VIERDE DAG (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Pierre keek Marie aan, en toen hij haar zoo jammerlijk in haar wagentje liggen zag, zoo vurig smeekend, zoo vol overgave aan Notre-Dame de Lourdes, die het leven gaf, werd zijn onrust nog grooter. O, mocht zij toch gered worden al was het voor den prijs van zijn eigen verdoemenis. Maar zij was te ziek, de wetenschap loog en bedroog al even hard als het geloof; hij kon niet gelooven, dat dit kind met haar gedurende zoovele jaren afgestorven beenen zou herleven. En in den woesten twijfel, waarin hij viel, riep zijn bloedend hart nog luider, herhaalde tot in het oneindige tezamen met de waanzinnig ijlende menigte:
“Heer, zoon van David, genees onze zieken!… Heer, zoon van David, genees onze zieken!”
In koninklijke pracht en praal volgde dan de baldakijn van purperen zijde met goudgalon; hij werd gedragen door vier priesters, die men waarschijnlijk onder de krachtigsten uitgekozen had. Daaronder droeg, tusschen twee andere assisteerende priesters, abbé Judaine het Heilige Sacrament, dat hij, zooals Berthaud hem aangeraden had, stevig met zijn beide handen vasthield; de eenigszins onrustige blikken, die hij rechts en links op de aandringende menigte wierp, bewezen duidelijk, dat hij bang was of hij dezen zwaren, goddelijken monstrans, die hem nu reeds zulke pijnen in zijn polsgewrichten veroorzaakte, wel in veilige haven zou brengen. Wanneer een zonnestraal er schuin op viel, zou men hem voor een tweede zon gehouden hebben. Koorknapen zwaaiden wierookvaten in het verblindende stof van het felle licht, dat de geheele processie tot één schittering maakte. Eindelijk kwam daarachter een ordelooze stroom van pelgrims, een rondtrappelende kudde, geloovigen en nieuwsgierigen.
Sedert enkele oogenblikken had pater Massias den kansel weer bestegen en ditmaal had hij een andere oefening uitgedacht. Na de verterende kreten van geloof, hoop en liefde, die hij uitgestooten had, beval hij plotseling volkomen stilte, opdat iedereen met gesloten lippen in het geheim twee of drie minuten met God alleen zou kunnen spreken. Die momenteele stilte te midden van de groote menigte, die minuten van stil gebed, waarin alle zieken hun geheimste binnenste openden, waren buitengewoon aangrijpend en verheven. Het plechtige ervan kreeg iets angstaanjagends, men hoorde de vlucht van het smeekende verlangen, van het onmetelijke verlangen naar het leven voorbij ruischen. Dan noodigde pater Massias de zieken alleen uit te spreken, God te smeeken hun toe te staan, wat zij van Zijn almacht vroegen. Toen ontstond een jammerlijk geweeklaag: honderden gebroken stemmen bibberden òp en vereenigden zich tot een samengejammer van tranen; “Heer Jezus, als gij het wilt, kunt gij mij genezen!… Heer Jezus, erbarm u over uw kind, dat van liefde sterft!… Heer Jezus, maak, dat ik zie; maak, dat ik hoor; maak, dat ik loop!”
De doordringende stem van een meisje overstemde, licht en scherp als een fluittoon, het algemeene snikken en herhaalde: “Red de anderen, red de anderen, Heer Jezus!”
Tranen stroomden uit aller oogen, want deze smeekbeden ontroerden de harten en brachten de hardvochtigsten in een bedwelming van liefde, in een verheven geestvervoering, waarin zij met beide handen hun borst geopend zouden hebben, om aan hun naaste hun gezondheid en hun jeugd te geven. Pater Massias wilde die geestdrift niet laten bekoelen, maar hervatte zijn kreten en zweepte er opnieuw de delireerende menigte mede aan, terwijl pater Fourcade op een der treden van den kansel ook snikte en zijn door tranen overstroomd gelaat ten hemel hief om God te bevelen neer te dalen.
Maar de processie naderde, de delegaties en de priesters hadden zich rechts en links in rijen opgesteld; en toen de baldakijn de voor de zieken tegenover de Grot gereserveerde ruimte binnenkwam en dezen het als een zon schitterende Heilige Sacrament, Jezus als Hostie, in de handen van abbé Judaine zagen, toen was er geen leiding meer mogelijk, raakten de stemmen verward, sleepte een duizeling alle wilskracht mede. De kreten, de aanroepen, de gebeden gingen in gezucht en gekerm over. Lichamen richtten zich van hun lijdenssponde op, bevende armen strekten zich uit, verschrompelde handen schenen het wonder in het voorbijgaan tegen te willen houden. “Heer Jezus, red ons, wij vergaan!… Heer Jezus, wij aanbidden u, genees ons!… Heer Jezus, gij zijt de Christus, de zoon des levenden Gods, genees ons!”
Driemaal stootten de stemmen in de uiterste opwinding en vertwijfeling deze jammerklacht uit met een geweld, dat den hemel doorboren moest; de tranen verdubbelden en overstroomden de brandende gezichten, die door de heilbegeerte verheerlijkt werden. Een oogenblik werd het delirium zoo hevig, het instinctieve opdringen naar het Heilige Sacrament zoo onweerstaanbaar, dat Berthaud den brancarddragers, die daar stonden, een ketting vormen liet. Deze beschermingsmanoeuvre werd slechts in den uitersten nood toegepast: een rij van dragers werd dan rechts en links van den baldakijn gevormd, waarbij ieder van hen stevig een arm om den nek van zijn buurman sloeg, om op die wijze een soort levenden muur te vormen. Er bleef geen spleet open, niemand kon er door. Maar desniettemin wankelden deze menschelijke barrières onder den druk van de naar het leven smachtende ongelukkigen, die Jezus wilden aanraken en kussen; zij slingerden heen en weer, werden tegen den baldakijn teruggeslagen, dien zij beschermden; en de baldakijn zelf dreef, voortdurend bedreigd door de menigte meegesleurd te worden, onder deze rond als een heilige bark, die in nood verkeert.
En toen, nu de heilige waanzin zijn toppunt bereikt had, braken, als wanneer bij een onweer de hemel zich opent en de bliksem neerslaat, onder smeekbeden en snikken de wonderen los. Een lamme stond op en wierp haar krukken weg. Een doordringende kreet en een vrouw, gewikkeld in een wit laken als in een doodshemd, rees op van haar matras; men zeide, dat het een reeds half doode teringlijdster was, die tot het leven terugkeerde. Vlak na elkaar openbaarde de genade zich nog tweemaal: een blinde, die plotseling de Grot zag; een stomme, die op haar knieën viel en met een luide en helder klinkende stem de Heilige Maagd dankte. En allen knielden, buiten zich zelf van vreugde en dankbaarheid, neer aan de voeten van de Heilige Maagd.
Pierre had Marie niet uit het oog verloren en werd door wat hij zag, machtig aangegrepen en ontroerd. De oogen der zieke, levenloos nog, waren grooter geworden, terwijl haar arm, bleek gelaat samentrok, alsof zij vreeselijk pijn geleden had. Zij sprak niet, maar ongetwijfeld geloofde zij, dat zij opnieuw door haar kwaal aangegrepen was. Plotseling toen het Heilige Sacrament voorbijging en zij de ster ervan zag flikkeren in de zon, werd zij zoo verblind, dat zij meende door den bliksem getroffen te zijn. Aan dien glans had het vuur van haar oogen zich ontvonkt; zij vonden eindelijk haar levensvlam terug en fonkelden als sterren. Haar gelaat kreeg, onder den aandrang van een nieuwe kracht, leven en kleur, straalde van jubelende vreugde en gezondheid. En hij zag, dat zij plotseling oprees en in haar wagentje staan bleef, wankelend en slechts in staat de gestamelde woorden uit te brengen.
“Pierre … Pierre!”
Vlug was hij naar haar toegesneld, om haar te steunen. Maar met een gebaar hield zij hem op een afstand; zij richtte zich hoog op, zoo ontroerend mooi in haar zwart wollen japon en haar pantoffels, die zij altijd aan had, slank en rijzig, met goud omstraald door haar prachtig-blonde haren, die met een eenvoudig kanten doekje bedekt waren. Heel haar maagdelijk lichaam bleef ten prooi aan hevige schokken, alsof een krachtige gisting het opnieuw vormde. Eerst werden haar beenen bevrijd van de ketenen, die ze geboeid hielden. Dan overviel haar, terwijl zij de bloedbron, het leven van de vrouw, de echtgenoote en de moeder in zich voelde ontspringen, een laatste beklemmende angst, want een loodzwaar gewicht steeg van haar buik naar haar keel. Doch ditmaal bleef het daar niet, gaf het haar geen benauwenis, maar sprong uit haar open mond en vloog weg in een kreet van hemelsche verrukking.
“Ik ben genezen … Ik ben genezen!”
Toen volgde een buitengewoon schouwspel. De deken lag aan haar voeten, triomphantelijk straalde haar gezicht. En haar kreet van genezing had met zoo’n verrukking weerklonken, dat de geheele menigte er sprakeloos door werd. Slechts zij bestond nog, men zag slechts haar, grooter geworden, stralend als een goddelijke verschijning.
“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”
Pierre begon in de heftige ontroering, waardoor zijn hart aangegrepen werd, te weenen, en opnieuw stroomden tranen uit aller oogen. Te midden van uitroepen, dankzeggingen, en lofprijzingen maakte een woest, krankzinnig enthousiasme zich allengs van de menigte meester en bracht de duizenden pelgrims, die zich verdrongen, om haar te zien, in een toestand van onbeschrijflijke opwinding. Bijvalsbetuigingen ontketenden zich, een furie van bijvalskreten, die donderend van het eene einde van het dal naar het andere rolden.
Pater Fourcade zwaaide met zijn armen, terwijl pater Massias zich eindelijk verstaanbaar kon maken.
En alle stemmen, de duizenden stemmen hieven het lied der aanbidding en dankzegging aan. De processie was tot stilstand gedwongen, en abbé Judaine, die met den monstrans de Grot had kunnen bereiken, wachtte geduldig alvorens hij den zegen uitsprak. Buiten het hek wachtte de door priesters in koorhemd en misgewaad omgeven baldakijn, in de stralen der ondergaande zon schitterend als goud en sneeuw.
Intusschen was Marie snikkend op haar knieën neergevallen, en den geheelen tijd, dat het gezang duurde, steeg een vurig gebed vol geloof en liefde op naar Gods troon. Maar de menigte wilde haar zien loopen, door haar gelukkige vrouwen riepen haar, een troep, die haar bijna in de hoogte lichtte, omringde haar, en drong haar mede naar het bureau van dr. Bonamy, opdat het wonder bewezen zou worden, stralen zou als het licht der zon. Haar wagentje werd vergeten; Pierre vergezelde haar, terwijl zij, die in geen zeven jaar haar beenen gebruikt had, stamelend en aarzelend, met een aanbiddelijke onhandigheid en met den angstigen en toch verrukten blik van een klein kind, dat zijn eerste stappen doet, voortliep. Het was zoo ontroerend, zoo heerlijk, dat hij aan niets meer dacht dan aan het grenzenlooze geluk haar tot een nieuwe jeugd herboren te zien. De lieve vriendin uit zijn kindsheid, zijn vriendin uit lang vervlogen dagen zou dan eindelijk tot de mooie en bekoorlijke vrouw opbloeien, die het jonge meisje vroeger beloofde te worden, toen zij in den kleinen tuin te Neuilly zoo vroolijk en mooi was onder de groote boomen, waarin het zonlicht door het loof speelde.
De menigte bleef haar stormachtig toejuichen; een groote menschengolf vergezelde haar. En toen zij het bureau, waarin Pierre alleen met haar toegelaten werd, was binnengegaan, bleven allen in koortsachtige verwachting voor de deur staan.
Dien middag waren er weinig menschen in het bureau. In het kleine vierkante vertrek, met zijn gloeiend-heete houten muren, zijn primitief meubilair, zijn rieten stoelen en zijn twee tafels van ongelijke hoogte, bevonden zich, behalve het gewone personeel, slechts vijf of zes doktoren, die zwijgend hier en daar zaten. Voor de tafels stonden de chef van den vijverdienst en twee jonge abbé’s in de registers te bladeren, terwijl pater Dargelès aanteekeningen voor zijn courant maakte. Dr. Bonamy was juist bezig den lupus van Elise Rouquet te onderzoeken, die voor de derde maal kwam laten constateeren, dat haar wond steeds meer dicht trok.
“Nu, mijne heeren,” riep dr. Bonamy uit, “hebt u ooit een lupus zoo snel zien genezen. O, zeker, ik weet heel goed, dat er een nieuw werk verschenen is over de genezende kracht van het geloof, waarin beweerd wordt, dat sommige wonden van nerveuzen aard kunnen zijn. Maar niets is meer betwistbaar dan dat, vooral bij lupusgevallen, en ik tart iedere commissie van geneeskundigen, om te verklaren, dat deze genezing langs natuurlijken weg heeft plaats gehad …”
Hij viel zichzelf in de rede, om tegen pater Dargelès te zeggen:
“U hebt toch goed opgeteekend, niet waar Pater, dat de ettering volkomen opgehouden heeft en de huid haar natuurlijke kleur terugkrijgt?”
Maar hij wachtte het antwoord niet af. Marie kwam met Pierre binnen, en aan het stralend gezicht der door een wonder genezene zag hij onmiddellijk, dat zich hier iets buitengewoons had voorgedaan. Zij was bewonderenswaardig en er als voor geschapen om de massa’s mede te sleepen en te bekeeren. Onmiddellijk zond hij Elise Rouquet weg, vroeg den naam van den begenadigde, verzocht een der jonge priesters hem het dossier te geven. Toen zij even wankelde, wilde hij haar in den fauteuil laten plaats nemen.
“Neen, neen,” riep zij. “Ik ben zoo blij, dat ik mijn beenen gebruiken kan.”
Pierre keek rond of hij dr. Chassaigne niet zag, maar vond hem tot zijn spijt niet. Hij ging wat achteraf staan en wachtte, terwijl men in de wanordelijke laden zocht, zonder het dossier te kunnen vinden.
“Wacht even,” herhaalde dr. Bonamy; “Marie de Guersaint, Marie de Guersaint … Ik weet zeker, dat ik den naam gezien heb!”
Eindelijk ontdekte Raboin het dossier, dat op een verkeerde letter lag. Toen de dokter kennis genomen had van de certificaten, die het bevatte, geraakte hij in geestdrift.
“Dat is al heel interessant, heeren. Ik verzoek u aandachtig te luisteren … Mademoiselle hier leed aan een zeer ernstige ruggemergsverlamming. Wanneer iemand den minsten twijfel mocht koesteren, dan zouden deze twee certificaten voldoende zijn om de meest ongeloovigen te overtuigen, want zij zijn geteekend door twee geneesheeren van de Parijsche Faculteit, wier namen aan al onze collega’s goed bekend zijn.”
Hij liet de certificaten rondgaan onder de aanwezige geneesheeren, die ze met goedkeurende hoofdknikjes lazen. Hier viel niets op af te dingen; de onderteekenaars waren bekende en knappe doktoren.
“Welnu, mijne heeren, wanneer de diagnose niet bestreden wordt—en die kan niet bestreden worden, wanneer een zieke ons zulke waardevolle documenten brengt—dan zullen wij nu nagaan, welke veranderingen er in den toestand van mademoiselle gekomen zijn.”
Maar alvorens haar te ondervragen, wendde hij zich tot Pierre.
“Mijnheer de abbé, als ik mij niet vergis, bent u met mademoiselle de Guersaint van Parijs gekomen. Hebt u, vóór het vertrek, het oordeel van doktoren ingewonnen?”
Ondanks zijn groote blijdschap voelde de priester een ijskoude huivering.
“Ik ben bij het consult tegenwoordig geweest.”
Weer rees het tooneel voor zijn geest op. Hij zag weer de twee ernstige en verstandige doktoren, hij zag Beauclair weer glimlachen, toen zijn collega’s hun gelijkluidende certificaten opmaakten. Moest hij deze waardeloos maken en de andere diagnose, die het mogelijk maakte de genezing wetenschappelijk te verklaren, mededeelen? Het wonder was voorspeld en daardoor bij voorbaat ten gronde gericht.
“U zult inzien, mijne heeren,” begon dr. Bonamy weer, “dat de aanwezigheid van den abbé een nieuwe bewijskracht aan deze stukken geeft … En nu wil mademoiselle zeker wel zoo goed zijn precies te zeggen, wat zij gevoeld heeft.”
Hij boog zich over den schouder van pater Dargelès en fluisterde hem in Pierre een getuigenrol in zijn verslag te geven.
“Lieve hemel, hoe moet ik u dat vertellen, heeren?” riep Marie met hijgende, door geluk gebroken stem uit. “Sedert gisteren wist ik zeker, dat ik genezen zou worden. En toch, zoo even nog, toen dat prikkelen in mijn beenen weer begon, was ik bang, dat het een nieuwe aanval zijn zou, heb ik een oogenblik getwijfeld … Toen zijn die prikkelingen opgehouden. Daarna zijn zij, zoodra ik begon te bidden, weer teruggekomen … O, ik bad, ik bad met geheel mijn ziel. Ten slotte heb ik mij overgegeven als een kind. ‘Heilige Maagd, Notre-Dame de Lourdes, doe met mij wat u wilt …’ Het prikkelen hield niet op, ik had een gevoel of mijn bloed kookte en ziedde, en een stem riep mij toe: ‘Sta op, sta op!’ En ik voelde het wonder in een gekraak van al mijn beenderen, van mijn geheele lichaam, alsof ik door den bliksem getroffen was.”
Heel bleek luisterde Pierre. Beauclair had hem wel voorspeld, dat de genezing als een bliksemstraal komen zou, wanneer, onder den invloed van de overspannen phantasie, haar zoo lang ingesluimerde wilskracht plotseling zou ontwaken.
“Eerst heeft de Heilige Maagd mijn beenen bevrijd,” ging zij voort. “Ik heb heel goed gevoeld, dat de ijzeren banden, die ze omsloten, als gebroken ketenen langs mijn huid afgleden … Toen is het gewicht, dat me altijd hier in mijn linkerzij benauwde, naar boven getrokken; ik dacht, dat ik sterven zou, zoo pijnigde het me. Maar het is langs mijn borst en mijn keel gegaan, ik kreeg het in mijn mond en heb het toen met alle kracht uitgespuwd … Het was uit, ik had geen pijn meer, alles was weggevlogen.”
Zij maakte het gebaar van een nachtvogel, die zijn vleugels uitslaat, terwijl zij glimlachend naar Pierre keek, die geheel van streek was. Dat alles had Beauclair voorspeld met bijna dezelfde woorden, bijna dezelfde vergelijkingen. Punt voor punt kwam zijn prognose uit, er waren hier slechts vooruitgeziene en natuurlijke verschijnselen.
Raboin had geluisterd met wijd geopende oogen en de verrukking van een bekrompen vrome, die nooit losgelaten wordt door de gedachte aan de hel.
“Dat is de duivel, dien zij uitgespuwd heeft,” riep hij uit.
Maar dr. Bonamy, die verstandiger was, beval hem te zwijgen en wendde zich tot de doktoren.
“Mijne heeren, u weet, dat wij het altijd vermijden hier het woord wonder uit te spreken. Maar hier staan we voor een feit, en ik ben nieuwsgierig, hoe u dit langs natuurlijken weg zult verklaren … Sedert zeven jaar was mademoiselle lijdend aan een ernstige verlamming, die blijkbaar het gevolg was van een ruggemergaandoening. En dat zal niet ontkend kunnen worden, de certificaten wijzen het onbetwistbaar uit. Zij liep niet meer, zij kon geen beweging maken, zonder de hevigste pijnen te gevoelen; zij was ten slotte in dien toestand van uiterste uitputting gekomen, welke den dood vooraf gaat … En ziet, nu loopt zij voor u, lachend en stralend van gezondheid. De verlamming is volkomen verdwenen; pijn heeft zij niet meer; zij is even gezond als u en ik … Komt mijne heeren, onderzoekt haar en zegt mij wat er gebeurd is!”
Hij triompheerde. Geen van de geneesheeren zeide iets. Twee, ongetwijfeld geloovige Katholieken, hadden goedkeurend met hun hoofd geknikt. De anderen bleven onbeweeglijk en eenigszins verlegen zitten, zij schenen weinig lust te hebben zich met deze geschiedenis in te laten. Toch stond er eindelijk een op, een klein mager mannetje, wiens oogen achter zijn brilleglazen schitterden, om Marie van dichterbij te zien. Hij nam haar hand, keek naar haar pupillen, scheen alleen belang te stellen in de uitdrukking van verheerlijking, die over haar uitgestort scheen te zijn. Dan ging hij, zonder zelfs te willen discussieeren, weer zitten.
“Het geval is door de wetenschap niet te verklaren, dat is alles wat ik constateer,” begon dr. Bonamy weer. “Ik vestig er nog de aandacht op, dat wij hier niet te doen hebben met een langzaam voortschrijdend herstel, maar dat de volkomen genezing plotseling en ten volle is ingetreden … Ziet mademoiselle slechts aan. Haar oogen schitteren, haar tint is rose, de gelaatsuitdrukking heeft haar levendige opgewektheid weer teruggevonden. Ongetwijfeld zal het herstel der weefsels nog wel eenigen tijd vorderen, maar toch kunnen we zeggen, dat mademoiselle herboren is. Niet waar, mijnheer de abbé, u, die haar vroeger zoo dikwijls gezien hebt, u herkent haar niet meer?”
“Ja, ja, dat is zoo!” stamelde Pierre.
Inderdaad scheen zij hem reeds krachtig toe, haar wangen waren gevuld en frisch en bloeiend. Maar nogmaals, Beauclair had dit alles voorzien, die plotselinge, hosanna-blijde opflikkering van levenskracht, die heerlijke wederopstanding van het gebroken lichaam, wanneer het leven met den wil om te genezen en gelukkig te zijn in haar zou terugkeeren.
Weer had dr. Bonamy zich gebogen over den schouder van pater Dargelès, die zijn verslag, een soort klein volledig proces-verbaal, schreef. Zij wisselden fluisterend enkele woorden. Na een korte beraadslaging begon de dokter weer:
“Mijnheer de abbé, u bent van deze wonderen getuige geweest, u zult zeker niet weigeren het verslag, dat de eerwaarde pater voor het Journal de la Grotte gemaakt heeft, te onderteekenen?”
Wat, hij dit verslag vol dwaling en leugen onderteekenen! Een verzet steeg in hem op, hij stond op het punt de waarheid uit te schreeuwen. Maar hij voelde het gewicht van zijn soutane op zijn schouders; en vooral vervulde de hemelsche vreugde van Marie zijn hart. Hij voelde zich van zoo’n groot geluk doordrongen, nu hij haar gered zag. Toen men haar niet meer ondervroeg, was zij op zijn arm komen leunen, lachte zij hem met van vreugde dronken oogen toe.
“Pierre,” zeide zij heel zacht, “wees de Heilige Maagd dankbaar. Zij is zoo goed geweest, zie eens hoe gezond, hoe mooi, hoe jong ik ben … En wat zal mijn vader, mijn arme vader blij zijn!”
Toen teekende Pierre. Alles stortte in hem ineen, maar het was voldoende, dat zij gered was. Het zou heiligschennis van hem zijn, indien hij zijn vingers uitstak naar het geloof van dit kind, dit groote, reine geloof, dat haar genezen had.
Buiten begonnen de juichkreten, toen Marie het bureau verliet, opnieuw, de menigte klapte in haar handen. Het wonder was nu officieel geconstateerd. Toch hadden medelijdende personen, die bang waren, dat zij zich te veel zou vermoeien en haar wagentje, dat door haar voor de Grot achtergelaten was, noodig hebben zou, dit naar het bureau gebracht. Toen zij het weer terugzag, werd zij diep ontroerd. O, dit kleine wagentje, waarin zij zooveel jaren geleefd had, die rijdende doodkist, waarin zij soms dacht levend begraven te zijn, wat had het een tranen, een wanhoop, een ongelukkige dagen gezien! En plotseling kwam de gedachte bij haar op, dat het, waar het zoo lang getuige geweest was van haar verdriet, nu ook deel moest nemen aan haar triomf. En in een goddelijke ingeving, in een heiligen waanzin greep zij het handsvat.
Op dat oogenblik kwam de processie voorbij, die terugkeerde uit de Grot, waar abbé Judaine den zegen gegeven had. En nu ging Marie met haar wagentje achter den baldakijn rijden. Op haar pantoffels, het hoofd bedekt met een kanten doekje, liep zij rechtop, het hoofd omhoog en met een verheerlijkt, stralend gelaat, het wagentje, de rijdende doodkist, waarin zij zooveel smarten geleden had, voortduwend. En de menigte, die haar toejuichte, de tot waanzin opgezweepte menigte volgde haar.
IV.
Pierre was Marie gevolgd en liep nu, als voortgesleurd door den storm van geestdrift, die haar triomphantelijk haar wagentje voort deed duwen, met haar achter den baldakijn. Doch iedere minuut ontstond er zoo’n gedrang, zulke botsingen, dat hij zeker gevallen zou zijn, wanneer een sterke hand hem niet staande gehouden had.
“Wees maar niet bang en geef mij een arm. Anders blijf je niet op de been!”
Hij keerde zich om en zag tot zijn verbazing pater Massias, die pater Fourcade op den kansel gelaten had, om met den baldakijn mede te gaan. Een buitengewone opwinding hield hem staande en wierp hem krachtig als een rotsblok vooruit; zijn oogen schoten vonken, zijn met zweet bedekt gelaat was één geestdrift.
“Pas toch op, geef mij een arm!”
Een nieuwe menschengolf spoelde hem bijna weg. Pierre vertrouwde zich nu geheel toe aan dezen verschrikkelijken man, met wien hij, zooals hij zich nu herinnerde, tegelijk op het seminarie geweest was. Wat een zonderlinge ontmoeting, en hoe gaarne zou hij het onstuimige geloof, deze geloovige geestdrift gehad hebben, die hem zoo hijgend en uit zijn snikkende keel de ononderbroken smeekbede uitroepen deed:
“Heer Jezus, genees onze zieken!… Heer Jezus, genees onze zieken!”
Achter den baldakijn hield die kreet maar niet op, steeds was er weer een, die het uitbrulde, als hadden zij allen de opdracht de goddelijke goedheid niet met rust te laten, wanneer zij zich te langzaam openbaarde. Nu eens was het een doffe, door snikken gesmoorde, dan weer een scherpe, alles doordringende stem. Die van den pater, anders zoo gebiedend, brak nu van ontroering.
“Heer Jezus, genees onze zieken!… Heer Jezus, genees onze zieken!”
Het gerucht van de plotselinge genezing van Marie, van dit wonder, dat straks in zijn schittering de geheele Christenheid met dankbaarheid vervullen zou, had zich reeds naar alle hoeken van Lourdes verspreid en de menigte in een nog grooter opwinding gebracht. De besmettelijke aanval van waanzin deed hen allen naar het Heilige Sacrament stormen in een onbewusten drang om het te zien, het aan te raken, genezen te worden en gelukkig te zijn. God ging immers voorbij, en nu waren het niet de zieken alleen meer, die brandden van levensverlangen, neen, allen voelden een verterenden drang naar geluk, die hen opzweepte, zoodat hun bloedende harten zich openden en hun begeerige handen zich uitstrekten.
Berthaud, die deze uitbarsting van hartstocht voorzien had, was met zijn mannen medegegaan. Hij gaf hun bevelen en zorgde ervoor, dat de dubbele keten van brancarddragers aan beide zijden van den baldakijn niet verbroken werd.
“Nog meer opsluiten en de armen stevig vasthouden!”
De jonge mannen, uit de sterksten gekozen, hadden het zwaar te verantwoorden. De muur, dien zij aldus schouder aan schouder en de armen om middel en nek geslagen, vormden, boog ieder oogenblik onder den onwillekeurigen aandrang der menigte. Niemand meende te dringen en toch waren het onophoudelijk draaikolken en hooge golven, die van verre kwamen en alles dreigden te verzwelgen.
Toen de baldakijn midden op de place du Rosaire was, dacht abbé Judaine niet verder te kunnen. Op het groote plein hadden zich verschillende stroomen en tegenstroomen gevormd, die draaiden als een wervelwind en van alle kanten op hem aan bruisten. Hij moest wel blijven staan onder den baldakijn, die heen en weer gezwiept werd als een zeil, dat in volle zee door een plotselinge windvlaag aangegrepen wordt. Hij hield met zijn beide verstijfde handen het Heilige Sacrament zoo hoog mogelijk uit vrees, dat een laatste stoot het omver zou werpen; want hij begreep heel goed, dat de gouden, als een zon stralende monstrans den hartstocht van de menigte opwekte; dat was de God, dien men wilde kussen, in wien men wilde opgaan, zelfs op gevaar af hem te vernietigen. Onbeweeglijk bleef hij staan en wierp ongeruste blikken op Berthaud.
“Niemand doorlaten!” schreeuwde hij den brancarddragers toe, “niemand, begrepen?”
Maar smeekende stemmen verhieven zich, ongelukkigen snikten met uitgestrekte armen en uitgestoken lippen, in den waanzinnigen wensch, dat men hen dichter bij zou laten komen, om neer te knielen voor de voeten van den priester. Welk een genade zou het zijn ter aarde geworpen, neergetrapt en verpletterd te worden door de geheele processie! Een zieke liet zijn uitgemergelde hand zien, overtuigd, dat zij opnieuw aan zijn arm tot nieuw leven zou opbloeien, wanneer men hem toestond den monstrans aan te raken. Een stomme drong als een furie met haar sterke schouders door alles heen, om door een kus de band van haar tong los te maken. Anderen en steeds weer anderen gilden, smeekten, balden ten slotte hun vuisten tegen de wreedaards, die aan de kwalen van hun lichaam en de ellende van hun ziel genezing weigerden. Het consigne gold voor allen; men was bang voor de ergste ongelukken.
“Niemand, niemand doorlaten!” herhaalde Berthaud.
Intusschen was er een vrouw, wier aanblik aller harten met medelijden vervulde. Zij was armoedig gekleed en blootshoofds; met een door tranen overstroomd gelaat hield zij een klein jongetje van tien jaar, wiens beide beenen verlamd en slap neerhingen, op haar armen. De last was te zwaar voor haar zwakke krachten, maar zij scheen het niet te voelen. Zij had haar jongetje meegebracht en smeekte nu met een hardnekkigheid, waar noch bedreigingen noch stooten vat op hadden, den brancarddragers haar door te laten.
Eindelijk riep abbé Judaine, die door het schouwspel diep aangegrepen werd, haar met een hoofdknikje tot zich. Gehoorzamend aan de barmhartige bedoeling van den geestelijke, maakten twee brancarddragers, hoe gevaarlijk het ook was een bres in den muur te vormen, een kleine opening; de vrouw vloog er met haar last doorheen en viel voor den priester neer. Deze liet den voet van den monstrans een oogenblik op het hoofd van het jongetje rusten. De moeder zelf drukte haar begeerige lippen erop. Toen men zich weer in beweging zette, wilde zij achter den baldakijn blijven en volgde de processie hijgend, met in den wind fladderende haren, bijna bezwijkend onder den zwaren last, die haar schouders brak.
Met groote moeite had eindelijk de processie de place du Rosaire overgestoken. Nu begon het glorierijke beklimmen van de monumentale helling, gedurende hetwelk heel hoog, aan den rand van den hemel, uit de spitse toren van de Basilica de klokken luidden en den triomf van Notre-Dame de Lourdes uitjubelden. Naar deze apotheose, naar deze hooge poort van het heiligdom, die toegang scheen te geven tot de oneindigheid steeg de baldakijn nu op boven de groote menschenzee, die daar beneden op de pleinen en in de alleeën bleef bruisen. Reeds was de in blauw en zilver gekleede kerkbewaarder met het processiekruis ter hoogte van den koepel der Rozenkranskerk. De delegaties der bedevaarten verspreidden zich, de veelkleurige banieren van zijde en fluweel wapperden in den brand van de ondergaande zon. Dan kwamen de schitterende rijen der geestelijken, de priesters in hun sneeuwwitte koorhemden, de priesters in hun gouden misgewaden, als een stoet van sterren. De wierookvaten werden gezwaaid, de baldakijn steeg steeds hooger, zonder dat men de dragers onderscheiden kon, alsof een mysterieuse kracht, onzichtbare engelen hem voortdroegen naar de wijdgeopende hemelpoort.
Gezangen waren aangeheven, de stemmen eischten, nu men zich uit de menigte losgemaakt had, niet meer de genezing der zieken. Het wonder had zich voltrokken, men juichte erom uit volle borst in het gedreun der klokken, in de bevende vroolijkheid der lucht.
“Magnificat anima mea Dominum…”
Het in de Grot reeds gezongen lied der dankzegging rees opnieuw uit de harten op.
Overvloeiend van vreugde volgde Marie dezen schitterenden opgang, deze hemelvaart langs de helling naar de lichtende Basilica. Naarmate zij hooger kwam, kwam het haar voor, dat zij sterker werd, krachtiger op haar zoo lang afgestorven, thans herleefde beenen stond. Het wagentje dat zij triomphantelijk voortreed, was als de buit, aan haar kwaal ontnomen, de hel, waaruit de Heilige Maagd haar gered had; en hoewel het handvat haar handen wondde, wilde zij het naar boven rijden om het neer te leggen aan de voeten van God. Geen hinderpaal kon haar tegenhouden, zij lachte onder haar tranen door, haar borst welfde zich, haar gang was als die van een krijgsman. Onderweg was een van haar pantoffels losgegaan, terwijl het kanten doekje van haar hoofd op haar schouders gevallen was. Maar toch bleef zij doorloopen, terwijl haar prachtige blonde lokken haar als met een helm bedekten, met stralend gelaat, in zoo’n krachtig opleven van wil en kracht, dat men, achter haar, het zware wagentje op den steilen geplaveiden weg als een kinderwagen hoorde huppelen.
Pierre, die nog steeds aan den arm van pater Massias liep, bleef in haar nabijheid. In zijn hevige ontroering was hij niet in staat tot denken. De welluidende en krachtige stem van den pater verdoofde hem:
Aan den anderen kant rechts van hem, volgde Berthaud, thans geheel gerust gesteld, eveneens den baldakijn. Hij had zijn mannen bevel gegeven den keten te verbreken en keek nu verrukt naar de menschenzee, die de processie doorkruist had. Hoe hooger men kwam, des te meer verbreedden zich de place du Rosaire, de boulevards, de alleeën der tuinen, en werden zij, zwart van menschen, beter voor zijn blikken zichtbaar. Men zag een geheel volk in vogelvlucht, een steeds meer zich uitbreidende mierenhoop.
“Kijk toch eens!” zeide hij tot Pierre. “Is het niet grootsch, is het niet mooi?… Nu, het zal geen slecht jaar zijn!”
Hij, voor wien Lourdes voornamelijk een haard van propaganda was, waarin hij zijn politieken wrok bevredigde, verheugde zich over die talrijke bedevaarten, welke hij onaangenaam voor de regeering waande. O, als men de werklieden der steden ertoe zou kunnen brengen, een Katholieke democratie stichten!
“Verleden jaar,” ging hij voort, “hebben we het nauwlijks tot tweehonderdduizend pelgrims kunnen brengen. Dit jaar zullen we, hoop ik, dat cijfer overschrijden.”
En op den vroolijken toon van een man van de wereld voegde hij er, hoewel hij een heftig partijganger was, bij:
“Waarachtig, toen men zoo even elkaar dooddrukte, was ik in mijn schik … Ik zei tegen mezelf: Het loopt, het loopt!”
Maar Pierre luisterde niet, hij was te zeer getroffen door het grootsche schouwspel. De menigte, welke zich steeds meer uitbreidde, naarmate hij zich hooger boven haar verhief, dat prachtige dal, dat aan zijn voeten lag, steeds grooter werd en den heerlijken horizont der bergen voor hem ontrolde, vervulden hem met een bewondering, die hem deed rillen. Zijn verwarring was er door toegenomen, hij zocht Marie’s blik en wees haar met een breed gebaar op den onmetelijken gezichtskring. Doch zij begreep het gebaar verkeerd, zij zag in den geheel geestelijken, dwependen toestand, waarin zij zich bevond, de stoffelijkheid van het schouwspel niet; zij dacht, dat hij de aarde tot getuige riep voor de wonderdadige genade, waarmede de Heilige Maagd hen beiden had beweldadigd; want zij geloofde, dat hij ook zijn deel in het wonder gehad had, dat in dezelfde genadewerking, die haar lichamelijk genezen en weer op de been gebracht had, hij, die haar zoo na aan het hart lag, zich door dezelfde goddelijke kracht omgeven en opgericht gevoeld had, dat zijn ziel van den twijfel gered, door het geloof herwonnen was. Hoe zou hij getuige geweest hebben kunnen zijn van haar wonderdadige genezing, zonder overtuigd te worden? Zij had den vorigen nacht voor de Grot zoo gebeden. En in de overmaat van haar vreugde zag zij ook hem veranderd, weenend en lachend, teruggegeven aan God. Dat deed haar nog meer gloeien in haar koorts van geluk, zij reed haar wagentje voort met een hand, die niet moede werd, zij had het nog mijlen en mijlen ver kunnen voortduwen, steeds hooger, tot aan ontoegankelijke bergtoppen, tot in den verblindenden glans van het Paradijs, alsof zij hun dubbel kruis, haar eigen verlossing en die van haar vriend, gedragen had.
“O, Pierre, Pierre,” stamelde zij; “hoe heerlijk is het, dat wij dit groote geluk samen, samen gehad hebben. Ik had het haar zoo vurig gevraagd en zij was zoo genadig; zij heeft jou gered door mij te redden!… Ja, ik heb gevoeld, hoe jouw ziel zich overstortte in de mijne. Zeg me toch, dat onze wederkeerige gebeden verhoord zijn, dat ik jouw heil bewerkt heb, zooals jij het mijne.”
Hij begreep haar dwaling, en huiverde.
“Als je eens wist,” ging zij voort, “hoe doodsbedroefd ik zou zijn, wanneer ik zoo heel alleen naar het licht zou moeten opstijgen. O, hoe vreeselijk zou het wezen zonder jou uitverkoren te zijn, zonder jou dezen weg te gaan! Maar met jou, Pierre, is het een zaligheid … Samen gered en voor eeuwig gelukkig! Ik voel de kracht in mij, gelukkig te zijn, ja de kracht om de wereld op te heffen …”
Hij moest nu toch een antwoord geven; en hij loog: hij kon dit groote geluk niet bederven en bezoedelen.
“Ja, ja, wees gelukkig, Marie! Want ik ben zelf ook zoo gelukkig, en al onze smarten zijn uitgedelgd.”
Maar in zijn binnenste kwam een diepe scheur, alsof hij, plotseling, gevoeld had, dat een ruwe bijlslag hen van elkander scheidde. Tot nog toe was zij in hun gemeenschappelijk lijden het kleine vriendinnetje uit zijn jeugd gebleven, de eerste, onschuldig begeerde vrouw, van wie hij wist, dat zij steeds de zijne was, omdat zij aan niemand anders kon toebehooren. En nu was zij genezen en bleef hij in zijn hel en moest hij zich bekennen, dat zij hem nooit toebehooren zou. Die plotselinge gedachte overweldigde hem zoo, dat hij, wanhopig zoo te moeten lijden onder het wonderdadig geluk, waarin zij jubelde, zijn blikken afwendde.
Het gezang bleef doorklinken; pater Massias stiet, zonder iets te hooren, zonder iets te zien, geheel opgaande in zijn vurige dankbaarheid aan God, het laatste vers met donderende stem uit:
Nog een gedeelte der helling was te beklimmen, nog een krachtsinspanning moest gedaan worden om over de gladde, breede tegels de hoogte van den steilen weg te bereiken! En de processie steeg nog hooger en voleindigde den opgang in het volle, heldere daglicht. Er was nog een laatste bocht en de wielen van het wagentje kletterden tegen den granieten trottoirband. Altijd hooger! Altijd hooger! Steeds hoogerop reed het; het stiet tegen den rand van den hemel.
Daar verscheen plotseling de baldakijn op den top der reusachtige hellingen, voor de deur der Basilica, op het steenen balcon, dat de uitgestrekte vlakte beheerschte. Abbé Judaine trad naar voren, hield met beide handen het Heilige Sacrament omhoog. Naast hem had Marie met van het loopen kloppend hart en met een in het loshangend goud van haar haar stralend gelaat haar wagentje omhoog geheven. Achter hen schaarde zich de geestelijkheid: de sneeuwwitte koorhemden, de vlammende misgewaden, terwijl de banieren en vaandels wapperden en het wit der balustraden pavoiseerden.
Het was een plechtig oogenblik.
Men kon zich moeilijkers iets grootscher denken dan het uitzicht, dat men van boven af genoot. In de eerste plaats zag men daar de menigte, de menschenzee met haar donkere golven en haar nooit ophoudende deining, waarin men, als zij even tot stilstand kwam, slechts de bleeke plekken van de in afwachting der zegening naar de Basilica opgeheven gezichten zag; en zoo ver als de blik reikte, van de place du Rosaire tot den Gave, over de alleeën en avenues, over de kruiswegen tot aan de oude in de verte liggende stad, vermenigvuldigden zich de kleine, bleeke gezichten, ontelbaar, tot in het oneindige, allen in zalige verrukking hun blik richtend op den verheven drempel, waar de hemel zich openen zou.
Vervolgens dook het onmetelijk amphitheater der hellingen, heuvels en bergen op, verhief zich aan alle kanten tot eindeloos hooge toppen, die zich in de blauwe lucht verloren. In het Noorden aan de overzijde der rivier, op de eerste hellingen, tusschen de boomen, wierp de brand van de ondergaande zon een rosen weerschijn op de talrijke kloosters der Carmelieten, Assumptionisten, Dominicanessen en der Zusters van Nevers. Dan bouwden zich beboschte bergmassa’s boven elkaar op, tot zij de hoogten van den Buala bereikten, waarboven de Julospas uitstak, die op zijn beurt weer door den Miramont beheerscht werd. In het Zuiden openden zich andere diepe valleien, nauwe bergkloven tusschen massieve, reusachtige rotsen, wier voet reeds in blauwachtige schaduw baadde, wanneer de toppen nog schitterden in den afscheidsglimlach der zon. Aan dezen kant vormden de purperen heuvels van Visens een voorgebergte van koraal, dat het slapende meer van den ether met een doorschijnendheid als van saphir afdamde. Maar recht vooruit in het Oosten verbreedde de horizont zich nog over het kruispunt zelf der zeven dalen heen.
Het Kasteel, dat ze vroeger beheerscht had, stond nog met zijn slottorens, zijn hooge muren, zijn donker profiel van grimmige, ouderwetsche vesting op de door den Gave bespoelde rots. Aan deze zijde lag de nieuwe stad heel vroolijk te midden van haar tuintjes als een gewemel van witte gevels, groote hotels, pensions en groote winkels, welker ruiten als kolenvuren gloeiden, terwijl achter het Kasteel het oude Lourdes in het rossig-stoffige licht zijn gewirwar van verkleurde daken uitstalde. Op dit late uur waren de Kleine en de Groote Gers, de twee reusachtige, kale, slechts hier en daar met kort gras beplekte rotsruggen, waarachter de dagvorstin met koninklijke pracht van haar troon daalde, niet meer dan een wegdoezelende, violetkleurige achtergrond, twee donkere voor den rand van den horizont toegetrokken gordijnen.
Tegenover deze onmetelijkheid hief abbé Judaine met zijn beide handen het Heilige Sacrament hooger, hooger nog op. Hij bewoog het langzaam langs den geheelen horizont en liet het een groot teeken des kruises beschrijven. Links begroette het de kloosters, de hoogten van den Buala, den Julospas en den Miramont; rechts de twee steden, het door den Gave bespoelde Kasteel, den reeds ingesluimerden Kleinen en Grooten Gers; het begroette de bosschen, de stroomen, de bergen, de onbestemde omtrekken der verre toppenketenen, de geheele aarde aan gene zijde van den zichtbaren horizont. Vrede der aarde, hoop en troost den menschen! Beneden had de menigte gesidderd onder het groote teeken des kruises, dat hen allen omvatte. Het was, alsof een goddelijke adem over de kleine bleeke gezichtjes, even talrijk als de golven van een oceaan, streek. Een zucht van aanbidding steeg op, alle monden openden zich, om Gods lof te zingen, toen de monstrans, die door de ondergaande zon vol beschenen werd, weer als een tweede zon verscheen, een zon van zuiver goud, die op den drempel der oneindigheid in vlammende lijnen het teeken des kruises beschreef.
Reeds gingen de banieren, de geestelijkheid, abbé Judaine onder den baldakijn de Basilica binnen, toen Marie op het oogenblik dat ook zij, zonder het wagentje los te laten, de kerk wilde ingaan, door twee dames, die haar weenend omarmden, tegengehouden werd. Het waren madame de Jonquière en haar dochter Raymonde, die de zegening bij wilden wonen en het wonder vernomen hadden.
“Hoe heerlijk, kindlief!” riep madame de Jonquière, “en wat ben ik er trotsch op, dat je in mijn zaal bent. Het is voor ons allen een zoo kostelijke genade, dat de Heilige Maagd jou uitverkoren heeft!”
Raymonde had een hand der wonderdadig genezene in de hare gehouden.
“Mag ik u vriendin noemen, mademoiselle? Ik had zoo’n vreeselijk medelijden met u en nu vind ik het zoo heerlijk u, zoo krachtig en zoo mooi al, te zien loopen … Laat ik u nog een zoen geven. Dat zal mij geluk aanbrengen.”
“Dank, hartelijk dank … Ik ben zoo gelukkig, zoo gelukkig!” stamelde Marie verrukt.
“O, wij verlaten je niet meer!” begon madame de Jonquière weer. “Hoor je, Raymonde? Laten we met haar meegaan en met haar knielen. En na de plechtigheid nemen wij haar mede terug.”
Inderdaad sloten de beide dames zich bij den stoet aan en liepen naast Pierre en pater Massias achter den baldakijn tot aan het midden van het koor, tusschen de door de delegaties reeds ingenomen rijen stoelen. Alleen de banieren werden ter weerszijde van het hoofdaltaar toegelaten. Ook Marie ging naar voren en bleef eerst bij de treden van het altaar staan met haar wagentje, waarvan de wielen op de tegels weerklonken. Zij had het armzalige smartenwagentje nu gebracht, waarheen zij het in den heiligen waan van haar begeerte had willen brengen, in de schittering van Gods huis, opdat het daar als het bewijs van het wonder staan zou. Dadelijk bij het binnentreden was het orgel in een triomfzang uitgejubeld, waarmede de gelukkige schare donderend had ingestemd, totdat zich daaruit weldra een hemelsche engelenstem vol juichende vreugde en zuiver als kristal, losmaakte. Abbé Judaine had het Heilige Sacrament op het altaar gezet, de menigte vulde het schip, ieder nam zijn plaats in, men verdrong zich en wachtte tot de plechtigheid beginnen zou. Tusschen madame de Jonquière en Raymonde, wier oogen vochtig bleven van ontroering, was Marie op haar knieën gevallen, terwijl pater Massias, wiens krachten na de buitengewone zenuwspanning, welke hem sedert het verlaten van de Grot staande gehouden had, uitgeput waren, in snikken uitbarstte, zich op den grond wierp en zijn gezicht in zijn handen begroef. Achter hem bleven Pierre en Berthaud staan, de laatste nog steeds overal voor wakend en zelfs te midden van de sterkste gemoedsaandoeningen voor de goede orde zorg dragend.
Verdoofd door het orgelgejubel hief Pierre het hoofd op en bekeek in zijn onrust het inwendige der Basilica. Het was een smal, hoog, met drukke kleuren beschilderd schip, waarin door talrijke gebrande ramen het licht binnenviel. Zijbeuken waren er eigenlijk niet; in plaats daarvan liep een eenvoudige doorgang tusschen de pilarenbundels en de zijkapellen, wat de slankheid van het schip, het vluchtig opstijgen der steen in dunne, kinderlijk-fijne lijnen nog scheen te verhoogen. Een geheel verguld, als kantwerk zoo doorzichtig hek sloot het koor af, waarin het wit marmeren, met houtsnijwerk overdekte hoofdaltaar zijn maagdelijk reine pracht ontvouwde. Verbazingwekkend waren de buitengewoon talrijke kunstvoorwerpen, die van de geheele kerk een van borduurwerk, juweelen, banieren en geloftegiften overvloeiende uitstalkast maakten, een stroom van geschenken en giften, die hierheen gevloeid was en tot stilstand gekomen was op de muren, die als het ware dropen van goud, zilver, fluweel en zijde, waarmede ze van boven tot beneden bekleed waren. Zij was het steeds van dankbaarheid gloeiend heiligdom, zong door den mond van haar onschatbaren rijkdom een eeuwig danklied van geloof.
Vooral banieren waren in grooten getale aanwezig, vermenigvuldigden zich ontelbaar als bladeren aan een boom. Een dertigtal was aan het gewelf opgehangen. Andere, die den geheelen omgang van het triforium versierden, vormden als het ware door kleine zuiltjes omlijste schilderijen. Zij spreidden zich langs de muren uit, wapperden achter in de kapellen, overwelfden het koor met een hemel van zijde, satijn en fluweel. Men telde ze bij honderden, het oog werd moe van het bewonderen. Vele genoten een groote beroemdheid en waren zoo kunstig bewerkt, dat de bekendste borduursters ze kwamen bezichtigen: die van Notre-Dame de Fourvières met het stadswapen van Lyon; die van den Elzas, zwart, met goud geborduurd fluweel; die van Lotharingen, waarop een Heilige Maagd, die twee kinderen in haar mantel hult; die van Bretagne, blauw en wit met een bloedend hart midden in een stralenkrans. Alle keizerrijken, alle koninkrijken der aarde waren vertegenwoordigd. De verst gelegen landen, Canada, Brazilië, Chili, Haïti, hadden er hun vaandel, waarmede zij de Koningin des Hemels hun eer bewezen.
Behalve de banieren waren er nog meer wonderstukken: de duizenden en nog eens duizenden harten van goud en zilver, die overal opgehangen waren en aan de muren fonkelden als sterren aan het firmament. Zij vormden daar mystieke rozen, slingerden bloemenhangers en guirlandes om de pilaren, omvatten de ramen en bestarden de diepliggende kapellen. Men was op het zinrijke denkbeeld gekomen om met behulp van die harten boven het triforium in groote letters de verschillende woorden te schrijven, die de Heilige Maagd tot Bernadette gesproken had; ook liep een dergelijke lange fries om het schip heen, welke de vreugde uitmaakte der kinderlijke zielen, die gaarne de woorden spelden. Het was een gewemel en gefonkel van wonderharten, wier eindeloos aantal het hart beklemde, wanneer men dacht aan al die van dankbaarheid bevende handen, welke ze geschonken hadden. Trouwens ook vele andere geloftegiften, en daaronder die, welke men het minst verwachten zou, droegen bij tot de versiering der kerk. Zoo zag men onder glas bruidsbouquetten, eerekruizen, juweelen, photographieën, rozenkransen, ja zelfs sporen. Er waren officiers-epauletten zoowel als degens, waaronder een prachtige sabel, die als aandenken aan een wonderdadige bekeering achtergelaten was.
Maar dat was niet genoeg: overal schitterden nog andere rijkdommen, rijkdommen van den meest uiteenloopenden aard: marmeren beelden, in diamanten gevatte diademen, een prachtig, te Blois geteekend en door dames uit geheel Frankrijk geborduurd tapijt, een met emailwerk versierde gouden palm, die de Heilige Vader gezonden had. De lampen, die uit het gewelf neerhingen, waren eveneens geschenken, sommige waren van massief goud en fijn bewerkt. Men kon ze niet meer tellen, zij fonkelden in het schip der kerk als kostbare sterren. Voor den tabernakel hing er een, die door Ierland geschonken was, een meesterwerk van ciseleerkunst. Andere, zooals uit Valencia, Rijssel en Macao vormden ware kleinoodiën, schitterend van edelgesteenten. En welk een glans, wanneer bij de groote avondceremoniën de twintig kroonluchters waren aangestoken, wanneer de honderden lampen, de honderden kaarsen tegelijk brandden! Dan was de geheele kerk één gloed, dan weerkaatsten al die kleine vlammen van het brandende godshuis haar lichten in die duizenden harten van goud en zilver. Het was één wonderbare vuurzee, de muren dropen van levende vlammenvonken, men betrad de verblindende heerlijkheid van het paradijs, terwijl de tallooze banieren daartusschen haar zijde, haar satijn en haar fluweel ontrolden, geborduurd met bloedende Harten, overwinnende Heiligen en Heilige Maagden, wier vriendelijke glimlach wonderen wrocht.
O, hoeveel ceremoniën hadden reeds haar pracht en praal in deze Basilica ontwikkeld! Nooit hielden de eeredienst, nooit het gebed en het gezang erin op! Van het eene eind van het jaar tot het andere brandde de wierook, dreunde het orgel, bad de neergeknielde schare. Ononderbroken werden missen gelezen, dan kwamen de vespers, de predikatiën, de zegeningen, de dagelijks wederkeerende oefeningen, de met een weergalooze pracht gevierde feesten. De minste naamdagen werden voorwendsel tot hoogheilige feesten. Iedere bedevaart moest haar aandeel in de verblindende schouwspelen hebben. Men moest die lijdenden en die nederigen, welke van zoo verre kwamen, toch getroost, verrukt en met het visioen van het half geopende paradijs terugzenden. Zij hadden de heerlijkheid Gods aanschouwd, zouden de herinnering eraan in een eeuwige extase bewaren. In de armzalige, kale kamertjes, voor de smartvolle lijdenssponden rees in de geheele Christenheid de Basilica met haar gloed en rijkdommen op als een droom van belofte en gerechtigheid, ja als het geluk zelf, de schat van het toekomstige leven, waarin de armen zeker eens na hun lange aardsche ellende ingaan zouden.
Maar Pierre voelde bij het zien van al die schittering geen enkele vreugde, geen troost, geen hoop. Het was donker in hem, donker als in een storm, waarin gedachten en gevoelens gieren en huilen. Van af het oogenblik, dat Marie uit haar wagentje was opgestaan met den kreet: “Ik ben genezen”, van het oogenblik af, dat zij zoo krachtig, zoo vol levenslust liep, voelde hij een onmetelijke, troostelooze treurigheid in zich opstijgen. En toch had hij haar lief met een vurige broederlijke toegenegenheid, had een grenzeloos geluk zich van hem meester gemaakt, toen hij zag, dat zij niet meer leed. Waarom veroorzaakte dan haar geluk hem zoo’n angstgevoel? Hij kon haar, nu zij daar in tranen en stralend in haar herwonnen en vollere schoonheid geknield lag, niet zien zonder dat zijn arm hart als uit een doodelijke wonde bloedde. Toch wilde hij blijven, maar hij wendde zijn blikken af en trachtte zijn aandacht te bepalen bij pater Massias, die nog altijd lag te snikken en wiens verterende illusie van de goddelijke liefde, waarin hij zichzelf geheel vernietigde en één werd met het geloof, hij benijdde. Een oogenblik scheen hij zelfs met bewondering te kijken naar een banier, waarover hij aan Berthaud inlichtingen vroeg.
“Welke bedoelt u? Die banier van kant?”
“Ja, die daar links.”
“Dat is een geschenk van Le Puy. De wapens erop zijn die van Le Puy en Lourdes, verbonden door den Rozenkrans … De kant is zoo fijn, dat je de heele banier in de holte van je hand zoudt kunnen houden.”
Maar abbé Judaine kwam naar voren. Weer dreunde het orgel; een lied werd gezongen, terwijl het Heilige Sacrament als de koning-ster was tusschen het gefonkel der gouden en zilveren harten, die even talrijk als de hemellichamen waren. Pierre voelde geen kracht meer in zich om langer te blijven. Nu Marie toch madame de Jonquière en Raymonde had, om haar naar het Hôpital terug te brengen, kon hij wel gaan en verdwijnen in een donker hoekje, waar hij eindelijk zou kunnen uithuilen. Met een enkel woord verontschuldigde hij zich en gaf zijn afspraak met dr. Chassaigne als voorwendsel. Doch toen hij zag, hoe een dicht opeengepakte menigte de deur versperde, begreep hij niet, hoe hij eruit moest komen; maar dan kreeg hij ingeving, ging de sacristie door en daalde langs de smalle trap in de Crypt af.
Plotseling omving hem daar na de jubelende stemmen en den wondermooien glans boven een diepe stilte, een donkerte als van een graf. De in de rots uitgehouwen Crypt bestond uit twee nauwe, door de fundamenten, welke het schip droegen, gescheiden gangen, welke onder de apsis naar een onderaardsche kapel leidden, die dag en nacht door kleine lampjes verlicht werd. In het donkere bosch van pilaren heerschte een mystieke ontzetting te midden van het halfdonker, waarin het mysterie huiverde. De muren waren kaal, als de steen zelf van het graf, waarin ieder mensch zijn laatsten slaap moet slapen. Langs de gangen zag men tegen de muren, die van boven tot beneden bedekt waren met marmeren votiefplaten, niets dan een dubbele rij biechtstoelen, want in deze doodelijke stilte der aarde biechtte men. Er waren priesters, die alle talen spraken, om den zondaren, die daar uit alle hoeken der wereld kwamen, hun zonden te vergeven.
Op dit uur, terwijl de menigte zich daarboven verdrong, was de Crypt geheel verlaten; en in die groote stilte, en in die donkerte, in deze grafkilte viel Pierre op zijn knieën. Niet omdat hij behoefte gevoelde om te bidden, of God te vereeren, maar omdat onder de geestelijke marteling, die hem gebroken had, zijn geheele wezen vernietigd was. Een kwellende dorst verteerde hem, om duidelijk in zijn binnenste te zien. O, waarom kon hij nog niet dieper wegzinken in het niet der dingen, nadenken, begrijpen, rust vinden eindelijk?
Hij maakte een vreeselijken strijd door. Hij trachtte zich iedere minuut weer voor den geest te roepen, sedert Marie, plotseling van haar lijdenssponde verrezen, haar kreet van wederopstanding uitgestooten had! Waarom toch had hij toen, ondanks zijn broederlijke vreugde, dat hij haar weer op den been zag, zoo’n bittere, stekende pijn in zich voelen opstijgen, alsof een doodelijk ongeluk hem getroffen had? Was hij dan jaloersch op de goddelijke genade? Leed hij eronder, dat de Heilige Maagd, die haar genas, hem vergeten had, hem, wiens ziel zoo ziek was? Hij herinnerde zich het laatste uitstel, dat hij zich gegeven had, de uiterste en laatste afspraak, die hij met het geloof gemaakt had voor het oogenblik, dat het heilige Sacrament voorbij gedragen zou worden en wanneer Marie genezen was; nu was zij genezen en hij geloofde nog altijd niet, en voor de toekomst had hij geen hoop meer ook, want hij zou nooit meer gelooven. Dat was de bloedende, doodelijke wonde. In wreede en verblindende duidelijkheid stond die zekerheid hem voor oogen, dat zij genezen en hij verloren was. Dit zoogenaamde wonder, dat haar tot een nieuw leven wekte, had in hem voor goed alle geloof in het bovennatuurlijke gedood. Wat hij een oogenblik gedroomd had, n.l. te Lourdes te gaan zoeken naar en misschien terug te vinden het naïeve geloof, het gelukkige geloof van een klein kind, dat was nu niet meer mogelijk: zijn geloof kon niet meer opbloeien nu het wonder geen wonder meer was, nu de genezing zich punt voor punt voltrokken had, zooals zij door Beauclair voorspeld was. Jaloersch, o neen, maar geheel verwoest, ellendig wanhopig, dat hij zoo alleen in de ijskoude woestijn van zijn verstand, vergeefs zou blijven terugverlangen naar de illusie, den leugen, de hemelsche liefde der armen van geest, die in zijn hart geen plaats meer vinden kon.
Een vloed van bitterheid deed Pierre bijna stikken, tranen sprongen in zijn oogen. Vernietigd door zijn zielebenauwenis was hij languit op den grond neergevallen. En hij herinnerde zich nu die heerlijke oogenblikken, die begonnen waren met den dag, waarop Marie, die de marteling van zijn twijfel geraden had, zich zoo met haar heele hart gegeven had aan zijn bekeering, in het donker zijn hand genomen en in de hare gehouden en zachtkens gestameld had, dat zij voor hem zou bidden, o! met heel haar ziel. Zichzelf vergat zij, zij smeekte de Heilige Maagd liever haar vriend te redden dan haar zelf, wanneer zij van haar goddelijken Zoon slechts één genade kon verkrijgen. Dan steeg een andere herinnering in hem op; de kostelijke uren, die zij samen hadden doorgebracht onder den dichten nacht der boomen gedurende het voorbijtrekken der fakkelprocessie. Ook daar weer hadden zij voor elkaar gebeden, waren zij met een zoo vurigen wensch voor hun wederkeerig geluk in elkaar opgegaan, dat zij een oogenblik den diepen grond van die liefde hadden aangeraakt, welke zich geheel geeft en zich geheel opoffert. En nu eindigde hun lange, door tranen gedrenkte toegenegenheid, de reine idylle van hun gemeenschappelijk lijden met deze wreede scheiding: zij genezen en stralend te midden van de lofzangen der triompheerende Basilica; hij verloren, snikkend van wanhoop en vertwijfeling in de duisternis van de Crypt, in een ijskoude grafeenzaamheid. Het was, alsof hij haar voor een tweede maal verloren had, en nu voor altijd!
Plotseling voelde Pierre den dolksteek, dien deze gedachte midden in zijn hart toebracht. Hij begreep eindelijk zijn lijden; in hem werd een licht ontstoken, dat de vreeselijke crisis, waarin hij worstelde en ineenkromp, in scherpe omtrekken voor hem uitkomen deed. De eerste maal had hij Marie verloren, toen hij priester geworden was en tegen zichzelf zeide, dat hij van zijn man-zijn afstand kon doen, omdat zij zelf nooit vrouw zijn zou, nu door een ongeneeslijke ziekte haar geslachtsleven vernietigd was. En nu was zij genezen, werd zij vrouw, nu had hij haar plotseling sterk, mooi, van levenslust, begeerlijk en vruchtbaar gezien! Hij was dood, kon geen man weer worden. Nooit zou het hem gelukken den grafsteen af te wentelen, die op hem drukte en zijn vleesch doodde. Zij alleen ontsnapte uit het graf en liet hem in de koude aarde achter. De wijde wereld opende zich weer voor haar, het glimlachend geluk, de liefde, die lacht op bezonde wegen, een man, kinderen, terwijl hij, die als het ware tot aan zijn schouders begraven was, alleen nog zijn verstand over hield, om nog meer te lijden. Zij was nog de zijne, toen zij aan geen ander toebehoorde, en slechts daarom leed hij dit laatste uur zoo verschrikkelijk, slechts daarom werd hij ten doode toe gemarteld, omdat zij nu voor de tweede maal aan hem ontrukt, nu voor goed van hem gescheiden werd.
Een razende woede greep hem aan. Hij voelde de verleiding in zich opkomen weer naar boven te gaan, Marie de waarheid toe te schreeuwen. Het wonder—een leugen! De barmhartige liefde van een almachtig God—enkel en alleen zinsbedrog. De natuur alleen was hier werkzaam geweest, het leven had nogmaals overwonnen. En hij zou bewijzen gegeven hebben, haar hebben aangetoond, dat het leven onbeperkt heerscht en door al het aardsche lijden de gezondheid herstelt. Maar een plotselinge angst maakte zich van hem meester. Wat? Wilde hij aan deze kleine, blanke ziel raken, in haar het geloof dooden, ook haar geloofsvertrouwen in puin doen storten, puin, waaronder hij zelf verpletterd was? Het scheen hem plotseling een schandelijke heiligschennis toe. Later, wanneer hij zichzelf zou moeten bekennen, niet in staat te zijn haar een dergelijk geluk terug te geven, zou hij een afschuw van zichzelf krijgen, denken, dat hij haar vermoord had. Misschien zou zij hem zelfs niet gelooven. Trouwens zou zij, die eeuwig de onvergetelijke zaligheid in zich voelde in geloofsverrukking genezen te zijn, zou zij ooit een afvallig en meineedig priester huwen? Dat alles leek hem waanzinnig, tegennatuurlijk, onteerend. Reeds werd zijn verzet minder; hij voelde nog slechts een onzegbare moeheid en in zijn arm, verpletterd en verscheurd hart de brandende pijn van een ongeneeslijke open wonde.
In zijn verlatenheid, in het niet, waarin hij zich naar alle kanten wentelde, werd hij nu nog door een laatsten strijd gemarteld. Wat moest hij doen? Hij zou hebben willen vluchten, Marie niet meer terugzien, laf als het lijden hem gemaakt had. Want hij begreep heel goed, dat hij, nu zij in den waan verkeerde, dat hij met haar gered, bekeerd, geestelijk genezen was, zooals zij lichamelijk, zou moeten liegen. Zij had hem, toen zij haar wagentje naar boven reed, gezegd hoe gelukkig zij was. O, hoe anders zou het zijn, als zij samen dat geluk gehad hadden, als zij hun zielen in elkaar hadden voelen opgaan. Hij had reeds gelogen, zou gedwongen zijn altijd te liegen, om haar die mooie, reine illusie niet te ontnemen. Hij legde het laatste heftige kloppen van zijn aderen het zwijgen op en zwoer de verheven barmhartigheid te hebben vrede te huichelen, verrukking over zijn genezing te veinzen. Hij wilde, dat zij volkomen gelukkig was, zonder spijt, zonder twijfel, in de volle verzekerdheid des geloofs, overtuigd, dat de Heilige Maagd in hun volkomen mystiek één-zijn toegestemd had. Wat beteekende het, of hij daardoor gemarteld werd? Later zou zijn wond misschien wel heelen. En zou in de troostelooze eenzaamheid, waartoe zijn verstand hem veroordeelde, haar vreugde hem niet een weinig verlichting schenken, die vreugde, wier leugenachtige troost hij haar laten zou?
Minuten verliepen, en nog altijd bleef Pierre als vernietigd op den grond liggen, om zijn koorts tot bedaren te brengen. Hij dacht niet meer, hij voelde in de verslapping van zijn geheele wezen, die steeds op een hevige crisis volgt, niet meer, dat hij leefde. Doch daar meende hij stappen te hooren klinken; met moeite stond hij op en deed alsof hij de votiefplaten las, de in de marmeren steenen gegraveerde opschriften. Maar hij had zich vergist, er was niemand; desniettemin bleef hij voortlezen, eerst werktuigelijk en als om een afleiding te hebben, dan echter door een nieuwe gemoedsbeweging medegesleept.
Het spotte met iedere verbeelding. Geloof, aanbidding en dankbaarheid waren op die honderden en duizenden marmeren platen in gouden letters tot uitdrukking gebracht. Er waren er bij, die in hun naïeveteit hem tot een glimlach dwongen. Een kolonel had zijn voet laten uitbeitelen met de woorden: “Gij hebt hem genezen, moge hij u dienen!” Verderop las hij: “Dat haar bescherming zich over de glasblazerskunst uitstrekke!” Ook kon men aan de onnoozele vrijmoedigheid der dankbetuigingen de vreemde vragen raden, die gedaan waren: “Aan de Onbevlekte Maria van een huisvader voor zijn herkregen gezondheid, zijn gewonnen proces en zijn spoedige promotie.” Maar dat alles ging verloren in het concert der vurige kreten, die opstegen. Jonggehuwden smeeken: “Paul en Anna vragen den zegen van Notre-Dame de Lourdes op hun huwlijk.” Moeders roepen: “Dank aan Maria, driemaal heeft zij mijn kind genezen!”—“Dank voor de geboorte van Maria-Antoinette, die ik zoowel als mijzelf en de mijnen aan haar toewijd.”—“De driejarige P. D. is voor de liefde der zijnen gespaard gebleven.” Echtgenooten, genezen zieken, aan het geluk teruggegeven zielen roepen: “Bescherm mijn man; geef, dat hij gezond blijve!”—“Ik was lam aan beide beenen en ben genezen!”—“Wij zijn gekomen en wij hopen.”—“Ik heb gebeden, ik heb geweend, en zij heeft mij verhoord.” En nog meer, nog andere kreten vol verborgen gloed, die lange romans vermoeden deden. “Gij hebt ons vereenigd, bescherm ons.”—“Aan Marie voor de grootste der weldaden.” En steeds weer kwamen dezelfde opschriften, dezelfde woorden vol hartstochtelijk geloofsvertrouwen: dankbaarheid, erkentelijkheid, eer, dankgebeden, dankzeggingen. O, die honderden, die duizenden voor altijd in het marmer vastgelegde kreten, die uit de diepte der Crypt tot de Heilige Maagd òpklonken en getuigden van haar eeuwige vereering door die ongelukkigen, die zij geholpen had.
Maar onder het lezen, dat Pierre niet moede werd, vervulde bitterheid zijn mond, maakte een toenemende troosteloosheid zich van hem meester. Was hij dan de eenige, die geen hulp te verwachten had? Was hij, waar zooveel gebeden in vervulling gingen, de eenige, die niet verhoord zou worden? En nu dacht hij aan het buitengewoon groot aantal gebeden, die jaar in, jaar uit te Lourdes tot God moesten opstijgen. Hij trachtte het aantal te schatten: de dagen, doorgebracht vóór de Grot, de nachten, doorwaakt in de Rozenkranskerk, de ceremoniën in de Basilica, de processies in het zonlicht en in het sterrengefonkel. Het was onberekenbaar, dat voortdurend smeeken van alle seconden. De geloovigen wilden door de massa zelve, de geweldige, ontzettende massa van hun gebeden Gods ooren vermoeien, hem zoo genade en vergiffenis ontrukken. De priesters zeiden, dat men God de door de zonden van Frankrijk geëischte zoenoffers moest brengen en dat, wanneer de som van die zoenoffers groot genoeg was, Frankrijk niet langer getuchtigd zou worden. Welk een hardvochtig geloof aan de noodzakelijkheid der kastijding! Welk een gruwlijke inbeelding van het zwartste pessimisme! Wat moest het leven slecht zijn, dat een dergelijk smeeken, een dergelijke kreet van physieke en moreele ellende ten hemel stijgen kon!
Doch te midden van die grenzenlooze treurigheid voelde Pierre een diep medelijden in zich opkomen. O, hoe schokte hem deze rampzalige menschheid, die tot zulk een bovenmatige ellende gedoemd, zóó naakt, zóó zwak, zóó geheel aan zichzelf overgelaten was, dat zij haar verstand over boord wierp, om het weinige geluk, dat nog mogelijk was, te verwachten van een bedwelmenden, visionnairen droom. Weer vulden tranen zijn oogen, hij weende om zichzelf, om de anderen, om al de arme, gemartelde wezens, die de behoefte in zich voelen hun leed te verdooven en in slaap te wiegen, om aan de harde werkelijkheid van deze wereld te ontkomen. Het kwam hem voor als hoorde hij nog de voor de Grot neergeknielde menigte haar gloeiend smeekgebed hemelwaarts schreeuwen, menigte van twintig- en dertigduizend zielen, waaruit een vurig verlangen opsteeg, dat men in den zonneschijn als wierook òpwolken zag. En onder deze Crypt zelf, in de Rozenkranskerk, laaide weer een andere geloofsverrukking op: heele nachten, doorgebracht in het paradijs der extase, de stille zaligheid der communie, de vurige, woordlooze gebeden, waarin de geheele ziel verteert, brandt, vervluchtigt. En dan begon, alsof de voor de Grot oprijzende gebeden, alsof de voortdurende aanbidding in de Rozenkranskerk niet voldoende waren, dat vurige smeeken opnieuw om hem heen op de muren der Crypt; maar dan werd het vereeuwigd in het marmer, zou het tot aan het einde der dagen niet ophouden het lijden der menschheid uit te schreeuwen; hier bad het marmer, baden de muren, aangegrepen door de huivering van het universeele medelijden, dat zich zelfs van de steenen meester maakte. En ten slotte stegen de gebeden hooger en nog hooger, zweefden zij omhoog uit de stralende, boven hem dreunende Basilica, die op dit oogenblik gevuld was met een door godsdienstwaanzin aangegrepen volk, dat hij, door den vloer van het schip, een lied van hoop meende te hooren uitjubelen.
Hij werd er ten slotte door medegesleept, alsof hij zich te midden van die onmetelijke, bruisende gebedsgolf zelf bevond, die, uit het stof van den aardbodem opborrelend, over de verdiepingen der op elkaar gebouwde kerken hooger steeg, zich van tabernakel tot tabernakel uitbreidde, en de muren zoo zeer tot medelijden bewoog, dat ook deze zelf snikten, en dat die kreet van de zwartste ellende met de witte spits, het vergulde, hooge kruis op den top der Basilica den hemel doorboorde. O, almachtige God, o goddelijk wezen, hulpvaardige Kracht, wie gij ook zijt, erbarm u over de arme menschheid, doe het menschelijk lijden ophouden!
Plotseling voelde Pierre zich als verblind. Hij had de linksche gang gevolgd en stond nu eensklaps in het volle daglicht. En onmiddellijk werden twee armen liefdevol om zijn hals geslagen. Het was dr. Chassaigne, die op hem stond te wachten om hem mede te nemen naar de kamer van Bernadette en de kerk van pastoor Peyramale.
“Jongen, wat zal zij blij zijn … Ja, ik heb het groote nieuws gehoord van de buitengewone genade, die Notre-Dame de Lourdes over je vriendin uitgestort heeft. Herinner je je wat ik je eergisteren gezegd heb? Nu ben ik gerust, want nu ben je zelf ook gered!”
Nog een laatste bitterheid voelde de jonge priester in zich opkomen. Maar hij kon glimlachen en antwoordde zacht:
“Ja, wij zijn gered; ik voel mij heel gelukkig!”
De leugen begon, de goddelijke illusie, die hij uit barmhartigheid aan anderen gaf.
Doch nog een schouwspel werd Pierre niet onthouden. De beide vleugels van de hoofddeur stonden wijd open, de bloedroode zonnestralen vulden het schip van het eene einde tot het andere. Alles laaide op in een fellen brandgloed, het vergulde koorhek, de gouden en zilveren geloftegiften, de in diamanten gevatte lampen, de banieren met hun lichte kleuren, de wierookvaten, die gezwaaid werden en op vliegende juweelen geleken. En achter in die fonkelende schittering zag hij tusschen de sneeuwwitte koorhemden en de gouden misgewaden Marie met haar loshangende lokken, haar gouden lokken, die haar als met een gouden mantel omgolfden. Het orgel jubelde uit in een triomphantelijken lofzang, het razende volk juichte tot God en abbé Judaine, die op het altaar het Heilige Sacrament weer genomen had, hief het voor een laatste maal hoog en glanzende als in een stralenkrans op in de van goud druipende Basilica, wier klokken naar alle windstreken den triomf van het wonder uitdreunden.
V.
Onder het afloopen der helling zeide dr. Chassaigne tegen Pierre:
“Je hebt den triomf bijgewoond; nu zal ik je twee schreeuwende onrechtvaardigheden laten zien!”
En hij bracht hem naar het kamertje in de rue des Petits-Fossés, dat lage, donkere kamertje, waaruit zij gekomen was, toen de Heilige Maagd haar verscheen.
De rue des Petits-Fossés is een zijstraat van de vroegere rue du Bois, de tegenwoordige rue de la Grotte, en snijdt de rue du Tribunal. Het is een kronkelend, droefgeestig, armoedig straatje, dat flauw helt. Slechts zelden komen er menschen door, men vindt er alleen lange muren, armzalige huizen, melancholieke gevels, waarin nooit een raam opengaat. Een boom ergens op een binnenplaatsje is het eenige vroolijke erin.
“Wij zijn er,” zeide de dokter.
Het straatje werd op dit plekje heel nauw en smal, het huisje lag tegenover een hoogen, grijzen, kalen muur van een schuur. Beiden keken zij naar het kleine huisje, dat met zijn kleine kruisramen en ruwe, blauwachtige pleisterkalk akelig leelijk en armoedig leek. De gang beneden was heelemaal donker en werd slechts door een klein, ouderwetsch hek afgesloten; men moest een opstapje gebruiken om naar boven te komen, dat bij slagregens onder water stond.
“Ga naar binnen, vriend, ga naar binnen. Je behoeft het hek maar open te stooten.”
De gang was vrij diep en Pierre volgde, om geen misstap te doen, met zijn hand den muur. Het kwam hem voor, alsof hij in het donker in een kelder afdaalde en de glibberige grond onder hem steeds nat was van het water. Aan het eind sloeg hij op een nieuwe aanwijzing van den dokter rechts af.
“Buk je, want je zoudt je kunnen stooten, de deur is erg laag … Zoo, we zijn er!”
Evenals de straatdeur, stond ook de kamerdeur wijd open. Pierre, die aarzelend midden in het vertrek was blijven staan, kon, daar zijn oogen nog gewend waren aan het felle daglicht van buiten, niets onderscheiden, nu hij daar in volkomen duisternis terechtgekomen was. Bovendien had een ijzige kilte, gelijk aan het gevoel, dat een natte wasch veroorzaakt, hem bij zijn schouders gegrepen.
Maar langzamerhand geraakten zijn oogen gewoon aan de duisternis. De twee, niet even groote ramen zagen uit op een smalle binnenplaats, waarin slechts een groenachtig licht als in een put viel. Als men midden op den dag in de kamer wilde lezen, moest men een kaars aansteken. De kamer, vier bij drie en een halven meter groot, was met groote, oneffen steenen bevloerd, terwijl de balken aan de zoldering in den loop der tijden een roetkleur gekregen hadden. Tegenover de deur was een armzalige schoorsteenmantel van gips, waarvan de plaat door een oude, vermolmde plank gevormd werd. Tusschen den schoorsteenmantel en een der ramen was een gootsteen. De muren, waarvan de kalk afschilferde en met vochtplekken en scheuren overdekt was, hadden evenals de zoldering, een zwartachtigen tint. Er stonden geen meubels meer in, het vertrek scheen geheel verlaten, men zag er slechts onduidelijk enkele vreemde voorwerpen, die in de diepe duisternis, welke alle hoeken vulde, onherkenbaar waren.
Na een vrij lange stilte begon de dokter te spreken.
“Ja, dit is de kamer, van hier is alles uitgegaan … Niets is erin veranderd, alleen de meubelen zijn er niet meer. Ik heb getracht de kamer weer in mijn geest te meubileeren; de bedden stonden ongetwijfeld tegen den muur over de ramen; drie bedden moeten er minstens geweest zijn, want de Souberous waren met hun zevenen, vader, moeder, twee jongens en drie meisjes … Stel je voor, drie bedden in dit vertrek en zeven menschen, die in deze enkele vierkante meters woonden. Ze waren hier als levend begraven, zonder licht, zonder lucht en zoo goed als zonder brood! Welk een vreeselijke ellende, wat een arme, beklagenswaardige schepsels!”
Maar hij werd in de rede gevallen. Een gestalte, die Pierre eerst voor een oude vrouw hield, kwam binnen. Het was een priester, de vicaris van de parochie, die tegenwoordig het huis bewoonde. Hij kende den dokter.
“Ik hoorde u praten, dokter Chassaigne,” zeide hij, “en ben daarom even naar beneden gekomen … Zoo, laat u de kamer weer eens bekijken?”
“Ja, mijnheer de abbé, zoo vrij ben ik geweest … Het stoort u toch niet?”
“Heelemaal niet … heelemaal niet … Kom maar net zoo dikwijls als u wilt!”
Hij lachte vriendelijk en voorkomend en groette Pierre, die, verbaasd over zijn kalme zorgeloosheid vroeg:
“Maar toch zal het u wel eens lastig zijn met al die menschen!”
Op zijn beurt scheen de vicaris verbaasd.
“Wel neen, er komt hier niemand … U begrijpt, dat het hier niet zoo bekend is. Iedereen blijft daar bij de Grot … Maar ik laat de deur open staan, dan behoef ik niet heen en weer te loopen. Maar er gaan dagen voorbij, zonder dat ik zelfs ook maar het knagen van een muis hoor.”
De oogen van Pierre raakten hoe langer hoe meer aan de donkerte gewend; onder de onduidelijke voorwerpen onderscheidde hij oude tonnen, overblijfselen van een kippenhok, gebroken gereedschappen en allerlei lompen, die je gewoonlijk bij elkaar voegt en dan in den kelder werpt. Verder zag hij aan den zolder provisies hangen, een slamand vol met eieren en ritsen dikke, rose uien.
“Zooals ik zie,” begon hij met een lichte beving in zijn stem, “hebt u gemeend de kamer niet ongebruikt te moeten laten.”
De vicaris begon een beetje verlegen te worden.
“Zeker, zoo is het … Wat zal ik u zeggen? Het huis is klein en ik heb niet veel ruimte! En dan, u hebt er geen idée van hoe vochtig het huis is, het is absoluut onmogelijk het te bewonen … En, lieve God, zoo langzamerhand hoopt het zich van zelf op, zonder dat je het eigenlijk wil.”
“Een soort rommelkamer dus,” merkte Pierre op.
“O, neen, dat niet!… Een onbewoond vertrek, en wanneer u het zoo noemen wilt, een rommelkamer!”
Zijn verlegenheid, waarbij ook wel een beetje schaamte kwam, werd grooter. Dr. Chassaigne bleef zwijgen, kwam niet tusschenbeide; maar hij glimlachte, blijkbaar in zijn schik, dat zijn vriend tegen die menschelijke ondankbaarheid opkwam.
Deze kon zich niet beheerschen en ging voort:
“Neem het me niet kwalijk, mijnheer de vicaris, dat ik er op doorga. Maar bedenk toch, dat u alles aan Bernadette te danken hebt, dat zonder haar Lourdes nog een der minst bekende steden van Frankrijk zijn zou … En werkelijk het komt mij voor, dat de parochie uit dankbaarheid deze kamer in een kapel had moeten veranderen …”
“O, een kapel!” viel de vicaris hem in de rede; “het betreft hier slechts een menschelijk wezen, en de Kerk mag haar geen vereering bewijzen.”
“Nu, laten we dan niet een kapel zeggen, laten wij zeggen, dat er lichten, bloemen, rozen moesten zijn, die de inwoners en de pelgrims uit piëteit steeds weer verfrisschen moesten … In het kort, ik zou hier graag wat meer liefde zien, het een of ander ontroerend aandenken, een beeld van Bernadette, iets, dat op kiesche wijze herinnerde aan de plaats, die zij in alle harten moest innemen … Het is gewoonweg schandelijk, dit vergeten, dit verontachtzamen, die vervuiling, waartoe men dit vertrek heeft laten vervallen.”
De vicaris, een onnadenkend en impressionabel mannetje, was het dadelijk met hem eens.
“In den grond der zaak hebt u volkomen gelijk. Maar ik heb geen macht, ik kan er niets aan doen … Wanneer ze me de kamer komen vragen, om haar in te richten, dan zou ik haar echter dadelijk geven en er mijn tonnen uitnemen, hoewel ik heusch niet weet, waar ik ze zou moeten zetten … Maar, ik herhaal het, dat hangt niet van mij af, ik kan er niets aan doen.”
Onder voorwendsel, dat hij uit moest, nam hij gauw afscheid en maakte zich uit de voeten, terwijl hij nogmaals tegen dr. Chassaigne zeide:
“Blijf net zoo lang als u zelf wilt. U stoort me nooit.”
Toen de dokter weer met Pierre alleen was, nam hij diens beide handen in de zijne en zeide, van vreugde stralend:
“Beste jongen, wat heeft dat me goed gedaan! Wat heb jij hem eens flink gezegd, wat al zoo lang in mijn hart borrelt en kookt!… Ik voor mij heb ook het denkbeeld gehad iederen ochtend hier rozen te brengen. Ik zou eenvoudig het kamertje hebben laten schoonmaken en dan twee vazen rozen op den schoorsteenmantel gezet hebben, want je weet, dat ik voor Bernadette een groote teederheid heb opgevat, en het scheen mij toe, dat die rozen hier het opbloeien, de schittering en de geur van haar aandenken zouden zijn … Maar, maar …”
Hij maakte een wanhopig gebaar.
“De moed heeft mij tot nog toe altijd ontbroken … Ja, ik zeg den moed, want tot nog toe heeft niemand zich openlijk tegen de paters der Grot durven verzetten … Men aarzelt, schrikt terug voor een religieus schandaal. Denk eens aan de betreurenswaardige opschudding, die dat veroorzaken zou; en zij, die evenals ik over wat er thans gebeurt verontwaardigd zijn, moeten wel zwijgen.”
En na even gezwegen te hebben, voegde hij er nog aan toe:
“Ja, beste jongen, het is wel verschrikkelijk, die ondankbaarheid en die hebzucht van de menschen. Iederen keer, dat ik hier in deze ellende kom, schiet mijn hart zoo vol, dat ik mijn tranen niet inhouden kan.”
Hij hield op met spreken, geen van beiden zeide een woord meer, de melancholie, die zich uit het vertrek losmaakte, kneep hun de keel dicht. Duisternis omhulde hen, de vocht deed hen rillen tusschen de vervallen muren en het stof der opgehoopte oude lompen. Wederom kwam de gedachte in hen op, dat zonder Bernadette niets van de wonderen bestaan zou hebben, welke Lourdes tot een eenige stad in de wereld gemaakt hadden. Haar woord had de wonderbare bron doen ontspringen, de van kaarsen vlammende Grot geopend. Reusachtige werken werden uitgevoerd, kerken schoten uit den grond op, kolossale trappen leidden tot God, een geheel nieuwe stad rees, als door een wonder, met haar tuinen, haar boulevards, haar kaden, haar bruggen, haar winkels, haar hotels op. De verst verwijderde volkeren stroomden in menigte samen, de regen van millioenen viel zoo dicht en overvloedig, dat de jonge stad tot in het oneindige scheen te moeten groeien, het geheele dal vullen van het eene einde der bergen naar het andere. Als Bernadette er niet geweest was, zou er niets geweest zijn, het buitengewone avontuur tot niets terugkeeren, het oude Lourdes nog zijn eeuwenlangen slaap aan den voet van het Kasteel slapen. Bernadette was de eenige, die dit geschapen had, en deze kamer, waaruit zij gegaan was, toen zij de Maagd gezien had, deze wieg zelf van het wonder, van het wonderbaarlijke toekomstige fortuin, lag hier verwaarloosd, ten prooi aan de wormen, goed alleen voor een rommelkamer, waarin je uien en oude tonnen bewaarde.
Toen stond de tegenstelling Pierre zoo intens voor den geest, dat hij den triomf, waarvan hij zoo even getuige geweest was, opnieuw zag, de extase in de Grot en in de Basilica, terwijl Marie, te midden van het gejuich der menigte, achter het Heilige Sacrament haar wagentje voortduwde. Maar boven alles straalde de Grot, nu niet langer het woeste rotshol op den wilden oever van den bergstroom, waarvoor het kind vroeger neergeknield had; maar de met rijkdommen en schatten versierde kapel, de in kaarslicht gloeiende kapel, waarin alle naties kwamen bidden. Al het lawaai en alle schittering; alle aanbidding en al het geld waren daar in de pracht van een eeuwigdurenden zegetocht te vinden. Hier echter, in de bakermat van dat alles, geen levende ziel, geen kaars, geen lied, geen bloem. Niemand kwam hier, niemand knielde hier neer, niemand bad hier. Enkele impressionabele bezoekers hadden slechts als aandenken een paar splinters van de half verrotte plank, die als schoorsteenplaat dienst deed, medegenomen. De geestelijkheid wilde niets weten van, kende zelfs deze plek van ellende niet, waarheen de processie zich had moeten begeven als naar een plaats van verheerlijking. Daar had het arme kind in een kouden nacht, liggend tusschen haar beide zusjes, haar droom begonnen, in een aanval van haar kwaal en terwijl de geheele familie in zwaren slaap verzonken lag; vandaar was zij vertrokken en had onbewust dien droom medegenomen, welke in het volle daglicht opnieuw in haar wortel schoot, om zoo liefelijk op te bloeien tot een visionnaire legende. En niemand liep thans meer dienzelfden weg nog eens af, de kribbe was vergeten, in donker en vocht liet men die kribbe, waarin het zoo nederige zaadje ontkiemd was, dat nu daar ginds opwies tot wonderdadige oogsten, welke de arbeiders, die komen als het werk is afgeloopen, te midden van de koninklijke pracht en praal der ceremoniën binnenhaalden.
Pierre, dien de groote echt-menschelijke ontroering over dit alles tot huilen toe bewoog, vatte met zachte stem al zijn gedachten in dezen enkelen zin samen:
“Dit is Bethlehem.”
“Ja,” zeide dr. Chassaigne, “in een armzalige woning, in een ellendig asyl worden de nieuwe godsdiensten van lijden en medelijden geboren … En soms vraag ik me wel eens af, of het zoo eigenlijk niet beter is, of het niet wenschelijk is, dat deze kamer in dezen armoedigen en verlaten toestand blijft. Het komt me dan voor, dat Bernadette daardoor niets verliest, want wanneer ik hier een uur kom doorbrengen, voel ik mij nog meer tot haar aangetrokken.”
Weer zweeg hij even, doch ging dan met een gebaar van verzet voort:
“Neen, neen, ik kan niet vergeten, die ondankbaarheid maakt me woedend … Ik heb je al gezegd, dat ik voor mij overtuigd ben, dat Bernadette zich vrijwillig naar het klooster in Nevers begeven heeft. Maar al heeft dan niemand haar laten verdwijnen, wat een opluchting voor degenen, voor wie zij hier hinderlijk begon te worden. En dezelfde mannen, die hier zoo graag de onbeperkte meesters wilden zijn, doen nu al het mogelijke, om de herinnering aan Bernadette uit te wisschen … O, beste jongen, als je alles eens wist!”
Langzamerhand gaf hij aan zijn overvol hart lucht. De paters van de Grot vreesden de doode Bernadette, wier werk zij zoo hebzuchtig exploiteerden, nog meer dan de levende. Zoolang zij leefde, verkeerden zij ongetwijfeld voortdurend in angst, dat zij naar Lourdes zou terugkeeren, om de prooi te deelen; haar nederigheid en haar ootmoed stelden hen echter al spoedig gerust, want zij was in het minst niet heerschzuchtig, zij zelf had het donker der verzaking gekozen, waarin zij sterven zou. Maar tegenwoordig sidderden zij meer bij het denkbeeld, dat een wil krachtiger dan de hunne, de reliquieën der helderziende zou kunnen terugbrengen. Onmiddellijk na haar dood was er wel in de gemeenteraad over gesproken: de stad wilde een graftombe voor haar oprichten, en men sprak erover een inschrijving te openen. Zeer beslist hadden de zusters van Nevers geweigerd het lijk, dat, naar zij beweerden, haar toebehoorde, uit te leveren. Achter de zusters had iedereen toen den invloed der paters gevoeld, die in hun groote ongerustheid zich in het geheim verzetten tegen den terugkeer van het vereerde gebeente, waarin zij een mogelijke concurrentie met de Grot zagen. Wat een vreeselijke bedreiging was dat niet! Een graftombe op het kerkhof, waarheen de pelgrims zich in processie zouden begeven, waarvan de zieken het marmer zouden gaan kussen, waarbij zich te midden van een heilige geestdrift wonderen voltrekken zouden. Dat was de werkelijke, doodende concurrentie, de verplaatsing der devotie en van het wonder. En steeds weer kwam die eeuwige, die groote vrees terug te moeten deelen, het geld elders heen te zien vloeien, wanneer de nu wijs geworden stad uit de graftombe voordeel zou weten te trekken.
Zelfs werd den paters een laag-arglistig plan toegeschreven. Zij zouden op het denkbeeld gekomen zijn het lijk van Bernadette, dat de zusters van Nevers dan voor hen in den vrede van haar kapel zouden bewaren, voor zichzelf te reserveeren. Maar zij wachtten, zij wilden het niet terugbrengen voor de toevloed van pelgrims zou beginnen af te nemen. Waar zou die plechtige terugkeer goed voor zijn, nu de scharen steeds talrijker samenstroomden, terwijl men van te voren zien kon welk een nieuw ontwaken van het geloof de plechtige terugkeer zou veroorzaken, waarbij de christenheid het gebeente der uitverkorene bezit zou zien nemen van den gewijden grond, waaruit zij zoovele wonderen had doen opschieten, wanneer het buitengewone succes van Notre-Dame de Lourdes, evenals dat met alle aardsche dingen gebeurt, zou gaan tanen. En op het marmer van haar graftombe vóór de Grot of in de Basilica zouden de wonderen opnieuw beginnen.
“Je kunt zoeken, zooveel als je wilt,” ging dr. Chassaigne voort, “maar je zult in heel Lourdes niet een met goedkeuring der geestelijkheid gemaakt beeld van Bernadette vinden. Zeker, haar portret wordt verkocht, maar nergens, in geen enkel heiligdom, is het te vinden … Dit is niets anders dan een, als ik het zoo noemen mag, stelselmatig in den doofpot stoppen, het komt voort uit het gevoel van ongerustheid, dat de stilte en de veronachtzaming bewerkt heeft in deze trieste kamer, waarin we ons nu bevinden. Evenals men bang is voor een mogelijke vereering op haar graf, is men bang, dat de menigte hier zou komen neerknielen wanneer twee kaarsen branden, of twee rozenruikers dezen schoorsteen versieren zouden. En als een verlamde opstond met den uitroep, dat zij genezen was, wat een ergernis, wat een onrust zou dat veroorzaken in die koopmanszielen van de Grot, die daardoor hun monopolie leelijk in gevaar gebracht zouden zien!… Zij zijn de meesters en willen de meesters blijven; zij willen niets loslaten van de prachtige bezitting, die zij veroverd hebben en uitbuiten. Maar zij sidderen toch, ja zij sidderen voor de herinnering aan de oorspronkelijke arbeiders, aan dat kleine meisje, dat een zoo groote doode is en wier erfenis hen met zulk een verterende hebzucht vervult, dat zij, na haar weggezonden te hebben, om in Nevers te leven, zelfs haar lijk, dat onder den grond van een klooster gevangen ligt, niet durven terugbrengen.”
O, welk een erbarmelijk lot van dit arme wezentje, dat van de levenden afgezonderd was en wier lijk nu ook in ballingschap blijven moest. Welk een diep medelijden had Pierre met dit ongelukkige schepseltje, dat slechts uitverkoren scheen te zijn, om zoowel tijdens haar leven als in den dood te lijden. Zelfs aangenomen, dat een krachtige, slechts daarop gerichte wil haar niet had doen verdwijnen en haar daarna in haar graf bewaakt, welke een vreemde en zonderlinge samenloop van omstandigheden dan toch, juist alsof iemand, ongerust om de onbegrensde macht, die zij zou kunnen krijgen, steeds ijverzuchtig getracht had haar op den achtergrond te houden. In Pierre’s oogen bleef zij de uitverkorene, de martelares, en ook al kon hij niet meer gelooven, ook al was de geschiedenis van dit ongelukkige kind voldoende, om het geloof geheel en al in hem te vernietigen, desniettemin ontroerde zij hem in zijn broederlijk gevoel door hem een nieuwen godsdienst te openbaren, den eenigen, waarvan zijn hart nog vol was, den godsdienst van het leven, van het menschelijk lijden.
Juist toen zij de kamer wilden verlaten, riep dr. Chassaigne uit:
“Hier, jongen, moet je gelooven! Kijk hier naar dit donkere gat en denk dan aan de schitterende Grot, aan de triompheerende Basilica, aan die nieuw-gebouwde stad, aan die samenstroomende menschenmassa’s! Maar zou, wanneer Bernadette een visionnaire, een krankzinnige was, het avontuur niet nog verwonderlijker, nog onverklaarbaarder zijn. Wat, geloof je werkelijk, dat de droom van een krankzinnige voldoende zijn zou, om de volkeren zoo in beroering te brengen?… Neen, neen, hier is een goddelijke ademtocht door gestreken, die alleen het wonder verklaren kan.”
Pierre was op het punt te antwoorden. Ja, hier was een ademtocht langs gestreken, de snik van het lijden, het onuitbluschbare verlangen naar de oneindige hoop. Dat de droom van een lijdend kind voldoende geweest was, om de volkeren hier te brengen, om het millioenen te doen regenen en een nieuwe stad uit den grond te doen oprijzen, was dat niet een gevolg van het feit, dat die droom den honger der arme menschheid, den onverzadigbaren honger, dien zij hebben om bedrogen en getroost te worden, eenigszins gestild had? Bernadette had, ongetwijfeld op een maatschappelijk en historisch gunstig oogenblik, het onbekende weer ontsloten; en de menigten hadden er zich hals over kop ingestort. O, zijn toevlucht te vinden in het mysterie, wanneer de werkelijkheid zoo hard is, zich toe te vertrouwen aan het wonder, omdat de wreede natuur één lang, schreeuwend onrecht is! Maar hoe men het onbekende ook organiseert en in dogma’s samenvat en er een geopenbaarden godsdienst van maakt, in zijn diepste diepte is en blijft de lijdenskreet, de kreet van het leven, dat gezondheid, vreugde en geluk eischt, ja bereid is, deze in een andere wereld te aanvaarden, als zij op deze aarde niet bestaanbaar zijn. Waartoe te gelooven aan dogma’s? Is het niet voldoende, als men weent en liefheeft?
Toch kleedde Pierre zijn gedachten niet in woorden. Hij hield het antwoord, dat naar zijn lippen steeg, terug, overtuigd als hij trouwens was, dat de eeuwige drang naar het bovennatuurlijke in den door lijden bezochten mensch het eeuwige geloof zou doen verklaren. Het wonder, dat niet te bewijzen was, moest het voor de menschelijke vertwijfeling noodige brood blijven. En bovendien, had hij zichzelf niet gezworen in zijn barmhartige liefde niemand meer door zijn twijfel te bedroeven?
“Welk een wonder, niet waar?” bleef de dokter aandringen.
“Zeker,” zeide hij eindelijk. “In dit armzalige, zoo vochtige en zoo donkere kamertje heeft zich het geheele menschelijke drama afgespeeld, hebben alle ongekende krachten gewerkt.”
Zwijgend bleven zij nog enkele minuten staan. Nog eenmaal keken zij naar de muren, naar de zwart geworden zoldering, naar het kleine, groenachtige binnenplaatsje. Die armoedigheid met haar spinnewebben, met haar oude, vuile tonnen, haar onbruikbare gereedschappen, haar hoopen rommel, die in de hoeken lagen te verrotten, het was inderdaad hartverscheurend. En zonder verder een woord te zeggen, gingen zij weg, terwijl een onzegbare droefheid hun keel dichtkneep.
Eerst op straat scheen dr. Chassaigne weer te ontwaken. Hij rilde even, versnelde zijn pas en zeide:
“Wij zijn nog niet klaar, jongen; ga mee … Nu gaan we de andere schreeuwende onrechtvaardigheid in oogenschouw nemen.”
Hij sprak over abbé Peyramale en diens kerk. Zij staken de place du Porche over en sloegen de rue Saint-Pierre in; binnen enkele minuten waren zij er. Het gesprek was intusschen weer op de paters van de Grot gekomen, op den vreeselijken oorlog, dien pater Sempé, zonder kwartier te geven, tegen den vroegeren pastoor van Lourdes gevoerd had. Overwonnen, was deze in een hevige verbittering gestorven; en na hem aldus door verdriet gedood te hebben, hadden zij ook zijn kerk, die hij onvoltooid, zonder dak en open liggend voor wind en regen, had achtergelaten, vermoord. Sedert men hem uit het bezit der Grot verdreven, uit het werk van Notre-Dame de Lourdes, waarvan hij met Bernadette de pionier geweest was, weggejaagd had, werd zijn kerk zijn revanche, zijn protest, zijn eigen deel in den roem, het Godshuis, waarin hij in gewijde gewaden triompheeren, van waaruit hij ontelbare processies leiden zou, om den uitdrukkelijken wensen der Heilige Maagd te vervullen. De autoritaire heerscher, die hij in den grond der zaak was, de herder der groote scharen, de tempelbouwer vond er een ongeduldige vreugde in om de werken te verhaasten met de onvoorzichtigheid van alle hartstochtelijke menschen, die zich niet bekommeren om schulden en het geld met handen vol uit te geven, mits er steeds maar een leger van werklieden op de stellages stond. In zijn geest zag hij de kerk grooter worden, zag hij haar op een mooien zomerochtend voltooid in de opgaande zon glinsteren.
Dat telkens weer voor zijn geestesoog opdoemende visioen gaf hem te midden van den sluipmoord, waardoor hij zich omringd voelde, den moed om verder te strijden. Zijn, het groote plein beheerschende kerk, rees eindelijk in haar grootsche majesteit op. Hij had haar in Romaanschen stijl, groot en eenvoudig, negentig meter lang en honderd veertig meter hoog gewenscht. Den vorigen dag van haar laatste stelling ontdaan, glinsterde zij nu in de volle zon nog in de jonge bekoring van haar jeugd, met haar groote, regelmatig opgebouwde steenlagen. In zijn gedachten liep hij om haar heen, verrukt over haar naaktheid en haar kinderlijk-maagdelijke kuischheid, zonder een beeld, zonder een versiering, die haar onnoodig belast zou hebben. De daken van het schip, de kruisbeuk en de apsis lagen op gelijke hoogte onder de streng versierde lijst. Ook de ramen der zijbeuken en van het hoofdschip hadden geen andere versiering dan van lijstwerk voorziene booggewelven.
Hij bleef staan voor de groote ramen van de dwarsbeuk, waarin de rosetten fonkelden; zette dan zijn wandeling voort en liep achter de ronde apsis om, waartegen de sacristie haar twee verdiepingen kleine ramen rijde; dan ging hij weer terug en werd niet moede te kijken naar de koninklijke verdeeling van het bouwwerk, naar de groote lijnen, die zich tegen het blauw afteekenden, naar de boven elkaar gelegen daken, naar die enorme massa, die in haar kracht den eeuwen weerstand bieden zou. Maar wanneer hij zijn oogen sloot, riep hij in een verrukking van trots vooral den gevel voor zijn geest: beneden het voorportaal met zijn drie boven-galerijen, de galerij rechts en de galerij links, waarvan de steenen daken een krans vormden, terwijl de klokketoren, die uit de centrale galerij oprees, zich in het midden met een krachtigen zwaai in de lucht verhief. Ook daar droegen de op sokkels rustende zuilen slechts met lijstwerk versierde booggewelfjes. Tegen den geveltop, op de spits van een tinne, tusschen de twee hooge vensteropeningen van het hoofdschip, stond onder een baldakijn een beeld van Notre-Dame de Lourdes. Daarboven bevond zich nog een verdieping met galmgaten, die met de licht geschilderde klankborden voorzien waren. De beeren rezen op de vier hoeken uit den grond op, van verdieping tot verdieping dunner wordend, tot zij, licht, maar krachtig, de torenspits bereikten, een vermetele, steenen spits, door vier kleinere klokketorentjes geflankeerd en eveneens slechts met tinnen versierd, trotsch in de hoogte rijzend, tot zij zich in den hemel verloor. En het kwam abbé Peyramale voor, alsof zijn vurige priesterziel grooter geworden en met die spits omhoog gestegen was, om daarboven, dicht bij God, door alle eeuwen heen te getuigen van haar geloof.
Andere oogenblikken bracht een ander visioen hem nog meer in verrukking. Dan meende hij op den dag, dat hij er zijn eerste plechtige mis zou celebreeren, het inwendige van zijn kerk te zien. De geschilderde ruiten lieten vurig licht door, dat als edelgesteente fonkelde, de twaalf kapellen der zijbeuken stonden in den gloed van kaarsen. Hij zelf was op het marmeren en gouden hoofdaltaar; de veertien zuilen van het hoofdschip, blokken Pyreneesch marmer uit één stuk en prachtige giften uit alle windstreken der Christenheid, rezen statig op en steunden het gewelf, dat de dreunende orgelklanken met een jubelzang vervulden. Een volk van geloovigen verdrong zich, neergeknield op de vloertegels, tegenover het door een als kantwerk zoo licht hek omgeven koor, dat met prachtig houtsnijwerk bekleed was. De kansel, een koninklijk geschenk van een voorname dame, was een uit eikenhout gesneden kunstwerk. De doopvonten waren door een kunstenaarshand uit hardsteen gehouwen. Schilderijen van meesters versierden de muren, kruisen, hostievazen, kostbare monstransen, gewijde gewaden, schitterend als zonnen, lagen in ontelbaren getale in de kasten der sacristie. Welk een heerlijke droom de hoogepriester van zulk een tempel te zijn, erin te heerschen, na hem eerst met hartstochtelijke geestdrift gebouwd te hebben, er de uit alle hoeken der wereld samengestroomde scharen te zegenen, terwijl de vol klinkende klokken aan de Grot en aan de Basilica verkondigden, dat zij daar in het oude Lourdes een mededingster hadden, een overwinnende zuster, bij wie God eveneens zijn triomfen vierde.
Na een oogenblik de rue Saint-Pierre gevolgd te hebben, sloegen dr. Chassaigne en Pierre de kleine rue de Langelle in.
“Wij zijn er dadelijk,” zeide de dokter.
Pierre keek om zich heen, maar zag geen kerk. Er stonden niets dan armoedige krotten, een echte voorstadswijk met vuile gebouwen. Eindelijk zag hij achterin een slop een stuk van de oude, half vergane omheining, die nog steeds om het groote, vierkante terrein stond, dat door de rues de Saint-Pierre, de Bagnères, de Langelle en des Jardins ingesloten was.
“We moeten links af,” zeide de dokter, die een smalle, tusschen de puinhoopen door leidende gang ingeloopen was. “We zijn er!”
En plotseling verscheen de ruïne te midden van de leelijke en vuile omgeving, die haar maskeerde.
Het geheele, machtige geraamte van het schip en de zijbeuken, van het dwarsschip en van de apsis stond nog. Overal rezen de muren op tot aan het begin der gewelven. Men kwam er als in een echte kerk, kon er in rondloopen en de gewone deelen van een godshuis onderscheiden. Doch wanneer men opkeek, zag men den hemel: het dak ontbrak, de regen viel, de wind gierde vrij binnen. Sedert weldra vijftien jaar lag het werk nu stil en was alles in denzelfden toestand gebleven als waarin de laatste metselaar ze achtergelaten had. Het eerst vielen dadelijk de tien zuilen van het schip en de vier zuilen van het koor op, de prachtige zuilen uit één blok Pyreneesch marmer, die men, om ze tegen alle schade te beschermen, met een mantel van planken bedekt had. De voeten en de kapiteelen waren nog ruw en wachtten op de beeldhouwers. Zij maakten een triesten indruk, die zoo alleen staande, met hout bekleede zuilen. En ook uit de geheele, ommuurde ruimte en uit het gras, dat den woesten, hobbeligen grond van de zijbeuken en van het schip bedekte,—een dicht kerkhofgras, waardoor vrouwen langzamerhand voetpaden gemaakt hadden—steeg een diepe melancholie op. Die vrouwen kwamen hier haar wasch bleeken of drogen. Een echte wasch van armoedzaaiers, dikke lakens, gescheurde hemden, luiers lag er juist te drogen in de laatste zonnestralen, die door de breede ruitlooze ramen binnenvielen.