← Table of contents
De drie steden

VIERDE DAG

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

I.

Met haar rug tegen de kussens leunend was Marie dien ochtend in het Hôpital des Notre-Dame des Douleurs op haar bed blijven zitten. Nu zij den geheelen nacht in de Grot had doorgebracht, wilde zij er zich niet weer heen laten rijden. Toen madame de Jonquière een der kussens, dat naar beneden gegleden was, wat op kwam trekken, vroeg zij:

“Welke dag is het vandaag, madame?”

“Maandag, kindlief.”

“O ja, dat is waar ook! Je weet heusch niet meer, hoe je leeft … En bovendien voel ik me zoo gelukkig! Vandaag zal de Heilige Maagd mij genezen.”

Een hemelsch glimlachje speelde op haar gezicht als van een wakende droomster; haar oogen staarden in het verre niet; zij ging zoo geheel op in haar idée fixe, dat zij in de verte niets zag dan de zekere verwezenlijking van haar hoop. De zaal Sainte-Honorine was langzamerhand leeg geworden, alle zieken waren naar de Grot gegaan, alleen madame Vêtu was, stervend, op het bed naast haar achtergebleven. Maar zij zag haar zelfs niet, zij vond de plotselinge vredige kalmte, die om haar ontstaan was, zoo heerlijk. Men had een der ramen, die op de binnenplaats uitkwamen, open gezet; de stralende ochtendzon viel in een breeden straal naar binnen, waarvan het gouden stof precies op haar lakens danste en op haar witte handen speelde. Het was zoo heerlijk, nu die ’s nachts zoo lugubere zaal met haar opeenhooping van pijnlijk-smartelijke ziekbedden, met haar stank, met gekerm van nachtmerries, plotseling door de zon verlicht en door de ochtendlucht verfrischt werd.

“Waarom probeer je niet wat te slapen?” vroeg madame de Jonquière moederlijk bezorgd. “Je moet dood op zijn van zoo’n heelen nacht waken!”

“Maar ik ben heelemaal niet moe, ik heb geen slaap … Slapen, neen, dat zou ik nu niet graag doen, want dan zou ik niet weten, dat ik beter word.”

Madame de Jonquière moest om die woorden lachen.

“Maar waarom heb je dan niet naar de Grot willen gaan? Je zult je hier alleen in bed zoo vervelen!”

“Ik ben niet alleen madame, zij is bij me!”

En terwijl zij zich het visioen weer voor den geest riep, vouwde zij in haar extase haar handen.

“U weet toch, dat ik haar vannacht gezien heb en dat zij mij toeknikte en tegen mij geglimlacht heeft. Ik heb haar goed begrepen en heel goed haar stem gehoord, hoewel zij haar lippen niet opendeed. Om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, zal ik genezen worden.”

Madame de Jonquière wilde haar wat kalmeeren; zij maakte zich eenigszins ongerust over dit soort somnambulisme, waarin zij haar zag. Maar de zieke herhaalde:

“Neen, heusch niet, ik voel me niet slechter, ik wacht … Maar u begrijpt, mevrouw, dat ik vanochtend niet naar de Grot behoef te gaan, nu ik met haar voor vanmiddag vier uur afgesproken heb.”

En fluisterend voegde zij haar toe:

“Om halfvier zal Pierre me komen halen, en om vier uur ben ik beter.”

Langzaam kroop de zon langs haar bloote, doorschijnende, ziekelijk magere armen, terwijl haar prachtige blonde haren, die over haar schouders afgleden, een uitvloeiïng zelf van het hemellichaam schenen, die haar geheel omgaf. Op de binnenplaats zong een vogel, waardoor de huiverige stilte der zaal wat opgevroolijkt werd. Blijkbaar speelde er ook een kind, dat men echter niet zag, want nu en dan liet zich een zacht gelach in de heerlijke stille, lauwe lucht hooren.

“Slaap dan maar niet, als je geen slaap hebt,” zeide madame de Jonquière, “maar wees nou verstandig en blijf kalm liggen, dan rust je in ieder geval goed uit.”

In het bed ernaast lag madame Vêtu te sterven. Uit vrees, dat zij onderweg den laatsten adem uit zou blazen, had men haar niet naar de Grot durven brengen. Sinds eenige oogenblikken lag zij met haar oogen dicht, en zuster Hyacinthe, die haar zoo zag liggen, wenkte madame Désagneaux. Beiden bogen zij zich nu over de stervende heen en keken met stijgende ongerustheid naar haar. Haar gelaat was nog geler geworden, het had nu een modderachtige kleur; de oogkassen waren dieper geworden, haar lippen schenen steeds meer te vermageren. Een reutelen, een zachte, verpestende, door den kanker, die haar maag opvrat, vergiftigde ademhaling. Plotseling sloeg zij haar oogleden op; zij schrok, toen zij die twee gezichten over het hare gebogen zag. Naderde de dood, dat men haar zoo aankeek? Een eindelooze droefheid, een hopeloos verlangen om te blijven leven kwam in haar oogen. Maar tot een heftig verzet kwam het niet, zij had de macht niet meer om zich te verzetten; maar hoe vreeselijk was het haar winkel, haar gewoonten, haar man te hebben verlaten, om zoo ver te moeten sterven! De verschrikkelijke marteling van zoo’n reis te verduren, overdag te bidden, ’s nachts te bidden en dan niet verhoord worden, sterven, terwijl anderen genazen!

Zij kon slechts stamelen:

“Ik heb zoo’n pijn, ik heb zoo’n pijn … Ik smeek u, doe ten minste iets, zorg, dat ik niet zoo’n pijn heb!”

De kleine madame Désagneaux met haar knap, melkblank kroeskopje was geheel van streek. Zij was het niet gewend bij doodsstrijden aanwezig te zijn, zij zou, zooals zij zich uitdrukte, de helft van haar hart willen geven, om die arme vrouw te redden. Zij richtte zich weer op en begon met zuster Hyacinthe, die ook tot tranen toe ontroerd was, maar reeds berustte nu zij wist, dat de vrouw een goeden dood zou sterven, te praten. Was er werkelijk niets meer aan te doen? Kon men niets meer probeeren, zooals de stervende gevraagd had? Twee uur geleden had abbé Judaine haar het laatste oliesel gegeven en het avondmaal toegediend. Zij had nu de hulp van den hemel, de eenige, waar zij nog op rekenen kon, nu zij sedert lang niets meer van de menschen verwachtte.

“Neen, neen, wij moeten het probeeren!” riep madame Désagneaux uit.

En zij ging madame de Jonquière, die bij Marie zat, halen.

“Hoort u niet, hoe vreeselijk die ongelukkige lijdt. Zuster Hyacinthe beweert, dat zij hoogstens nog een paar uur te leven heeft. Maar wij kunnen haar niet zoo laten kermen … Er zijn toch kalmeerende middelen. Waarom kan die jonge dokter niet eens komen?”

“Zeker, waarom niet?” antwoordde de directrice. “Dadelijk!”

In de ziekenzalen dacht men nooit aan den geneesheer. De gedachte, om hem te roepen, kwam eerst in de dames op, wanneer een der zieken in een heftigen aanval lag te gillen van pijn.

Zuster Hyacinthe zelf verwonderde er zich over, dat zij niet aan Ferrand gedacht had, hoewel zij wist, dat hij in de kamer ernaast was, en vroeg:

“Wil ik mijnheer Ferrand even halen, madame?”

“Ja, graag, en breng hem gauw hier!”

Toen de zuster weg was, liet madame de Jonquière zich door madame Désagneaux helpen, om het hoofd van de stervende wat op te richten, daar zij dacht, dat dit haar wat verlichting geven zou. Toevallig waren deze twee dames dien ochtend alleen, alle anderen waren weg om haar godsdienstige plichten te vervullen of voor particuliere aangelegenheden. Achter in de groote, ledige zaal, met haar zachten vrede, waarin de zon zoo heerlijk warm scheen, hoorde men niets dan nu en dan het zachte gelach van het kind, dat men niet zag.

“Maakt Sophie al dat leven?” vroeg de directrice, die een beetje zenuwachtig was door de catastrophe, die zij voorzag, plotseling.

Zij liep naar het einde der zaal; het was inderdaad Sophie Couteau, de wonderdadig genezene van het vorige jaar, die achter een bed op den grond zat en hoewel ze al veertien jaar was, zich amuseerde met het maken van een pop uit lappen. Zij praatte ermee, zij ging zoo in haar spel op, dat zij van harte lachte.

“Sta recht, jongejuffrouw! Dans eens een polka! Een, twee! Dans en spring en zoen wie je wilt!”

Maar madame de Jonquière kwam naar haar toe.

“Kindlief, een van onze zieken heeft vreeselijk veel pijn … Je moet niet zoo hard lachen!”

“Ik wist het heusch niet, madame.”

Zij was opgestaan en hield, ernstig nu, haar pop in haar hand.

“Zou zij sterven, madame?”

“Ik ben er bang voor, lieve kind.”

Nu gaf Sophie geen kik meer. Zij was de directrice nageloopen en zat nu op een bed ernaast met haar groote oogen in een brandende nieuwsgierigheid, zonder eenigen angst naar den doodsstrijd van madame Vêtu te kijken. Madame Désagneaux werd zenuwachtig en ongeduldig, dat de dokter niet kwam, terwijl Marie in haar extase, en in den zonneschijn liggend, in de zalige verwachting van het wonder niets van wat er om haar gebeurde, scheen te merken.

Zuster Hyacinthe had Ferrand niet in het kleine kamertje, waar hij gewoonlijk was, gevonden en zocht hem nu door het geheele gebouw. Sedert twee dagen voelde de jonge dokter zich hoe langer hoe minder op zijn gemak in dit vreemde ziekenhuis, waar men zijn hulp slechts voor stervenden inriep. Het kleine apotheekkistje, dat hij medegenomen had, bewees geen enkelen dienst; want hij behoefde er niet aan te denken iemand iets voor te schrijven, daar de zieken hier niet kwamen om zich te laten verplegen, maar om in den bliksemstraal van een wonder beter te worden. Het eenige, wat hij doen kon, was een paar opiumpillen geven, om de pijnen wat te verzachten. Tot zijn groote verbijstering had hij een wandeling van dr. Bonamy door de zalen medegemaakt. Het was werkelijk niet meer dan een wandeling: de dokter kwam uit nieuwsgierigheid en interesseerde zich niet in het minst voor de zieken, die hij niet onderzocht of ondervroeg. Hij bemoeide zich enkel en alleen met de beweerde genezingen, bleef slechts staan voor de bedden der vrouwen, die hij kende, omdat hij ze gezien had op zijn bureau, waar de wonderen geconstateerd werden. Een van haar had drie kwalen en de Heilige Maagd had zich tot nog toe slechts verwaardigd er één te genezen; maar men koesterde goede hoop voor de beide andere.

Soms antwoordde een ongelukkige, die den vorigen dag genezen was, op zijn vragen, dat haar pijnen weer teruggekomen waren, wat echter op de opgeruimdheid van den dokter niet den minsten invloed had; hij liet aan den hemel over te voleindigen wat de hemel begonnen had. Was het al niet heel mooi, als er een begin van beterschap te constateeren viel? Zijn stopwoordje was dan ook: “Er is een begin, heb nou maar geduld!” Het meest echter was hij bang voor den overlast van de directrices, die hem allen wilden laten blijven om haar buitengewone zieken te laten zien. Ieder van haar had de ijdelheid de aan haar zorg toevertrouwde zieken voor de ernstigste, exceptioneele gevallen te houden, zoodat zij van verlangen brandde die te laten constateeren, om er zich later op te kunnen beroemen. Deze trok hem aan den arm en zeide, dat zij zeker geloofde een melaatsche te hebben. Een tweede sprak weer van een jong meisje, wier lendenen met vischschubben bedekt waren. Een derde fluisterde hem verschrikkelijke bijzonderheden over een getrouwde vrouw uit de hoogste kringen in. Hij weigerde echter er ook maar één te onderzoeken, beloofde later, wanneer hij meer tijd had, terug te zullen komen. Als je naar die dames wilde luisteren, zeide hij, zou je heele dag heengaan met nuttelooze consulten. Dan bleef hij plotseling weer voor het bed van een genezene staan, wenkte Ferrand en riep uit: “Dat is nu nog eens een interessante genezing!” En Ferrand moest dan tot zijn groote verbijstering aanhooren, hoe hij de ziekte, die bij de eerste onderdompeling in den vijver totaal verdwenen was, in haar geheel reconstrueerde.

Eindelijk hoorde zuster Hyacinthe van abbé Judaine, dat de jonge dokter in de salle des ménages geroepen was. Dat was nu al de vierde maal, dat hij naar beneden was voor broeder Isidore, wiens pijnen maar niet wilden ophouden. Hij kon hem slechts volstoppen met opium. Onder al zijn marteling vroeg de broeder niets anders dan een weinig verlichting van pijn, ten einde de kracht te hebben ’s middags nog naar de Grot te kunnen gaan, wat dien ochtend onmogelijk geweest was. Maar de pijnen werden erger, en hij verloor zijn bewustzijn.

Toen de zuster binnenkwam, zag zij hem aan het bed van den missionaris zitten.

“Mijnheer Ferrand,” riep zij, “ga gauw met me naar de zaal Sainte-Honorine; we hebben een zieke, die op sterven ligt.”

Hij had tegen haar geglimlacht; nooit kon hij haar zien, zonder zich opgevroolijkt en gesterkt te voelen.

“Ik ga dadelijk mee, zuster. Nog één minuut. Ik wou dezen ongelukkige eerst even bijbrengen.”

Zij oefende geduld en was zelfs nog behulpzaam. Ook de salle des ménages lag nu geheel in de zon en baadde in de frissche lucht, die door de drie groote ramen, welke op een klein tuintje uitzagen, binnenstroomde. Dien ochtend was met broeder Isidore mijnheer Sabathier de eenige, die te bed gebleven was, om wat uit te rusten, terwijl mevrouw Sabathier van die gelegenheid gebruik maakte, om medailles en bidprentjes te gaan koopen, die zij ten geschenke wilde geven. Met zijn rug tegen de kussens zittend, rolde hij de kralen van een rozenkrans tusschen zijn vingers; hij bad echter niet, hij deed het voor een soort machinale afleiding, terwijl hij zijn oogen niet af had van zijn buurman, wiens doodsstrijd hij met smartelijke belangstelling volgde.

“Zuster,” zeide hij tegen zuster Hyacinthe, die dichterbij gekomen was, “ik bewonder dien armen broeder. Gisteren heb ik een oogenblik aan de Heilige Maagd getwijfeld, daar ik zag, dat zij al de zeven jaar, die ik hier nu kom, zich niet verwaardigt mij te hooren, maar nu doet deze martelaar, die zoo berustend zijn martelingen draagt, mij me schamen over mijn klein geloof … U kunt u niet voorstellen wat hij lijdt, en dan moet u hem zien voor de Grot met zijn oogen, waarin een verheven hoop brandt … Het is werkelijk grootsch. Ik ken slechts een schilderij van een onbekenden Italiaanschen meester in den Louvre, waarop een monnikskop door een dergelijk geloofsvuur vergoddelijkt is.”

De intellectueel, de met litteratuur en kunst gevoede voormalige leeraar kwam weer boven in dezen door het leven verpletterden man, die niet meer dan een arme had willen zijn, om den hemel te vermurwen. Hij begon nu weer over zichzelf en zeide in de taaiheid van zijn hoop, die zeven vruchtelooze reizen naar Lourdes niet hadden kunnen vernietigen:

“Enfin, ik heb vanmiddag nog, nu we eerst morgenochtend vertrekken. Het water is wel koud, maar ik zal me nog een laatste maal laten indompelen; den geheelen ochtend heb ik al gebeden en vergiffenis gevraagd voor mijn ongeloof van gisteren … Niet waar, zuster, de Heilige Maagd heeft maar één seconde noodig, wanneer zij een van haar kinderen genezen wil … Haar wil geschiede en haar naam zij geheiligd!”

Hij was weer begonnen met de Ave’s en de Pater’s, terwijl hij de kralen van zijn rozenkrans nu langzamer door zijn vingers rolde en zijn oogen zich half sloten in zijn slap gezicht, waarop weer een kinderlijke uitdrukking terugkwam, nu hij weer zooveel jaren als van de wereld afgesneden was.

Ferrand had Marthe, de zuster van broeder Isidore, een wenk gegeven bij hem te komen. Zij stond met neerhangende armen aan het voeteinde van het bed en keek zonder één traan in haar oogen, met haar berusting van bekrompen boerenkind naar den stervende, dien zij aanbad. Zij was niet meer dan een trouwe hond en had met opoffering van haar weinige spaarduitjes haar broer gevolgd, zonder dat zij iets anders doen kon dan hem zien lijden. Toen de dokter haar dan ook zeide, dat zij den zieke in haar armen nemen en hem wat oprichten moest, voelde zij zich gelukkig eindelijk ergens in te kunnen helpen. Haar opgezet, droefgeestig en met sproeten bezaaid gezicht vroolijkte wat op.

“Houd u hem vast, dan zal ik trachten hem dit in te geven!”

Zij richtte hem op en Ferrand slaagde erin een paar druppels tusschen zijn op elkaar geklemde tanden te gieten. Bijna onmiddellijk sloeg de zieke zijn oogen open en zuchtte diep. Hij was kalmer, het opium deed zijn uitwerking, stilde de pijn, die hij als een roodgloeiend ijzer in zijn rechterzijde voelde. Maar hij bleef zoo zwak, dat men, toen hij wilde praten, zijn oor vlak bij zijn mond moest brengen, om hem te kunnen verstaan.

Met een zwak handgebaar had hij Ferrand gevraagd zich over hem heen te buigen.

“U bent de dokter, nietwaar, mijnheer? Geef mij de kracht, dat ik vanmiddag naar de Grot kan gaan … Ik weet zeker, dat de Heilige Maagd mij zal genezen, als ik dat kan.”

“Maar natuurlijk gaat u,” antwoordde de jonge dokter. “Voelt u u niet veel beter?”

“Veel beter? Neen, dat niet … Ik weet heel goed, wat ik heb, want ik heb verscheidene broeders in Senegal zien sterven. Wanneer de lever aangedaan is en het abces naar buiten doorbreekt, is het afgeloopen. Dan begin je vreeselijk te zweeten, krijg je ijlkoortsen … Maar wanneer de Heilige Maagd de kwaal met haar pink aanraakt, ben je genezen. O, ik smeek u allen mij naar de Grot te laten brengen, zelfs wanneer ik niet meer bij kennis ben.”

Ook zuster Hyacinthe had zich over den zieke heen gebogen.

“Maak u maar niet bezorgd, broeder! U zult vanmiddag naar de Grot gaan en wij zullen allen voor u bidden.”

Eindelijk kon zij Ferrand medenemen. Zij was radeloos door al dit oponthoud en maakte zich ongerust over madame Vêtu. Doch ook was zij met een diep medelijden voor broeder Isidore vervuld, en terwijl zij naar boven liep, vroeg zij den dokter of er heelemaal geen hoop meer was. Deze maakte een gebaar, dat een doodvonnis beteekende. Het was dwaasheid om in zoo’n toestand naar Lourdes te komen.

Met een glimlach verontschuldigde hij zich.

“Neem me niet kwalijk, zuster. U weet, dat ik het ongeluk heb niet te gelooven.”

Maar nu lachte zij op haar beurt als een verdraagzame vriendin, die de onvolmaaktheden van hen, die ze liefheeft, vergeeft.

“O, dat beteekent niets, ik ken u en ik weet, dat u toch een eerlijk man bent … En bovendien, wij zien zooveel menschen en gaan naar zooveel heidenen, dat wij wel dagwerk zouden hebben met ons te ergeren!”

Boven vonden zij madame Vêtu nog altijd kermend en ten prooi aan ondragelijke pijnen. Bleek en geheel van streek door dat steeds maar aanhoudende kermen stonden madame de Jonquière en madame Désagneaux bij haar bed. Toen zij fluisterend aan Ferrand vroegen, wat hij ervan dacht, haalde hij slechts zijn schouders op: de vrouw was verloren, het was een quaestie van enkele uren, minuten misschien. Alles wat hij doen kon, was haar verdooven, om den zwaren doodsstrijd, dien hij voorzag, wat makkelijker te maken. Zij keek hem aan, want zij was nog bij haar bewustzijn, en volgde gewillig zijn voorschriften op. Evenals de anderen, had zij nog maar één vurigen wensch: naar de Grot te kunnen gaan.

Eindelijk stamelde zij met de stem van een kind, dat bang is niet gehoord te worden:

“Naar de Grot, nietwaar, naar de Grot …”

“Ze zullen u er straks heen brengen, ik beloof het u,” zeide zuster Hyacinthe. “Maar wees nu verstandig en tracht wat te slapen, om wat krachten te verzamelen.”

De zieke scheen in te sluimeren en madame de Jonquière vond, dat zij nu met madame Désagneaux aan het andere einde der zaal de wasch kon gaan tellen, wat haar echter alles behalve makkelijk viel, daar er eenige servetten zoek waren. Sophie was nog steeds roerloos op het bed tegenover dat van madame Vêtu blijven zitten. Zij had de pop op haar schoot gelegd en wachtte nu, tot de vrouw sterven zou, daar men haar gezegd had, dat zij zou sterven.

Zuster Hyacinthe was bij de stervende gebleven en daar zij geen tijd ongebruikt voorbij wilde laten gaan, had zij naald en draad genomen, om het lijfje van een van haar zieken, dat van ouderdom aan de mouwen begon te scheuren, te verstellen.

“U blijft zeker nog wel even hier, niet waar?” vroeg zij aan Ferrand.

Deze nam madame Vêtu nog eens goed op.

“Zeker, zij kan iedere minuut weggenomen worden. Ik ben bang voor een bloeduitstorting.”

Toen hij Marie in het bed ernaast zag, vroeg hij fluisterend:

“Hoe is het met haar? Voelt zij zich wat beter?”

“Nog niet. Het lieve kind! Wij bidden allen zoo vurig voor haar! Zoo jong, zoo bekoorlijk en dan al zoo bezocht!… Kijk eens naar haar! Wat is zij mooi! Je zoudt zeggen een heilige, zooals zij daar in de zon ligt met haar groote oogen vol extase en haar gouden haar, dat wel een aureool lijkt!”

Ferrand keek haar een oogenblik met groote belangstelling aan. Zij verbaasde hem door haar verstrooiden, afgetrokken blik, door haar totale onverschilligheid voor alles, wat er om haar heen gebeurde, haar vurig geloofsvertrouwen, haar vurige innerlijke vreugde, die haar tot zichzelf deden inkeeren.

“Zij zal genezen,” prevelde hij, alsof hij een voorspelling wilde fluisteren. “Zij zal genezen.”

Dan ging hij naar zuster Hyacinthe, die in het kozijn van het raam, dat hoog open stond in de warme lucht van de binnenplaats, was gaan zitten. De zon begon te draaien en gleed nog slechts als een smalle gouden streep over het witte kapje en de witte schort. Hij bleef voor haar staan leunen tegen de vensterleuning en keek hoe zij naaide.

“Weet u wel, zuster, dat die reis naar Lourdes, die ik als een corvee op mij genomen heb, om een vriend een dienst te bewijzen, een van de weinige gelukkige dagen van mijn leven zal worden?”

Zij begreep hem niet en vroeg naïef:

“Hoe dat?”

“Maar natuurlijk, omdat ik u teruggevonden heb, omdat ik met u hier ben en u een beetje in uw bewonderenswaardig werk helpen kan. En als u eens wist, hoe dankbaar ik u ben, hoe ik van u houd, hoe ik u vereer!”

Zij keek op, om hem in zijn gezicht te kunnen zien en begon zonder eenige verlegenheid te lachen. Zij zag er zoo bekoorlijk uit met haar leliëntint, haar klein, vroolijk mondje en haar prachtige, blauwe oogen, die altijd glimlachten. Zij was zoo teer en zoo slank, haar boezem niet ontwikkelder dan een in onschuld en toewijding opgegroeid meisje.

“Houdt u zoo van me? Maar waarom?”

“Waarom ik van u houd?… Maar omdat u het beste, het meest troostrijke, het hartelijkste schepseltje bent. U bent tot nog toe in mijn leven de diepste, de liefste herinnering, die ik mij altijd voor den geest roep, als ik behoefte heb aan opbeuring en aanmoediging … Herinnert u zich dan de maand niet meer, die wij samen hebben doorgebracht in mijn armzalig kamertje, toen ik ziek was en u mij zoo liefderijk hebt verpleegd?”

“Natuurlijk!… Ik heb zelfs nooit zoo’n lieven patiënt gehad als u. Alles wat ik u gaf, nam u in; en wanneer ik u verschoond en daarna toegestopt had, bleef u zoo rustig liggen als een kind.”

Zij bleef hem met haar ongekunsteld lachje aankijken. Hij was mooi en sterk, zijn neus een beetje te groot misschien, zijn oogen schitterend, zijn mond rood onder de donkere snor in zijn jeugd-krachtig gezicht. Maar zij scheen alleen gelukkig hem zoo tot tranen geroerd voor zich te zien.

“O, zuster, zonder u zou ik gestorven zijn. U hebt mij weer heelemaal beter gemaakt!”

En terwijl zij met ontroerde blijdschap naar elkaar keken, rees die zalige maand weer voor hun geestesoog op. Zij hoorden het reutelen van madame Vêtu niet meer, zagen niet meer de met bedden volgepropte zaal, die in haar wanorde aan een na een groote ramp geïmproviseerde ambulance denken deed. Ergens heel hoog in een donker huis vonden zij elkaar terug, in een klein dakkamertje van het oude Parijs, waarin licht en lucht slechts binnentraden door een klein raam, dat uitzag op een oceaan van daken. Maar welk een bekoring lag er in dat samen alleen daar zijn, hij op het ziekbed geworpen door koorts, zij daar neergevallen als een goede engel, die als een goede kameraad, die niets te vragen heeft, uit haar klooster gekomen was. Zij verpleegde op die wijze al naar het viel, vrouwen, kinderen of mannen, volkomen gelukkig, als zij maar druk bezig zijn en lijden verzachten kon, zonder dat ook maar éénmaal de gedachte aan haar sexe in haar opkwam. Ook hij scheen nooit eraan gedacht te hebben, dat zij een vrouw kon zijn, ook al had zij zachte handen en een liefkoozende stem. Maar toch stroomden de teederheid van een moeder, de liefde van een zuster van haar uit. Gedurende drie weken had zij hem, zooals zij het uitdrukte, als een kind verpleegd, hem in en uit bed geholpen, zonder verlegenheid of zonder weerzin hem de intiemste diensten bewezen, beiden steun vindend in de reine heiligheid van het lijden en der barmhartigheid. Alles geschiedde alsof het boven het leven stond. En welk een heerlijke kameraadschap, wat een lachen als oude vrienden, toen herstel ingetreden was! Zij waakte toen ook nog over hem, gaf hem een tikje op zijn arm, wanneer hij dien eigenzinnig niet onder de dekens wilde doen. Hij keek naar haar, wanneer zij in een kom zeepsop maakte en zijn hemd waschte, om op die manier vijf stuivers waschgeld voor hem uit te sparen. Nooit kwam iemand naar boven, zij waren alleen, duizend mijl van de wereld verwijderd maar gelukkig in die eenzaamheid, waarin hun jeugd zoo kameraadschappelijk en vroolijk ontlook.

“Herinnert u zich den ochtend nog, zuster, dat ik voor de eerste maal geloopen heb? U hebt mij uit bed geholpen en mij ondersteund, terwijl ik als een onhandige jongen struikelde en niet wist, hoe ik mijn beenen gebruiken moest … We moesten er zoo om lachen.”

“Ja zeker, u was gered, en daar was ik zoo blij om!”

“En den dag, dat u kersen voor mij medegebracht hebt … Ik zie ons nog voor mij, ik in mijn kussens en u op den rand van het bed met de kersen op een groot stuk wit papier tusschen ons in. Ik wilde er geen aanraken, als u niet mee at … Toen hebben we er ieder op de beurt een genomen, en het papier raakte leeg en de kersen waren lekker.”

“Ja, ja, heel lekker … Het was precies als met de bessensap: die wou u ook niet drinken, als ik het niet deed.”

Zij lachten luider, want die herinneringen stemden hen zoo vroolijk. Maar een pijnlijke zucht van madame Vêtu riep hen weer tot het heden terug. Hij boog zich over de zieke, die zich niet bewogen had, heen en keek weer naar haar. De zaal had nog haar groote, huiverige stilte, welke alleen door de heldere stem van madame Désagneaux, die het linnen aan het tellen was, gestoord werd.

Met een door aandoening verstikte stem begon hij weer:

“O, zuster, al word ik honderd jaar, al leer ik alle vreugden en genietingen der wereld kennen, nooit zal ik een vrouw liefhebben, als ik u lief heb!”

Toen boog zuster Hyacinthe, maar toch zonder verlegenheid, haar hoofd en begon weer te naaien. Een nauwlijks merkbaar blosje had haar leliëntint rose gekleurd.

“Ik houd van u ook veel, mijnheer Ferrand. Maar u moet mij niet zoo trotsch maken. Ik heb voor u gedaan, wat ik voor zooveel anderen doe. Dat is mijn taak. En mijn belooning daarvoor is, dat de goede God u genezen heeft!”

Weer werden zij gestoord. La Grivotte en Elise Rouquet kwamen vóór de anderen van de Grot terug. Onmiddellijk kroop la Grivotte op haar matras, die voor het bed van madame Vêtu op den grond lag, en haalde uit haar zak een stuk brood, dat zij begon te verslinden. Sedert den vorigen dag had Ferrand zich voor deze teringlijdster geïnteresseerd, die zoo’n merkwaardige periode van onrust doormaakte en door een overdreven honger en een koortsachtige behoefte om zich te bewegen aangegrepen was. Maar op dit oogenblik trof het geval van Elise Rouquet hem nog meer; hij kon er nu niet meer aan twijfelen: de lupus, die haar gezicht weggevreten had, was merkbaar minder geworden. Zij had haar wasschingen aan de wonderbron volgehouden en kwam nu juist van het geneeskundig bureau, waar dr. Bonamy getriompheerd had. Verbaasd ging Ferrand naar haar toe en onderzocht de reeds bleeker en eenigszins droger geworden wond, die nog lang niet genezen was, maar waaraan toch wel degelijk een begin van genezing te constateeren viel. Het geval scheen hem zoo bijzonder, dat hij zich voornam enkele aanteekeningen erover te maken voor een van zijn vroegere leermeesters, die bezig was den nerveuzen oorsprong van sommige huidziekten, die het gevolg zijn van voedingsstoornissen, te bestudeeren.

“Hebt u geen prikkelingen gevoeld?” vroeg hij.

“Heelemaal niet, mijnheer, ik wasch mij en bid daarbij met heel mijn ziel den rozenkrans, dat is alles!”

La Grivotte, ijdel en jaloersch, en die sedert den vorigen dag triompheerde, riep den dokter.

“Ik ben genezen, mijnheer, genezen, heelemaal genezen!”

Hij glimlachte met een vriendschappelijk gebaar, maar wilde haar niet onderzoeken.

“Ik weet het, beste meid; je mankeert niets meer!”

Doch op dit oogenblik riep zuster Hyacinthe hem terug. Zij had haar naaiwerk weggeworpen, toen zij madame Vêtu, door een vreeselijke misselijkheid overvallen, zich zag oprichten. Hoe zij zich ook haastte, zij kwam nog te laat met haar kom: de zieke had weer een zwarten, roetachtigen golf uitgebraakt, waarin zich ditmaal ook bloed bevond, violetachtige bloeddraden. Dat was de bloeduitstorting, het naderende einde, waar Ferrand bang voor was.

“Waarschuw de directrice,” zeide hij fluisterend, terwijl hij zelf een stoel bij het bed trok.

Zuster Hyacinthe ging madame de Jonquière halen. Het linnen was geteld en zij vond haar in een druk gesprek met haar dochter Raymonde, terwijl madame Désagneaux haar handen aan het wasschen was.

Raymonde was een oogenblik uit het refectorium ontsnapt, waar zij dienst deed. Zij vond het een vreeselijk werk: van die lange, smalle zaal met haar twee rijen vette tafels, haar walgelijken stank van etensrestjes en ellende, keerde haar hart in haar lichaam om. Zij was gauw naar boven gekomen, profiteerend van het halve uurtje, dat zij, voor het terugkomen der zieken, nog vrij had. Buiten adem, met een kleur en schitterende oogen vloog zij haar moeder om de hals:

“O, mama, wat een geluk!… Het is zoo ver!”

Verwonderd, haar hoofd nog vol van de leiding der zaal, begreep madame de Jonquière haar niet.

“Wat dan, kindlief?”

Toen fluisterde Raymonde, terwijl een blos haar wangen kleurde:

“Mijn huwlijk.”

Nu was het de beurt der moeder om blij te zijn. Een levendige voldoening straalde op haar mollig gelaat van rijpe, knappe, nog aantrekkelijke vrouw. Onmiddellijk zag zij haar kleine woning in de rue Vaneau terug, waarin zij, na den dood van haar man, haar dochter met de enkele duizenden francs, die hij haar nagelaten had, zoo krap opvoedde. Een huwlijk beteekende een nieuw leven, opende voor haar weer de salons.

“Kind, wat ben ik blij!”

Maar een plotselinge verlegenheid maakte zich van haar meester. God was haar getuige, dat zij sedert drie jaar naar Lourdes kwam uit een drang van Christelijke liefde, om de vreugde haar zieken te kunnen verzorgen. Misschien zou zij, als zij haar geweten nauwkeurig nagegaan had, in haar toewijding ook iets gevonden hebben van haar autoritaire natuur, die haar het bevelen zoo aangenaam maakte. En de hoop om voor haar dochter een man te vinden onder de jongelui van haar stand, die zooveel in de Grot dienst deden, zou pas in de laatste plaats gekomen zijn. Zij dacht er wel aan, doch alleen als aan iets, dat mogelijk was en waarover zij niet sprak.

Maar haar geluk ontrukte haar een bekentenis.

“Ach kind, het verwondert me eigenlijk niets, ik had het vanmorgen aan de Heilige Maagd gevraagd!”

Dan wilde zij een zekerheid hebben, vroeg naar bijzonderheden. Raymonde had haar nog niets verteld van de lange wandeling van den vorigen dag aan den arm van Gérard, daar zij liever alleen over die dingen wilde praten, wanneer zij de zekerheid bezat eindelijk een echtgenoot veroverd te hebben. En nu was het zoo ver, zooals zij het zoo vroolijk uitriep: ’s ochtends nog had zij in de Grot den jongen man gezien, die uitdrukkelijk zijn woord gegeven had. Ongetwijfeld zou mijnheer Berthaud, vóór zij uit Lourdes vertrokken, voor zijn neef haar hand komen vragen.

“Nu,” zeide madame de Jonquière, die haar gewetensbezwaren op zij zette, lachend, “ik hoop, dat je gelukkig zult zijn. Geef me een zoen, kind!”

Op dat oogenblik kwam zuster Hyacinthe zeggen, dat madame Vêtu op het uiterste lag. Raymonde was al weggeloopen. Madame Désagneaux, die haar handen afdroogde, maakte zich boos op die dames, die juist op den ochtend, dat je ze noodig kon hebben, allemaal verdwenen waren.

“En met die madame Volmar is het precies zoo!… Waar kan die toch gebleven zijn. Sedert wij hier zijn, heb ik ze nog geen minuut gezien.”

“Laat madame Volmar toch met rust!” antwoordde madame de Jonquière eenigszins korzelig. “Ik heb je toch gezegd, dat ze ziek is.”

Beiden haastten zij zich naar madame Vêtu. Ferrand stond erbij te wachten. Op een vraag van zuster Hyacinthe of er niets meer aan te doen was, antwoordde hij met een hoofdknikje van neen. Als opgelucht door die eerste braking, was de stervende onbeweeglijk en met gesloten oogen blijven liggen. Maar die verschrikkelijke onpasselijkheid kwam terug en weer braakte zij een zwarte, met violetachtige bloeddraden vermengde golf uit. Dan volgde er een oogenblik van rust; zij sloeg haar oogen op en zag la Grivotte, die op haar matras gulzig haar brood naar binnen slokte. En daar zij voelde, dat zij stierf, vroeg zij:

“Zij is genezen, niet waar?”

La Grivotte hoorde het en riep opgewonden:

“Ja, ja, madame, genezen, genezen, heelemaal genezen!”

Een oogenblik scheen madame Vêtu ten prooi aan een afschuwlijke droefheid, aan een opstand van geheel haar wezen, dat niet wilde sterven, waar anderen bleven leven. Maar reeds berustte zij en hoorde men haar zacht zeggen:

“De jongen moeten blijven.”

Haar oogen, die wijd open bleven staan, keken rond en schenen afscheid te nemen van al de menschen, die zij daar tot haar verbazing vond. Zij trachtte zelfs te glimlachen, toen zij den begeerig-nieuwsgierigen blik ontmoette, dien de kleine Sophie op haar gevestigd bleef houden: het lieve kind was haar vanochtend in bed nog een zoen komen geven. Elise Rouquet had, onverschillig voor iedereen en alles, haar spiegel genomen en was verdiept in de aanschouwing van haar gezicht, dat zij met de minuut mooier meende te zien worden, sedert de wond opdroogde. Maar vooral de aanblik van de in haar extase zoo bekoorlijke Marie scheen de stervende in verrukking te brengen. Zij keek haar lang aan, steeds weer werd haar blik naar haar getrokken als naar een visioen van licht en vreugde. Misschien geloofde zij reeds de heiligen van het paradijs in de glorie van het zonlicht te zien.

Plotseling begon het braken opnieuw; maar nu was het niets meer dan bloed, bedorven, wijnkleurig bloed. De golf was zoo groot, dat hij op de deken spatte en het geheele bed bevuilde. Vergeefs droegen madame de Jonquière en madame Désagneaux, beiden even bleek en op haar beenen bevend, servetten. Ferrand was, in zijn onmacht om te helpen, weer bij het raam gaan staan, waar hij daareven zoo’n heerlijk oogenblik doorleefd had, terwijl ook zuster Hyacinthe in een instinctieve beweging, die zij zich zeker niet bewust was, naar dat gelukkige raam kwam, als wilde zij zich dicht tegen hem aan drukken.

“Mijn God!” prevelde zij, “kan je er niets doen?”

“Neen, niets! Zij zal uitgaan als een lamp, die leeg raakt!”

Uitgeput nu, terwijl een bloederige draad nog uit haar mond vloeide, staarde madame Vêtu madame de Jonquière aan, terwijl haar lippen zich bewogen. De directrice boog zich over haar heen en hoorde de langzame, half gebroken woorden:

“Het is voor mijn man, mevrouw … De winkel is in de rue Mouffetard, o, heel klein, niet ver van de Gobelins … Hij is horlogemaker, hij is, om de klanten, natuurlijk niet mee kunnen gaan. Hij zal leelijk in verlegenheid raken, als hij me niet ziet terugkomen … Ja, ik poetste het zilverwerk en deed de boodschappen.”

Haar stem werd zwakker, door het reutelen kwamen de woorden er met horten en stooten uit.

“Ik zou u willen vragen hem te schrijven, omdat ik het niet gedaan heb en het nu afloopt met me … Zeg hem, dat mijn lijk te Lourdes blijft, anders zou het te duur worden … En dat hij weer trouwen moet, dat moet in den handel … De nicht, zeg hem, de nicht …”

Verder was het niet meer dan een verward gemompel. De zwakte was te groot, de ademhaling stond stil. Toch bleven in het gele, waskleurige gelaat de wijd geopende oogen nog leven. En die oogen schenen zich wanhopig en radeloos vast te hechten aan het verleden, aan alles, wat straks niet meer voor haar bestaan zou, aan den kleinen horlogewinkel in een volksbuurt, aan den eentonigen en regelmatigen gang van het huishouden naast een werkzaam man, die altijd over horloges gebogen zat, aan het groote genoegen, om ’s Zondags bij de fortificaties vliegers te zien opgaan. Dan verwijdden haar oogen zich en trachtten vergeefs iets te onderscheiden in den donkeren nacht, die opkwam.

Een laatste maal boog madame de Jonquière, die opnieuw de lippen bewegen zag, zich over haar heen. Het was nu niets meer dan een zwakke luchttrilling, een stem uit het hiernamaals, die als uit de verte met een grenzenlooze verslagenheid stamelde:

“Zij heeft mij niet genezen!”

En zacht blies madame Vêtu den laatsten adem uit.

Alsof zij erop gewacht had, sprong de kleine Sophie Couteau, bevredigd, van het bed en ging aan het andere einde der zaal weer met haar pop spelen. Noch la Grivotte, die haar brood opat, noch Elise Rouquet, die alleen oogen had voor haar spiegel, hadden iets van het geval gemerkt. Maar van den laatsten ademtocht, die langs haar streek, en door het angstig fluisteren van madame de Jonquière en madame Désagneaux, voor wie die sterfbedden iets ongewoons waren, scheen Marie te ontwaken uit haar hoopvolle verrukking, waarin het woordlooze gebed van geheel haar wezen haar gebracht had. En toen zij begreep wat er gebeurd was, werd zij, die zeker was van haar genezing, aangegrepen door een zusterlijk medelijden met haar lijdensgenooten, dat haar de tranen in de oogen bracht.

“De arme vrouw, zoo ver van huis en zoo alleen in het uur der wedergeboorte te moeten sterven.”

Ferrand, die ondanks zijn beroepsonverschilligheid toch diep geroerd was, kwam naderbij, om den dood te constateeren; op een teeken van hem sloeg zuster Hyacinthe het laken over het gezicht der doode, want er viel niet aan te denken het lijk thans weg te dragen. De zieken kwamen in groepjes van de Grot terug, de zooeven in het zonlicht nog zoo vredige zaal vulde zich weer met haar gewoon tumult van ellende en lijden, met zwaar gehoest, sleepende beenen, den muffen geur, de jammerlijke uitstalling van alle menschelijke ziekten.

II.

Dien Maandag was de toeloop naar de Grot reusachtig groot. Het was de laatste dag, dien de nationale bedevaart te Lourdes zou doorbrengen; en pater Fourcade had in zijn herderlijken lastbrief van dien ochtend gezegd, dat men de hoogste kracht van liefde en geloof moest ontwikkelen, om van den hemel al de genade en wonderdadige genezingen te verkrijgen, die hij in zijn goedheid zou willen geven. Van af twee uur in den middag waren dan ook twintigduizend koortsachtig opgewonden pelgrims, door de vurigste verwachtingen bezield, aanwezig. Van minuut tot minuut groeide de stroom zóó aan, dat baron Suire angstig uit de Grot naar Berthaud kwam.

“Wij zullen overstroomd worden, vriendlief … Verdubbel de ploegen en breng de mannen wat nader bij.”

De Hospitalité de Notre-Dame du Salut was alleen met het bewaren der orde belast, er waren noch veldwachters noch politie-agenten. Vandaar dat baron Suire zich zoo ongerust maakte. Maar Berthaud was in zulke gevallen een man, naar wiens woord geluisterd werd, wiens kalme energie vertrouwen inboezemde.

“Stel u maar gerust, ik sta voor alles in … Ik ga hier niet vandaan voor de processie van vier uur afgeloopen is.”

Intusschen gaf hij Gérard een wenk bij hem te komen.

“Geef aan je mannen het strengste consigne. Alleen de personen, die een kaart hebben, mogen passeeren. Houd ze goed bij elkaar en zeg hun, dat ze het touw goed vasthouden!”

Onder de klimop, die de rots bedekten, opende zich de Grot en glansde in den eeuwigen gloed van haar kaarsen. Uit de verte leek zij wat gedrukt, onregelmatig, te eng en te bescheiden door den ademtocht der oneindigheid, die eruit kwam, de gezichten verbleekte en alle hoofden buigen deed. Het beeld der Heilige Maagd was niet meer dan een witte vlek, die zich in de bevende, door de kleine, gele vlammetjes verhitte lucht scheen te bewegen. Men moest op zijn teenen gaan staan, wilde men achter het hek het zilveren altaar, het van zijn hoes ontdane harmonium, de hoop op elkaar geworpen bloemruikers en de geloftegiften, die de berookte wanden kakelbont versierden, kunnen zien. Het weer was schitterend mooi, nooit nog had een helderder hemel zich over de onmetelijke menigte gewelfd: na het onweder van den nacht, dat de te drukkende hitte der twee eerste dagen verjaagd had, was het zachte koeltje heerlijk verfrisschend.

Gérard moest van zijn ellebogen gebruik maken, om zijn bevelen te herhalen. Reeds ontstond er hier en daar gedrang.

“Nog twee man hier! Stelt je desnoods in rijen van vier op en houdt het touw goed vast!”

In de menigte openbaarde zich een onoverwinlijke, instinctmatige drang: de twintigduizend menschen werden als het ware tot de Grot aangetrokken; zij gingen er heen, gedreven door een onweerstaanbare kracht, waarin een brandende nieuwsgierigheid zich paarde aan een onleschbare dorst naar het mysterie. Aller blikken concentreerden zich op, aller monden, aller handen, aller lichamen werden getrokken naar den bleeken vlammenglans der kaarsen, naar de witte, bewegende vlek der marmeren Maagd. Om de breede voor de zieken gereserveerde ruimte voor het hek voor dezen vrij te houden, had men die met een dik touw moeten omgeven, dat de brancarddragers op tusschenruimten van twee of drie meter met hun beide handen vasthielden. Deze hadden het consigne alleen de zieken, die een kaart der Hospitalité hadden, en de enkele personen, die van een speciale autorisatie voorzien waren, door te laten. Zij lichtten het touw dan wat op en lieten het onverbiddelijk voor iedere smeekbede achter de uitverkorenen weer zakken. Zelfs traden zij eenigszins ruw op, daar zij er onbewust een genoegen in vonden het gezag uit te oefenen, waarmede zij voor één dag bekleed waren. Maar tevens dient erkend te worden, dat ze het dikwijls hard te verantwoorden hadden en zij elkaar steunen, met al hun kracht weerstand bieden moesten, om niet meegesleurd te worden.

Terwijl de banken voor de Grot en de gereserveerde ruimten zich met ziekenwagentjes en draagbaren vulden, bleef de menigte, de onmetelijke menigte in de buurt ronddwalen. Zij begon bij de place du Rosaire en strekte zich over den geheelen boulevard langs den Gave uit; in zijn geheele lengte was het trottoir zwart van de menschen, een zóó dichte menschengolf, dat het verkeer er door gestremd werd. Op de borstwering zat een eindelooze rij vrouwen—ja er stonden er zelfs enkelen—om beter te kunnen zien, en liet de zijde van haar parasols, lichte, feestelijk vroolijke zijde, in de zon vlammen. Men had een allée vrij willen houden, om de zieken te transporteeren, maar telkens werd zij weer overstroomd en versperd, zoodat de wagentjes en de draagbaren moesten blijven staan, tot dat een brancarddrager ze kwam bevrijden. Maar de groote, rondtrappelende kudde was zeer meegaande en gewillig als lammeren; men behoefde slechts hun onwillekeurig opdringen naar de brandende kaarsen te keer te gaan. Nooit was er een ongeluk voorgekomen ondanks de steeds toenemende opwinding, die uit de menigte opsteeg en haar in een teugelloos geloofsdelirium bracht.

Opnieuw baande baron Suire zich een weg door de menigte.

“Berthaud, Berthaud! Laat de menschen toch niet zoo haastig zijn … In dat gedrang zouden vrouwen en kinderen onder den voet geraken!”

Ditmaal werd Berthaud wat ongeduldig.

“Maar ik kan toch niet overal tegelijk zijn … Sluit het hek voor een oogenblik, als het noodig is.”

Het ging om de menigte, die men gedurende den geheelen middag om de Grot defileeren liet. De geloovigen kwamen door de linkerdeur naar binnen en gingen door de rechter weer naar buiten.

“Het hek sluiten!” riep de baron uit. “Dat zou de zaak nog maar erger maken; de menschen zouden er elkaar dood tegen drukken!”

Toevallig was Gérard in de buurt, die even praatte met Raymonde, welke met een kop bouillon voor een arme vrouw in haar hand aan de andere zijde van het touw stond. Berthaud droeg den jongen man op twee man bij de ingangsdeur van het hek te plaatsen met het consigne de pelgrims met niet meer dan tien tegelijk door te laten gaan. Toen Berthaud zijn opdracht uitgevoerd had en terugkwam, was Berthaud met Raymonde aan het lachen en schertsen. Zij ging weg en de twee neven keken naar haar, terwijl zij de lamme liet drinken.

“Een bekoorlijk meisje, en het staat vast, dat je met haar trouwt, niet?”

“Ik zal vanavond met haar moeder spreken. Ik reken erop, dat u met me meegaat!”

“Natuurlijk … Je weet wat ik je gezegd heb: het is het verstandigste wat je doen kunt. Haar oom zal je, voor het zes maanden verder is, een mooi baantje bezorgen.”

Door het gedrang werden zij gescheiden. Berthaud ging zich persoonlijk overtuigen of het défilé in de Grot nu ordelijker geschiedde. Uren lang was het dezelfde onafgebroken stroom mannen, vrouwen en kinderen, een stroom van al degenen, die uit de geheele wereld naar de Grot gekomen waren. Alle standen waren er dan ook bijeen, bedelaars in lompen naast welgestelde burgers, boerinnen, naar de nieuwste mode gekleede dames, dienstmeisjes zonder hoed, kinderen op bloote voeten en meisjes met pommade in het haar, dat vastgehouden werd door een lint. De toegang was vrij, het mysterie stond open voor allen, voor geloovigen en ongeloovigen, voor hen, die alleen door nieuwsgierigheid gedreven werden en voor hen, die er met een hart vol liefde en geloof kwamen. Maar bijna allen waren even zeer onder den indruk en voelden zich in dien zwoelen wasgeur benauwd door de zware tabernakellucht, die zich onder de rots verzamelde, terwijl zij, uit vrees op de ijzeren roosters uit te glijden, naar hun voeten keken. Velen wisten niet meer, wat zij doen moesten, bogen niet voor het altaar, keken maar rond naar alles met de kinderlijke onrust van onverschilligen, die in het onbekende inwendige van een heiligdom verdwaald zijn. Maar de vromen maakten het teeken des kruises, wierpen dikwijls een brief in de Grot, legden bloemruikers en kaarsen neder, kusten de rots aan de voeten der Heilige Maagd, of wreven daartegen rozenkransen, medailles en andere dergelijke dingen, welke door die aanraking alleen reeds gewijd werden. En het défilé ging door, zonder ophouden door, dagen, maanden, jaren lang; het leek alsof de geheele wereld in dat rotshoekje kwam, alle menschelijke ellende, alle menschelijk lijden scheen er achter elkaar door te trekken en in dien gehypnotiseerden, aanstekelijken rondgang naar het geluk te komen zoeken.

Toen Berthaud geconstateerd had, dat overal nu alles geregeld en ordelijk zijn gang ging, liep hij als eenvoudig toeschouwer rond om zijn mannen te controleeren. Het eenige, waar hij zich ongerust over bleef maken, was de processie van vier uur, gedurende welke zich steeds zulk een razende opgewondenheid openbaarde, dat er steeds ongelukken te duchten waren. En deze laatste dag beloofde, te oordeelen naar de huivering van een overspannen geloof, die hij reeds uit de menigte voelde opkomen, een der ergste te zullen worden. De opwinding steeg tot haar hoogste punt; alles werkte samen: de koortsachtige reis, de obsessie van dezelfde steeds weer herhaalde liederen, dezelfde hardnekkig volgehouden godsdienstige oefeningen, de onophoudelijke gesprekken over de wonderen en de steeds op den goddelijken vlammengloed der Grot gerichte idée fixe. Vele pelgrims hadden in geen drie nachten geslapen, waren in een toestand van door visioenen bezocht waken gekomen, liepen in een droom, die haar opwinding nog meer aanwakkerde. Geen rust werd hun gelaten, de onophoudelijke gebeden waren als een zweep, die hun zielen striemde. Nooit hielden de aanroepingen der Heilige Maagd op, de eene priester na den anderen beklom den kansel, schreeuwde het algemeene lijden uit, leidde de wanhopige smeekbeden der menigte gedurende den geheelen tijd, dat de zieken zaten voor het witte marmeren beeld, dat met gevouwen handen en ten hemel gerichte blikken glimlachte.

Op dat oogenblik werden de oefeningen van uit den wit-steenen kansel, die rechts van de Grot tegen de rots stond, geleid door een priester uit Toulouse, dien Berthaud kende en naar wien hij een oogenblik met een goedkeurend knikje bleef staan luisteren. Het was een dikke man met een brouwende stem en beroemd door zijn oratorische successen. Overigens bestond hier de geheele welsprekendheid in sterke longen, in een heftige manier om den zin, den kreet, die de menigte herhalen moest, uit te stooten, want het was niet veel meer dan een door Avé’s en Pater’s onderbroken geschreeuw.

De priester, die den rozenkrans afgebeden had, trachtte zich op zijn korte beenen grooter te maken en begon nu, de inspiratie van het oogenblik volgend, aan de litanieën.

“Maria, wij hebben u lief!”

En de menigte herhaalde met zachter, verlegen en gebroken stem:

“Maria, wij hebben u lief!”

En nu hield het niet meer op. De stem van den priester klonk luid, de stem der menigte herhaalde in een smartelijk stamelen:

“Maria, gij zijt onze eenige hoop!”

“Maria, gij zijt onze eenige hoop!”

“Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!”

“Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!”

“Heilige Maagd, red onze zieken!”

“Heilige Maagd, red onze zieken!”

Soms, wanneer zijn fantasie even te kort schoot, of hij een kreet nog dieper in de ziel der menigte wilde doen dringen, herhaalde hij dien driemaal, terwijl de schare, volgzaam, hem eveneens driemaal herhaalde, huiverend onder de prikkeling van die hardnekkige jammerklacht, die haar opwinding nog meer deed toenemen.

De litanie duurde voort en Berthaud keerde naar de Grot terug. Zij, die in de Grot zelf defileerden, kregen, zoodra zij tegenover de zieken kwamen, een buitengewoon schouwspel te zien. De geheele groote ruimte tusschen de touwen was gevuld door de duizend à twaalfhonderd zieken, die met de nationale bedevaart medegekomen waren en onder den wijden blauwen hemel en op dezen schitterenden dag het hartbeklemmendste mengelmoes vormden, dat men zich denken kan. De drie ziekenhuizen hadden hun zalen van verschrikking geledigd. Het verst weg zag men het eerst op de banken hen, die nog zitten konden. Toch waren velen nog in kussens gestopt; leunden anderen tegen elkaar aan, waarbij de sterksten de zwaksten steunden. Vervolgens lagen voor de Grot zelf de zieken uitgestrekt; de steenen verdwenen onder die jammerlijke golf, dien grooten, stilstaanden poel van ellende en verschrikking. Er was daar een onbeschrijflijke opeenhooping van wagentjes, draagbaren en matrassen. Sommigen richtten zich in hun kleine karretjes, die veel op doodkisten geleken, op en staken dan boven de anderen, die gewoon op den grond lagen, uit. Er waren er die, gekleed, zich eenvoudig op het geruite linnen van hun matrassen hadden uitgestrekt. Anderen had men in hun beddegoed gebracht, zoodat men niets zag dan hun hoofd en hun magere handen, die buiten de dekens uitstaken. Slechts weinige bedden waren zindelijk. Enkele hagelwitte kussens, als een laatste bewijs van ijdelheid met borduurwerk voorzien, staken scherp af tegen de vuile ellende der andere, tegen de uitgepakte lompen, de versleten dekens, de met vlekken bezoedelde lakens. En dat alles was op elkaar geschoven, opgestapeld al naar gelang het gekomen was: vrouwen, mannen, kinderen, priesters, gekleeden en ongekleeden lagen in het verblindend helle daglicht schots en scheef door elkaar heen.

En alle ziekten waren vertegenwoordigd: het geheele défilé, dat tweemaal per dag uit de hospitalen door het verbijsterde Lourdes trok. Door een eczeem weggevreten hoofden, met uitslag bedekte voorhoofden; neuzen en monden, die de elephantiasis tot gedrochtelijke snuiten gemaakt had; als waterzakken opgeblazen waterzuchtigen; rheumatieklijders met verdraaide handen en als met lompen volgepropte zakken opgeblazen voeten; een waterhoofd, dat door zijn vreeselijke zwaarte achterover hing; van koorts rillende, door dysenterie uitgeputte, lijkkleurige, broodmagere teringlijdsters; misvormde heupen; omgekeerde armen; scheefgegroeide halzen; arme gemartelde wezens, onbeweeglijk in de houding van tragische ledepoppen; ongelukkige rhachitische meisjes, die haar waskleurigen tint, haar magere, door koude tumoren aangevreten hals lieten zien; gele, wezenlooze vrouwen in de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, die de kanker doet wegteren; anderen, doodsbleek en zich niet bewegen durvend uit vrees voor een schok van de gezwellen, wier benauwende beklemming haar bijna stikken deed; dooven, die niets hoorden en toch zongen; blinden, die urenlang staarden naar het beeld der Maagd, dat zij niet zien konden. Ook was er nog de kindsche, idiote vrouw, wier neus door den een of anderen tumor weggevreten was, en die met haar leegen, zwarten mond haar verschrikkelijken lach lachte; ook was er nog de epileptica, die doodsbleek was en wie het schuim op den mond stond van haar laatsten aanval.

Maar ziekte noch lijden hadden hier eenige beteekenis meer, sedert zij, zittend of liggend, hun oogen op de Grot gevestigd hielden. De arme, uitgeteerde, aardkleurige gezichten werden verheerlijkt, begonnen te branden van hoop. Door gewrichtsrheumatiek stijve handen vouwden zich, zware oogleden vonden nog de kracht zich te openen; zwakke, toonlooze stemmen herleefden bij de aanroepingen van den priester. In den beginne was het niet meer dan onduidelijk gestamel, als zachte zuchtjes, die hier en daar uit de menigte òpwoeien. Dan steeg de kreet op, zwol aan, sleepte de menigte zelf van het eene einde van het reusachtige plein naar het andere mede.

“Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!” schreeuwde de priester met zijn donderende stem.

En de zieken en de pelgrims herhaalden al luider en luider:

“Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!”

Dan volgde in steeds sneller tempo:

“Reine Moeder, kuische Moeder, uw kinderen liggen aan uw voeten!”

“Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!”

“Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!”

Mijnheer Sabathier zat op de tweede rij naast den kansel. Hij had er zich vroeg heen laten brengen, daar hij een goed plaatsje wilde hebben en als oud bezoeker der Grot de beste hoekjes kende. Bovendien scheen het hem van groot belang om zoo dicht mogelijk in de nabijheid der Heilige Maagd te zijn, alsof zij er behoefte aan had haar getrouwe geloovigen te zien, om ze niet te vergeten. Sedert de zeven jaar, dat hij kwam, voedde hij slechts deze hoop: haar aandacht te trekken, haar eindelijk te vermurven, zijn genezing te verkrijgen, zoo niet naar keuze, dan toch naar ancienniteit. Daartoe had hij slechts geduld noodig, zonder dat de vastheid van zijn geloof ook maar in het minst geschokt werd. Maar als arm berustend man, die het een beetje moe werd telkens uitgesteld te worden, liet hij zich dikwijls afleiden. Hij had weten te bewerken, dat zijn vrouw bij hem bleef; zij zat nu op een vouwstoeltje naast hem; hij vond het prettig met haar te praten en haar deelgenoote te maken van zijn overpeinzingen.

“Licht mij een weinig in de hoogte … Ik glijd naar beneden en zit niet goed.”

Hij zat in zijn broek en in een grof wollen jas op een matras en leunde met zijn rug tegen een omgevallen stoel.

“Is het nu beter?” vroeg madame Sabathier.

“Ja, ja!”

Dan werd zijn aandacht getrokken door broeder Isidore, dien men ten slotte toch naar de Grot gebracht had en die nu op een matras naast hem lag; de deken had hij tot zijn kin opgetrokken; alleen zijn handen lagen gevouwen op het laken.

“De arme kerel!… Het is heel onvoorzichtig, maar de Heilige Maagd is zoo machtig, wanneer zij wil.”

Hij wilde weer aan zijn rozenkrans beginnen, toen hij madame Maze zag, die zoo mager en zoo stil binnen de gereserveerde ruimte geslopen was, dat zij zeker onopgemerkt onder het touw door gekropen was. Zij zat op het einde der bank; maar nam niet meer plaats in dan een zoet, zich niet bewegend meisje. Haar lang gezicht met de vermoeide trekken, haar twee-en-dertig jaar van verlepte, voor haar tijd verwelkte vrouw, drukten een grenzenlooze droefheid, een eindelooze troosteloosheid uit.

“Die dame bidt voor de bekeering van haar man,” begon mijnheer Sabathier weer fluisterend, terwijl hij met een beweging van zijn kin op haar wees. “Je hebt haar vanochtend in een winkel ontmoet.”

“Ja, ja,” antwoordde madame Sabathier. “En toen heb ik met een andere dame gesproken, die haar kent … Haar man is handelsreiziger. Hij is nu al in geen zes maanden thuis geweest en gaat met allerlei vrouwen uit. O, een heel vroolijke en aardige jongen moet het zijn, die het haar niet aan geld laat ontbreken. Maar zij is dol op hem en kan zich er niet in schikken, dat zij zoo door hem verlaten wordt; en nu komt zij de Heilige Maagd vragen hem aan haar terug te geven … Op dit oogenblik moet hij met twee dames te Luchon zijn, de zusters …”

Met een gebaar viel mijnheer Sabathier haar in de rede. Hij keek naar de Grot en werd weer de intellectueel, de oude professor, dien kunstquaesties vroeger hartstochtelijk geïnteresseerd hadden.

“Kijk,” zeide hij, “ze hebben de Grot bedorven door haar te mooi te willen maken. Ik ben er vast van overtuigd, dat zij in haar vroegeren woesten staat veel mooier was. Zij heeft haar karakter verloren … En wat een leelijken winkel hebben ze daar links neergeplakt.”

Maar hij kreeg berouw over zijn verstrooidheid. Zou misschien in dien tijd de Heilige Maagd niet een ander, die vuriger bad en zich beter gedroeg dan hij, uitverkiezen? Ongerust keerde hij weer tot zijn bescheidenheid en geduld terug en wachtte gedachteloos en met wezenlooze oogen op wat de hemel over hem beschikken zou.

Trouwens de luide roep van een nieuwe stem bracht hem ook terug in dien toestand van verootmoediging, waarin de geleerde denker, die hij vroeger geweest was, in hem stierf. Een andere geestelijke stond nu op den preekstoel, een capucijner ditmaal, wiens zwaar keelgeluid de menigte huiveren deed.

“Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!”

“Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!”

“Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!”

“Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!”

“Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden zullen opdrogen.”

“Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden zullen opdrogen.”

De familie Vigneron was erin geslaagd zich een plaatsje te veroveren op een punt van de eerste bank aan den kant van de hoofdallée, die vol menschen was. Zij waren er allen: de kleine Gustave zat met zijn kruk tusschen zijn beenen; aan den eenen kant zat zijn moeder naast hem, die de gebeden volgde, aan den anderen kant madame Chaise, die het in de drukte vreeselijk benauwd had, en mijnheer Vigneron, die zwijgend naar zijn schoonzuster keek.

“Wat heb je toch?” vroeg hij haar. “Voel je je niet lekker?”

Zij haalde moeilijk adem.

“Ik weet niet wat het is … Ik voel mijn beenen niet meer en ik heb het zoo benauwd.”

Oogenblikkelijk was de gedachte bij hem opgekomen, dat de koortsachtige opwinding en de drukte, die aan een bedevaart verbonden zijn, alles behalve goed moesten zijn voor een hartkwaal. Zeker, hij wenschte niemand dood, hij had nooit iets dergelijks aan de Heilige Maagd gevraagd. Dat zij zijn wensch naar promotie door den plotselingen dood van zijn chef, verhoord had, moest een gevolg zijn van het feit, dat deze volgens de raadsbesluiten des hemels gedoemd was te sterven. En zoo zou hij, wanneer madame Chaise het eerst stierf en haar vermogen aan Gustave naliet, zich eveneens hebben te buigen voor den wil van God, die gewoonlijk oude menschen eerder sterven laat dan jongere. Zijn hoop was desniettemin, zij het ook onbewust, zoo levendig, dat hij niet nalaten kon een blik te wisselen met zijn vrouw, in wie dezelfde gedachte onwillekeurig opgekomen was.

“Gustave, schuif een beetje op zij,” riep hij uit. “Je hindert je tante.”

En toen Raymonde voorbijkwam, vroeg hij:

“Zoudt u misschien niet een glas water hebben, mademoiselle. Mijn schoonzuster dreigt flauw te vallen.”

Maar madame Chaise weigerde met een gebaar. Zij werd al beter, kon weer adem halen.

“Neen, niets, dank u … Ik ben al weer beter … Maar ik dacht heusch, dat ik stikken zou.”

Zij rilde nog van vrees, haar oogen stonden verwilderd in haar bleek gezicht. Zij vouwde opnieuw haar handen en smeekte de Heilige Maagd haar voor andere aanvallen te sparen en haar te genezen, terwijl het echtpaar Vigneron weer het oude gebed prevelde, waarvoor zij naar Lourdes gekomen waren: een gelukkige ouderdom, dien zij na een eervol leven van twintig jaar wel verdiend hadden, en een voldoende vermogen, om den avond van hun leven te kunnen genieten op het land. De kleine Gustave, die met zijn scherpe oogen alles gezien en met zijn helder verstand alles begrepen had, bad niet, maar glimlachte met zijn onbestemd, raadselachtig glimlachje in het ijle niet. Waartoe diende het te bidden? Hij wist, dat de Heilige Maagd hem niet zou genezen en dat hij sterven zou.

Maar mijnheer Vigneron kon het nooit lang uithouden zonder zich met zijn buurlieden te bemoeien. In het midden van de stampvolle allée had men madame Dieulafay, die te laat gekomen was, neergezet. Hij verbaasde zich over dien luxe, over die soort met witte zijde gecapitonneerde doodkist, waarin de jonge vrouw, gekleed in een rose met kant afgezetten peignoir, lag. Haar man, in gekleede jas, en haar zuster in een zwart, eenvoudig, maar zeer elegant toilet stonden naast haar, terwijl abbé Judaine, naast de zieke geknield, een vurig gebed opzond.

Toen de priester weer opstond, maakte mijnheer Vigneron een plaatsje voor hem op de bank en veroorloofde zich de vrijheid te vragen:

“En voelt de arme jonge vrouw zich al wat beter?”

Abbé Judaine maakte een gebaar van troostelooze droefheid.

“Helaas, neen … Ik was zoo vol hoop! Ik heb de familie overgehaald hierheen te gaan. De Heilige Maagd heeft mij twee jaar geleden een zoo buitengewone genade bewezen door mijn arme verloren oogen te genezen, dat ik vertrouwde nog een gunst van haar te krijgen … Enfin, ik wil nog niet wanhopen. Wij hebben nog tijd tot morgen.”

Mijnheer Vigneron keek aandachtig naar dat vrouwengezicht, waarin men het zuivere ovaal en de prachtige oogen zag, doch dat nu wezenloos en als een doodenmasker in de kant lag.

“Het is werkelijk heel treurig,” mompelde hij.

“En als u haar verleden zomer gezien hadt!” begon de priester weer. “Zij hebben hun kasteel te Saligny, mijn parochie, en ik dineerde dikwijls bij hen … Ik kan haar andere zuster, madame Jousseur, de dame in het zwart, die daar staat, niet aanzien, zonder tranen in mijn oogen te krijgen, want zij lijkt veel op haar, maar de zieke was nog mooier, een der schoonheden van Parijs. Vergelijk die schittering, die verheven gratie eens bij dat arme, beklagenswaardige schepsel … Daar krimpt je hart bij ineen. En wat een vreeselijke les!”

Hij zweeg een oogenblik. De vrome man, die hij van nature was, zonder eenigen hartstocht en zonder scherp verstand, dat hem zijn geloof moeilijk maakte, had een naïeve bewondering voor schoonheid, rijkdom en macht, die hij echter nooit benijd had. Toch durfde hij uiting geven aan een twijfel, aan iets, dat hem hinderde en hem zijn gewone kalmte ontnam.

“Ik voor mij had liever gezien, dat zij eenvoudiger hier gekomen was, zonder al dat vertoon van luxe, want de Heilige Maagd ziet met meer welgevallen op de nederigen neer … Maar ik begrijp heel goed, dat de maatschappelijke verhoudingen zoo iets noodzakelijk maken. En dan hoeveel houden haar man en haar zuster van haar! Bedenk eens, dat hij er zijn zaken en zij er haar mondaine genoegens voor in den steek gelaten hebben; de gedachte dat zij haar kunnen verliezen, maakt hen zoo van streek, dat zij altijd die vochtige oogen en die troostelooze uitdrukking hebben, die u nu ziet. We moeten het hun dan ook niet al te zeer verwijten, dat zij haar de vreugde geven mooi te zijn tot haar laatste uur.”

Mijnheer Vigneron knikte goedkeurend. De rijke lui hadden niet het meeste geluk in de Grot. Dienstboden, boerinnen, arme vrouwen genazen, terwijl dames met haar ziekten en zonder verlichting van hun lijden teruggingen, ondanks haar giften en de dikke kaarsen, die zij lieten branden. En ondanks zichzelf keek hij naar madame Chaise, die weer geheel bekomen was van haar aanval en nu met een gelukzalig gelaat zat uit te rusten.

Maar op dat oogenblik ging een beweging door de menigte en abbé Judaine zeide nog:

“Pater Massias gaat den kansel op. Dat is een heilige, luister naar hem!”

Men kende hem; hij kon zich niet vertoonen, zonder dat alle zieken door een plotselinge hoop bezield werden, want men zeide, dat zijn groote geloofsijver en zijn vroomheid de wonderen bevorderden. Hij ging door voor een man met een teedere en toch krachtvolle stem, die de Heilige Maagd lief had.

Alle hoofden hadden zich opgericht, en de ontroering werd nog grooter, toen men pater Fourcade zag, die tot onder aan den kansel medegekomen was, steunend op den schouder van zijn veel geliefden, onder allen uitverkoren broeder; hij bleef staan om hem te hooren. Zijn jichtige voet deed hem sinds dien ochtend veel pijn, zoodat hij veel moed noodig had om zoo rustig te blijven staan. De toenemende geestdrift der menigte maakte hem gelukkig, hij voorzag wonderen, opzienbarende genezingen, tot roem van Maria en Jezus.

Pater Massias sprak niet dadelijk, toen hij op den kansel was. Hij leek heel groot, mager en bleek met zijn ascetengelaat, dat door de verkleurde baard nog langer scheen. Zijn oogen fonkelden, zijn groote, welsprekende mond zette zich hartstochtelijk uit.

“Heer, red ons; wij vergaan.”

En medegesleept herhaalde de menigte in een koortsachtige beweging, die van minuut tot minuut steeg:

“Heer, red ons; wij vergaan.”

Hij opende zijn armen en slingerde zijn vlammend woord, alsof hij het uit zijn laaiend hart gerukt had, naar de menigte:

“Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!”

“Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!”

“Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek slechts één woord, en ik zal genezen worden!”

“Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek slechts één woord, en ik zal genezen worden!”

Marthe, de zuster van broeder Isidore, was zachtjes begonnen te praten met madame Sabathier, naast wie zij eindelijk was gaan zitten. Ze hadden kennis gemaakt in het Hôpital en in de verbroedering van zooveel lijden vertelde de dienstbode vertrouwlijk tegen de “mevrouw”, hoe ongerust zij zich over haar broer maakte, want zij zag heel goed, dat hij op het uiterste lag. De Heilige Maagd moest zich haasten, wanneer zij hem nog genezen wilde. Het was al een wonder, dat men hem nog levend in de Grot gebracht had.

In haar berusting van arm, eenvoudig schepseltje weende zij niet. Maar haar hart was zoo vol, dat de weinige woorden, die zij sprak, haar bijna deden stikken. Dan kwam de herinnering aan het verleden als een bruisende golf boven en met haar door het lange zwijgen schorrige stem, stortte zij haar hart uit:

“Wij waren in Saint-Jacut, dicht bij Vannes, met ons veertienen thuis … Hij is, zoo groot als hij was, altijd ziekelijk geweest en daarom is hij ook bij heer pastoor gebleven, die hem eindelijk in de Christelijke scholen heeft laten opnemen … De oudsten hebben de boerderij genomen, maar ik wou liever gaan dienen. Ja, een dame heeft me nou vijf jaar geleden meegenomen naar Parijs … O, hoe moeilijk is toch het leven. Ieder heeft zoo zijn eigen kruis!”

“Zeg dat wel,” antwoordde madame Sabathier, terwijl zij naar haar man keek, die met devotie iederen zin van pater Massias herhaalde.

“En toen,” vertelde Marthe verder, “hoorde ik verleden maand, dat Isidore uit de warme landen, waar hij zendeling geweest was, teruggekomen was en een leelijke ziekte meegebracht had … Toen ben ik dadelijk naar hem toe gegaan, en toen zeide hij, dat hij sterven zou, wanneer hij niet naar Lourdes ging, maar dat hij onmogelijk die reis kon maken, omdat hij niemand had, om met hem mee te gaan … Nou, ik had tachtig francs opgespaard en toen heb ik mijn dienst opgezegd en zijn we samen gegaan … En dat ik zooveel van hem houd, madame, dat komt, omdat hij, toen ik nog klein was, aalbessen voor me meebracht uit de pastorie, terwijl mijn andere broers mij sloegen.”

Zij viel weer terug in haar zwijgen. Haar gezicht was opgezwollen van verdriet, zonder dat tranen wilden komen uit haar droeve, door het lange waken ontstoken en brandende oogen. Zij stamelde nog slechts onsamenhangende woorden.

“Kijk toch eens naar hem, madame … Het is om medelijden mee te krijgen … Ach, lieve God, die arme wangen, die arme kin, dat arme gezicht!”

Het was inderdaad een verschrikkelijke aanblik. Het hart van madame Sabathier kromp ineen, toen zij broeder Isidore daar zoo geel, zoo aardkleurig, zoo bedekt met het koude doodszweet zag liggen. Hij liet alleen maar zijn gevouwen handen en zijn door enkele haren omgeven gezicht zien; maar al schenen zijn waskleurige handen dood, al bewoog zich op zijn lang, door pijn vertrokken gelaat geen spier meer, de oogen leefden nog, de oogen met hun onuitbluschbare liefde, welker vlam voldoende was om zijn stervend gelaat als van een Christus aan het kruis te verhelderen. Nooit was het contrast van het lage voorhoofd en de bekrompen, dierlijke uitdrukking van den boer eener- en den hemelschen glans van dat arme, verwoeste, door het lijden geheiligde, in den hartstochtelijken gloed van het geloof in zijn laatste oogenblikken verheerlijkte doodenmasker anderzijds duidelijker uitgekomen. Het lichaam was als het ware weggesmolten, hij was zelfs geen ademtochtje meer; hij was nog slechts een blik, een licht.

Sedert men hem daar neergelegd had, had hij zijn oogen niet meer afgewend van het beeld der Heilige Maagd. Niets anders bestond meer voor hem. Hij zag de groote menigte niet, hoorde zelfs niet het razende schreeuwen der priesters, de onafgebroken kreten, welke deze huiverende menigte deden schokken. Zijn oogen alleen had hij nog, zijn oogen, waarin een eindelooze liefde brandde en die zich vastgehecht hadden aan de Heilige Maagd, om zich nooit meer van haar af te wenden. Zij dronken haar in tot in den dood, in een laatste oplaaiïng van zijn wil, om in haar op te gaan, in haar te sterven. Even ging zijn mond open; een uitdrukking van hemelsche zaligheid ontspande zijn gelaat. Dan bewoog zich niets meer, zijn oogen bleven wijd open staan, strak starend naar het witte beeld.

Enkele seconden verliepen. Marthe had een killen ademtocht gevoeld, die haar tot in haar haarwortels koud worden deed.

“Kijk eens, madame!”

Angstig deed madame Sabathier, alsof zij haar niet begreep.

“Wat, beste meid?”

“Mijn broer, kijk dan toch … Hij beweegt zich niet meer. Hij heeft zijn mond geopend en daarna heeft hij zich niet meer bewogen.”

Toen huiverden beiden in de zekerheid, dat hij gestorven was. Zonder een rochelen, zonder een ademtochtje was hij verscheiden, alsof het leven hem in zijn blik door zijn groote oogen vol liefde en verterenden hartstocht ontvloden was. Hij had den laatsten adem uitgeblazen met een blik op de Heilige Maagd, en met zijn gestorven oogen bleef hij haar aankijken in onuitsprekelijke zaligheid.

“Probeer zijn oogen te sluiten,” fluisterde madame Sabathier. “Dan weten we het zeker.”

Marthe was opgestaan; zij boog zich over hem heen, om niet gezien te worden, en trachtte zijn oogen met een vinger, die beefde, toe te drukken. Maar telkens weer gingen de oogen open en keken hardnekkig de Heilige Maagd aan. Hij was dood en zij moest de in een oneindige extase verzonken oogen wijd open laten staan.

“Het is uit, het is uit!” stamelde zij.

Twee tranen kropen uit haar zware oogleden en rolden over haar wangen, terwijl madame Sabathier haar hand greep, om haar te doen zwijgen.

Want reeds ging een gefluister rond, verspreidde zich een onrustige beweging. Maar wat moest men doen? Men kon te midden van zoo’n gedrang en gedurende de gebeden het lijk niet wegdragen zonder gevaar voor een fatale uitwerking. Het beste was maar om hem daar, in afwachting van een gunstig oogenblik, te laten liggen. Het kon niemand ergernis geven, hij scheen niet meer dood te zijn dan tien minuten geleden, en iedereen kon gelooven, dat zijn vlammende oogen nog steeds leefden in hun vurigen aanroep van de goddelijke liefde der Heilige Maagd.

Alleen enkele personen in den naasten omtrek wisten het. Angstig had mijnheer Sabathier zijn vrouw een onmerkbaar teeken gegeven, om haar te vragen; en door een zwijgenden, langen blik van haar op de hoogte gebracht, was hij weer zonder opstand gaan bidden, terwijl hij verbleekte voor die geheimzinnige almacht, welke den dood zond, wanneer men het leven vroeg. De Vignerons waren één en al belangstelling, zij bogen zich naar elkaar toe en fluisterden met elkaar als na het een of andere ongeluk op straat, een van die kleine voorvallen, waarmede de vader van zijn bureau thuis kwam en waarover dan den geheelen avond gesproken werd.

Madame Jousseur had zich omgedraaid en mijnheer Dieulafay een paar woorden ingefluisterd; dan keken zij weer naar hun dierbare zieke, terwijl abbé Judaine, door mijnheer Vigneron op de hoogte gebracht, neerknielde en fluisterend de gebeden der stervenden prevelde. Was hij geen heilige, deze zendeling, die met zijn doodelijke wonde in zijn zijde uit de moordende tropen teruggekeerd was, om hier onder den glimlachenden blik der Heilige Maagd te sterven? Voor madame Maze had de dood zijn verschrikking verloren, en zij smeekte den hemel haar ook zoo zachtjes weg te nemen, wanneer hij haar niet verhoorde en haar haar echtgenoot niet teruggaf.

Maar de kreet van pater Massias klonk weer òp, uitte zich met de kracht van een verschrikkelijke vertwijfeling en onder hartverscheurend gesnik.

“Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!”

En de menigte snikte na:

“Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!”

“Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!”

“Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!”

“Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!”

“Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!”

Het steeg tot waanzin. Pater Fourcade, aan den voet van den kansel medegesleept door den buitengewonen hartstocht, die uit de harten stroomde, had zijn armen ten hemel geheven en schreeuwde ook met zijn donderende stem, als om den hemel met geweld te dwingen. De razernij nam toe onder dien storm van smeekgebeden, welke de menigte allengs boog, de slechts uit nieuwsgierigheid gekomen jonge dames, die op de borstwering van den Gave zaten en onder haar parasols verbleekten, niet uitgezonderd. De ongelukkige menschheid smeekte van uit den diepen afgrond van haar lijden; het geschreeuw streek rillend over al die gebogen nekken; het was niet meer dan een in doodsangst krimpend volk, dat weigerde te sterven en God dwingen wilde in zijn raadsbesluit het eeuwige leven op te nemen. O, het leven, het leven! Al deze ongelukkigen, al deze van verre, ondanks alle hinderpalen saamgestroomde stervenden wilden niets dan dat, smeekten slechts daarom in een woesten drang om het nog eens te leven, om het altijd te leven! O Heer, genees ons, hoe groot ook ons lijden, hoe verschrikkelijk onze martelingen ook zijn, laat ons opnieuw beginnen te leven, om nogmaals te lijden, wat wij reeds geleden hebben. Hoe rampzalig wij ook zijn, wij willen leven. Niet den hemel vragen wij u, maar de aarde, die wij zoo laat mogelijk, ja, mocht uw macht zich verwaardigen zoo ver te gaan, nooit zouden willen verlaten! En zelfs wanneer wij u niet om een lichamelijke genezing vragen, maar om een geestelijke genade, dan is het toch ook weer geluk, waarom wij smeeken, het geluk, waarnaar wij zoo snakken en smachten. O Heer, laat ons gezond en gelukkig worden, laat ons leven, laat ons leven!

Deze waanzinnige kreet, de kreet van een vurige levensbegeerte, die door pater Massias uitgestooten werd, steeg in tranen uit alle harten op.

“O Heer, zoon van David, genees onze zieken!”

“O Heer, zoon van David, genees onze zieken!”

Tweemaal had Berthaud te hulp moeten schieten, om te verhinderen, dat onder den onbewusten drang der menigte de touwen braken. In den menschenvloed ondergedompeld, maakte baron Suire wanhopige gebaren, smeekte, dat men hem te hulp zou komen: de pelgrims waren met geweld de Grot binnengedrongen; het défilé was niet meer dan een rondtrappelende kudde, die ging waarheen zij wilde. Vergeefs verliet Gérard Raymonde weer en ging zelf bij de ingangsdeur van het hek staan, om het consigne: tien aan tien te handhaven. Hij werd weggedrongen, ter zijde geschoven. Het geheele opgewonden, tot razernij opgezweepte volk bruiste als een bergstroom in den gloed der kaarsen, wierp bloemen en brieven aan de voeten der Heilige Maagd, kuste de rots, die millioenen heete monden gepolijst had. Het geloof was ontketend, de groote kracht, die door niets tegen te houden was.

Tegen het hek gedrukt, hoorde Gérard, hoe twee boerinnen, die door den stroom meegesleurd waren, elkaar haar indrukken mededeelden over de zieken, die zij liggen zagen. Een werd getroffen door het zoo bleeke gelaat van broeder Isidore met zijn groote, akelig wijd geopende en naar het beeld der Heilige Maagd starende oogen. Zij maakte het teeken des kruises en prevelde, met vrome bewondering vervuld:

“Kijk dezen eens, hoe hij bidt met zijn heele hart en hoe hij Notre-Dame de Lourdes aanstaart!”

De andere boerin antwoordde:

“Zij zal hem zeker beter maken, hij is zoo mooi.”

Zoo ontroerde met zijn gebed van liefde en geloof, dat hij in zijn niet-meer-zijn voortbad, de doode met het eindelooze staren van zijn blik alle harten en stichtte het volk, dat voorbijtrekken bleef.

III.

Abbé Judaine zou in de processie van vier uur het Heilige Sacrament dragen. Sedert de Heilige Maagd hem van een oogziekte genezen had, een wonder, waarover de Katholieke bladen nog steeds vol stonden, was hij een glorie van Lourdes; men plaatste hem daar op den voorgrond en eerde hem door allerlei voorkomendheden.

Om half vier stond hij op en wilde de Grot verlaten. Maar hij was bang voor den buitengewonen toevloed der menigte; hij vreesde te laat te zullen komen, als hij er zich niet uit bevrijden kon. Gelukkig echter kreeg hij hulp.

“Mijnheer de pastoor,” zeide Berthaud tegen hem, “als ik u was, zou ik niet probeeren over de place du Rosaire te gaan, want daar komt u niet door. Het beste zal zijn de slingerpaadjes te nemen … Volg mij maar!”

Met zijn ellebogen baande hij door de dichte menigte een weg voor den priester, die zich in dankbetuigingen uitputte.

“Te vriendelijk van u … Het is mijn schuld. Ik heb me verlaat … Maar lieve hemel, hoe moeten wij hier straks met de processie door komen?”

Die processie bleef ook Berthaud zorg baren. Op gewone dagen verwekte zij bij het voorbijtrekken reeds een razenden aanval van geestdrift, die hem dwong bijzondere maatregelen te nemen. Wat zou er nu niet kunnen gebeuren door die samengepakte menigte van dertig duizend personen, die reeds zoo opgezweept waren, dat zij in goddelijke razernij vervallen schenen te zijn. Heel verstandig maakte hij dan ook van de gelegenheid gebruik, om den priester de uiterste voorzichtigheid aan te raden.

“Och, mijnheer de pastoor, zeg, wat ik u verzoeken mag, aan de heeren geestelijken geen onderlinge tusschenruimte te bewaren, maar vlak achter elkaar te loopen … En laten zij vooral de banieren goed vasthouden, opdat zij niet omslaan … En wat u zelf betreft, mijnheer de pastoor, let er op, dat de mannen, die het baldakijn dragen, flinke krachtige kerels zijn, en zie er niet tegen op den monstrans met beide handen en stevig vast te houden.”

Een beetje verschrikt door die raadgevingen, bedankte de priester Berthaud nog steeds.

“Zeker, zeker, heel vriendelijk van u … Wat ben ik u dankbaar, dat u mij uit al die menschen geholpen hebt.”

Eindelijk zich vrij kunnende bewegen, haastte hij zich langs het zigzagpaadje, dat zich over de helling slingert, naar de Basilica, terwijl Berthaud zich weer in de menigte dompelde, om zijn surveillance voort te zetten.

Op hetzelfde oogenblik stootte Pierre, die Marie in haar wagentje reed, aan den anderen kant, op de place du Rosaire tegen den ondoordringbaren muur der menigte. Om drie uur had het kamermeisje hem gewekt, om Marie in het Hôpital te halen. Zij hadden geen haast, zij hadden tijd in overvloed om vóór de processie in de Grot te komen. Maar deze ontzaglijke menigte, die weerstand biedende muur, waar hij niet door wist te komen, maakte hem ten slotte ongerust. Nooit zou hij er met het wagentje doorkomen, als de menschen niet wat medewerkten.

“Als het u blieft, dames … U ziet toch, dat het voor een zieke is!”

Maar de dames bewogen zich niet; zij waren als gehypnotiseerd door den aanblik van de in de verte gloeiende Grot en gingen op haar teenen staan, om toch maar niets van het schouwspel te verliezen. Trouwens het geschreeuw der litanie was op dat oogenblik zóó sterk, dat men zelfs de vraag van den jongen priester niet hoorde.

“Mijnheer, wees zoo goed en laat mij even voorbij … Een klein beetje plaats voor een zieke, als ik u verzoeken mag!”

Maar de mannen, buiten zichzelf van geestdrift en in een blinde en doove verrukking, bewogen zich evenmin als de vrouwen.

Marie glimlachte kalm en rustig, alsof zij niets van den hinderpaal merkte en zeker was, dat niets ter wereld haar beletten zou haar genezing tegemoet te gaan. Toch werd, toen Pierre een gaatje gevonden en zich in den bewegelijken stroom begeven had, de situatie moeilijker. Van alle kanten sloeg de deining tegen het ranke wagentje en dreigde het te overstroomen. Bij iederen pas moest hij stil blijven staan, wachten, opnieuw de menschen smeeken. Nog nooit had Pierre zoo’n gevoel van angst voor de menigte gehad. Zij had niets dreigends over zich, was zoo rustig en passief als een kudde schapen, maar een vreemde ademtocht, een verontrustende huivering, die er uit opsteeg, maakte hem bang. En ondanks zijn liefde voor de armen kreeg hij een gevoel van walging door de leelijke, gemeene, zweetende gezichten, den bedorven adem, de oude, naar ellende stinkende kleeren.

“Als het u blieft, dames en heeren, een klein beetje plaats voor een zieke!”

Het verdronken, in deze groote zee heen en weer geslingerde wagentje kwam slechts met schokjes vooruit en had minuten noodig om enkele meters terrein te winnen. Een oogenblik dacht men dat het verzwolgen was, kwam het niet meer boven. Doch dan dook het ter hoogte van den vijver weer op. Ten slotte was er een liefderijke sympathie ontstaan voor dit zieke, door het lijden uitgeteerde, nog zoo mooie jonge meisje. Wanneer de menschen aan het halsstarrige dringen van den priester toe hadden moeten geven, keerden zij zich om, maar durfden niet boos worden; integendeel zij werden door dat magere smarten-gezichtje, dat in het aureool van haar blonde haren straalde, verteederd. Woorden van medelijden en bewondering gingen van mond tot mond. Het arme kind! Was het niet verschrikkelijk om op dien leeftijd al zóó hulpbehoevend te moeten zijn? Mocht de Heilige Maagd haar genadig zijn! Anderen weer werden getroffen door de extase, waarin zij haar zagen, door haar mooie groote oogen, die in het hiernamaals der hoop schenen te staren. Zij zag den hemel, zij zou zeker genezen worden. Het was als het ware een kielwater van verbaasdheid en broederlijke liefde, dat het kleine wagentje achterliet in de golf, die het met zooveel moeite doorkliefde.

Pierre was wanhopig: hij voelde zijn krachten verminderen, toen gelukkig brancarddragers hem te hulp kwamen, die trachtten een weg vrij te maken voor de processie, dien Berthaud hun bevolen had te beschermen met touwen, welke zij op afstanden van twee meter vasthielden. Van af dat oogenblik kon hij Marie ongehinderd voortrijden en haar eindelijk in de gereserveerde ruimte brengen, waar zij links van de Grot stil hielden. Men kon er zich niet bewegen, de menschenvloed scheen van minuut tot minuut toe te nemen.

Na het vertrek uit het Hôpital had Marie nog niet gesproken. Hij begreep, dat zij hem wat zeggen wilde, en hij boog zich over haar heen.

“Is vader er?” vroeg zij. “Is hij nog niet van zijn uitstapje terug?”

Hij moest wel antwoorden, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was, dat hij zich, ongetwijfeld buiten zijn wil, verlaat had. Toen voegde zij er met een glimlachje aan toe:

“Die goede vader zal blij zijn, als hij mij genezen terugziet!”

Met een ontroerde bewondering keek Pierre haar aan. Hij kon zich niet meer herinneren haar, ondanks de langzame verwoesting der ziekte, ooit zoo bekoorlijk gezien te hebben. Haar haren, het eenige, dat gespaard gebleven was, hulden haar als in een gouden kleed. Het kleiner en fijner geworden gezichtje had een droomende uitdrukking aangenomen, haar trekken waren onbeweeglijk, alsof zij in een idée fixe ingeslapen was en wachtte tot de schok van het verwachte geluk haar zou wekken. Haar geest had zich als het ware van haar los gemaakt, om in haar terug te keeren, zoodra God het wilde. En dit, ondanks haar drie-en-twintig jaren, bekoorlijke, kleine meisje, dat in den ontwikkelingstoestand gebleven was, waarin zij verkeerde, toen een ongeluk haar in haar geslachtsleven getroffen had, dat haar ontwikkeling tegengehouden, haar verhinderd had vrouw te worden, dat meisje was thans in een stadium, waarin zij het bezoek van den engel verwachtte, den wonderdadigen schok, die haar uit haar verstijving zou doen opstaan. De ’s morgens ingetreden extase was gebleven, haar handen lagen gevouwen, een verrukking van haar geheele wezen had haar, zoodra zij het beeld der Heilige Maagd gezien had, aan de aarde ontrukt. Zij bad en bracht zichzelf der Godheid ten offer.

Het was voor Pierre een uur van groote beproeving. Hij voelde, dat het drama van zijn priesterleven zich ging afspelen, dat, wanneer hij zijn geloof thans niet terugvond, het nooit terugkomen zou. En hij was zonder slechte gedachten; zonder tegenstand te bieden wenschte ook hij vurig, dat zij beiden genezen zouden worden. O, overtuigd te worden door haar genezing, samen te gelooven, samen gered te zijn! Hij wilde bidden als zij, vurig. Maar ondanks hem zelf, werd zijn geest bezig gehouden door de menigte, die eindelooze menigte, waarin het hem zooveel moeite kostte, op te gaan, te verdwijnen, niet meer te zijn dan een blad in het woud, dat in het ritselen van alle bladeren verloren gaat. Hij moest haar analyseeren, haar beoordeelen, of hij wilde of niet. Hij wist, dat zij sedert vier dagen opgezweept werd, onder den invloed van suggestie stond: de koortsachtige opwinding van de lange reis en van het zien van nieuwe landschappen, de dagen doorgebracht voor den gloed der Grot, de slapelooze nachten, de geprikkelde, naar illusie hongerende pijn. Daarbij kwam nog de obsessie van de gebeden, van de gezangen, van de litanieën, die haar zonder onderbreking schokten. Een andere priester had de plaats van pater Massias ingenomen; en hij hoorde, hoe deze, een magere, donkere abbé, met een als zweepslagen striemende stem de Heilige Maagd en Jezus aanriep, terwijl pater Massias en pater Fourcade, aan den voet van den kansel, de kreten der menigte, wier geweeklaag hooger in den fellen zonneschijn oprees, leidden. De opwinding was nog toegenomen, het was het oogenblik, waarop het den hemel aangedane geweld over de wonderen besliste.

Plotseling was een lamme opgestaan en liep, haar kruk in de hoogte houdend, naar de Grot; en die recht boven de deining der hoofden gehouden en als een vaandel gezwaaide kruk ontlokte juichkreten aan de geloovigen. Men loerde op de wonderen, men verwachtte ze met de zekerheid, dat zij ontelbaar, opzienbarend komen zouden. Oogen meenden ze te zien, koortsachtige ooren hoorden ze naderen. Weer een, die genezen was, en nog een, en nog een! Een doove, die weer hoorde; een stomme, die weer sprak; een teringlijdster, die weer opleefde! Wat, een teringlijdster? Ja, natuurlijk, dat kwam toch dagelijks voor! Verrassingen waren buitengesloten, zonder verbazing zou men geconstateerd hebben, dat een afgezet been weer aangroeide. Het wonder werd het natuurlijke, het gewone, banaal bijna, omdat het zoo dikwijls voorkwam. Voor die oververhitte phantasieën schenen in de logica van wat zij van de Heilige Maagd verwachtten, de ongelooflijkste verhalen eenvoudig. Men moest de verhalen, die de rondte deden, de kalme verzekeringen, de absolute zekerheid hooren, wanneer een opgewonden zieke gilde, dat zij genezen was. Nog een, en nog een! Een enkele maal hoorde men een troostelooze stem zeggen: “Die is genezen, die heeft geluk!”

Reeds op het geneeskundig bureau had Pierre zich geërgerd aan de lichtgeloovigheid van de daar aanwezige personen. Maar hier werd alles overtroffen; hij maakte zich boos over de buitensporigheden, die hij hoorde en die zoo kalm en met een glimlachje gezegd werden. Hij trachtte dan ook aan iets anders te denken en naar niets meer te luisteren. “God, geef toch, dat mijn verstand vernietigd wordt, dat ik niets meer wil begrijpen, dat ik het onwerkelijke en onmogelijke aanvaard!” Gedurende een oogenblik meende hij, dat de drang om alles, wat om hem heen gebeurde, te onderzoeken, in hem gestorven was, liet hij zich medesleepen door de smeekbede: “Heer, genees onze zieken … Heer, genees onze zieken!” Hij herhaalde haar met al de barmhartige liefde, die in hem was, hij vouwde zijn handen, keek strak naar het beeld der Heilige Maagd, tot hij er duizelig van werd en zich verbeeldde, dat zij zich bewoog. Waarom zou hij niet kind worden als de anderen, daar toch geluk alleen bestaanbaar is in onwetendheid en leugen? De besmetting zou eindelijk bij hem ook wel werken, hij zou niet meer zijn dan het zandkorreltje onder de zandkorreltjes, de nederige onder de nederigen, zonder zich te bekommeren om de krachten, welken den molensteen, die ze verplettert, in beweging brengen.

En juist in die seconde, toen hij hoopte den ouden mensch in zich gedood, zich met zijn wil en zijn rede vernietigd te hebben, begon in zijn boezem weer het heimelijke, onafgebroken, onoverwinnelijke gedachtenwerk. Hoe hij er zich ook tegen verzette, hij keerde langzamerhand tot zijn onderzoekingen terug, twijfelde, zocht. Welke was toch die ongekende kracht, die zich uit de menigte losmaakte? Een levensfluïdum, dat machtig en krachtig genoeg was, om de enkele genezingen, die toch werkelijk plaats vonden, te bewerken? Hier was een verschijnsel, dat geen physioloog nog bestudeerd had. Moest men gelooven, dat een menigte niet meer was dan één wezen, dat de macht der auto-suggestie met vertiendubbelde kracht op zich kon laten inwerken? Kon men aannemen, dat in bepaalde gevallen van de uiterste overspanning een menigte de drager van een onbeperkten wil werd, die de stof dwong te gehoorzamen? Dat zou dan tevens verklaren waarom de gevallen van plotselinge genezing zich juist voordeden bij die personen, welke zich het meest en oprechtst aan hun zielsoverspanning overgaven. Alle ademtochten vereenigden zich in één ademtocht, en de werkende kracht was een kracht van troost, van hoop en van leven.

Deze door menschelijke barmhartige liefde ingegeven gedachte ontroerde Pierre. Een oogenblik nog kon hij zichzelf weer meester worden, kon hij, zeer geroerd door dit geloof, dat hij aldus voor zijn deel medewerkte aan de genezing van Marie, om de genezing van allen bidden. Maar plotseling, zonder dat hij zelf wist door welke gedachtenassociatie, kwam de herinnering in hem op aan het consult, dat hij vóór het vertrek naar Lourdes over het geval van het jonge meisje geëischt had. Het tooneel stond wonderduidelijk voor zijn geest: hij zag weer de kamer met haar grijs, blauwgebloemd behang, hij hoorde de drie geneesheeren beraadslagen en beslissen. De twee, die certificaten gegeven hadden, concludeerden tot ruggemergsverlamming, spraken met de langzame bezadigdheid van bekende, geëerde en geziene doktoren, die een lange praktijk achter den rug hebben, terwijl hem nog in de ooren klonk de levende, warme stem van zijn achterneef Beauclair, den derden geneesheer, een jongen man met een helder, koen verstand, die door zijn collega’s koel en als een avontuurlijke geest behandeld werd. En tot zijn verbazing vond Pierre op dit kritieke oogenblik in zijn herinnering dingen terug, waarvan hij niet wist, dat zij zich daar bevonden; vond hij die terug krachtens dat vreemde verschijnsel, dat nauwelijks gehoorde, slecht begrepen, onwillekeurig opgeslagen woorden na een lange vergetelheid weer wakker worden, uitbreken en zich aan den geest opdringen. Het scheen hem toe, alsof de nadering van het wonder de omstandigheden, waaronder Beauclair hem voorspeld had, dat het zich zou voltrekken, voor den geest riep.

Vergeefs trachtte Pierre door met verdubbelde innigheid te bidden, die herinnering van zich af te zetten. De beelden kwamen weer terug, de eenmaal gehoorde woorden weerklonken opnieuw en vulden zijn ooren als met trompetgeschal. Nu zat hij, na het vertrek der twee anderen, met Beauclair in de eetkamer. En deze deed hem het verhaal der ziekte: de val van een paard op de voeten op veertienjarigen leeftijd; een daardoor veroorzaakte ontwrichting van het gekantelde, op zijde geworpen orgaan, die ongetwijfeld gepaard gegaan was met een scheuring der banden, waarvan het zware gevoel in de onderbuik en in de lendenen, de tot verlamming overgegane zwakheid der beenen het gevolg was; daarna het langzaam herstel der storingen, het orgaan, dat vanzelf weer op zijn goede plaats gekomen was, het heelen en toetrekken der banden, zonder dat de pijnlijke verschijnselen hadden kunnen ophouden bij dit groote, zenuwachtige kind, wier hersenen, die door het ongeval eveneens aangedaan waren, zich niet losmaken konden van de herinnering er aan, zoodat haar aandacht steeds op dat punt, waar zij pijn had, gelocaliseerd bleef en zij niet in staat was nieuwe voorstellingen te krijgen; op die wijze was, zelfs na de genezing, de pijn blijven aanhouden en een neuropathische toestand ingetreden met een daaraan onvermijdelijk verbonden zenuwuitputting, die ongetwijfeld verergerd werd door bijkomstige, nog niet voldoende bestudeerde voedingsstoornissen.

Aldus kon Beauclair dan ook makkelijk de tegenstrijdige en verkeerde diagnosen verklaren van de talrijke geneesheeren, die haar behandeld hadden, zonder haar nauwkeurig te onderzoeken, en dus in het duister rondtastten, waardoor sommigen aan een tumor, de meesten aan een ruggemergaandoening geloofden. Hij alleen had, na zich vergewist te hebben van het erfelijk belast zijn der zieke, vermoed, dat men hier te doen had met een eenvoudig geval van auto-suggestie, waaruit zij zich na den eersten schok en de hevige pijnen niet had kunnen losrukken. En hij gaf gronden en redenen voor zijn vermoeden: het kleiner geworden gezichtsveld, de starre oogen, de verstrooide, als afwezige gelaatsuitdrukking, vooral echter den aard van het lijden, dat het orgaan verlaten had, om zich te verplaatsen naar den linker eierstok, waar het zich openbaarde door een zware, ondraaglijke drukking, die soms in benauwende aanvallen opklom tot de keel. Alleen een plotselinge wil om zich uit de valsche voorstelling van haar kwaal los te rukken, een wil om op te staan, vrij adem te halen, geen pijn meer te hebben, kon haar, als onder den zweepslag van een groote opwinding genezen en veranderd, weer op den been brengen.

Een laatste maal nog trachtte Pierre niets meer te zien, niets meer te hooren, want hij voelde, dat dit de onherstelbare ineenstorting van het wonder in hem was. En ondanks zijn pogingen, ondanks het vuur, waarmede hij het: “Jezus, zoon van David, genees onze zieken!” uitschreeuwde, zag en hoorde hij nog steeds Beauclair, die hem op zijn kalme en glimlachende wijze uitlegde, hoe het wonder zich als in een bliksemstraal zou voltrekken in het oogenblik der uiterste opwinding, waarin op het beslissende moment de spieren zich zouden ontspannen. In de verrukking van een vreugde-delirium zou de zieke dan opstaan en loopen, zouden haar beenen plotseling licht worden, bevrijd van de drukking, die ze sedert zoo langen tijd zoo zwaar als lood maakte, alsof die zwaarte weggesmolten en in den grond weggevloeid was. Doch met name het gewicht, dat op haar buik drukte, dat hooger optrok, haar borst en haar keel beklemde, zou, als door een stormwind voortgedreven, verdwijnen en de geheele ziekte met zich meenemen. Werd op die wijze in de Middeleeuwen niet de duivel uitgedreven uit den mond der bezetenen, wier maagdelijk lichaam langen tijd de martelingen ondergaan had? En Beauclair had eraan toegevoegd, dat Marie eindelijk vrouw zou zijn, dat het bloed van het moederschap zou gaan vloeien, wanneer met een hosanna-kreet dat kind gebleven, achterlijke en door een zoo langen lijdensdroom gebroken lichaam ontwaken en plotseling met levende oogen en een stralend gelaat aan de gezondheid teruggeven worden zou.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings