinen en droefgeestigen weerschijn van den grond behouden had, vertoonde zich niet. Alleen den kleinen en vriendelijken pater Dargelès vond men overal, op zoek naar berichten voor zijn courant. Maar al verdwenen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, toch voelde men hen achter dit groote decor als de verborgen en souvereine kracht, die overal geld uit slaat, die zonder ophouden werkt aan den bloei van het huis. Zelfs hun eigen nederigheid exploiteerden zij.

“Ik heb wel vroeg op moeten staan,” begon pater Fourcade het gesprek weer op vroolijken toon, “om twee uur al, maar ik wou hier zijn. Wat zouden mijn arme kinderen anders gezegd hebben?”

Zoo noemde hij de zieken, het vleesch voor de wonderen; en altijd was hij, welk uur het ook zijn mocht, tegenwoordig geweest bij de aankomst van den witten trein, dien jammervollen trein met de ernstige zieken.

“Vijf minuten voor half vier, nog vijf minuten,” zeide dr. Bonamy, die een geeuw onderdrukte, terwijl hij naar de klok keek, en ondanks zijn kruipend-onderdanige houding gruwlijk het land had, dat hij zoo vroeg uit zijn bed had moeten komen.

Op het perron, dat op een overdekten promenoir geleek, bleef te midden van de dichte duisternis, waarin de gaslantaarns geel plekten, het op-en-neer-drentelen voortduren. Niet duidelijk te onderscheiden menschen in kleine groepen, geestelijken, heeren in overjassen, een officier der dragonders liepen zacht fluisterend af en aan. Anderen zaten op de langs den muur staande banken eveneens te praten of staarden, strak voor zich uit kijkend, naar de donkere vlakte. In de schel verlichte bureaux en wachtkamers teekenden de donkere deuren zich duidelijk af, terwijl ook de restauratiezaal, waarin men de marmeren tafels en het met brood en vruchten, flesschen en glazen beladen buffet zag, haar volle verlichting reeds had aangestoken.

Maar vooral aan het achtereinde van de kap heerschte een verward gedrang van menschen. Aan dien kant bracht men de zieken naar buiten. Een groot aantal brancards en kleine rijtuigjes, een formeele barricade van kussens en matrassen versperde het breede trottoir. Ook waren daar drie ploegen brancarddragers, mannen uit alle standen, maar voornamelijk jongelui uit de hoogere kringen, die op hun jassen het roode, oranjekleurig gerand kruis en de geellederen draagband droegen. Velen hadden de baret op, de makkelijke hoofddracht uit die streken. Sommigen, als toegerust voor een verre expeditie, droegen mooie slobkousen, die tot aan de knieën reikten. Enkelen rookten, anderen hadden het zich makkelijk gemaakt in hun kleine rijtuigjes en sliepen of lazen bij het licht der gaslantaarns een courant. Afgezonderd van de anderen stond een groepje over de inrichting van den dienst te praten.

Plotseling groetten de brancarddragers. Een vriendelijk heer met grijze haren, een goedhartig, dik gezicht en met groote blauwe kinderoogen kwam aangeloopen. Het was baron de Suire, een der grootste kapitalisten van Toulouse en voorzitter van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut

“Waar is Berthaud?” vroeg hij druk doende aan iedereen. “Waar is Berthaud? Ik moet hem spreken.”

Iedereen antwoordde en ieder gaf een andere inlichting. Berthaud was de directeur der brancardafdeeling. Sommigen hadden den directeur zoo even nog met den eerwaarden pater Fourcade gezien, anderen beweerden, dat hij op de binnenplaats van het station de ambulancewagens inspecteerde.

“Als mijnheer de president wil, dat we den directeur halen …”

“Neen, neen, dank je wel. Ik zal hem zelf wel vinden.”

Intusschen zat Berthaud in afwachting van de aankomst van den trein aan het andere einde van het station op een bank te praten met zijn jongen vriend Gérard de Peyrelongue. Het was een veertiger met een knap, lang en regelmatig gezicht, die nog zijn welverzorgd magistraten-bakkebaardje had. Behoorende tot een militante legitimistische familie en zelf streng reactionnair, was hij sedert den 24sten Mei ambtenaar van het Openbaar Ministerie in een stad in het Zuiden, toen hij na de afkondiging der decreten tegen de congregaties op luidruchtige wijze zijn ontslag genomen had in een beleedigenden brief aan den minister van Justitie. Daarbij had hij het echter niet gelaten, doch zich bij wijze van protest aangesloten bij de Hospitalité de Notre Dame de Salut en kwam dit ieder jaar te Lourdes in het openbaar manifesteeren, overtuigd als hij was, dat die bedevaarten onaangenaam en schadelijk waren voor de republiek en dat de Heilige Maagd alleen het koningschap kon herstellen door een van de wonderen, die zij in de Grot in zoo grooten getale wrocht. Verder had hij een goed helder verstand, lachte graag en was steeds even vriendelijk en hartelijk voor de arme zieken, voor wier transport hij gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart zorgde.

“Dus dit jaar ga je trouwen, Gérard?” vroeg hij aan den jongen man, die naast hem zat.

“Zeker, als ik de vrouw vind, die ik noodig heb,” antwoordde deze. “Kom, neef, geef u mij eens een goeden raad.”

Gérard de Peyrelongue, een klein, mager, rosachtig mannetje met een sterk ontwikkelden neus en ingevallen wangen, kwam uit Tarbes en had kort geleden zijn ouders verloren, die hem een rente van. niet meer dan zeven of achtduizend francs hadden nagelaten. Zeer eerzuchtig, had hij in zijn provincie niet de vrouw, die hij wilde, kunnen vinden, een vrouw van goede familie, die door haar relaties in staat zou zijn hem hoogerop te brengen. Hij had zich dan ook bij de Hospitalité aangesloten en ging ieder jaar naar Lourdes met de vage hoop, dat hij daar onder de menigte geloovigen, onder den stroom van dames en jonge meisjes, de familie zou ontdekken, die hij noodig had, om zijn carrière in dit ondermaansche te maken. Maar tot nog toe had het hem niet mogen gelukken, want al had hij verschillende jonge meisjes op het oog, geen enkele viel geheel in zijn smaak.

“Ja werkelijk neef, u, die toch een man van ervaring bent, moest mij eens een raad geven … Daar is in de eerste plaats mademoiselle Lemercier, die hier met haar tante komt. Zij is schatrijk, meer dan een millioen beweert men. Maar zij behoort niet tot onze kringen en ik geloof, dat zij nog al excentriek is.”

Berthaud schudde zijn hoofd.

“Ik heb het je al meer gezegd, als ik jou was, nam ik de kleine Raymonde, mademoiselle de Jonquière.”

“Maar die bezit geen sou.”

“Dat is zoo, nauwelijks genoeg om te leven. Maar zij is vrij knap, uitstekend opgevoed en heeft geen neiging tot verkwisting; en dat laatste doet de deur toe, want waartoe dient het een rijk meisje te nemen, als zij toch alles wat zij meebrengt weer uitgeeft? En dan, ik ken de dames heel goed, ik ontmoet ze ’s winters in de invloedrijkste salons van Parijs. En bovendien vergeet haar oom niet, den diplomaat, die den treurigen moed gehad heeft in dienst der republiek te blijven en ongetwijfeld heel wat voor zijn neef zal kunnen doen.”

Gérard, die een oogenblik aan het wankelen gebracht was, zeide echter weer:

“Geen sou, geen sou, neen, het is onmogelijk … Ik wil er nog wel eens over nadenken, maar heusch, ik zie er te erg tegen op.”

Ditmaal begon Berthaud hartelijk te lachen.

“Kom, je bent eerzuchtig, dan moet je durven. Ik verzeker je, je wordt er gezantschapssecretaris door … De dames komen met den witten trein, die dadelijk binnen zal stoomen. Wees een kerel en maak haar het hof!”

“Neen, neen … later! Ik wil er eerst nog eens over nadenken!”

Op dit oogenblik werden zij gestoord. Baron de Suire, die reeds langs hen gekomen was zonder hen te zien, zoo donker was het in dit afgelegen hoekje, had het hartelijke lachje van den voormaligen officier van justitie herkend. En onmiddellijk gaf hij hem met een ongelooflijke radheid van tong verschillende bevelen betreffende de ambulancewagens, waarbij hij zich beklaagde, dat men wegens het werkelijk al te vroege uur de zieken niet onmiddellijk na hun aankomst naar de Grot brengen kon. Ze zouden nu gebracht worden naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, zoodat zij na hun zoo moeilijke reis wat rust konden nemen.

Terwijl de baron en de leider van den brancarddienst de maatregelen, die genomen dienden te worden, bespraken, drukte Gérard een priester, die naast hem was komen zitten, de hand. De nauwlijks acht-en-dertigjarige abbé Des Hermoises had den knappen kop van een mondain geestelijke, friseerde en parfumeerde zich zorgvuldig en was de lieveling der dames. Hij kwam, zooals zoovele priesters voor hun genoegen gaan, uit eigen beweging naar Lourdes; uit zijn heldere oogen straalde een gezond verstand en om zijn lippen speelde het lachje van een scepticus, die zich boven alle afgodendienst verheven voelt. Zeker, hij geloofde en boog nog in aanbidding zijn knie; maar de Kerk had zich over de wonderen niet uitgesproken en hij scheen bereid ze te betwisten. Hij had in Tarbes gewoond en kende Gérard.

“Nu,” zeide hij, “is dat wachten op de aankomst der treinen midden in den nacht niet iets indrukwekkends?… Ik ben hier voor een dame, een van mijn vroegere biechtkinderen uit Parijs; ik weet niet precies met welken trein zij komt, doch ik blijf maar, ik vind het zoo interessant.”

En toen een andere priester, een oude plattelandspastoor, naast hem was komen zitten, begon hij met hem te praten over de schoonheid der omstreken van Lourdes, over het prachtige gezicht straks, wanneer de bergen in de opgaande zon zichtbaar zouden worden.

Opnieuw ontstond er plotseling een koortsachtige drukte. De chef liep heen en weer, schreeuwde bevelen. Pater Fourcade liet ondanks zijn jichtig been den schouder van dr. Bonamy los en ging naar voren.

“Die expres van Bayonne komt maar niet,” antwoordde de chef op de verschillende vragen … “Waarom melden ze ook niets? Ik ben er niets gerust op!”

Weer ging het signaal over, een witkiel ging, met een lantaarn zwaaiend, de donkerte in, terwijl in de verte met een seinlicht gemanoeuvreerd werd.

“Dat is de witte trein,” riep de chef. “Laten we hopen, dat we den tijd zullen hebben, om de zieken er uit te krijgen, voor de expres doorkomt.”

Hij liep weer verder en verdween. Berthaud riep Gérard, die leider van een brancard-afdeeling was; en beiden haastten zich naar hun menschen, aan wie baron Suire reeds orders gaf. De brancarddragers kwamen van alle kanten toeschieten, en begonnen kleine wagentjes over de lijn te brengen, naar de plaats, waar de witte trein zou stilstaan, een geheel onoverdekt gedeelte van het perron, dat in het donker lag. Er vormde zich ook daar weldra een opstapeling van kussens, matrassen en draagbaren, terwijl pater Fourcade, dr. Bonamy, de geestelijken, de heeren en de officier der dragonders ook de spoorbaan overstaken om bij het uitstappen der zieken behulpzaam te zijn. Heel in de verte, achter in de donkere vlakte zag men nog slechts de lantaarn der locomotief als een steeds grooter wordende ster. Schelle fluitsignalen verscheurden den nacht. Dan zwegen zij, hoorde men niets meer dan het snuiven van de machine, het doffe rollen der wielen. Allengs onderscheidde men duidelijk het gezang, de litanie van Bernadette, die door den geheelen trein gezongen werd met de obsessies gevende Ave’s van het refrein. Dan reed die trein van jammer en geloof, die kreunende en zingende trein Lourdes binnen en stond stil.

Onmiddellijk werden de portieren geopend en stapte de menigte gezonde pelgrims en de zieken, die loopen konden, uit, en overstroomde het perron. De enkele lantaarns verlichtten slechts zwak die arme schare in hun povere kleeding, beladen en bepakt met allerlei bagage, manden, valiezen, houten kisten; en te midden van het gedrang, het gestoot met ellebogen van die opgewonden troep, die niet wist in welke richting zij gaan moest, om bij den uitgang te komen, stegen uitroepen op, geschreeuw van families, die elkaar verloren hadden, werden enkelen begroet door familieleden of vrienden, die hen kwamen halen. Met een blik van zalige tevredenheid verklaarde een vrouw: “Ik heb lekker geslapen!” Een pastoor ging met zijn valies weg, terwijl hij een manke dame: “Veel geluk!” toewenschte. De meesten hadden de verschrikte, vermoeide en blijde uitdrukking van menschen, die een pleiziertrein op een onbekend station uitwerpt. Ten slotte werden het gedrang en de verwarring zóó groot, dat de reizigers niet eens de beambten hoorden, die met hun “Hierheen! Hierheen!” hun keel schor schreeuwden, om de ontruiming van het station te bespoedigen.

Vlug was zuster Hyacinthe, die de zorg voor den doode aan zuster Claire des Anges overgedragen had, uitgestapt en liep nu naar den kantinewagen met het denkbeeld, dat Ferrand haar helpen zou. Gelukkig vond zij voor dien wagen pater Fourcade, aan wien zij zachtjes het voorgevallene vertelde. Hij wist een gebaar van ongeduld te bedwingen en hield baron de Suire, die juist voorbijkwam, aan. Een paar seconden fluisterden de beide mannen. Dan spoedde de baron zich voort, baande zich een weg door de menigte met twee dragers, die een overdekte baar droegen. En de man werd weggedragen, als ware hij een zieke, die een flauwte gekregen had, zonder dat de groote schare pelgrims zich in de drukte van de aankomst verder om hem bekommerde; de beide dragers, voorafgegaan door den baron, legden hem voorloopig achter tonnen in een der loodsen neer. Een van hen, de zoon van een generaal, bleef bij het lijk waken.

Na zuster Saint-François gevraagd te hebben op het stationsplein bij het gereserveerde rijtuig, dat haar naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs zou brengen, op haar te wachten, haastte zuster Hyacinthe zich weer naar haar wagon terug. Toen zij zeide, dat zij eerst de zieken behulpzaam wilde zijn bij het uitstappen, weigerde Marie dat op vriendelijken toon.

“Maak u maar niet druk om mij, zuster. Ik zal tot het laatst wachten … Vader en abbé Froment zijn in den bagagewagen het onderstel gaan halen; ik wacht hier wel, ze weten hoe ze alles in elkaar moeten zetten en me dan wegrijden.”

Ook mijnheer Sabathier en broeder Isidore wilden niet weggebracht worden, voor de drukte wat voorbij was. Madame de Jonquière, die la Grivotte voor haar rekening genomen had, beloofde er ook voor te zullen zorgen, dat madame Vêtu in een ambulancewagen vervoerd zou worden.

Toen besloot zuster Hyacinthe onmiddellijk weg te gaan, om alles in het ziekenhuis in orde te maken. Zij nam de kleine Sophie Couteau en Elise Rouquet, wier gezicht zij zorgvuldig bedekte, mede. Madame Maze ging haar voor, terwijl madame Vincent zich een weg door de menigte baande, alleen nog maar bezield door de gedachte haar kind, dat zij bewusteloos in haar armen droeg, in de Grot aan de voeten van de Heilige Maagd neer te leggen. Nu verdrong de menigte zich naar den uitgang. Men moest de deuren van de bagagezaal open zetten om het wegvloeien van den menschenstroom te vergemakkelijken; de employé’s, die niet meer wisten, hoe zij de plaatsbewijzen moesten innemen, hielden hun petten maar op, die zich weldra met de kleine stukjes karton vulden.

Op het stationsplein, een groot vierkant plein, dat aan drie zijden door de lage stationsgebouwen ingesloten was, heerschte eveneens een buitengewone drukte, een verwarring van allerlei soorten voertuigen door elkaar heen. De hotel-omnibussen, die tegen den trottoirband stonden, hadden op hun impériales de heiligste namen, die van Maria en Jezus, van den H. Michael, van den Rozenkrans, van het Heilige Hart. Dan volgde ambulancewagens, landauers, cabrioletten, meubelwagens, kleine ezelkarretjes, waarvan de koetsiers schreeuwden en vloekten te midden van het lawaai, dat nog toenam door de duisternis, waarin de lantaarns enkele lichte gaten boorden.

Het onweer had een gedeelte van den nacht geduurd, nattige modder spatte op onder de hoeven der paarden; de voetgangers waadden er tot aan hun enkels in.

Mijnheer Vigneron, die door madame Chaise gevolgd werd, droeg zijn zoon met diens krukken in den omnibus van het Hôtel des Apparitions, waarin zijn dames en hij zelf dan ook plaats namen. Madame Maze wenkte angstig als een zindelijk poesje, dat bang is zijn pootjes vuil te maken, den koetsier van een oud vehikel, stapte in en verdween, terwijl zij als adres het klooster der Blauwe Zusters opgaf. Zuster Hyacinthe kon eindelijk met Elise Rouquet en Sophie Couteau plaats vinden in een ruimen char-à-bancs, waarin Ferrand en de zusters Saint-François en Claire des Agnes reeds zaten. De koetsiers legden de zweep over hun kleine, vurige paardjes en de rijtuigen schoten in groote vaart weg te midden van het geschreeuw der menschen en het opspatten van de modder.

Bij het zien van die geweldige menschenmassa durfde madame Vincent met haar dierbare last niet verder gaan. Om haar heen klonk hier en daar gelach. O, wat een modder! Allen hielden haar rokken op en gingen weg. Toen het plein wat leeger werd, waagde zij het eindelijk ook te gaan. Maar wat een angst, om in die modderplassen uit te glijden en in die pikdonkerte te vallen! Toen zij bij den weg, die naar beneden liep, kwam, zag zij groepjes vrouwen uit de omstreken staan, die op vreemdelingen loerden en hun kamers met of zonder pension, al naar hun beurzen, aanboden.

“Madame,” vroeg zij aan een oude vrouw, “zoudt u mij den weg naar de grot kunnen wijzen?”

Doch deze gaf geen antwoord op die vraag, bood haar een niet dure kamer aan.

“Alles is vol, u zult in de hotels niets meer vinden … Misschien nog wat te eten, maar zelfs het kleinste hoekje niet om te slapen.”

Eten, slapen, daar dacht madame Vincent nog al aan, die op reis gegaan was met dertig sous, alles wat zij na de uitgaven, die zij had moeten doen, nog bezat!

“Madame, hoe kom ik het makkelijkst bij de Grot?”

Onder de vrouwen, die daar stonden te loeren, bevond zich een flinke, groote meid in een helder dienstbodenpakje, met een frisch gewasschen gezicht en goed onderhouden handen. Zij haalde flauwtjes haar schouders op. En toen een priester met een breede borst en gezonde roode wangen voorbijkwam, vloog zij op hem af, bood hem een gemeubileerde kamer aan en bleef hem volgen, terwijl zij hem iets in het oor fluisterde.

“Kijk,” zeide eindelijk een ander meisje, dat medelijden kreeg, tegen madame Vincent, “loop dezen weg af, sla dan rechts om en u bent bij de Grot!”

Op het perron, waarvoor de trein stilgehouden had, heerschte nog een groot gedrang. Terwijl de gezonde pelgrims en de zieken, die nog loopen konden, weggingen, waren de ernstige zieken, wier uitstappen en vervoer moeilijker ging, nog in de wagons. De brancarddragers raakten hun hoofd kwijt, liepen met hun draagbaren en wagentjes als dollen heen en weer, wisten bij de overstelpende hoeveelheid werk niet, waar zij beginnen moesten.

Toen Berthaud met Gérard, druk gesticuleerend, voorbijkwam, zag hij bij een lantaarnpaal twee dames en een jong meisje, die blijkbaar stonden te wachten. Hij herkende Raymonde en hield zijn vriend met een gebaar terug.

“O, mademoiselle, het is me een waar genoegen u te zien. Maakt uw moeder het goed en hebt u een goede reis gehad?”

En zonder op een antwoord te wachten:

“Mijn neef Gérard de Peyrelongue.”

Raymonde keek met haar heldere, glimlachende oogen den jongen man even goed aan.

“O, ik heb het genoegen mijnheer te kennen. Wij hebben elkaar reeds te Lourdes ontmoet.”

Gérard echter vond, dat zijn neef Berthaud wat te hard van stal liep, en maakte, vastbesloten, zich niet op die manier te laten binden, een zeer beleefde buiging.

“Wij wachten op mama,” begon het jonge meisje weer. “Zij heeft het met al die ernstige zieken zeer druk.”

De kleine madame Désagneaux met haar knap, blond gezichtje en haar weerspannige lokken, kwam daartegen in verzet en zeide, dat het madame de Jonquière’s eigen schuld was, dan had zij haar hulp maar niet moeten weigeren; zij stampte van ongeduld met haar voeten en brandde van verlangen om zich nuttig te maken, terwijl madame Volmar zich stil en bescheiden op den achtergrond hield en niet de minste belangstelling toonde; zij trachtte met haar prachtige oogen, die gewoonlijk als met een sluier bedekt waren, doch als kolen konden gloeien, de duisternis te doorboren, als zocht zij iemand.

Op dat oogenblik ontstond er een groot gedrang. Madame Dieulafay werd uit haar compartiment eerste klasse gedragen, en madame Désagneaux kon een uitroep van medelijden niet bedwingen.

“Arme vrouw!”

Het was ook werkelijk een hartverscheurend schouwspel, die jonge vrouw te midden van haar grooten luxe, met haar kanten als in een doodkist liggend, zoo vermagerd, dat zij nog slechts een lap scheen te zijn. Zoo lag zij daar te wachten om weggedragen te worden. Haar man en haar zuster bleven bij haar staan, beiden zeer elegant en bedroefd, terwijl een knecht met de bagage wegging om te kijken of het telegraphisch bestelde rijtuig op het plein stond. Ook abbé Judaine hielp de zieke; en toen twee mannen haar oplichtten, boog hij zich over haar heen en sprak haar enkele bemoedigende woorden toe, die zij echter niet scheen te hooren. En terwijl hij haar nakeek, zeide hij tegen Berthaud, dien hij kende:

“Die arme menschen! Als zij de genezing konden koopen! Ik heb hun gezegd, dat het kostbaarste goud voor de Heilige Maagd het gebed is; en ik hoop zelf genoeg gebeden te hebben, dat de hemel zich over haar zal ontfermen … Maar toch brengen zij een prachtig geschenk mede, een gouden lantaarn voor de Basilica, een prachtwerk, met edelgesteenten bezet … Moge de Onbevlekte Maria zich een glimlach verwaardigen!”

Veel geschenken werden medegebracht, reusachtig groote bloemruikers voorbijgedragen, onder meer een driedubbele kroon van rozen op een houten voetstuk. De oude priester zeide, dat hij, alvorens het station te verlaten, nog een vaandel wilde gaan halen, een geschenk van madame Jousseur, de zuster van madame Dieulafay.

Inmiddels kwam madame de Jonquière naar hen toe en zeide, toen zij Berthaud en Gérard herkend had:

“Ach als het u blieft, heeren, gaat u zoo gauw mogelijk naar dien wagon hier vlak bij. Er zijn daar mannen noodig, er moeten drie of vier zieken uitgedragen worden … Mijn hoofd loopt om, ik kan niet meer.”

Gérard liep er reeds heen, na Raymonde gegroet te hebben, terwijl Berthaud madame de Jonquière aanraadde niet langer op het perron te blijven; hij verzekerde haar stellig en zeker, dat men haar volstrekt niet noodig had, dat hij voor alles zou zorgen en dat zij binnen drie kwartier haar zieken in het hospitaal zou hebben. Eindelijk liet zij zich overhalen en nam met Raymonde en madame Désagneaux een rijtuig. Op het laatste oogenblik was madame Volmar, als gaf zij toe aan een plotseling opgekomen ongeduld, verdwenen. Men had haar naar een onbekend heer zien gaan, zeker om hem een inlichting te vragen. Enfin, ze zouden haar wel in het hospitaal terugvinden.

Berthaud voegde zich voor den wagon bij Gérard, juist toen deze met behulp van twee andere vrienden mijnheer Sabathier uit den coupé droeg. Het was een moeilijk werkje, want hij was dik en zwaar, en zij waren bang, dat zij hem niet door het portier zouden kunnen krijgen. Maar toch was hij erdoor binnengekomen ook. Twee andere dragers moesten nog door het andere portier naar binnen gaan, en op die wijze slaagde men er eindelijk in hem op het perron te krijgen. De dag begon aan te breken, een vaal, triest licht; het perron maakte met zijn uitstalling als van een geïmproviseerd lazaret een jammerlijken indruk. La Grivotte lag bewusteloos op een matras in afwachting van een draagbaar, terwijl men madame Vêtu, die zoo’n hevigen aanval had, dat zij bij den minsten schok gilde, tegen een lantaarnpaal had moeten neerzetten.

Heeren van de Hospitalité met handschoenen aan, reden in hun kleine wagentjes moeilijk arme, vuile vrouwen voort, die oude manden aan haar voeten hadden; weer anderen konden niet passeeren met hun draagbaren, waarop stijve lichamen lagen, jammerlijke, zwijgende lichamen met van angst uitpuilende oogen. Enkele zieken en kreupelen sleepten zich met moeite voort, zooals een jonge, hinkende priester en een kleine jongen met krukken, een bochel en een afgezet been, die zich als een aardmannetje door de menigte voortbewoog. Een groot gedrang was ontstaan om een man, die door een verlamming zóó krom gebogen was, dat men hem met zijn beenen en zijn hoofd naar beneden op een omgekeerden stoel vervoeren moest.

De verwarring bereikte echter zijn toppunt, toen de chef schreeuwend kwam aanstormen: “De expres van Bayonne is gemeld … Opschieten! Opschieten! Je hebt nog maar drie minuten!”

Pater Fourcade, die nog steeds op den arm van dr. Bonamy steunde, sprak den zieken moed in en wenkte Berthaud bij zich om hem te zeggen: “Laat ze er eerst allemaal uit komen, dan kunnen we ze later wel vervoeren.”

Het was een verstandige raad; het uitladen werd voortgezet In den wagon bevond zich nu nog slechts Marie, die geduldig wachtte. Mijnheer de Guersaint en Pierre waren eindelijk teruggekomen met de twee paar wielen; vlug hielp Pierre, alleen geholpen door Gérard, het jonge meisje eruit. Zij was licht als een arm, rillend vogeltje, alleen de bak leverde eenige moeite op, dan zetten de beide mannen deze op twee paar wielen, die zij met klinknagels vastzetten.

“Opschieten! opschieten!” riep de chef weer.

Hij zelf hielp, steunde de voeten van een zieke, om hem uit een compartiment te krijgen. Hij duwde de kleine wagentjes voort en maakte den rand van het perron vrij. Maar in een wagon tweede klasse kreeg een vrouw, die het laatst uitgedragen zou worden, een hevig zenuwtoeval. Zij brulde, verzette zich; men kon er op dat oogenblik niet aan denken haar aan te raken. En de expres, die kwam, die door het onafgebroken gerinkel van het electrische seintoestel gemeld werd. Er moest een besluit genomen worden, n.l. het portier sluiten en den trein op het zijspoor brengen, waar hij in zijn tegenwoordige formatie drie dagen zou blijven staan om dan zijn lading pelgrims en zieken weer op te nemen. Terwijl de trein wegreed, hoorde men nog het gillen der ongelukkige, die er met een zuster in achter had moeten blijven, gillen, die steeds zwakker en zwakker werden, gillen van een krachteloos kind, dat men eindelijk tot bedaren brengt.

“Lieve God!” mompelde de chef, “het was hoog tijd!”

Inderdaad raasde de expres uit Bayonne aan en reed met bliksemsnelheid langs dit jammerlijke perron, waar de rampzalige ellende van een inderhaast ontruimd hospitaal door elkaar lag. De kleine wagentjes en draagbaren werden door elkaar geschud en geschokt; maar er gebeurde geen ongeluk, het stationspersoneel hield goed toezicht en verwijderde den half waanzinnigen troep, die naar den uitgang bleef dringen, van de spoorbaan. Nauwelijks was de trein voorbij, of de circulatie begon weer en de dragers konden voorzichtig het transport der zieken voortzetten.

Langzamerhand werd het lichter; een helder morgenrood kleurde den hemel, waarvan de weerschijn op de nog donkere aarde weerkaatste. Men begon menschen en dingen te onderscheiden.

“Neen, dadelijk!” zeide Marie tot Pierre, die zich een weg trachtte te banen. “Laten we wachten tot de stroom wat weggevloeid is.”

Intusschen werd haar aandacht getrokken door een ongeveer zestig-jarige man met een militair voorkomen, die tusschen de zieken doorwandelde. Met zijn vierkanten kop en zijn witte, kortgeknipte haren, zou men hem voor een kranigen ouden heer gehouden hebben, als hij niet getrokken had met zijn linkervoet, dien hij bij iederen stap naar binnen gooide. Met zijn linkerhand steunde hij op een dikken wandelstok.

“Zoo, bent u het, Commandeur?” riep mijnheer Sabathier, die nu al voor de zooveelste maal in Lourdes kwam en hem blijkbaar kende.

Misschien heette hij mijnheer Commandeur. Maar, daar hij gedecoreerd was en een breed, rood lint droeg, gaf men hem mogelijk dien bijnaam om die decoratie, hoewel hij maar eenvoudig ridder was. Niemand kende precies zijn geschiedenis; hij moest nog ergens familie hebben, kinderen waarschijnlijk; maar al die dingen waren met een geheimzinnig waas omhuld. Sedert drie jaar was hij op het station belast met het toezicht op de bagageloodsen, een makkelijk en onbeteekenend baantje, dat men hem uit groote gunst gegeven had en met het magere salaris waarvan hij volmaakt gelukkig kon leven. Op zijn vijf-en-vijftigste jaar had hij een beroerte gehad, twee jaar later nog een, waardoor zijn linkerkant eenigszins verlamd was. Nu wachtte hij met volkomen kalmte op een derde. Zooals hij zeide, kon de dood hem krijgen, wanneer hij wilde, dien avond, morgen, op staanden voet. Iedereen in Lourdes kende hem om zijn manie tijdens de bedevaarten, wanneer hij de gewoonte had, om, al trekkend met zijn been en leunend op zijn stok, bij iederen trein, die aankwam, zich woedend te maken en de zieken hun vurig verlangen om te genezen voor de voeten te werpen.

Hij zag nu voor de derde maal mijnheer Sabathier; op dezen stortte hij de fiolen van zijn toorn uit.

“Ben je daar waarachtig al weer? Jij schijnt al erg aan dit vervloekte leven te hangen … Maar kerel, ga toch rustig thuis op je bed dood! Is dat niet het beste, wat je overkomen kan?”

Zonder boos te worden, lachte mijnheer Sabathier, hoewel hij toch gebroken was door de hardhandige wijze, waarop men hem uit den wagon had moeten dragen.

“Zeker niet, ik wil liever beter worden.”

“Beter worden, beter worden, dat vragen ze allemaal! Honderden mijlen afleggen, in stukken, en gillend van pijn aankomen, en dat om beter te worden, om alle pijn en alle beroerdigheid opnieuw te beginnen!… Kom, jij op jouw leeftijd en met jouw verwoest lichaam, jij zoudt een leelijke pijp rooken, als je Heilige Maagd je je beenen teruggaf. Wat zou je ermee uitvoeren, lieve Hemel? Welk plezier zou je ervan hebben om enkele jaren nog dien afschuwlijken ouderdom te rekken?… Kom, sterf dadelijk, nou je eenmaal zoover bent! Dat is het eenige geluk!”

En hij zeide het, niet als een geloovige, die streeft naar de belooning in het hiernamaals, maar als een levensmoede, die vertrouwt in het Niets, in den grooten eeuwigen vrede van het niet meer zijn weg te zinken.

Terwijl mijnheer Sabathier zijn schouders optrok, alsof hij met een kind te doen had, bleef abbé Judaine, die eindelijk zijn vaandel teruggevonden had, in het voorbijgaan even staan, om den Commandeur, dien hij ook kende, een vriendelijk standje te geven.

“Geen godslasteringen, waarde heer; afstand doen van het leven en niet van je gezondheid houden is den hemel beleedigen. Als je mijn raad gevolgd hadt, zou je ook reeds de Heilige Maagd de genezing van je been gevraagd hebben.”

Toen werd de Commandeur boos.

“Mijn been! Daar kan zij niets aan veranderen! En laat de dood maar komen, laat het maar uit zijn, voor altijd!… Wanneer je moet sterven, draai je je hoofd naar den muur en sterft! Het is zoo eenvoudig mogelijk!”

Maar de oude priester viel hem in de rede. Hij wees hem op Marie, die, uitgestrekt in haar wagentje liggend, naar hen luisterde.

“Je wilt dus alle zieken naar huis terugsturen, om te sterven, niet waar? Zelfs mademoiselle, die nog zoo jong is en graag leven wil?”

In haar vurig begeerte om te leven, om haar deel te hebben van de groote wereld, opende Marie haar groote oogen; de Commandeur, die naar haar toe gekomen was, keek haar aan en werd plotseling aangegrepen door een diepe ontroering, die zijn stem deed beven.

“Als mademoiselle geneest, wensch ik haar een ander wonder toe, n.l. dat zij gelukkig wordt.”

Hij ging weg om als toornig philosoof zijn wandeling tusschen de zieken voort te zetten, trekkend met zijn been en met zijn dikken stok op de ijzeren steenen slaande.

Langzamerhand werd het perron leeg; madame Vêtu en la Grivotte waren weggedragen, Gérard reed mijnheer Sabathier in een wagentje naar zijn hôpital, terwijl baron Suire en Berthaud reeds bevelen gaven voor den volgenden trein, den groenen, die gauw binnen kon komen. Alleen Marie was er nog, voor wie Pierre niemand anders wilde laten zorgen. Hij had haar reeds naar het stationsplein gereden, toen zij plotseling merkte, dat mijnheer de Guersaint verdwenen was. Onmiddellijk daarop zagen zij hem in druk gesprek met abbé Des Hermoises, met wien hij zoo even kennis gemaakt had. Een zelfde bewondering en liefde voor de natuur had hen samen gebracht. De dag was nu volkomen aangebroken; de bergen der omgeving toonden zich in hun volle majesteit. Mijnheer de Guersaint kon zijn verrukking niet inhouden.

“Wat een heerlijk land, mijnheer! Nu al dertig jaar lang loop ik rond met den wensch het keteldal van Gavarnie te zien. Maar dit is zoo ver en zoo duur, dat ik dat uitstapje zeker niet zal kunnen maken.”

“Maar dan vergist u zich, niets is makkelijker dan dat; als je en club gaat, is het zoo duur niet. Ik ga er van het jaar ook weer heen, zoodat, wanneer u u aansluiten wilt …”

“Wat u zegt, mijnheer!… Nu, we zullen er nog wel eens over praten.”

Zijn dochter riep hem, en na een hartelijken handdruk aan den priester ging hij naar haar toe. Pierre had besloten, dat hij Marie tot aan het hospitaal zou rijden, om het overbrengen in een ander voertuig te vermijden. De omnibus, landauers en meubelwagens kwamen reeds weer terug en vulden, in afwachting van den groenen trein, het stationsplein; het kostte hem eenige moeite om met het wagentje, waarvan de lage wielen tot aan de naven in de modder zakten, den weg te bereiken. Politieagenten, die belast waren met de regeling van het verkeer, vloekten tegen die beroerde plassen, die hun schoenen vuil maakten. Alleen de jonge en oude vrouwen, die niets liever wilden dan haar kamers verhuren, lachten om die modderpoelen en liepen er op haar klompen doorheen, om de pelgrims te achtervolgen.

Toen het wagentje op den dalenden weg wat makkelijker reed, lichtte Marie haar hoofd op, om aan mijnheer de Guersaint, die naast haar liep, te vragen:

“Vader, welken dag hebben we vandaag?”

“Zaterdag, lieveling!”

“Dat is waar ook, Zaterdag, de dag der Heilige Maagd!… Zal ze mij vandaag genezen?”

Achter haar droegen, op een overdekte baar, twee dragers heimelijk het lijk van den man weg, dat zij uit het kantoor gehaald hadden, om het naar een verborgen plek te brengen, die pater Fourcade hun had aangewezen,

II.

Het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, dat door een vrijgevigen kanunnik gebouwd, maar uit gebrek aan geld onvoltooid gebleven was, is een groot, maar veel te hoog gebouw van vier verdiepingen, waarheen men de zieken slechts met moeite transporteeren kan. Gewoonlijk wordt het door een honderd zieke en arme oude mannen bewoond. Maar gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart worden die grijsaards elders onder dak gebracht en wordt het Hôpital verhuurd aan de paters van Maria Hemelvaart, die er soms vijf à zeshonderd zieken herbergen. Maar hoeveel men er ook onder brengt, de ruimte blijft onvoldoende. Van de drie of vierhonderd zieken, die nog overblijven, gaan de mannen naar het Hôpital du Salut, de vrouwen naar het gemeentelijke ziekenhuis.

Dien ochtend was bij het opgaan der zon de verwarring op het met zand bestrooide binnenplein voor de deur, die door twee priesters bewaakt werd, zeer groot. Den vorigen avond had het personeel der tijdelijke directie met een reusachtige menigte registers, kaarten en gedrukte formulieren de bureaux in bezit genomen. Men wilde het veel beter inrichten dan het vorige jaar; de benedenzalen moesten gereserveerd blijven voor de meest hulpbehoevende zieken; verder zou de uitgifte der kaarten, die den naam van de zaal en het nummer van het bed droegen, zorgvuldig gecontroleerd worden, want er waren vergissingen wat betreft de identiteit voorgekomen. Maar alle goede bedoelingen leden schipbreuk bij den grooten stroom zieken, dien de witte trein aangevoerd had, en de nieuwe formaliteiten verwarden alles zóó zeer, dat men ertoe had moeten besluiten de ongelukkigen op het binnenplein neer te leggen, tot men ze later met wat meer orde zou kunnen binnenbrengen. En de uitlading begon opnieuw, evenals op het station, het jammerlijke legeren in de open lucht, terwijl de dragers en de beambten van het secretariaat, jonge seminaristen, van alle kanten kwamen toegesneld.

“Ze hebben het te goed willen doen,” riep baron Suire wanhopig uit.

En het was waar, nooit had men zooveel nuttelooze voorzorgsmaatregelen genomen. Men bemerkte, dat men ten gevolge van onverklaarbare vergissingen zieken, die het moeilijkst te transporteeren waren, in de bovenzalen had ondergebracht.

Het was onmogelijk een nieuwe regeling te maken, alles moest nu maar op goed geluk af zijn gang gaan. De uitdeeling der kaarten begon, terwijl een jonge priester voor de controle de namen en de adressen in een register opteekende. Iedere zieke moest verder zijn kaart toonen, die de kleur van den trein had met zijn naam en volgnummer, en waarop men dan den naam der zaal en het nummer van het bed invulde. Daardoor duurde de toelating nog langer.

Dan begon in het groote gebouw van beneden naar boven over de vier verdiepingen een eindeloos heen en weer gedraaf. Mijnheer Sabathier was een der eersten, die toegelaten werd in een zaal op den rez-de-chaussée, de zoogenaamde salle des ménages, waar de mannen hun vrouwen bij zich mochten houden. Verder werden in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs slechts vrouwen opgenomen. En, hoewel broeder Isidore met zijn zuster was, wilde men hen toch als getrouwd beschouwen; hij kreeg een bed naast dat van mijnheer Sabathier.

“Rust flink uit en verzamelt krachten,” herhaalde baron Suire, die zich overal tegelijk vertoonde. “Ge hebt nog een goede drie uur. Het is nu vijf en de eerwaarde paters hebben bevel gegeven niet voor acht uur naar de Grot te gaan, om te groote vermoeienissen te vermijden.”

Boven op de tweede verdieping had madame de Jonquière bezit genomen van de zaal Sainte-Honorine, waarvan zij directrice was. Zij had haar dochter Raymonde, die bij den dienst in het refectorium ingedeeld was, beneden moeten laten, daar volgens het reglement jonge meisjes niet in de zalen mochten komen, waar zij te stuitende en afzichtelijke dingen zouden kunnen zien. Maar de kleine madame Désagneaux had de directrice niet verlaten, aan wie zij, gelukkig eindelijk ook zelf iets te kunnen doen, reeds bevelen vroeg.

“Madame, zijn alle bedden goed opgemaakt? Of wil ik het met zuster Hyacinthe nog eens overdoen?”

De lichtgeel geverfde zaal, die, daar het licht alleen van het binnenplein kwam, vrij donker was, bevatte vijftien bedden, welke in twee rijen langs de muren stonden.

“We zullen dadelijk wel eens kijken,” antwoordde madame de Jonquière, die blijkbaar met haar gedachten elders was.

Zij telde de bedden, keek de lange, nauwe zaal nog eens goed aan. Dan fluisterde zij: “Ik zal nooit genoeg plaats hebben. Ik zou drie-en-twintig zieken krijgen, we zullen dus matrassen op den grond dienen te leggen.”

Zuster Hyacinthe, die zuster Saint-François en zuster Claire des Anges in een klein als linnenkamer ingericht vertrekje ernaast had achtergelaten, sloeg intusschen de dekens op en keek naar de lakens en dekens. Zij stelde madame Désagneaux gerust.

“De bedden zijn goed opgemaakt en alles is helder en zindelijk. Je kan goed zien, dat de zusters Saint Frai er een oogje op gehouden hebben … Maar de reserve-matrassen liggen vlak bij, en wanneer madame me zou willen helpen, zouden we dadelijk een rij tusschen de bedden hier kunnen neerleggen.”

“Natuurlijk, heel graag!” riep de jonge vrouw, verrukt door de gedachte met haar mooie, blanke armen matrassen te dragen.

Madame de Jonquière moest haar wat kalmeeren.

“Voor het oogenblik heeft dat geen haast. Laten we maar wachten, tot de zieken er zijn … Ik mag deze zaal niet erg; je kunt zoo moeilijk luchten … Verleden jaar had ik de zaal Sainte-Rosalie op de eerste verdieping … Enfin, we zullen er ons wel door heen slaan.”

Nog meer hospitaliteitsdames kwamen, een dichte zwerm nijvere bijen, die van verlangen brandden om aan het werk te gaan. Ja zelfs werd dit te groot aantal verpleegsters, die grootendeels uit de hoogere kringen en den middenstand afkomstig waren en een vurigen ijver, waaraan zich ook wel een beetje ijdelheid paarde, aan den dag legden, een nieuwe oorzaak van verwarring. Zij waren met haar tweehonderden. Daar ieder bij haar toetreden tot de Hospitalité de Notre-Dame de Salut een gift moest geven, durfde men er geen weigeren uit vrees, dat de bron van inkomsten anders uitdrogen zou; op die wijze groeide haar aantal jaarlijks aan. Gelukkig waren er bij, voor wie het voldoende was het kruis van rood laken op de borst te dragen, en die, dadelijk bij aankomst te Lourdes, uitstapjes gingen maken. Maar zij, die zich aan het werk wijdden, waren werkelijk zeer verdienstelijk, want dan waren het vijf dagen van verschrikkelijke inspanning, waarin zij nauwelijks twee uur per nacht sliepen, levend te midden van de vreeselijkste en afstootelijkste tooneelen. Zij waren getuigen van moeilijke doodsstrijden, zij verbonden stinkende wonden, leegden kommen en kannen, verschoonden vuile vrouwen, keerden de zieken om, een inspannend en afmattend werk, waaraan zij niet gewoon waren. Na afloop voelden zij zich dan ook als geradbraakt, half dood, en hadden koortsachtige oogen, waarin de vreugde over de barmhartigheid, die haar tot extase voerde, brandde.

“Waar is madame Volmar?” vroeg madame Désagneaux. “Ik dacht ze hier terug te vinden.”

Zachtjes sneed madame de Jonquière verdere vragen af, als was zij op de hoogte en wilde zij, als vrouw, die menschelijke zwakheid door de vingers ziet, daarover niet verder praten.

“Zij is niet sterk; zij rust wat in het hotel. We moeten haar laten slapen.”

Dan verdeelde zij de bedden onder de dames, gaf er ieder twee. En allen namen nu de ziekenzaal volkomen in bezit, liepen af en aan, van boven naar beneden, om te zien waar de administratiekantoren, de linnenkamers en de keukens waren.

“En waar is de apotheek?” vroeg madame Désagneaux weer.

Doch er was geen apotheek, zelfs geen medisch personeel aanwezig. Waartoe zou dat trouwens dienen? De zieken waren toch door de wetenschap opgegeven, radeloozen en wanhopigen, die aan God een genezing vragen kwamen, welke de onmachtige en machtelooze mensch hun niet beloven kon. Logischerwijze werd gedurende de bedevaart iedere medische behandeling onderbroken. Als bij een ongelukkige de doodsstrijd intrad, dan bediende men haar. Slechts de jonge geneesheer, die gewoonlijk met den witten trein medeging, was er met zijn klein kistje geneesmiddelen om een zieke, wanneer zij hem bij een hevigen aanval noodig mocht hebben, wat verlichting te kunnen geven.

Juist bracht zuster Hyacinthe dr. Ferrand, die in een kabinetje naast de linnenkamer zijn tenten opgeslagen had, binnen.

“Madame,” zeide hij tot madame de Jonquière, “ik ben geheel tot uw beschikking. Wanneer u mij noodig heeft, behoeft u mij maar te laten roepen.”

Zij luisterde nauwlijks naar hem, had een woordenwisseling met een jongen priester der administratie, omdat er voor de geheele zaal maar zeven waterpotten waren.

“Heel graag, mijnheer, als we een kalmeerend drankje noodig hebben, zullen we …”

Maar zij voltooide haar zin niet, zette haar woordenwisseling voort.

“Tracht er nog minstens vier of vijf voor mij te krijgen, mijnheer de abbé … En dan is het nog behelpen.”

Ferrand luisterde en keek, stom-verbaasd over deze zeldzame wereld, waarin een toeval hem den vorigen dag gebracht had. Hij, die niet geloofde, die hier slechts was uit toewijding, verwonderde zich over het vreeselijke gedrang van ellende en lijden, dat zich onstuimig op de hoop op geluk wierp. Vooral de denkbeelden, die hij als jong geneesheer had, werden geschokt nu hij zag hoe alle voorzorgsmaatregelen, alle aanwijzigingen der wetenschap over boord geworpen werden in de zekerheid, dat, als de hemel het wilde, de genezing volgen zou met al den glans van een démenti aan de natuurwetten zelf. Maar waarom dan die laatste concessie aan de vrees voor het oordeel der wereld en een dokter meenemen, van wiens diensten men toch zoo goed als geen gebruik maakte? Met het onbehaaglijk gevoel zich te moeten schamen en nutteloos en eenigszins belachelijk te zijn, trok hij zich in zijn kabinet terug.

“Maak in ieder geval maar opiumpillen klaar,” zeide zuster Hyacinthe, die tot de linnenkamer met hem mede gegaan was, tegen hem. “Die zullen we wel noodig hebben; er zijn zieken bij, waarover ik mij ongerust maak.”

Zij keek hem met haar groote, blauwe, zachte, goede oogen, waarin steeds een goddelijk glimlachje speelde, aan. De beweging gaf haar van jeugd glanzende blankheid een gezond-rosen tint. En als een goede vriendin, die haar lievelingswerk wel met hem deelen wil, voegde zij er aan toe:

“En als ik iemand noodig heb, om een zieke op te richten of neer te leggen, wil je me zeker wel een handje helpen.”

Toen was ook hij blij gekomen te zijn, aanwezig te zijn, nu hij wist, dat hij haar zou kunnen helpen. Hij zag haar weer terug aan zijn ziekbed, toen hij bijna gestorven was, hem verplegend met de handen als van een broeder, met de vriendelijk-opgewekte bekoorlijkheid van een geslachtslooze engel, waarin zoowel iets kameraadschappelijks als vrouwelijks lag.

“Maar net zooveel als u wilt, zuster. Ik ben geheel tot uw dienst, niets zal mij liever zijn dan u behulpzaam te kunnen zijn. U weet, welk een schuld van dankbaarheid ik u nog te betalen heb.”

Vriendelijk legde zij haar vinger op zijn mond, om hem het zwijgen op te leggen. Niemand was haar iets schuldig. Zij diende slechts de lijdenden en de armen.

Op dat oogenblik kwam de eerste zieke in de zaal Sainte-Honorine. Het was Marie, die liggende in haar bak door Pierre en Gérard naar boven gedragen was. Het laatst van het station vertrokken, was zij er nu het eerst dank zij de eindelooze verwikkelingen, die allen opgehouden hadden en haar nu vrijer toegang gaven, zooals de verdeeling der kaarten het toevallig met zich bracht. Voor de deur van het Hôpital had mijnheer de Guersaint zijn dochter op haar verzoek moeten verlaten; zij maakte zich ongerust, dat de hotels overvol zouden zijn, en wilde, dat hij onmiddellijk voor twee kamers ging zorgen, één voor hemzelf en één voor Pierre. Zij was zoo moe, dat zij, nu zij toch alle hoop om dadelijk naar de Grot gebracht te worden, had moeten opgeven, er in toegestemd had een oogenblik op bed te gaan liggen.

“Luister toch eens, kind,” zeide madame de Jonquière; “je hebt nog drie uur voor je. We zullen je op je bed leggen, dan kan je veel beter uitrusten dan in dien bak.”

Zij nam de zieke bij de schouders, terwijl zuster Hyacinthe haar voeten vasthield. Het bed stond midden in de zaal, dicht bij een raam. Een oogenblik bleef Marie met dichte oogen, als uitgeput door die overbrenging, liggen. Dan moest Pierre weer binnen komen, zij voelde zich zwakker worden en had hem nog veel te zeggen.

“Ga niet weg, lieve vriend,” begon zij. “Neem den bak mee naar de gang, maar blijf daar, want ik wil, zoodra ik mag, naar beneden gebracht worden.”

“Lig je nu niet beter in dat bed?” vroeg de jonge priester.

“Ja zeker … Maar ik weet het niet ook … Lieve God, ik verlang zoo aan de voeten der Heilige Maagd te liggen.”

Toch werd zij, toen Pierre den bak medegenomen had, wat afgeleid door de komst van andere zieken. Madame Vêtu, die, onder haar armen gesteund door twee dragers, naar boven gebracht was, werd door hen geheel gekleed op het bed ernaast gelegd; zij bleef daar roerloos en bijna zonder adem te halen met haar geel gezicht van kankerlijdster liggen. Geen enkele trouwens werd uitgekleed, men legde ze neer, zooals ze kwamen, met den raad, als zij dat eenigszins konden, wat te slapen. Zij, die niet in bed lagen, gingen op den rand van haar matras liggen, praatten wat met elkaar en brachten het weinige, dat zij bij zich hadden, in orde. Reeds maakte Elise Rouquet, die links van Marie op een matras zat, haar mandje los en haalde er een schoon halsdoekje uit; zij beklaagde er zich over, dat er geen spiegel was. In minder dan tien minuten waren alle bedden bezet, zoodat toen la Grivotte kwam, half gedragen door zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges, er matrassen op den grond bijgelegd moesten worden.

“Hier is er een,” riep madame Désagneaux. “Hier zal ze heel goed liggen, buiten de tocht van de deur.”

Weldra lagen er nog zeven matrassen naast, die het geheele middenpad innamen. Men kon niet meer heen of weer en moest met de grootste voorzichtigheid de nauwe paadjes volgen, die om de zieken heen vrijgelaten waren. Ieder hield haar eigen pakje, haar eigen doos of haar eigen valies bij zich; aan het voeteneind der geïmproviseerde bedden vormde zich weldra een hoop armzalige dingen en lompen, die tusschen de lakens en dekens slingerden. Het leek een jammerlijke ambulance, die inderhaast opgericht was na de een of andere groote catastrophe, een brand of een aardbeving, die honderden gewonden dakloos gemaakt had.

Madame de Jonquière liep van het eene einde der zaal naar het andere en herhaalde telkens weer:

“Kom, kinderen, windt je niet zoo op, tracht een beetje te slapen.”

Maar het lukte haar niet de zieken te kalmeeren; zij zelf en de onder haar bevelen geplaatste hospitaliteitsdames maakten door haar drukdoenerij de koortsachtige opwinding nog grooter. Verscheidene zieken moesten verschoond worden, andere weer aan een natuurlijke behoefte voldoen. Een, die een gezwel aan haar been had, jammerde en gilde zoo, dat madame Désagneaux een nieuw verband wilde leggen; maar zij was onhandig en viel, ondanks al haar moed van geestdriftige verpleegster, bijna flauw, zoo walgde haar de onverdragelijke stank. Zij, die zich het minst ziek voelden, vroegen bouillon, de koppen gingen van de eene hand in de andere te midden van uitroepen en antwoorden en tegenstrijdige bevelen, die men niet wist hoe uit te voeren. De kleine Sophie Couteau, die bij de zusters bleef en vond, dat zij op een uitstapje was, liep, danste en sprong op één been tusschen al die zieken door; zij werd door allen geroepen, gestreeld en geliefkoosd in de hoop op het wonder, die zij in ieder wekte.

Toch verliepen de uren in deze opgewonden drukte. Het sloeg zeven uur, toen abbé Judaine binnenkwam. Hij was de geestelijke van de zaal Sainte-Honorine en alleen door de moeilijkheid om een vrij altaar te vinden, waar hij de mis kon lezen, was hij zoo laat. Hij was nog niet binnen of een kreet van ongeduld steeg uit alle bedden op.

“Laten we gaan, mijnheer de pastoor, laten we dadelijk gaan!”

Een brandende begeerte, die van minuut tot minuut sterker en onstuimiger werd, alsof een steeds brandender wordende dorst haar kwelde, die alleen door de wonderbron gelescht kon worden, richtte haar allen op. Met name la Grivotte, die op haar matras zat, vouwde haar handen en smeekte, dat men haar naar de Grot brengen zou. Was dit ontwaken van haar wilskracht, die koortsachtige drang naar genezing, welke haar oprichtte, niet reeds een begin van het wonder? Bewusteloos en niet in staat zich te bewegen hier gekomen, zat zij nu rechtop, keek met haar donkere oogen naar alle kanten, loerend naar het gelukzalige oogenblik, dat men haar zou komen halen. Op haar vaal gezicht kwam een kleur; zij herleefde reeds weer.

“Zeg toch, mijnheer de pastoor, dat ze me wegdragen. Ik voel, dat ik genezen zal worden.”

Met zijn vriendelijk gezicht en zijn vaderlijk glimlachje hoorde hij de zieken aan en verdreef met liefdevolle woorden haar ongeduld. Nog even wachten, en dan gingen zij. Maar zij moesten verstandig zijn en de dingen niet overhaasten; en dan—de Heilige Maagd hield niets van dat gedrang, zij wachtte haar uur af en schonk haar goddelijke genade aan de verstandigsten.

Toen hij voorbij het bed van Marie kwam en hij haar met gevouwen handen een deemoedige smeekbede zag stamelen, bleef hij weer even staan.

“Jij hebt ook zoo’n haast, mijn dochter! Wees kalm, er zal genade zijn voor allen.”

“Eerwaarde vader,” fluisterde zij, “de liefde verteert me. Mijn hart is zoo vol van gebed, dat het mij bijna doet stikken.”

Hij werd zeer ontroerd door deze hartstochtelijke gemoedsbeweging van dat arme, uitgeteerde kind, dat zoo zwaar getroffen werd in haar schoonheid en in haar jeugd. Hij wilde haar kalmeeren en wees haar op madame Vêtu, die zich niet bewoog, hoewel zij toch haar starende blikken niet af had van de menschen, die langs haar kwamen.

“Kijk eens, hoe rustig madame zich houdt. Zij bidt in stilte, zij geeft zich als een klein kind geheel over aan Gods handen.”

Maar met een stem, die men niet hoorde, met een zucht nauwlijks, stamelde madame Vêtu:

“Ik heb zoo’n pijn! Ik heb zoo’n pijn!”

Eindelijk om kwart voor acht waarschuwde madame de Jonquière de zieken, dat zij verstandig zouden doen zich gereed te maken. Geholpen door zuster Hyacinthe en madame Désagneaux, deed zij zelf de japonnen dicht, trok zieken, die het zelf niet konden, kousen en schoenen aan. Het werd een echt toiletmaken, want allen wilden zoo voordeelig mogelijk voor de Heilige Maagd verschijnen. Velen hadden de fijngevoeligheid haar handen te wasschen; anderen trokken schoon linnengoed aan.

Elise Rouquet had eindelijk bij een vrouw, die naast haar lag, een dikke waterzuchtige vrouw, die erg met zichzelf ingenomen was, een zakspiegeltje ontdekt, zij vroeg het even te leen en zette het tegen haar hoofdkussen aan; geheel verdiept in haar bezigheid knoopte zij den doek elegant om haar hoofd, om haar afstootend gezicht met de bloedende, open wond te bedekken. De kleine Sophie stond vol belangstelling naar haar te kijken.

Eindelijk gaf abbé Judaine het teeken van vertrek naar de Grot. Hij wilde er zijn lieve lijdende dochters in God, zooals hij zeide, heen brengen, terwijl de dames der Hospitalité en de zusters achter zouden blijven, om de zaal wat op te knappen. Onmiddellijk was de zaal leeg; de zieken werden te midden van een nieuw tumult naar beneden gebracht. Pierre, die den bak, waarin Marie lag, weer op het onderstel gezet had, ging aan het hoofd van de stoet, die gevormd werd door een twintigtal kleine wagentjes en brancards. De andere zalen liepen ook leeg, het plein was vol, het vertrek geschiedde in een groote verwarring. Weldra had zich een zóó lange queue gevormd, die de vrij sterk hellende avenue de la Grotte afging, dat Pierre reeds op het Plateau de la Merlasse was, toen de laatste draagbaren het plein van het Hôpital verlieten.

Een vrouw met een waterhoofd, die in een klein wagentje zat, trachtte haar reuzenhoofd, dat bij iederen schok naar achteren viel, in evenwicht te houden. Een groot meisje, dat aan St. Vitusdans leed, sprong aan één stuk door met haar ledematen, terwijl de linkerhelft van haar gezicht door allerlei grijnzen vertrokken werd. Een jongere, die achter haar kwam, stiet een geblaf uit, een soort dierlijk gejammer, wanneer de gezichtspijn, waarmede zij behept was, haar mond vertrok. Dan kwamen de teringlijdsters, rillend van koorts, uitgeput door dysenterie, mager als geraamten, met de kleur van de aarde, waarin zij weldra zouden rusten; onder dezen was er een met een wasbleek gezicht en koortsig gloeiende oogen, zoodat zij deed denken aan een doodshoofd, waarin men een fakkel had aangestoken. Dan volgden alle door verlamming of verstijvingen veroorzaakte wanstaltigheden, krom gegroeide lichamen, omgedraaide armen, scheef staande nekken, gebroken en verbogen arme wezens, onbeweeglijk in haar houdingen van tragische ledepoppen; een vooral viel bijzonder op met haar rechterhand, die achter haar heup gegroeid was, en haar linkerwang, die als vastgeplakt aan haar schouder zat.

Dan stelden arme rachitische meisjes haar waskleurige tint en haar magere, door klieren weggevreten nekken ten toon; gele vrouwen hadden de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, wier borsten door den kanker verwoest worden; nog anderen, die met droeve oogen naar den hemel lagen te staren, schenen in zich het op elkaar stooten der gezwellen te hooren, gezwellen, zoo groot als kinderhoofden, die haar organen verstopten. En steeds nog waren er meer, steeds nog volgden er meer verschrikkelijkheden, waarvan de een je nog meer deed rillen dan de andere.

Een meisje van twintig jaar, met een platgedrukt, gedrochtelijk hoofd, had een zoo groot kropgezwel, dat het tot aan haar middel afhing. Op haar volgde een blinde vrouw met een marmerbleek gezicht, waarin op de plaats van haar oogen uit twee ontstoken en bloederige gaten steeds door etter vloeide. Een oude, kindsche vrouw, wier neus door de een of andere venerische ziekte was weggevreten, lachte met haar leegen, zwarten mond een afschuwlijken lach. Plotseling kreeg een epileptica een aanval en schuimbekte op haar draagbaar, zonder dat de stoet, die als door een stormwind voortgezweept werd, zijn gang verminderde in de koortsachtige opwinding van den hartstocht, die hen naar de Grot dreef.

De baardragers, de priesters, de zieken zelfs hadden een lied aangeheven, de litanie van Bernadette, en alles rolde voort te midden van de obsessies der tot walgens toe herhaalde Ave’s; de wagentjes, de baren, de voetgangers gingen den hellenden weg af als een buiten haar oevers getreden beek, die haar golven met groot lawaai voortstuwt. Op den hoek van de rue Saint-Joseph, dicht bij het Plateau de la Merlasse bleef een groepje pleizierreizigers, die van Cauterets of Bagnères kwamen, in diepe verbazing op den rand van het trottoir staan. Het moesten gezeten burgers zijn, vader en moeder zeer correct gekleed, de beide dochters in lichte japonnetjes en met de lachende gezichten van gelukkige menschen, die zich vermaken.

Maar op hun eerste verbazing volgde een steeds toenemende afschuw, alsof zij een leprozenhuis uit de oude tijden, een van die legendarische ziekenhuizen, na de een of andere vreeselijke epidemie, hadden zien leegloopen. De twee meisjes werden bleek, vader en moeder stonden als versteend bij dit onafgebroken défilé van verschrikkingen, waarvan zij den verpesten stank in het gezicht kregen. God! Wat een leelijkheid, wat een vuilheid, wat een lijden! Hoe was dat mogelijk onder deze mooie, zoo stralende zon, onder dezen wijden hemel vol licht en vreugde, waarin de koelte van den Gave opsteeg, waarin de ochtendwind den zuiveren geur der bergen bracht.

Toen Pierre, die aan het hoofd van den stoet ging, op het Plateau de la Merlasse kwam, werd hij als gebaad door die lichtende zon, door de prikkelende, met balsemgeur vervulde lucht. Hij keerde zich om en lachte Marie vriendelijk toe; en toen zij in de stralende pracht van dien morgen op het midden van de place du Rosaire kwamen, werden zij beiden betooverd door den bewonderenswaardigen horizont, die zich voor hen ontrolde.

Naar het Oosten lag het oude Lourdes, op de andere zijde van zijn rots, in een breede terreinplooi. De zon rees op achter de verre bergen, en zijn schuine stralen kleurden die alleenstaande rots, die gekroond werd door den toren en de instortende muren van het oude Kasteel, eertijds den sleutel der zeven dalen, met donker lila tinten. In het stof van dansend en opvliegend goud zag men slechts de trotsche tinnen, muurbrokken van het cyclopische bouwwerk, dan daarboven vage vormen van daken, de verkleurde en verweerde daken van de oude stad, terwijl aan deze zijde van het kasteel, rechts en links uitstekend, te midden van het groen de nieuwe stad lachte met haar witte hotelgevels, haar mooie huizen, haar prachtige winkels, een rijke en luidruchtige stad, die daar als door een wonder in enkele jaren opgerezen was.

De Gave stroomde langs den voet der rots en stuwde het gebruis van zijn heldere, groene en blauwe golven voort, diep onder de oude brug, huppelend onder de nieuwe, die door de paters gebouwd was, om de Grot met het station en den pas in gebruik genomen boulevard te verbinden. En als achtergrond voor dit heerlijk schilderij, voor dat frissche water, voor dat lachende groen, voor die verjongde, wijd uit elkaar gebouwde, vroolijke stad verhieven zich de Kleine en de Groote Gers, twee groote kale bergruggen met kort gras, die in de schaduw, waarin zij baadden, teere tinten aannamen, een bleek mauve en een bleek groen, die in rose verliepen.

Dan in het Noorden, op den rechteroever van den Gave, aan gene zijde van de heuvels, waarlangs de spoorlijn loopt, rezen de hoogten van den Buala op, boschrijke, door het morgenlicht overstroomde hellingen. Daar, aan dien kant, lag Bartrès. Meer naar links verhief zich de door den Miramont beheerschte dalengte van Julos. Heel in de verte verdampten andere toppen in den aether. Op het eerste plan, aan den anderen oever van den Gave lagen etagegewijze tusschen de grazige dalen talrijke kloosters, die dit gedeelte van den horizont opvroolijkten. Zij schenen op dezen wonderbodem als natuurlijke, snel groeiende planten opgeschoten te zijn.

In de eerste plaats had men er het door de zusters van Nevers gestichte weeshuis, waarvan de uitgebreide gebouwen in de zon schitterden. Dan tegenover de Grot, op den weg naar Pau, het Karmelietenklooster, vervolgens, wat hooger op, aan den weg naar Poueyferré dat der paters van Maria Hemelvaart, verder dat der Dominicanen, waarvan slechts een gedeelte van het dak zichtbaar was; en eindelijk de zusters der Onbevlekte Ontvangenis, de zoogenaamde Blauwe Zusters, die aan het eind van het dal een retraitehuis gesticht hadden, waarin zij ongetrouwde dames, rijke bedevaartgangsters, die naar de eenzaamheid verlangden, opnamen. Op dit uur des gebeds luidden de klokken van al die kloosters haar jubelzang uit in de kristalheldere lucht, terwijl aan het andere einde van den horizont, in het Zuiden, de klokken van andere kloosters met dezelfde zilverstemmige vreugdeklanken antwoordden.

Bij den Pont-Vieux met name deed de klok van het klooster der Clarissinnen duidelijk een gamma van zoo heldere noten hooren, dat men zou denken aan het vriendelijke gesnap van een vogel. Ook aan die zijde van de stad holden zich dalen uit en hieven bergen hun kale helling in de hoogte: het was als een onder haar kwalen lachende natuur, een eindelooze deining van heuvels, waaronder de fijn met karmijn en teerblauw gevlamde heuvels van Visens opvielen.

Maar toen Marie en Pierre naar het Westen keken, werden zij als verblind. Het volle zonlicht viel op den grooten en kleinen Bêout met hun koepels van ongelijke hoogte. Het was als een achtergrond van purper en goud, als een verblindende berg, waarop men slechts den weg onderscheidde, die, tusschen de boomen, opkronkelt naar den Calvariënheuvel. En daar, op dien bezonden, als een aureool schitterenden achtergrond, teekenden zich de drie boven elkaar gebouwde kerken af, welke de zwakke stem van Bernadette tot roem en eer der Heilige Maagd uit de rots had doen oprijzen.

Onderaan de Rozenkranskerk, plat en rond, half in de rots uitgehouwen; zij lag op den achtergrond van het vrije voorplein, dat ingesloten werd door onmetelijke armen, de kolossale hellingen, die zacht glooiend tot aan de Crypt opstegen. Het was een ontzaglijk werk, een geheele steengroeve van losgewoelde en afgehouwen steenen, gewelfde bogen hoog als kerkschepen, twee reusachtige toegangswegen, opdat de pracht der processies zich zou kunnen ontvouwen en het kleine wagentje van een ziek kind zonder moeite zou kunnen opstijgen naar God. Vervolgens de Crypt, de onderaardsche kerk, waarvan men alleen, boven de Rozenkranskerk uit, de lage deur zien kon. En eindelijk rees, wat mager en ijl, te nieuw en te wit, de Basilica op in den slanken stijl van een kostbaar edelgesteente, uit de rotsen van Massabielle opstijgend als een gebed, als de vlucht van een reine duif. De kleine torenspits leek, boven de reusachtige hellingen, niet meer dan het kleine, rechte vlammetje van een kaars te midden van den onmetelijken horizont en de eindelooze deining van dalen en bergen.

Naast het massieve groen van den Calvariënheuvel scheen zij breekbaar te zijn en de trouwhartigheid van kinderlijk geloof te bezitten. En ook dacht men erbij aan het blanke armpje, aan het blanke handje van een ziek meisje, dat in haar onderaardsche ellende naar den hemel wijst. De Grot, welker ingang links, aan den voet der rots lag, was niet zichtbaar. Achter de Basilica zag men nog slechts de woning der paters, een log, vierkant gebouw, en, veel verder, in het donkere, zich verbreedende dal, het paleis van den bisschop. De drie kerken vlamden in de ochtendzon, welker gouden stralenregen op het geheele landschap nederdaalde, terwijl de klankrijke vlucht der klokken de siddering zelf scheen te zijn van het licht, het melodisch ontwaken van dezen jongen mooien dag.

Toen Pierre en Marie de place du Rosaire overstaken, wierpen zij een blik op de Esplanade, den tuin met een lang grasperk in het midden, omzoomd door twee breede, parallel loopende lanen en zich uitstrekkend tot de nieuwe brug. Daar stond, naar de Basilica gekeerd, de groote, gekroonde Maagd. Alle zieken, die er voorbij kwamen, maakten het teeken des kruises. Nog steeds rolde de schrikaanjagende stoet, opgaande in zijn lied, voort door de feestelijke natuur. Onder den stralenden hemel, tusschen de bergen van purper en goud, in de eeuwige koelte van het kabbelende water, stuwde de stoet zijn tot huidziekten vervloekten met hun weggevreten vleesch, zijn opgeblazen waterzuchtigen, zijn jichtlijders, zijn door pijn verkromde verlamden voort; voorbij trokken de vrouwen met waterhoofden, de lijdsters aan St. Vitusdans, de teringlijdsters, de door Engelsche ziekte aangetasten, de epilepticae, de kankerlijdsters, de krankzinnigen en de idioten. Ave, ave, ave Maria! De hardnekkig volgehouden litanie zwol steeds aan en stuwde den afschuwelijken stroom van menschelijke ellende en menschelijken jammer naar de Grot onder den afschuw en de walging van de voorbijgangers, die verstijfd door deze voorbijvliegende nachtmerrie, als aan den grond genageld bleven staan.

Pierre en Marie waren de eersten, die onder het hooge booggewelf doorgingen. Toen zij daarop den dam van den Gave volgden, stonden zij plotseling voor de Grot. Marie, die door Pierre zoo dicht mogelijk bij het hek gereden werd, kon zich slechts in het wagentje oprichten en prevelen:

“O, allerheiligste Maagd … Veelgeliefde Maagd!”

Zij had niets gezien, noch de hostiekastjes der vijvers, noch de fontein met haar twaalf bekkens, waar zij langs gekomen was; en evenmin zag zij links den winkel met gewijde voorwerpen of rechts den steenen preekstoel, die reeds door een geestelijke beklommen was. Slechts de schittering der Grot verblindde haar, honderd duizend kaarsen schenen daar achter het hek te branden en de lage opening met den gloed van een hoogoven te vullen, terwijl zij het beeld der Maagd, dat hooger op den rand van een nauwe, boogvormig uitgeholde ruimte stond, met een stralenkrans van een ster omgaven. En behalve die glorierijke verschijning zag Marie niets, noch de krukken, waarmede men een gedeelte van het gewelf behangen had, noch de bij stapels neergeworpen ruikers, die er lagen te verwelken tusschen klimopplanten en wilde rozestruiken, noch het altaar zelf, dat in het midden geplaatst was naast het kleine, verplaatsbare met een hoes overdekte orgel.

Maar toen zij haar oogen opsloeg, vond zij weer op den top der rots, in den hemel, de slanke, witte Basilica, die met haar fijne torenspits, welke zich als een gebed in het blauw der oneindigheid verloor, zich thans en profil aan haar toonde.

“O, machtige Maagd … Koningin der Maagden … Heilige Maagd der Maagden …”

Intusschen was het Pierre gelukt het wagentje van Marie naar den eersten rang te schuiven, voor de eikenhouten banken, die zich, als in het schip eener kerk, in grooten getale in de open lucht naast elkander rijden. Reeds waren deze banken geheel en al bezet door zieken, die zitten konden. De tusschenruimten werden gevuld door draagbaren, welke men op den grond gezet had; door kleine wagentjes, waarvan de wielen in elkaar grepen, en door een ontelbare menigte kussens en matrassen, waarop alle kwalen in een bonte mengeling naast elkaar huisden.

Toen Pierre in de Grot kwam, had hij de Vignerons met hun ongelukkigen Gustave in een der banken herkend, terwijl hij op den vloer het met kant gegarneerd bed van madame Dieulafay gezien had, aan het hoofdeinde waarvan haar man en haar zuster geknield lagen te bidden. Verder waren er alle zieken van den wagon: mijnheer Sabathier en broeder Isidore naast elkaar, madame Vêtu lag uitgeput in haar wagentje, Elise Rouquet zat, la Grivotte richtte zich in haar extase op haar beide vuisten op. Zelfs vond hij madame Maze terug, die, afgezonderd van de anderen, in een vurig gebed verzonken was, terwijl madame Vincent, die in haar knielende houding de kleine Rose toch nog in haar armen had, het wichtje aan de Maagd voorhield met het gebaar van een radelooze moeder, opdat de Moeder der goddelijke genade zich erover zou erbarmen. De menigte pelgrims om die gereserveerde ruimte groeide steeds aan, een dringende, rumoerige hoop, die zich langzamerhand tot aan de borstwering van den Gave uitstrekte.

“O, barmhartige Maagd,” prevelde Marie door; “o trouwe Maagd … o zonder zonde ontvangen Maagd …”

En half bezwijmend, terwijl haar lippen nog door een innerlijk gebed bewogen, keek zij Pierre vol verlangen aan. Deze dacht, dat zij hem iets te zeggen had en boog zich over haar heen.

“Wil je, dat ik bij je blijf, om je straks naar de vijvers te rijden?”

Toen zij zijn bedoeling begrepen had, knikte zij van neen. Dan koortsachtig:

“Neen, neen, ik wil dezen ochtend niet in den vijver … ik geloof, dat je zoo rein, zoo heilig moet zijn, alvorens het wonder te beproeven. Den heelen morgen wil ik daar met gevouwen handen, met al mijn kracht, met mijn geheele ziel voor bidden …”

Zij moest even ophouden. Dan ging zij voort:

“Kom me niet voor elf uur halen, om me naar het ziekenhuis te rijden.”

Pierre echter verwijderde zich niet, maar bleef bij haar. Een oogenblik viel hij op zijn knieën neer; ook hij had willen bidden met dat brandende geloof, aan God de genezing willen vragen van dat zieke kind, dat hij met zoo’n broederlijke teederheid liefhad, maar sedert hij voor de Grot was, voelde hij een vreemden tegenzin zich van hem meester maken, een heimelijk verzet, dat de vrome geestdrift van zijn gebed stoorde. Hij wilde gelooven, hij had den geheelen nacht gehoopt, dat het geloof weer in zijn ziel zou ontluiken als een mooie bloem van onwetendheid en argeloosheid, zoodra hij zou neerknielen op den gewijden grond van het wonder.

Hij voelde nu niets dan verlegenheid en onrust bij het zien van al dit decor, van het harde en vale beeld in het valsche licht der kaarsen, tusschen den rozenkransenwinkel, waarin de koopsters zich verdrongen, en den grooten steenen preekstoel, waaruit een pater van Maria Hemelvaart met luider stem zijn Ave’s slingerde. Was zijn ziel zoo verdord? Kon dan geen hemelsche dauw haar drenken met onschuld, haar gelijk maken aan de zielen van kleine kinderen, die zich geheel overgeven aan de minste liefkoozing der legende?

Dan herkende hij in den geestelijke op den preekstoel pater Massias. Hij had hem vroeger al ontmoet en voelde zich onaangenaam getroffen door diens sombere onstuimigheid, dat magere gezicht met de fonkelende oogen en den grooten, welsprekenden mond, die den hemel scheen te willen dwingen om op aarde neder te dalen. En terwijl hij er zich over verwonderde, dat hij zich zoo heel anders voelde, zag hij aan den voet van den preekstoel pater Fourcade in een levendig gesprek met baron Suire. Deze laatste scheen in tweestrijd te zijn; toch stemde hij eindelijk met een goedkeurend hoofdschudden toe. Ook abbé Judaine was er, die den pater nog een oogenblik staande hield; ook zijn breed, vaderlijk gezicht drukte een soort ontsteltenis uit; doch dan knikte hij op zijn beurt goedkeurend.

Plotseling verscheen pater Fourcade op den kansel; hij stond rechtop en richtte zijn hooge gestalte op, die door den aanval van jicht, waaraan hij leed, eenigszins gebogen was. Hij wilde niet, dat pater Massias, zijn veelgeliefde, onder allen uitverkoren broeder, den kansel geheel verliet; hij liet hem op een trede van de nauwe trap blijven en leunde op zijn schouder.

Dan begon hij met een volle, diepe stem en met een gebiedende autoriteit, die dadelijk de diepste stilte deed heerschen, te spreken.

“Geliefde broeders en zusters, ik vraag u om vergeving, dat ik u in uw gebeden stoor, maar ik heb een mededeeling te doen, ik moet de hulp van al uw trouwe zielen inroepen … Vanochtend hebben wij een zeer droevig voorval te betreuren, een onzer broeders is in een der treinen, die u hier gebracht hebben, gestorven, juist toen hij het beloofde land betrad …”

Hij hield enkele seconden op. Hij scheen nog grooter te worden. Zijn knap gelaat begon te stralen. Dan ging hij verder:

“Welnu, geliefde broeders en zusters, ondanks alles is het denkbeeld bij mij opgekomen, dat wij niet moeten wanhopen … Wie weet of God dezen dood niet gewild heeft, om de wereld het bewijs van zijn almacht te geven?… Een inwendige stem heeft mij aangedreven om dezen kansel te bestijgen om uw gebeden voor dien man te vragen, voor hem, die niet meer is en wiens heil desniettemin ligt in de handen der allerheiligste Maagd, die altijd haar goddelijken Zoon kan aanroepen … Ja, de man is hier, ik heb zijn lijk hier laten brengen, en het hangt misschien van u af, dat een schitterend wonder de oogen der heele wereld verblindt, indien gij bidt met genoeg vuur om den hemel te roeren … Wij zullen het lijk in den vijver onderdompelen, wij zullen den Heer, den gebieder der wereld, smeeken hem op te wekken, om dat buitengewone bewijs van zijn souvereine goedheid te geven …”

Een ijskoude ademtocht, die uit het onzienlijke gekomen was, beroerde de verzamelden. Allen waren bleek geworden; zonder dat iemand de lippen geopend had, scheen een gemompel van schrik door de menigte te loopen.

“Maar,” ging pater Fourcade, dien een waarachtig geloof bezielde, heftig voort, “met welk een vuur moet gij bidden! Geliefde broeders en zusters, uw geheele ziel wil ik; het moet een gebed zijn, waarin gij uw hart, uw bloed, uw leven, met alles wat het edels en liefderijks in zich heeft, leggen moet … Bidt uit al uw kracht, bidt tot gij niet meer weet wie gij zijt, noch waar gij zijt; bidt, zooals gij sterft, want wat wij gaan vragen is een zoo kostbare, zoo zeldzame, zoo wonderbare genade, dat alleen de onstuimigheid onzer aanbidding God er toe brengen kan om te antwoorden … En opdat onze gebeden uitwerking kunnen hebben, opdat zij den tijd hebben op te stijgen tot de voeten van den Eeuwige, zullen we eerst hedenmiddag om drie uur het lijk in den vijver onderdompelen … Geliefde broeders en zusters, bidt, bidt de Heilige Maagd, de Koningin der Engelen, de Troosteresse der bedroefden!”

En medegesleept door zijn geestvervoering, begon hij de rozenkrans weer te bidden, terwijl pater Massias in snikken uitbarstte. De diepe, angstig-benauwende stilte werd verbroken; de menigte stiet kreten uit, kon haar tranen niet bedwingen, stamelde vurige smeekbeden. Het was als woei er een delirium, dat de wilskracht ophief, dat van al die wezens slechts één enkel wezen maakte, dat buiten zichzelf was van hartstochtelijke opwinding, losgelaten op een dolzinnig, vurig verlangen naar het onmogelijke wonder.

Een oogenblik had Pierre gedacht, dat de aarde onder hem wegzonk, dat hij in zwijm vallen zou. Met moeite stond hij op en verwijderde zich.

III.

Toen Pierre, van wien zich een niet te overwinnen weerzin om langer te blijven had meester gemaakt, zich uit de Grot verwijderde, zag hij vlak bij den uitgang mijnheer de Guersaint in een diep gebed, waarin hij geheel zijn ziel legde, verzonken, op zijn knieën liggen. Hij had hem sinds dien ochtend niet meer teruggezien, wist niet of het gelukt was twee kamers te huren; zijn eerste opwelling was dan ook naar hem toe te gaan. Doch dan aarzelde hij, wilde hem niet storen in zijn stille overpeinzingen: hij vermoedde, dat hij bad voor zijn dochter, van wie hij, ondanks de voortdurende verstrooidheid van zijn onrustige phantasie, veel hield. Dan liep hij door en ging onder de boomen loopen. Het sloeg negen uur; hij had dus nog twee uur voor zich.

Daar buiten had men van den woesten, hoogen oever, waarop vroeger varkens weidden, ten koste van veel geld een prachtige avenue gemaakt, die langs den Gave liep. Om terrein te winnen en een monumentalen dam te kunnen bouwen met een door een borstwering afgezet trottoir, had men het bed der rivier wat achteruit moeten leggen. De avenue liep een twee of driehonderd meter verder dood tegen een heuvel, zoodat het een afgesloten, met banken voorziene en door prachtige boomen beschaduwde wandelweg geworden was. Niemand liep er thans; de menigte, die in de Grot geen plaats vinden kon, lag er dichtopeen neergeknield. Er waren nog enkele eenzame hoekjes tusschen den met gras begroeiden muur, die de avenue in het Zuiden afscheidde, en de uitgestrekte velden, die zich aan den anderen oever van den Gave uitbreidden, met bosch bedekte hellingen, die door de witte gevels der kloosters opgevroolijkt werden. In de warme Augustusdagen kon men daar in de schaduw op den oever van het stroomende water genieten van een heerlijke koelte.

Onmiddellijk voelde Pierre zich kalmer als bij het ontwaken uit een benauwenden droom. Hij ging zijn eigen gewaarwordingen na en maakte er zich ongerust over. Was hij ’s ochtends niet in Lourdes aangekomen met den vurigen wensch om te gelooven, met de meening, dat hij reeds weer begon te gelooven zooals in de volgzame jaren van zijn jeugd, toen zijn moeder hem zijn handen deed vouwen en hem leerde God te vreezen? En zie, zoodra hij voor de Grot gekomen was, hadden de afgodische eeredienst, de verkrachting van het geloof, de stormloop op zijn gezond verstand hem vervuld met zulk een walging en weerzin, dat hij bijna flauw gevallen was. Wat moest er toch van hem worden? Zou hij zelfs niet meer kunnen trachten zijn twijfel te bestrijden, door zijn reis te benutten en te zien en zich te overtuigen? Het was een ontmoedigend begin, dat hem wanhopig maakte; en hij had die mooie boomen, dien helderen stroom, die zoo kalme en koele avenue noodig, om zich van den schok te herstellen.

Toen Pierre aan het einde van de avenue kwam, had hij een onverwachte ontmoeting. Reeds enkele oogenblikken was zijn aandacht getrokken door een langen ouden heer, die in een getailleerde gekleede jas en met een platgeranden hoed op, zijn richting uitliep. Hij trachtte dat bleeke gezicht met den arendsneus en de donkere, doordringende oogen thuis te brengen, maar de lange witte baard en de grijze haarlokken brachten hem op een dwaalspoor. De oude heer, zelf ook verbaasd, bleef staan.

“Wat, Pierre, jij te Lourdes?”

En plotseling herkende de jonge priester dr. Chassaigne, den vriend van zijn vader, zijn eigen ouden vriend, die hem genezen en daarna getroost had in de vreeselijke lichamelijke en geestelijke crisis, die hij na den dood van zijn moeder doorgemaakt had.

“Beste dokter, wat ben ik blij u te zien!”

Diep ontroerd omarmden zij elkaar. En nu bij het zien van die sneeuw van haren en baard, van dien langzamen gang, van dat oneindig droevig uiterlijk herinnerde Pierre zich het bittere ongeluk, dat dezen man oud gemaakt had. Nauwelijks enkele jaren geleden was hij uit Parijs vertrokken en nu vond hij hem, verpletterd door den bliksemstraal van het noodlot, terug.

“Je wist niet, dat ik in Lourdes gebleven was, wel? Ja, jongen, ik schrijf niet meer, ik behoor niet meer tot de levenden, want ik woon in het land der dooden.”

Tranen kwamen in zijn oogen en met gebroken stem ging hij voort:

“Kom, laten we wat op die bank gaan zitten; het zal me goed doen, zooals vroeger, nog eens met je te praten.”

Op zijn beurt voelde de priester een brok in zijn keel. Hij vond geen antwoord, kon slechts stamelen:

“Beste dokter, oude vriend, ik heb zoo innig met je te doen gehad.”

Een ramp was het, de schipbreuk van een leven. Dr. Chassaigne en zijn dochter Marguerite, een lief meisje van twintig jaar, waren met madame Chassaigne, hun aangebeden vrouw en moeder, over wier gezondheid zij zich ongerust maakten, naar Cauterets gegaan. Na een dag of veertien voelde zij zich al een boel beter en zij maakte reeds plannen voor uitstapjes, toen men haar op een ochtend dood in haar bed vond. Verpletterd onder dien vreeselijken slag, waren vader en dochter als verdoofd door het verraad van het noodlot. De dokter, die te Bartrès geboren was, had op het kerkhof te Lourdes een familiegraf, waarin zijn ouders reeds rustten. Hij wilde dan ook, dat het lijk van zijn vrouw rusten zou naast de ledige afdeeling, waar hij hoopte weldra bij haar te liggen.

Een week lang bleef hij nog met Marguerite daar, toen deze plotseling een koortsaanval kreeg, naar bed ging en twee dagen later stierf, zonder dat haar tot wanhoop gebrachte vader zich rekenschap had kunnen geven van haar ziekte. En nu werd de dochter in den bloei van haar jeugd, stralend van schoonheid en gezondheid, op het kerkhof neergelegd in het ledige vak naast haar moeder. De gelukkige man van gisteren, de geliefde, aangebeden man, die twee dierbare wezens, wier liefde zijn hart zoo verwarmde, de zijnen mocht noemen, was niet meer dan een rampzalige, stotterende en verloren oude man, dien het alleen zijn tot ijs verstarde. Al zijn levensvreugde was ineengestort; hij benijdde de wegwerkers, die langs de wegen steenen bikten, wanneer hij zag, hoe vrouwen en kinderen blootsvoets hun soep brachten. Hij had Lourdes niet meer willen verlaten, had alles opgegeven, zijn studies, zijn praktijk te Parijs, om dicht bij het graf te kunnen leven, waarin zijn vrouw en zijn dochter haar laatsten slaap sliepen.

“Wat heb ik met u te doen gehad!” herhaalde Pierre. “Wat een vreeselijke slag voor u! Maar waarom hebt u niet een beetje gerekend op hen, die van u houden? Waarom u hier in uw verdriet opgesloten?”

De dokter maakte een gebaar, dat den horizont omvatte.

“Ik kan niet weg; de dooden zijn daar en houden mij vast … Het is uit, ik wacht nu maar, tot ik naar haar toe gaan kan.”

En weer viel een stilte in. Achter hen, in de struiken van het grastaluud, fladderden de vogels, terwijl zij voor zich het luide murmelen van den Gave hoorden. Op de hellingen der heuvels rustte traag in haar goudachtig stof het zware zonlicht. Maar onder de mooie boomen, op die afgezonderde bank, bleef het heerlijk koel; zij waren daar, op tweehonderd pas van de menigte, als in een woestijn, zonder dat iemand zich van de Grot losscheurde, om tot hen af te dwalen.

Langen tijd praatten zij. Pierre had hem verteld onder welke omstandigheden hij ’s ochtends te Lourdes met de nationale bedevaart en in gezelschap van mijnheer de Guersaint en zijn dochter aangekomen was. Bij sommige uitdrukkingen van den dokter had hij zijn verwondering niet kunnen bedwingen.

“Wat, dokter, acht u thans het wonder mogelijk? U, groote God, u, dien ik gekend heb als een ongeloovige, nu ja, in ieder geval als volmaakt onverschillig!”

Hij keek hem aan, diep verwonderd over wat hij hem omtrent de Grot en Bernadette hoorde zeggen. Hij, een zoo helderen kop, een geleerde met zoo’n scherp verstand, wiens uitstekende analyseerende eigenschappen hij vroeger had leeren kennen! Hoe was een geest van die kracht, opgevoed op streng logische wijze en vrij van iederen geloofsdwang, er toe kunnen komen de wonderbare genezingen, die bewerkt werden door die goddelijke bron, welke de Heilige Maagd onder de vingers van een kind had doen ontspringen, te aanvaarden?

“Maar, beste dokter, herinner u toch eens goed. U zelf hebt mijn vader aanteekeningen over Bernadette, uw klein landgenootje, zooals u ze toen noemde, verschaft; u hebt later, toen die heele geschiedenis mij een oogenblik interesseerde, lang met mij over haar gesproken. Voor u was zij slechts een zieke, die aan hallucinaties leed, een half-onbewust kind, dat niet tot willen in staat was. Herinner u onze gesprekken, mijn twijfel en dat u mij geholpen hebt mijn gezond verstand terug te krijgen.”

Hij geraakte in opwinding. Was dit niet het allerzonderlingste avontuur? Hij, priester; die zich eens aan het geloof onderworpen en het ten slotte weer verloren had door den omgang met dezen toen ongeloovigen geneesheer, dien hij nu bekeerd en gewonnen voor het bovennatuurlijke terugvond, terwijl hij zelf gefolterd werd door de kwellende kwaal niet meer gelooven te kunnen.

“U, die slechts de exacte feiten aanvaardde, u, die alles baseerde op de zinnelijke waarneming!… Is de wetenschap dan niets meer voor u?”

Toen maakte Chassaigne, die tot dat oogenblik met een droefgeestig glimlachje geluisterd had, een ongeduldig gebaar van souvereine minachting.

“Wetenschap! Weet ik iets? Kan ik iets?… Daareven heb je me gevraagd, waaraan mijn arme Marguerite gestorven is. Maar ik weet er niets van. Ik, dien men voor zoo geleerd aanziet, voor zoo goed gewapend tegen den dood, ik heb er niets van begrepen, ik heb niets gekund, zelfs het leven van mijn dochter niet met één uur kunnen verlengen. En mijn vrouw, die ik reeds koud in haar bed gevonden heb, terwijl zij zich den vorigen avond zooveel beter voelde en zoo opgewekt was, ben ik ook maar in staat geweest om te voorzien wat er had moeten gebeuren?… Neen, voor mij heeft de wetenschap bankroet geslagen. Ik wil niets meer weten, ik ben maar een dom mensch en een arme kerel.”

Hij zeide het in een hartstochtelijken opstand tegen zijn geheele verleden van trots en geluk. Toen hij wat kalmer geworden was, ging hij voort:

“Ik heb nog slechts één verschrikkelijke gewetenswroeging. Ja, die laat mij niet los en drijft mij steeds weer hierheen, om rond te dwalen tusschen al die biddende menschen … En die is, dat ik mij niet eerst ben komen vernederen voor deze Grot door er mijn twee lievelingen heen te brengen. Zij zouden dan op haar knieën gevallen zijn, zooals al de vrouwen, die je daar ziet, en ik zou hetzelfde gedaan hebben, en de Heilige Maagd zou ze misschien genezen en voor mij gespaard hebben … Ik, zwakkop, heb niet anders gekund dan ze voor goed verliezen. Het is mijn schuld.”

Tranen stroomden nu over zijn wangen.

“Ik herinner me nog, dat mijn moeder, een eenvoudige boerin, mij in mijn jeugd te Bartrès mijn handen liet vouwen, om iederen ochtend Gods hulp te vragen. Dat gebed is, toen ik weer zoo heelemaal alleen, zoo zwak en hulpeloos als een kind was, in mijn geheugen teruggekomen. Wat zal ik je zeggen, vriendlief, mijn handen hebben zich weer gevouwen als vroeger; ik was te rampzalig, te verlaten, ik voelde te zeer de behoefte aan een bovenmenschelijke hulp, aan een goddelijke macht, die voor mij dacht en wilde, die me wiegen en in haar eeuwige voorkennis van deze aarde wegnemen zou. O, die eerste dagen, wat een verwarring en verbijstering in mijn arm hoofd onder den zwaren slag, dien erop neergekomen was. Twintig nachten achter elkaar heb ik niet geslapen in de hoop, dat ik op die manier gek zou worden. Allerlei gedachten streden in mijn hoofd; ik had oogenblikken van opstand en verzet, waarin ik mijn vuist balde tegen den hemel, dan weer vernederde ik mij voor God en smeekte hem mij op mijn beurt tot zich te nemen …

“Ten slotte heeft de zekerheid, dat er een gerechtigheid, dat er een liefde heerschen moest, mij rust geschonken en mij het geloof teruggegeven. Kijk eens, je hebt mijn dochter gekend, was ze niet mooi en heerlijk en stralend van jeugd en leven: welnu, zou het niet de meest schreeuwende onrechtvaardigheid zijn, als er voor haar, die het leven niet genoten heeft, niets was aan gene zijde van het graf? Zij moet opnieuw herleven, daar ben ik tot in het diepst van mijn ziel van overtuigd, want soms hoor ik haar nog, en zegt ze mij, dat we elkaar zullen terugvinden, elkaar zullen terugzien. O degenen, die je verloren hebt—mijn lieve dochter, mijn lieve vrouw weer terug zien, elders weer met haar verder teven, dat is de eenige hoop, dat is de eenige troost van al de smarten dezer wereld!… Ik heb mij aan God gewijd, omdat God alleen ze me teruggeven kan.”

Een rilling als van een zwak, krachteloos grijsaard doorhuiverde hem, en eindelijk begreep Pierre deze bekeering: de geleerde, de oud geworden intellectueel, die, onder de heerschappij van het gevoel tot het geloof terugkeerde. In de eerste plaats ontdekte hij, wat hij tot dat oogenblik niet had kunnen vermoeden, een soort geloofsatavisme bij dezen zoon der Pyrenaeën, den afstammeling van bergboeren, opgevoed in het geloof van legenden en die nu door de legenden weer ingepalmd werd, zelfs nadat vijftig jaren van positieve studiën verloopen waren. Daarbij kwam de menschelijke moeheid, de moeheid van den man, wien de wetenschap het geluk niet gegeven heeft en die tegen de wetenschap in opstand komt, zoodra zij hem beperkt, onmachtig om tranen te verhinderen, voorkomt. En ten slotte nog de ontmoediging, een twijfel aan alle dingen, die bij een oud, door het leven murw gemaakt man, uitloopt op een behoefte aan zekerheid, waardoor hij het geluk vindt in te slapen in zijn geloof.

Pierre dacht er niet aan hem tegen te spreken of hem te bespotten, want de aanblik van dien grooten, door het lot zoo zwaar getroffen grijsaard met zijn smartelijke kindschheid, verscheurde zijn hart. Is het niet treurig de sterkste en knapste mannen onder dergelijke slagen weer kinderen te zien worden?

“Ach!” zuchtte hij, “mocht ik ook maar zooveel lijden, om ook mijn verstand het zwijgen op te leggen, op mijn knieën te vallen en aan al die sprookjes te gelooven!”

Het glimlachje, dat soms nog om dr. Chassaigne’s lippen speelde, verscheen weer.

“De wonderen bedoel je zeker, hè? Jij bent priester, beste jongen, en ik ken je lijden … Wonderen schijnen jou onmogelijk. Wat weet je ervan? Zeg toch tegen jezelf, dat je niets weet en dat het volgens ons oordeel onmogelijke zich iedere minuut verwezenlijkt … Maar kom, we hebben al zoo lang gepraat, het zal dadelijk elf uur zijn en je moet naar de Grot terug. Maar ik verwacht je om half vier, dan zal ik je meenemen naar het bureau van medische constateeringen, waar ik je dingen hoop te laten zien, waarover je je handen in elkaar zult slaan … Vergeet het niet, om half vier!”

Hij liet hem gaan en bleef alleen op de bank zitten. De warmte was nog toegenomen, de heuvels in de verte brandden in den ovengloed der zon. En hij gaf zich over aan zijn gepeinzen, droomde in het groene schemerlicht der schaduw, luisterde naar het aanhoudend gemurmel van den Gave, alsof een stem uit het hiernamaals, een dierbare stem tot hem sprak.

Pierre haastte zich naar Marie. Het kostte hem niet al te veel moeite: de menigte was zoo groot niet meer; velen gingen reeds dejeuneeren. Hij vond bij het meisje haar vader, die hem dadelijk zijn lange afwezigheid willen uitleggen. Meer dan twee uur had hij ’s ochtends heel Lourdes afgeloopen, wel in twintig hotels kamers gevraagd, zonder ook maar het kleinste slaapvertrekje te kunnen vinden: de dienstbodenkamers zelf waren verhuurd; je kon zelfs geen matras machtig worden, om in de gang op te slapen. Toen hij de wanhoop al nabij was, had hij nog twee kamertjes ontdekt, heel kleine wel, maar in een goed hotel, het Hôtel des Apparitions, een der drukste van de stad. De menschen, die de kamertjes besproken hadden, hadden juist getelegrapheerd, dat haar zieke gestorven was. In het kort een groot buitenkansje, waarover hij erg in zijn schik scheen.

Het sloeg elf uur; de jammerlijke stoet zette zich weer in beweging over de pleinen en door de bezonde straten. Toen zij bij het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs was, drong Marie er bij haar vader en den jongen priester op aan, dat zij kalm in het hotel zouden gaan dejeuneeren en dan verder wat rust nemen, alvorens haar om twee uur, wanneer men de zieken naar de Grot zou brengen, weer te komen halen. Na het dejeuner in het hotel gingen de beide mannen naar hun kamer, waar mijnheer de Guersaint, uitgeput van moeheid, onmiddellijk in zoo’n diepen slaap viel, dat Pierre niet over zich kon verkrijgen hem wakker te maken. Waartoe ook eigenlijk? Zijn aanwezigheid was niet bepaald noodzakelijk. Zoo ging hij alleen naar het Hôpital terug, de stoet ging de avenue de la Grotte weer af, het plateau de la Merlasse langs, de place du Rosaire over te midden van de steeds grooter wordende menigte, die rillend het teeken des kruises maakte in de vreugde van den heerlijken Augustusmiddag. Het was het glorierijke uur van een mooien middag.

Nadat Marie weer voor de Grot gebracht was, vroeg zij:

“Komt vader dadelijk?”

“Ja, hij rust wat uit.”

Zij maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat hij gelijk had. En met bevende stem zeide zij:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings