← Table of contents
De drie steden

VIJFDE DAG

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

I.

Ook dien nacht kon Pierre in het Hôtel des Apparitions geen oog dicht doen. Na eerst aan het Hôpital te zijn gaan vragen naar Marie, die onmiddellijk na haar terugkeer van de processie in een diepen, gezonden en versterkenden slaap gevallen was, was hij, hoewel een weinig ongerust over het lange uitblijven van mijnheer de Guersaint, zelf ook naar bed gegaan. Hij had hem op het laatst tegen het middagmaal terug verwacht; zeker had een ongeluk hem te Gavarnie opgehouden; hij dacht aan het verdriet van het jonge meisje, wanneer haar vader haar den volgenden ochtend vroeg niet zou komen omhelzen. Met dien zoo bekoorlijk verstrooiden man met zijn vogelhersenen waren alle veronderstellingen, alle vermoedens mogelijk.

Misschien zou die ongerustheid in den beginne voldoende geweest zijn, om Pierre, ondanks zijn groote vermoeidheid wakker te houden, maar later had bovendien het nachtelijk lawaai in het hotel ondragelijke afmetingen aangenomen. De volgende dag, Dinsdag, was de dag van vertrek, de laatste dag, die de nationale bedevaart te Lourdes zou doorbrengen, en ongetwijfeld maakten de pelgrims gulzig van de laatste uren gebruik, kwamen van de Grot terug, gingen er weer heen, trachtten door hun opwinding, zonder eenige behoefte aan rust, den hemel te dwingen. De deuren werden toegeslagen, de vloeren zwiepten, het geheele huis dreunde als onder den ongeregelden galop van een menigte. Nog nooit hadden de muren van zoo hardnekkige hoestaanvallen, van zulke dikke, onverstaanbare stemmen weerklonken.

Pierre, die steeds wakkerder werd, sprong telkens met een schrik op, daar hij steeds weer dacht, dat het mijnheer de Guersaint was, die thuiskwam. Gedurende enkele minuten luisterde hij dan ingespannen, maar hij hoorde niets dan het buitengewone lawaai op de gang, waarin hij niets duidelijk onderscheiden kon. Was het links de priester, de moeder en haar drie dochters, het oude echtpaar, die tegen de meubelen aanliepen? Of was het rechts die andere talrijke familie, de ongetrouwde mijnheer, de dame alleen, die onbegrijpelijke gebeurtenissen in avonturen stortten? Een oogenblik sprong hij uit zijn bed, wilde in de ledige kamer van den afwezigen mijnheer de Guersaint gaan kijken, vast overtuigd als hij was, dat daar erge dingen gebeurden. Maar hoe hij ook luisterde, hij hoorde achter het dunne beschot niets dan het teeder gefluister van twee liefkoozende stemmen. Plotseling dacht hij aan madame Volmar en rillend ging hij weer naar bed.

Eindelijk, tegen het aanbreken van den dag, sliep Pierre in, toen een heftig kloppen op zijn deur hem weer wakker deed schrikken. Ditmaal vergiste hij zich niet, een krachtige, door angst echter verstikte stem riep:

“Mijnheer de abbé, mijnheer de abbé, word als het u blieft wakker!”

Het was ongetwijfeld mijnheer de Guersaint, dien men minstens dood thuis bracht. Hevig verschrikt vloog hij in zijn hemd naar de deur, opende die en stond tegenover mijnheer Vigneron.

“Kleed u als het u blieft dadelijk aan, mijnheer de abbé. Wij hebben u als priester noodig.”

Toen vertelde hij, dat hij even opgestaan was om op zijn horloge te kijken, dat op den schoorsteen lag, toen hij een akelig gesteun hoorde komen uit de kamer, waarin madame Chaise sliep. Uit vriendelijkheid had zij de verbindingsdeur open laten staan, om op deze wijze nog meer met hen te zijn. Natuurlijk was hij dadelijk naar binnen gegaan, had de luiken open gegooid, om zoodoende licht en lucht te krijgen.

“En wat een schouwspel, mijnheer de abbé! Onze arme tante languit op haar bed, half blauw reeds, haar mond wijd open, zonder dat zij echter adem kan halen, terwijl haar handen krampachtig de lakens omvat hielden … U begrijpt, dat komt van haar hartkwaal … Kom gauw mee, mijnheer de abbé, om haar bij te staan.”

In zijn verbouwereerdheid kon Pierre noch zijn broek, noch zijn soutane vinden.

“Natuurlijk, natuurlijk ga ik mee. Maar ik kan haar niet bedienen, daarvoor heb ik het noodige niet hier.”

Mijnheer Vigneron hielp hem zich aan te kleeden, bukte zich om naar Pierre’s pantoffels te zoeken.

“Dat komt er niet op aan, alleen het zien van u zal haar het scheiden makkelijker maken, wanneer God ons die beproeving zendt … Trek eerst uw pantoffels aan en kom dan dadelijk!”

Als een wervelwind vloog hij weer weg en stormde de kamer ernaast binnen. Alle deuren waren wagenwijd open blijven staan. De jonge priester, die hem dadelijk naging, zag in het eerste vertrek, waarin een ongelooflijke wanorde heerschte, slechts den kleinen Gustave, die, half naakt, onbeweeglijk, heel bleek en rillend te midden van dit drama op den canapé zat, dien hij als bed gebruikte. Leeggemaakte koffers versperden den doorgang, restjes van vleeschwaren lagen nog op de tafel, het bed van vader en moeder leek door de catastrophe als verwoest, de dekens waren er afgetrokken en lagen op den grond. In de tweede kamer zag hij onmiddellijk de moeder, die inderhaast een ouden, gelen peignoir aangeschoten had, met een door schrik vertrokken gelaat voor het bed staan.

“Nu, vrouwlief, nu?” stotterde mijnheer Vigneron.

Zonder te antwoorden wees madame Vigneron met een gebaar op madame Chaise, die met verstijfde handen en met haar hoofd achterover, onbeweeglijk op het kussen lag. Haar gezicht was blauw, haar mond stond wijd open als in den laatsten ademtocht, die haar ontvloden was.

Pierre boog zich over haar heen en fluisterde:

“Zij is dood!”

Dood! Dit woord weerklonk in deze beter opgeruimde kamer, waarin een zware stilte heerschte. Verbijsterd keken man en vrouw elkaar aan. Was het dan werkelijk uit? De tante stierf vóór Gustave, de kleine erfde de vijfhonderdduizend francs. Hoe dikwijls hadden zij dezen droom gedroomd, welks plotselinge verwezenlijking hen met stomheid sloeg! Hoe dikwijls hadden zij gewanhoopt, vreezend, dat het arme kind vóór haar sterven zou! Dood! Lieve God, was dat hun schuld? Hadden zij dat werkelijk aan de Heilige Maagd gevraagd? Zij was zóó goed voor hen, dat zij bang waren geen wensch te kunnen uitspreken zonder verhoord te worden. Reeds hadden zij in den zoo plotselingen dood van den chef de bureau, wiens plaats mijnheer Vigneron zou innemen, den machtigen vinger der Heilige Maagd gezien. Overstelpte zij hen nu nog meer met hun genade, door zelfs de onbewuste droomerijen van hun wenschen te verhooren? Toch hadden zij nooit iemands dood gewild, zij waren brave menschen, niet in staat tot een slechte daad, die hun godsdienstplichten zeer trouw waarnamen, geregeld biechtten, zonder vertoon ter communie gingen. Wanneer zij dachten aan de vijfhonderd duizend francs, aan hun zoon, die vóór haar had kunnen sterven, aan de ergernis, die zij zouden voelen, indien zij dat fortuin naar een anderen neef, die het minder verdiende, zagen gaan, dan bleef dat toch diep in hun hart verborgen en was het in den grond der zaak zoo naïef en natuurlijk. Ongetwijfeld hadden zij er vóór de Grot aan gedacht, maar was de Heilige Maagd niet de hoogste wijsheid, wist zij niet beter dan wij zelf wat zij doen moest voor het geluk der levenden en der dooden?

Madame Vigneron brak, heel oprecht, in snikken uit en beweende haar zuster, die zij aanbad.

“O, mijnheer de abbé, ik heb haar zien sterven, onder mijn oogen heeft zij den laatsten adem uitgeblazen. Hoe jammer dat u niet eerder gekomen zijt, om haar ziel te ontvangen!… Zij is gestorven zonder priester, uw tegenwoordigheid zou haar zoo getroost hebben!”

Zijn oogleden zwaar van tranen en zelf ook toegevend aan zijn ontroering, troostte mijnheer Vigneron zijn vrouw.

“Je zuster was een heilige, gistermorgen nog heeft zij het Avondmaal gevierd, je kunt gerust zijn, haar ziel is regelrecht naar den hemel gegaan … Zeker zou het haar troost gegeven hebben mijnheer den abbé, als hij nog tijdig genoeg gekomen was, te zien … Maar wat eraan te doen? De dood was sneller. Ik ben onmiddellijk naar hem toe gevlogen, wij behoeven ons tot het laatste oogenblik toe niets te verwijten.”

En zich tot den priester wendend:

“Mijnheer de abbé, ik ben er zeker van, dat haar al te groote vroomheid de crisis verhaast heeft. Gisteren heeft zij bij de Grot reeds een zóó hevige benauwdheid gehad, dat wij het ergste vreesden. En ondanks haar groote moeheid heeft zij erop gestaan met de processie mede te gaan. Ik heb wel gedacht, dat het haar slecht bekomen zou. Maar het was zoo’n moeilijk geval, je durfde het haar niet te zeggen uit vrees haar schrik aan te jagen.”

Pierre knielde neer en sprak de gebruikelijke gebeden uit met die menschelijke ontroering, welke bij hem in het aangezicht van het eeuwige leven, den eeuwigen dood, de plaats van het geloof innam. Dan bleef hij nog een oogenblik op zijn knieën liggen en hoorde de fluisterende stemmen van het echtpaar.

De kleine, op zijn bed vergeten Gustave was blijkbaar ongeduldig geworden. Hij huilde en riep:

“Mama! Mama! Mama!”

Eindelijk ging madame Vigneron hem kalmeeren. En zij kreeg den inval om hem in haar armen te nemen, opdat hij voor de laatste maal zijn arme tante een zoen zou kunnen geven. Eerst spartelde hij tegen, wilde hij niet, begon hij harder te huilen. Mijnheer Vigneron moest er zich mede bemoeien en zeggen, dat hij zich schamen moest. Wat, hij, die nergens bang voor was! Hij, die tegenover het lijden altijd even moedig was als een man! En dan nog wel zijn arme tante, die altijd zoo lief voor hem geweest was en wier laatste gedachte ongetwijfeld hem gegolden had!

“Geef hem mij maar!” zeide hij tegen zijn vrouw, “hij zal wel gehoorzaam zijn!”

Gustave sloeg zijn armen om de hals van zijn vader. Hij was in zijn hemdje, rilde, liet de naaktheid van zijn jammerlijk, door klieren opgevreten lichaampje zien. Wel verre van genezing aan te brengen, scheen het wonderwater der vijvers de wond in zijn zijde erger gemaakt te hebben, terwijl zijn mager beentje, dat aan een uitgedroogde stok denken deed, er slap bij hing.

“Geef haar een kus,” zeide mijnheer Vigneron weer.

Het kind boog zich voorover en drukte een kus op het voorhoofd van zijn tante. Niet de dood maakte hem bang of deed hem zich verzetten. Sedert hij in de kamer was, keek hij met nieuwsgierige kalmte naar de doode. Hij hield niet van haar, daarvoor had hij te veel door haar geleden. Hij had gedachten, gevoelens als van een volwassen iemand, welker gewicht hem meer drukte, naar mate zij zich tegelijk met zijn kwaal meer ontwikkelden. Hij voelde heel goed, dat hij te klein was, dat kinderen de dingen, die in het diepste innerlijk der menschen gebeuren, niet begrijpen moesten.

Zijn vader die wat achteraf was gaan zitten, hield hem op zijn schoot, terwijl zijn moeder het raam dicht deed en de kaarsen in de beide kandelaars, die op den schoorsteenmantel stonden, aanstak.

“Lieve jongen,” prevelde hij in zijn behoefte om te spreken, “het is een groot verlies voor ons allemaal. Nu is onze reis heelemaal bedorven, want het was onze laatste dag, we vertrekken vanmiddag … En de Heilige Maagd was juist zoo genadig voor ons …”

Maar bij het zien van den verwonderden blik van zijn zoon, een blik van oneindige melancholie en verwijt, verbeterde hij gauw:

“Ja zeker, ik weet wel, dat zij je nog niet heelemaal genezen heeft. Maar je moet nooit twijfelen aan haar welwillendheid. Zij houdt te veel van ons, zij overstelpt ons te zeer met haar genade en zij zal ten slotte jou ook genezen, daar zij ons nog slechts die groote gunst te bewijzen heeft!”

Madame Vigneron, die geluisterd had, kwam naar hem toe.

“Wat zou het heerlijk geweest zijn als we alle drie gezond naar Parijs hadden kunnen terugkeeren. Maar volkomen geluk bestaat hier op aarde niet.”

“Zeg,” riep mijnheer de Vigneron plotseling uit; “ik zal vanmiddag niet met jullie mee kunnen teruggaan door al die formaliteiten … Als mijn retour nu morgen nog maar geldig is!”

Opgelucht ondanks de genegenheid, die zij steeds voor madame Chaise gevoeld hadden, herstelden zij zich van den vreeselijken schok; zij vergaten haar reeds, zouden niets liever willen dan Lourdes zoo spoedig mogelijk verlaten, alsof het voornaamste doel van hun reis bereikt was. Een vreugde, die zij zichzelf niet bekennen wilden, maakte zich van hen meester.

“En wat zal ik in Parijs een boel te doen hebben!” begon hij weer. “Ik, die naar niets zoo verlang als naar rust … Doch dat komt er niet op aan ook; ik zal mijn drie jaar op het ministerie, tot ik pensioen krijg, nog uitdienen, vooral nu ik er zeker van ben als chef de bureau gepensionneerd te worden … Maar daarna hoop ik nog een beetje van het leven te genieten. Nu we dat geld krijgen, koop ik in mijn geboorteland het landgoed les Billottes, dat prachtige stuk grond, waar ik altijd van gedroomd heb. En ik verzeker je, dat ik me niet vervelen zal tusschen mijn paarden, honden en bloemen!”

De kleine Gustave zat nog op zijn schoot; zijn arm, klein, achterlijk gebleven insectenlichaampje huiverde onder het half opgetrokken hemdje, dat zijn magerte als van een stervend kindje zien liet. Toen hij merkte, dat zijn vader hem heelemaal vergat en geheel opging in zijn eindelijk verwezenlijkten droom van een onbezorgd leven, kwam dat raadselachtige, melancholieke, maar tevens boosaardige glimlachje weer om zijn lippen spelen.

“En ik, vader?”

Als opgeschrikt uit een diepen slaap, scheen mijnheer Vigneron hem eerst niet te begrijpen.

“Jij, jongen?… Jij gaat natuurlijk met ons mee.”

Maar Gustave bleef hem strak aankijken, zonder dat het lachje van zijn magere, pijnlijk vertrokken lippen verdween.

“Gelooft u dat?”

“Zeker, geloof ik dat!… Je gaat met ons mee, je zult eens zien hoe prettig het is.”

Mijnheer Vigneron, die, toch al verlegen was en stamelde, omdat hij de goede woorden niet vinden kon, geraakte geheel van streek, toen zijn zoon zijn magere schouders optrok en met iets als wijsgeerige minachting zeide:

“O neen … dan ben ik al lang dood!”

Verbijsterd las plotseling de vader in den diepen blik van het kind, den blik van een ouden, in alle dingen ervaren man, die al de ellenden der wereld kende, omdat hij ze zelf geleden had. Maar vooral verschrikte hem de plotselinge zekerheid, dat dit kind steeds tot in het diepst van zijn ziel doorgedrongen was, meer daarin gelezen had dan hij zichzelf durfde bekennen. Hij herinnerde zich nu, hoe in de wieg reeds de oogen van den zieke kleine op de zijne gericht waren, die oogen, welke het lijden zoo scherp maakte en met de kracht van een buitengewoon vermogen, om alles te doorzien, begiftigde, zoodat zij zelfs de geheimste gedachten, die in het diepe donker van de hersenen bleven, raden konden. En door een zonderlinge wisselwerking vond hij de dingen, die hij zichzelf nooit bekend had, op dat oogenblik alle terug in de oogen van zijn kind; hij zag ze, las ze ondanks zichzelf. De geschiedenis van zijn lange hebzucht ontrolde zich voor zijn blikken; zijn ergernis, een zoo zwakken jongen te hebben; zijn angst bij het denkbeeld, dat het vermogen van madame Chaise in gevaar gebracht werd door een zoo breekbaar leven; zijn vurige wensch, dat zij spoedig sterven zou, terwijl de kleine nog leefde, zoodat de erfenis in zijn handen zou komen. Wie in dit duel het eerst sterven zou, was eenvoudig een quaestie van dagen. Want ten slotte kwam toch wederom de dood: de kleine zou op zijn beurt sterven; hij alleen stak dan het geld in zijn zak en zou een langen, vreugdevollen ouderdom hebben. Deze dingen lichtten zóó akelig-duidelijk uit die scherpe, melancholieke en glimlachende oogen van het ter dood veroordeelde kind òp, dat vader en zoon een oogenblik in de vaste overtuiging verkeerden, dat zij ze elkaar met luide stem toeriepen.

Maar mijnheer Vigneron kwam er tegen op, wendde zijn hoofd af, protesteerde heftig:

“Wat, denk je, dat je dan dood zal zijn?… Wat een idée. Het is te gek om los te loopen zoo iets te denken!”

Madame Vigneron begon weer te snikken.

“Ondeugende jongen, hoe kun je ons zoo’n verdriet doen, nu we toch al zoo’n verlies te betreuren hebben?”

Gustave moest haar een zoen geven en haar beloven te zullen blijven leven, al was het alleen maar om hun een pleizier te doen. Toch was het glimlachje om zijn lippen blijven spelen, want hij wist heel goed, dat liegen noodzakelijk was, als men zich niet al te bedroefd wilde maken; trouwens hij had er zich reeds bij neergelegd, om zijn ouders gelukkig achter te laten, nu de Heilige Maagd zelf hem op deze wereld het kleine beetje geluk, waartoe ieder schepsel eigenlijk geboren behoorde te worden, niet geven kon.

Zijn moeder legde hem weer in zijn bed, en Pierre stond eindelijk op, juist op het oogenblik, dat mijnheer Vigneron de kamer eenigzins fatsoenlijk op orde gebracht had.

“U excuseert mij wel, niet waar mijnheer de abbé?” zeide hij, terwijl hij met den jongen priester naar de deur liep. “Mijn hoofd loopt een beetje om … Het is een moeilijk kwartiertje, maar ik moet mij er toch doorslaan.”

In de gang bleef Pierre even staan luisteren naar het geluid, dat de trap opkwam. Weer had hij aan mijnheer de Guersaint gedacht, meende hij zijn stem te herkennen. En terwijl hij daar zoo onbeweeglijk stond, gebeurde er iets, dat hem in de pijnlijkste verlegenheid bracht. Voorzichtig-langzaam was de deur van de door den ongetrouwden heer bewoonde kamer opengegaan; een in het zwart gekleede dame was er met zoo lichten tred uit gekomen, dat men nauwlijks den tijd gehad had in de half geopende deur den heer te zien, die, met zijn vinger op zijn mond, op den drempel stond. Doch toen de dame zich omkeerde, stond zij eensklaps tegenover Pierre. Dat alles geschiedde zoo plotseling, zoo brutaal, dat het hun onmogelijk was zich af te wenden en te doen, alsof zij elkaar niet herkend hadden.

Het was madame Volmar. Na drie dagen en drie nachten in volkomen opsluiting in die liefdekamer doorgebracht te hebben, verliet zij die nu vroeg in den morgen. Het was nog geen zes uur, zij hoopte door niemand gezien te worden, als een schim zoo licht weg te sluipen door de ledige gangen en trappen; zij wilde zich ook nog in het Hôpital laten zien en daar den geheelen laatsten ochtend blijven, om haar gaan naar Lourdes te rechtvaardigen. Toen zij Pierre zag, begon zij vreeselijk te beven en stamelde eerst:

“O, mijnheer de abbé, mijnheer de abbé!”

Toen zij echter zag, dat de priester zijn deur wijd open had laten staan, scheen zij aan de koorts, die in haar brandde, aan een drang om over haar liefdevlam te spreken, zich te verontschuldigen, zich vrij te pleiten, toe te geven. Met een vuurroode kleur ging zij het eerst de kamer binnen, waarin hij, geheel door dit voorval van streek gebracht, haar wel volgen moest. Daar hij de deur wijd open liet staan, vroeg zij hem met een gebaar die te sluiten.

“O mijnheer de abbé, ik smeek u, denk niet te slecht van mij!”

Hij maakte een gebaar als om te zeggen, dat hij zich niet veroorloofde een oordeel over haar te vellen.

“Ja, ja, ik weet, dat u mijn ongeluk kent … Te Parijs hebt u mij eens achter de Drievuldigheidskerk met een heer gezien. En gisteren hebt u mij natuurlijk op het balcon herkend. Niet waar, u vermoedde wel, dat ik hier, vlak bij u, met dien persoon in de kamer daar leefde … Maar als u eens wist, als u eens wist …”

Haar lippen beefden, tranen hingen aan haar wimpers. Hij keek haar aan en stond verbaasd over de buitengewone schoonheid, waardoor haar gelaat verheerlijkt werd. Deze steeds zoo eenvoudig, altijd in het zwart gekleede vrouw, die nooit iets van juweelen droeg, verscheen hem nu, buiten de donkerte, waarin zij zich gewoonlijk terugtrok, eensklaps in den vollen glans van haar hartstocht. Zij, die op den eersten aanblik niet knap, te donker en te mager was met haar vermoeide trekken, haar grooten mond, haar langen neus, kreeg, hoe langer hij haar aankeek, een troubleerende bekoring, een onweerstaanbare veroveringsmacht. Haar oogen, haar groote, prachtige oogen, welker gloed zij gewoonlijk onder een sluier van onverschilligheid verborg, brandden als fakkels, wanneer zij zich met lichaam en ziel overgaf. Hij voelde, dat men haar aanbidden, dat men haar hartstochtelijk begeeren kon, ook al moest men erdoor ten gronde gaan.

“Als u eens wist, mijnheer de abbé, als ik u eens vertelde, wat ik geleden heb … Het zijn trouwens dingen, die u ongetwijfeld vermoed hebt, want u kent mijn man en mijn schoonmoeder. De enkele keeren, dat u bij ons geweest bent, hebt u natuurlijk begrepen, welke gruwelen er zich, ondanks mijn tevreden manier van doen, in mijn stil en bescheiden hoekje afspeelden … Maar tien jaar zoo leven, nooit werkelijk mensch zijn, nooit liefhebben, nooit bemind worden, neen, neen, dat heb ik niet kunnen volhouden.”

Toen vertelde zij hem haar droevige levensgeschiedenis, haar huwlijk met den handelaar in diamanten, die schijnbaar tegenslag in zijn zaken gehad had; haar schoonmoeder, een hardvochtige gevangenbewaarder en beulenziel; haar man, een monster van lichamelijke leelijkheid en zedelijke verdorvenheid. Men sloot haar op, men liet haar zelfs niet alleen voor het raam zitten. Men had haar geslagen, haar neigingen, haar liefhebberijen, haar vrouwlijke zwakheden doodgedrukt. Zij wist, dat haar man allerlei meiden onderhield; en wanneer zij tegen een familielid lachte, wanneer zij, als zij zich eens een hoogst enkele maal vroolijk voelde, een bloem in haar corsage droeg, dan trok hij die bloem weg, kreeg aanvallen van razende jaloezie, brak haar, onder de vreeselijkste dreigementen, bijna haar polsen. Jaren lang had zij in die hel geleefd en toch nog steeds gehoopt, want in haar woonde een zoo sterke levenskracht, zoo’n vurige behoefte aan teederheid, dat zij altijd nog het geluk verwachtte en geloofde het ieder oogenblik te zullen zien binnenkomen.

“Ik zweer u, mijnheer de abbé, dat ik heb moeten doen, wat ik gedaan heb. Ik was te ongelukkig, mijn geheele wezen snakte ernaar zich te geven … Toen mijn vriend mij voor de eerste maal zeide, dat hij mij liefhad, liet ik mijn hoofd op zijn schouder vallen; het was beslist, voor eeuwig was ik zijn eigendom. Men moet zich in de zaligheid indenken: bemind te worden, bij zijn geliefde slechts gebaren en woorden van liefkoozing te vinden, het streven, om zoo voorkomend en vriendelijk mogelijk te zijn; te weten dat hij aan je denkt, dat er ergens een hart bestaat, waarin je leeft; samen één te zijn, geheel op te gaan in een omhelzing, waarin alles samensmelt, lichaam en ziel … O, als dat een zonde is, mijnheer de abbé, dan kan ik er geen berouw over hebben. Ik wil niet eens beweren, dat men er mij toe aangedreven heeft; ik zeg alleen maar, dat ik die zonde even natuurlijk bedreven heb als dat ik adem haal, omdat zij voor mijn leven noodzakelijk was.”

Zij had haar hand aan haar lippen gebracht, als wilde zij de wereld een kus geven. Pierre voelde zich ontroerd bij het zien van deze van liefde gloeiende vrouw, die de hartstocht, de eeuwige begeerte zelf was. Dan begon een oneindig medelijden in hem op te komen.

“Arme vrouw!” prevelde hij.

“Niet voor den priester leg ik mijn biecht af,” ging zij verder, “neen, ik spreek tegen den man, tegen een man, door wien ik zoo graag begrepen zou willen worden … Neen, ik ben geen geloovige, de godsdienst is voor mij nooit voldoende geweest. Men beweert, dat vrouwen zich daarmede tevreden stellen, dat zij er een krachtige bescherming in vinden tegen de zonde. Maar ik heb steeds een gevoel van kilte in kerken gehad. En ik weet heel goed, dat het slecht is godsdienst te huichelen en dien voor mijn liefde te gebruiken. Maar wat eraan te doen? Ze dwingen me ertoe. Dat u mij indertijd te Parijs achter de Drievuldigheidskerk gezien hebt, komt, omdat die kerk de eenige plaats is, waar zij mij alleen naar toe laten gaan; dat u mij hier te Lourdes vindt, komt, omdat ik in een heel jaar slechts deze drie dagen van volkomen vrijheid, van volmaakt geluk heb.”

Weer doorhuiverde haar een rilling, weer rolden heete tranen over haar wangen.

“O, deze drie dagen, deze drie dagen! U kunt niet weten hoe vurig ik ernaar verlang, met welk een hartstocht ik ze doorleef, met welke onstuimige gevoelens ik de herinnering eraan mee naar huis terugneem.”

Alles stond in duidelijke trekken voor den zoo lang kuisch gebleven Pierre. Hij stelde zich deze zoo vurig tegemoet geziene, die gulzig doorleefde drie dagen en drie nachten voor in die hotelkamer met haar zóó dicht gesloten ramen en deuren, dat zelfs de kamermeisjes niet wisten, dat er een vrouw in was. Hij zag de eindelooze omhelzingen, den niet eindigenden kus, de algeheele overgave, het alles om zich heen vergeten, het volkomen opgaan, het volkomen wegzinken in de onuitbluschbare liefde. Ruimte en tijd waren verdwenen, niets bestond meer, niets dan de haast om elkaar toe te behooren, elkaar weer en nogmaals toe te behooren. En welk een hartverscheurende smart bij het afscheid! Voor dien gruwel sidderde zij; in haar verdriet haar paradijs te hebben moeten verlaten, liet zij zich gaan, schreeuwde zij, die anders zoo stil was, haar lijden uit. Elkaar nog een laatste maal te omarmen, in elkaar weg te willen smelten, om voor eeuwig één te blijven, zich te moeten losrukken, alsof de helft van je vleesch mede losgerukt wordt, en dan te moeten denken, hoeveel lange dagen, hoeveel lange nachten er verstrijken zullen, zonder dat je elkaar ook maar ziet!

Pierre, wiens hart bloedde, toen hij zich die kwelling des vleesches voor den geest riep, kon slechts herhalen:

“Arme vrouw!”

“En dan, mijnheer de abbé,” ging zij voort, “denk eens aan de hel, waarin ik terugkeer. Weken, neen maandenlang is dan de hemel voor mij gesloten, duld ik zonder één enkele klacht mijn martelaarschap. Weer is mijn geluk voor een jaar dood. Lieve God, drie armzalige dagen en drie armzalige nachten; zou je niet krankzinnig worden bij die hartstochtelijkheid, waarmede ik ervan geniet, bij het geduld, waarmede ik wacht, tot zij terugkomen. Ik ben zoo ongelukkig, mijnheer de abbé, maar gelooft u ondanks alles toch niet, dat ik een fatsoenlijke vrouw ben?”

Hij werd diep ontroerd door dit vuur van echten hartstocht en oprechte smart. Hij voelde hier den adem der eeuwige begeerte, een onbeperkt heerschende liefde, die alles rein maakte. Zijn hart vloeide over van medelijden, en hij vergaf.

“Mevrouw, ik beklaag u en ik respecteer u meer dan ik zeggen kan.”

Zij zeide niets meer, keek hem slechts aan met haar groote, door tranen verduisterde oogen. Dan drukte zij in een plotselinge opwelling zijn beide handen en hield die tusschen haar brandende vingers vast. Even daarna verdween zij op het portaal met de lichtheid van een schim.

Doch toen zij er niet meer was, leed Pierre nog heviger dan bij haar aanwezigheid. Hij wierp het raam wijd open, om den liefdegeur, dien zij er achtergelaten had, te verjagen. Reeds dien Zondag, toen hij gezien had, dat er een vrouw in de kamer ernaast verborgen leefde, had hij dezen kuischen angst gevoeld en tegen zichzelf gezegd, dat zij de revanche van het vleesch was te midden van de mystieke verrukking van Lourdes, het onbevlekte. En nu kwam die angst terug, begreep hij de almacht, de onoverwinnelijke wilskracht van het leven, dat leven wilde. Liefde was sterker dan geloof, misschien was het bezit van een geliefd wezen het eenige goddelijke. Elkander lief te hebben, elkander ondanks alles toe te behooren, het leven te geven en het leven voort te planten, was dat niet het eenige doel der natuur? Een oogenblik was hij zich den afgrond, waarvoor hij stond, bewust: zijn kuischheid was zijn laatste steunpunt, gaf alleen nog waarde aan zijn mislukt leven van ongeloovig priester.

Hij begreep, dat, als hij, na aan zijn verstand toegegeven te hebben, nu ook nog aan zijn vleesch toegaf, hij geheel verloren zou zijn. Zijn geheele trots op zijn kuischheid, al de kracht, die hij opgeroepen had om zijn ambt eerlijk te blijven waarnemen, kwamen weer terug, en opnieuw deed hij zichzelf de plechtige gelofte geen man te zijn, nu hij zich vrijwillig uit de rijen der mannen verbannen had.

Het sloeg zeven uur. Pierre ging niet meer naar bed, doch waschte zich met ijskoud water, blij, dat dit frissche water zijn koortsachtige opwinding geheel kalmeerde. Terwijl hij zich verder aankleedde, kwam bij het geluid van stappen, die hij in het portaal hoorde, de gedachte aan mijnheer de Guersaint weer in hem op. Ze hielden stil voor de deur; er werd geklopt; verlicht ging hij opendoen.

Maar dan uitte hij een kreet van blijde verrassing.

“Wat ben jij het? Ben je nu al op en ben je nu al aan het visites maken?”

Marie stond glimlachend op den drempel. Achter haar glimlachte zuster Hyacinthe, die met haar meegekomen was, ook met haar vriendelijke, trouwhartige oogen.

“O, beste jongen,” zeide het jonge meisje, “ik kon niet in bed blijven. Zoodra ik de zon zag, ben ik eruit gesprongen, zoo’n behoefte had ik om te loopen, te springen, te dansen als een kind!… En ik heb zoo lang gezanikt en zoo lang gesmeekt, dat de zuster zoo vriendelijk is geweest, om met mij mede te gaan … Ik geloof, dat ik door het raam gegaan was, als ze de deur voor mij gesloten hadden!”

Pierre had ze laten binnengaan, een onzeglijke ontroering snoerde zijn keel dicht, toen hij haar zoo vroolijk hoorde praten en haar zich zoo makkelijk, zoo ongedwongen, zoo gratieus bewegen zag. Haar, die hij jaren lang met afgestorven beenen en een loodkleurigen gelaatstint gekend had! Sedert hij haar den vorigen avond voor het laatst in de Basilica gezien had, was zij in jeugd en schoonheid opgebloeid. Een nacht was voldoende geweest om haar zóó te veranderen, dat hij het lieve schepseltje vol teederheid, het mooie meisje, dat hij vroeger achter de bloeiende haag zoo hartstochtelijk-wild gekust had, grooter en mooier terugvond.

“Wat ben je groot en wat ben je mooi, Marie!” kon Pierre zich niet weerhouden te zeggen.

Dan mengde zuster Hyacinthe zich in het gesprek.

“Niet waar, mijnheer de abbé, de Heilige Maagd heeft alles ten goede geschikt! Wanneer zij zich ergens mee bemoeit, dan kom je frisch en geurig als een roos uit haar handen.”

“O,” viel het jonge meisje haar in de rede, “ik ben zoo gelukkig, ik voel me zoo sterk, zoo gezond, zoo blank, alsof ik pas geboren was.”

Het was een zalig gevoel voor Pierre. Het scheen hem toe, alsof wat er nog van de uitwaseming van madame Volmar hing, vervluchtigde. Marie vulde de kamer met haar reinheid, met den geur en den glans van haar jeugdige onschuld. En toch was die vreugde over haar reine schoonheid, over het leven, dat weer opbloeide, voor hem niet zonder droefheid. Het verzet, dat in de Crypt in hem opgekomen was, de wond van zijn mislukt leven moest zijn hart voor altijd bloedend houden. Zooveel weer tot leven gewekte gratie! De aangebeden vrouw werd weer tot haar vollen bloei herboren! En nooit zou hij de verrukking, die haar bezit geven moest, kennen, hij stond buiten de wereld, lag in het graf. Doch hij snikte niet meer; een grenzenlooze weemoed bekroop hem bij de gedachte, dat hij dood was, dat het nieuwe zonnegloren dezer vrouw opging over het graf, waarin zijn manlijkheid sliep. Het was de vrijwillig aanvaarde, zelf gewilde verzaking.

Evenals de andere, de hartstochtelijke, had ook Marie de handen van Pierre gedrukt. Maar haar kleine handjes waren zoo zacht, zoo frisch, zoo kalmeerend! Een beetje verlegen keek zij hem aan, als had zij een grooten wensch, dien zij niet durfde uitspreken. Dan dapper:

“Pierre, wil je mij een zoen geven? Dat zou me zoo gelukkig maken.”

Hij sidderde, zijn hart werd in een laatste marteling verbrijzeld. O, de kussen van vroeger, de kussen, die hij nog op zijn lippen proefde! Nooit daarna had hij haar een kus gegeven, en nu was het een zuster, die hem omhelsde. Zij drukte een klappenden zoen op zijn linker- en op zijn rechterwang, hield hem de hare voor, eischte, dat hij haar die teruggeven zou. Tweemaal kuste hij haar terug.

“Ik ben ook zoo gelukkig, zoo innig gelukkig, Pierre!”

Overmand door zijn ontroering en terwijl een gevoel van verrukking en bitterheid tevens zich van hem meester maakte, barstte hij in snikken uit, weende hij tusschen zijn gevouwen handen als een kind, dat zijn tranen verbergen wilde.

“Kom, kom, laten we niet al te week worden,” zeide zuster Hyacinthe vroolijk. “Mijnheer de abbé zou te verwaand worden, als hij dacht, dat we alleen om hem gekomen waren. Mijnheer de Guersaint is zeker hiernaast!”

“O, die beste papa! Wat zal die ook gelukkig zijn!” riep Marie vol liefde uit.

Pierre moest nu vertellen, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was van zijn uitstapje naar Gavarnie. Zijn toenemende ongerustheid klonk duidelijk in zijn woorden door, hoewel hij trachtte het lange uitblijven te verklaren, tegenslagen, onvoorziene complicaties bedacht. Overigens was het jonge meisje heelemaal niet ongerust; zij begon weer te lachen en zeide, dat haar vader nooit op tijd geweest was. En toch zou zij hem zoo graag willen laten zien, dat zij liep, dat zij stond, als in haar nieuw ontbloeide jeugd herboren!

Zuster Hyacinthe, die over het balcon was gaan kijken, kwam in de kamer terug.

“Daar is hij … Hij stapt beneden uit het rijtuig!”

“Zeg,” riep Marie met de uitgelaten vroolijkheid van een schoolmeisje; “we moeten hem verrassen. We zullen ons verstoppen, en wanneer hij dan binnen is, laten we ons in eens zien.”

Reeds trok zij zuster Hyacinthe in de kamer ernaast.

Onmiddellijk daarna kwam mijnheer de Guersaint als een wervelwind door de gangdeur, die Pierre gauw geopend had; hartelijk drukte hij hem de hand.

“Daar ben ik eindelijk … Je hebt zeker niet geweten waar ik bleef, hè? Maar je kunt je niet voorstellen, wat een pech we gehad hebben: eerst is er een wiel van het rijtuig gebroken, toen we in Gavarnie aankwamen, en juist, toen we gisteravond een eindje op den terugweg waren, moesten we door een verschrikkelijk onweer den heelen nacht te Saint-Sauveur blijven … Ik heb geen oog dicht gedaan.”

Hij viel zichzelf in de rede.

“En hoe is het met jou?”

“Ik heb ook door al het lawaai, dat ze in het hotel gemaakt hebben, niet kunnen slapen.”

Maar reeds ratelde mijnheer de Guersaint weer:

“Enfin, het hindert niet, het was verrukkelijk. Dat moet ik je nog even vertellen … Ik was met drie charmante geestelijken. Abbé des Hermoises is ontegenzeggelijk de aardigste man, dien ik ooit ontmoet heb … Gelachen dat we hebben, gelachen!”

Weer hield hij op.

“En mijn dochter?”

Toen klonk achter hem een heldere lach. Hij keerde zich om, bleef met een open mond staan. Marie was daar, en zij liep, haar gelaat straalde van blijde verrukking en heerlijke gezondheid. Nooit had hij aan het wonder getwijfeld, hij was ook in het minst niet verrast, want hij kwam terug met de overtuiging, dat alles goed afloopen zou, dat hij haar ongetwijfeld genezen terug zou vinden. Doch wat hem tot in het diepst van zijn ziel trof, dat was het wondere schouwspel, dat hij niet had voorzien: zijn dochter zoo mooi, zoo goddelijk in haar zwart japonnetje. Zijn dochter, die zelfs geen hoed medegebracht, doch haar bewonderenswaardige lokken slechts met een kanten doekje bedekt had! Zijn levende, bloeiende, triompheerende dochter, gelijk aan alle dochters van alle vaders, die hij al zoovele jaren benijdde.

“Mijn kind, mijn kind!”

En toen zij in zijn armen gevlogen was, drukte hij haar vast tegen zich aan, knielden zij samen neer. En alles straalde in een heerlijke uitvloeiïng van geloof en liefde. Deze verstrooide man met zijn vogelhersenen, die in slaap viel in plaats van met zijn dochter naar de Grot te gaan, die een uitstapje naar Gavarnie maakte op den dag, dat de Heilige Maagd haar moest genezen, vloeide over van vaderlijke teederheid, van een zoo door dankbaarheid bezield Christelijk geloof, dat hij een oogenblik verheven werd.

“O, Jezus, o Maria, hoe dank ik u, dat ge mij mijn kind teruggegeven hebt … O, kind, wij zullen nooit genoeg adem, nooit genoeg ziel hebben om Maria en Jezus te danken voor het groote geluk, dat hij mij geeft … O, kind, dat zij hebben opgewekt, o kind, dat zij zoo mooi gemaakt hebben, neem mijn hart, om het hun met het jouwe aan te bieden … Ik behoor aan jou en behoor aan hen, eeuwig en eeuwig, mijn geliefd, mijn aangebeden kind!”

Neergeknield voor het open raam, keken beiden met vurige blikken naar den hemel. De dochter leunde met haar hoofd tegen den schouder van haar vader, terwijl hij zijn arm om haar middel geslagen hield. Zij waren slechts één; langzaam begonnen tranen te vloeien over hun verrukte, in bovenmenschelijk geluk glimlachende gezichten, terwijl zij slechts onsamenhangende woorden van dank stamelen konden.

“Dank, o Jezus; dank, o heilige Moeder van Jezus … Wij hebben u lief, wij aanbidden u … Gij hebt het beste bloed onzer aderen verjongd, het behoort aan u, het klopt voor u … O, almachtige Moeder, o geliefde goddelijke Zoon, een dochter en een vader zegenen u en bezwijmen aan uw voeten van vreugde.”

De omarming van deze twee schepselen, die na zooveel donkere dagen gelukkig waren, dit uitstamelen van hun geluk, dat als het ware nog in lijden gedrenkt was, dit geheele tooneel was zóó ontroerend, dat Pierre weer in tranen uitbarstte. Maar nu waren het weldadige tranen, die zijn hart tot kalmte brachten. O, de ongelukkige menschheid! Wat deed het goed haar een weinig getroost en in verrukking te zien! En wat kwam het er op aan, of dat groote geluk van enkele seconden ontsprong uit de eeuwige illusie! Was de geheele menschheid, de deerniswaardige, door de liefde geredde menschheid eigenlijk niet vertegenwoordigd in dezen armen man, die plotseling verheven werd, nu hij zijn dochter herboren zag?

Zuster Hyacinthe stond wat op den achtergrond en huilde eveneens, haar hart was vol van een menschelijke ontroering, zooals zij nog nooit gevoeld had, zij, die nooit andere verwanten gekend had dan den goeden God en de Heilige Maagd. Een stilte heerschte in deze kamer, die huiverde van zulk een in tranen gedrenkte broederschap. Zij sprak het eerst, toen de vader en de dochter eindelijk opstonden.

“En nu, mademoiselle, moeten we gauw naar het Hôpital terug!”

Maar daar kwamen de anderen tegen op. Mijnheer de Guersaint wilde zijn dochter bij zich houden en in Marie’s oogen straalde het vurig verlangen om te leven, te loopen, de wijde, wijde wereld door te trekken.

“Geen quaestie van,” zeide mijnheer de Guersaint, “ik geef haar niet aan u terug … Wij zullen een paar glazen melk drinken, want ik kom bijna om van honger; en dan gaan we uit, gaan we samen wandelen. Zij aan mijn arm, als een klein vrouwtje!”

Weer lachte zuster Hyacinthe.

“Nu goed dan, ik zal haar hier laten en aan de dames zeggen, dat u haar mij ontstolen hebt … Maar ik maak, dat ik weg kom. U hebt er geen begrip van hoeveel we nog te doen hebben, indien wij vóór het vertrek klaar willen zijn: al onze zieken, al ons materiaal, enfin een drukte van wat heb je me!”

“Is het dan Dinsdag?” vroeg mijnheer de Guersaint, die weer in zijn oude verstrooidheid terugviel; “en gaan we vanavond weg?”

“Natuurlijk, vergeet het als het u blieft niet!… De witte trein vertrekt om tien minuten over halfvier … En als u van mij een raad wilt aannemen, dan zou ik mademoiselle wat vroegtijdig terugbrengen, dan kan zij nog wat rusten.”

Marie ging met de zuster tot de deur mede.

“Wees maar gerust, ik zal verstandig zijn. Ik wil ook graag even naar de Grot, om de Heilige Maagd nog eens te danken.”

Toen zij met hun drieën alleen in het kamertje waren, dat in het zonlicht baadde, kenden zij hun geluk niet. Pierre had het kamermeisje melk, chocolade, koekjes en allerlei andere lekkernijen laten brengen. En hoewel Marie reeds ontbeten had, at zij nog mee; sedert den vorigen avond verslond zij letterlijk alles. Zij hadden het tafeltje voor het raam gerold, maakten er een waar feestmaal van in de prikkelende berglucht, terwijl de honderd klokken van Lourdes met haar bronzen stemmen den roem van dezen stralenden dag uitjubelden. Zij praatten en lachten; het jonge meisje vertelde aan haar vader het wonder met honderdmaal herhaalde bijzonderheden, en hoe zij het wagentje in de Basilica had achtergelaten en hoe zij een wijzertje rond geslapen had. Toen wilde ook mijnheer de Guersaint van zijn uitstapje vertellen, maar hij geraakte in de war, bracht het wonder ermede in verband.

In korte woorden gezegd was dit keteldal van Gavarnie iets reusachtigs. Alleen verloor men uit de verte het gevoel van proporties, leek het klein. De drie altijd met sneeuw bedekte terrassen; de hoogste kam, die zich tegen den hemel afteekende als het profiel van een Cyclopenvesting, waarvan de toren met den grond gelijk gemaakt en de wallen uitgetand waren; de groote waterval, die zoo langzaam scheen te stroomen, terwijl hij in werkelijkheid met een donderend lawaai neerstortte; de bosschen rechts en links; de rivieren; de bergen, die geheele eindeloosheid maakte, wanneer men het van af de markt van het dorp zag, den indruk, alsof je het in je hand zou kunnen houden. Wat hem het meest getroffen had en waarop hij telkens weer terugkwam, waren de vreemde figuren, die de sneeuw, welke tusschen de rotsen liggen bleef, maakte: o. a. een reusachtig kruis, een wit kruis van eenige duizenden meters, dat den indruk maakte, alsof het dwars over het dal geworpen was.

Dan viel hij zichzelf in de rede:

“Tusschen twee haakjes, wat is er bij onze buurlui aan de hand? Toen ik daareven boven kwam, vloog mijnheer Vigneron mij als een bezetene voorbij; en door de open deur meende ik te zien, dat madame Vigneron er erg opgezet uitzag. … Heeft de kleine Gustave soms weer een aanval gehad?”

Pierre had madame Chaise, de doode, die daar aan de andere zijde van het dunne beschot sliep, heelemaal vergeten. Hij meende een killen ademtocht te voelen.

“Neen, het kind is heel goed …”

Hij ging er echter niet verder op in, zweeg er liever over. Waarom dit zoo gelukkige uur van herrijzenis, van herkregen jeugd te bederven, door er het beeld van den dood in te weven? Maar van dat oogenblik af bleef hij steeds aan de doode denken; dacht hij ook aan de andere kamer ernaast, waarin de ongetrouwde mijnheer zijn snikken verstikte en zijn lippen drukte op het paar handschoenen, dat hij van zijn geliefde gestolen had. Het geheele hotel kwam voor zijn geest terug, het hotel met zijn hoestaanvallen, met zijn zuchten, zijn onverstaanbare stemmen, het eeuwige dicht slaan der deuren, de vloeren, die onder de opeenhooping der gasten kraakten, de gangen, waarin het stof opdwarrelde door de ruischende rokken, het heen en weer vliegen van de families, die zenuwachtig werden door het op handen zijnde vertrek.

“Je zult je maag nog van streek maken,” riep mijnheer de Guersaint lachend uit, toen hij zag, dat zijn dochter nog een broodje nam.

Marie moest ook lachen. Doch dan kwamen plotseling twee tranen in haar oogen.

“Wat ben ik gelukkig! En toch, wat doet het me een pijn wanneer ik bedenk, dat niet iedereen even gelukkig is als ik!”

II.

Het was acht uur … Marie kon het in de kamer bijna niet meer uithouden, telkens weer liep zij naar het raam, alsof zij in één teug de geheele ruimte, den geheelen hemel wilde leeg drinken. O, door de straten, over de pleinen te loopen, overal en nog elders, zoo ver als zij zelf maar wilde! En te laten zien hoe sterk zij was, hoe zij mijlen ver gaan kon, nu de Heilige Maagd haar genezen had! Het was een onweerstaanbare drang van heel haar wezen, van haar hart, van haar bloed.

Maar toen zij wegging, besliste zij toch, dat haar eerste bezoek met haar vader aan de Grot moest zijn, waar zij samen Notre-Dame de Lourdes danken moesten. Daarna zouden ze vrij zijn, zouden ze nog twee volle uren hebben om te wandelen, waar zij wilden, vóór zij naar het Hôpital terugging om te dejeuneeren en haar zaakjes bij elkaar te pakken.

“Nu, kunnen we gaan?” vroeg mijnheer de Guersaint.

Pierre nam zijn hoed en met hun drieën gingen zij hard pratend en luid lachend als een troepje schooljongens, die vacantie krijgen, de trap af. Zij waren reeds op straat, toen madame Majesté hen achterna snelde. Zij had blijkbaar op hun uitgaan geloerd.

“Mademoiselle, heeren, laat ik u even mogen gelukwenschen … Wij hebben van de buitengewone genade, die u ten deel gevallen is, gehoord, wij zijn zoo gelukkig en voelen ons zoo gevleid, dat de Heilige Maagd een van onze gasten heeft uitverkoren!”

Haar dor, hard gezicht was nu één vriendelijkheid; zij nam de door het wonder genezene met liefkoozende blikken op. Dan riep zij haar man, die juist voorbijging.

“Kijk toch eens manlief, dat is mademoiselle, dat is mademoiselle …”

Het gladgeschoren, van geel vet glimmende gezicht van Majesté kreeg een uitdrukking van vreugde en dankbaarheid.

“Inderdaad, mademoiselle, ik kan u niet zeggen hoe vereerd wij ons gevoelen … Wij zullen nooit vergeten, dat mijnheer uw vader bij ons gelogeerd heeft; dat alleen reeds maakt heel wat afgunstigen.”

Intusschen hield madame Majesté de andere gasten, die uitgingen, staande, wenkte de families, die reeds in de eetzaal zaten, zou de geheele straat binnengeroepen hebben, als zij daar den tijd voor gehad had, om te laten zien, dat zij in haar hotel het wonder had, waarover geheel Lourdes sedert den vorigen avond in stomme bewondering was.

“Kijk, dat is zij, het jonge meisje, u weet wel, het jonge meisje …”

Plotseling riep zij uit:

“Ik ga even Appoline uit het magazijn halen, Appoline moet mademoiselle zien.”

Doch met een waardig gebaar hield Majesté haar tegen.

“Neen, laat Appoline met rust, zij is bezig drie dames te helpen … Mademoiselle en de heeren zullen Lourdes zeker niet verlaten, zonder het een of ander te koopen. De kleine souvenirs, die je meeneemt, bekijk je later met zooveel pleizier! En onze gasten zijn altijd zoo welwillend nooit ergens anders iets te koopen dan bij ons in het magazijn, dat we aan het hotel verbonden hebben.”

“Ik heb reeds mijn diensten aangeboden,” drong madame Majesté aan; “Appoline zal zoo blij zijn mademoiselle het mooiste, wat wij hebben, en tegen ongelooflijke lage prijzen te laten zien. O, prachtige, prachtige dingen!”

Marie begon ongeduldig te worden, dat zij zoo opgehouden werd, terwijl die steeds grooter wordende nieuwsgierigheid om hen heen Pierre zeer onaangenaam aandeed. Mijnheer de Guersaint genoot echter van die populariteit, van dien triomf van zijn dochter. Hij beloofde terug te zullen komen.

“Natuurlijk komen we straks het een en ander koopen; souvenirs voor ons zelf en om cadeau te doen. Maar strakjes, als we terugkomen.”

Eindelijk konden zij wegkomen en liepen de avenue de la Grotte af. Het weer was prachtig na het onweer der twee vorige nachten. De afgekoelde ochtendlucht geurde heerlijk in de volle vroolijkheid der heldere zon. Een drukke, levenslustige menigte bewoog zich op de trottoirs. Welk een verrukking voor Marie, aan wie dat alles nieuw, bekoorlijk voorkwam, niet genoeg op prijs te stellen. ’s Morgens had zij moeten toestaan, dat Raymonde haar een paar laarzen leende, want in haar bijgeloof had zij zich er wel voor gewacht die in haar valies mede te nemen, uit vrees, dat die haar ongeluk zouden brengen. De laarzen stonden haar prachtig, met echt kinderlijke vreugde hoorde zij de hakken vroolijk op de steenen klikklakken. Zij kon zich niet herinneren ooit zulke witte huizen, zulke groene boomen, zulke vroolijke wandelaars gezien te hebben. Al haar wonderlijk fijn ontwikkelde zintuigen schenen te genieten: zij hoorde muziek, rook heerlijke geuren, proefde gretig de lucht als was deze een sappige vrucht. Maar het allerheerlijkste vond zij toch zoo aan den arm van haar vader te wandelen. Nog nooit was haar dat overkomen, al jaren lang droomde zij ervan als van een groot onmogelijk geluk, waarmede je je in zulke langdurige ziekten zoo dikwijls bezig houdt. En nu die droom werkelijkheid geworden was, jubelde haar hart luide op. Zij drukte zich tegen haar vader aan, trachtte goed rechtop te loopen, om hem eer aan te doen. En hij was heel trotsch en even gelukkig als zij, liet haar zien, liep als het ware met haar te koop; zijn hart was één en al vreugde haar, zijn bloed, zijn vleesch, zijn dochter, van nu af aan weer stralend van jeugd en gezondheid, tegen zich aan te voelen.

Toen zij het plateau de la Merlasse, dat reeds vol was met kaarsen- en bloemenverkoopsters, die den pelgrims haar koopwaren opdrongen, overgingen, riep mijnheer de Guersaint uit:

“Wij zullen toch niet met ledige handen naar de Grot gaan.”

Pierre, die aan den anderen kant naast Marie liep, bleef, medegesleept door de lachende vroolijkheid, waarin hij haar zag, staan. Onmiddellijk waren zij omringd door een zwerm koopvrouwen, wier hebzuchtige handen haar waren tot onder hun neus duwden. “Mooie juffrouw, goede heeren, koopt van mij, koopt van mij!” Zij moesten zich losrukken. Mijnheer de Guersaint kocht ten slotte den grootsten ruiker, een bouquet witte margerieten, rond en hard als een bloemkool, van een heel mooi, mollig en blond meisje van hoogstens twintig jaar, dat zich in haar onbeschaamdheid zoo weinig gekleed had, dat men de ronding van haar boezem onder haar half dicht geknoopt jakje zien kon. De bouquet kostte maar twintig sous; hij vond het vervelend die uit zijn slecht voorziene beurs te betalen en was eenigszins van zijn stuk gebracht door de manieren van die groote meid, terwijl hij bij zichzelf dacht, dat die wel op een andere manier haar brood zou verdienen, als de Heilige Maagd haar in den steek liet. Pierre betaalde de drie kaarsen, die Marie gekocht had van een oude vrouw, kaarsen van twee francs, heel goedkoop, zooals zij zeide. De oude vrouw, een hoekige figuur met een roofvogelneus en hebzuchtige oogen, putte zich in honingzoete dankbetuigingen uit: “Moge Notre-Dame de Lourdes u zegenen, schoone dame! Moge zij u en de uwen van uw ziekten genezen!” Dat vroolijkte hen weer op, lachend als kinderen bij de gedachte, dat die wensch der brave vrouw reeds een voldongen feit was, gingen zij verder.

In de Grot wilde Marie zich dadelijk bij de queue aansluiten, om, voor zij nog neerknielde, zelf de bloemen en de kaarsen te geven. Er waren nog niet veel menschen, zij gingen achter in de rij staan en kwamen na een minuut of drie vier aan de beurt! Met welk een verrukte blikken keek zij naar alles, naar het altaar met gegraveerd zilver, het harmonium, de geloftegiften, de van was druipende kandelaars, die in het volle daglicht vlamden! De Grot, die zij nog slechts uit de verte, van uit haar ziekenwagentje gezien had, ging zij nu binnen, zij ademde erin als in het paradijs zelf, badend in een lauwe warmte, in een zachten geur, die haar toch eenigszins bedwelmde. Toen zij de kaarsen in de groote mand neergelegd had en op haar teenen was gaan staan, om den ruiker boven aan een spijl van het hek te steken, kuste zij lang de rots onder het beeld der Heilige Maagd, op de plek, waar millioenen lippen die glad gemaakt hadden. En deze kus, welken zij aan dien steen gaf, was een kus van liefde, waarin zij al haar dankbaarheid legde, een kus, waarin haar hart wegsmolt.

Buiten gekomen, wierp Marie zich op haar knieën en verzonk in een eindeloos dankgebed. Haar vader was eveneens neergeknield en vereenigde zijn vurige dankbaarheid met de hare. Maar hij kon nooit lang zijn aandacht bij dezelfde zaak bepalen, hij begon wat onrustig te worden, fluisterde ten slotte zijn dochter in, dat hij nog een boodschap moest doen, waaraan hij daarnet niet gedacht had. Het zou maar het beste zijn, als zij bleef bidden, tot hij terugkwam. Terwijl zij bad, zou hij zich haasten, waarna zij dan op hun gemak zouden kunnen gaan wandelen. Zij begreep, ja verstond hem zelfs niet. Zij knikte alleen maar, beloofde hier te zullen blijven; ze was weer door zulk een geloofsverteedering aangegrepen, dat haar oogen, die steeds door op het witte beeld der Heilige Maagd gevestigd waren, nat werden van tranen.

Toen mijnheer de Guersaint zich weer bij Pierre, die zich wat op den achtergrond gehouden had, voegde, zeide hij:

“Het is een gewetensquaestie, ik heb den koetsier, die ons naar Gavarnie gereden heeft, beloofd, dat ik aan zijn patroon zou gaan vertellen waardoor wij zoo opgehouden zijn. Je weet wel, den kapper op de place du Marcadal. Trouwens, ik moet me toch ook even laten scheren.”

Ofschoon tegen zijn zin moest Pierre, toen mijnheer de Guersaint zeide, dat ze binnen een kwartiertje terug zouden zijn, wel meegaan. Maar daar het hem nog al ver voorkwam, stond hij van zijn kant erop een rijtuig te nemen, dat hij onder aan het plateau de la Merlasse zag wachten. Het was een soort groenachtige cabriolet; op den bok zat een koetsier, een flinke kerel van een jaar of dertig met een Baskische muts, een sigaret te rooken. Dwars over den bok zittend en met zijn beenen van elkaar reed hij met de rustige ongegeneerdheid van een man, die zich den meester van de straat voelt.

“Wacht maar even,” zeide Pierre, toen zij op de place du Marcadal uitstapten.

“Goed, mijnheer de abbé.”

En terwijl hij zijn mager paard in de volle zon liet staan, ging hij grapjes maken met een flinke, brutale meid, die in een fontein een hond aan het wasschen was.

Cazaban stond juist aan de deur van zijn winkel, welks groote spiegelruiten en lichtgroene verf het trieste, door de week steeds verlaten plein opvroolijkten. Wanneer het niet druk was, stond hij graag te geuren tusschen zijn twee groote vitrines, waarin pommadepotten en fleschjes parfum even zoo vele vroolijke plekken vormden.

Dadelijk herkende hij de heeren.

“Zeer gevleid, zeer vereerd … Gaat u, als het u blieft binnen!”

Bij de eerste woorden, die mijnheer de Guersaint zeggen wilde, om den koetsier, die hen naar Gavarnie gereden had, te verontschuldigen, was hij dadelijk zeer welwillend. Neen, natuurlijk, dat was de schuld van dien man niet, die kon niet beletten, dat er een wiel brak of dat er een onweer losbarstte. Wanneer de reizigers geen klachten hadden, dan was het in orde.

“O,” riep mijnheer de Guersaint uit, “een prachtig, een onvergetelijk land!”

“Welnu, mijnheer, als ons land u bevalt, dan zult u natuurlijk terugkomen, meer vragen we niet!”

Toen de architect op een der stoelen ging zitten en vroeg om geschoren te worden, werd hij een en al voorkomendheid. Zijn bediende was er niet, deed een paar boodschappen voor de pelgrims, die bij hem logeerden, een heele familie, welke een kist vol rozenkransen, gipsen beeldjes der Heilige Maagd en plaatjes onder glas mee wilde nemen. Op de eerste verdieping hoorde men zenuwachtig heen en weer loopen, heftige stemmen, kortom het gewone lawaai van menschen, die door een naderend vertrek opgewonden zijn en nog een berg van dingen in te pakken hebben. In de eetkamer, waarvan de deur open stond, slurpten twee kinderen hun chocolade leeg. Het geheele huis was verhuurd en aan de logé’s overgeleverd; het waren de laatste uren van deze vreemdelingen-invasie, die den kapper en zijn vrouw dwongen hun toevlucht te nemen in het sousterrein, een engen kelder, waarin zij op een kermisbed sliepen.

Terwijl Cazaban hem inzeepte, vroeg mijnheer de Guersaint:

“En is u nog al tevreden over het seizoen?”

“Zeker, mijnheer, ik heb niet te klagen. U hoort, mijn gasten vertrekken vandaag, maar morgen verwacht ik weer anderen; je hebt bijna geen tijd om de boel even schoon te maken.—En dat gaat zoo tot in October toe door.”

Daar Pierre op en neer bleef loopen of ongeduldig naar de muren stond te kijken, keerde hij zich beleefd om:

“Ga toch zitten, mijnheer de abbé, en neem een courant. Het zal niet lang duren.”

En toen de priester met een handgebaar te kennen gaf, dat hij liever bleef staan, ging de kapper in zijn voortdurende behoefte om te spreken voort:

“O, bij mij marcheert het altijd goed, mijn huis staat bekend om zijn zindelijke bedden en zijn goede keuken … Maar in de stad is men allesbehalve tevreden! Ja, ik zou bijna zeggen, dat ik nog nooit zoo’n ontevredenheid meegemaakt heb.”

Hij zweeg even, schoor de linkerwang, hield toen op en zeide plotseling in een kreet, dien de waarheid hem ontrukte:

“Mijnheer, de paters van de Grot spelen met vuur, dat is alles wat ik te zeggen heb.”

Toen was het hek van den dam, praatte hij aan één stuk door. Zijn groote oogen rolden in zijn lang gezicht met de vooruitstekende kaakbeenderen, den door den zon verbranden tint en de vele zomersproeten, terwijl zijn klein, zenuwachtig lichaampje schokte van zijn vele gebaren en woorden. Hij kwam op zijn acte van beschuldiging terug, vertelde de tallooze grieven, die de oude stad tegen de paters had. De hoteliers klaagden, de handelaren in religieuze artikelen verdienden nog niet de helft van vroeger; in het kort, de nieuwe stad legde beslag op de pelgrims en het geld, er was alleen nog maar wat te verdienen voor de pensions, de hotels en de winkels in de onmiddellijke nabijheid van de Grot. Het was een strijd op leven en dood, een van dag tot dag grooter wordende moorddadige vijandschap: de oude stad boette ieder seizoen iets van haar leven in en was ongetwijfeld veroordeeld om te verdwijnen, verstikt en vermoord te worden door de jonge stad. O, die vuile Grot! Hij zou liever zijn voeten laten afhakken dan ze daar neer te zetten. Was het niet schandelijk om naast de Grot een winkel van allerlei snuisterijen neer te plakken? Een echte schande, waarover een bisschop zoo verontwaardigd geworden was, dat hij er aan den paus over geschreven had! Hij, die er zich op beroemde een vrijdenker en een republikein van de oude garde te zijn, die reeds onder het keizerrijk op de candidaten der oppositie stemde, had toch zeker wel het recht om te zeggen, dat hij niet geloofde aan hun vuile Grot, dat hij die aan zijn laars lapte.

“Laat ik u eens één feit noemen, mijnheer. Ik weet het van mijn broer, die lid van den gemeenteraad is … Eerst moet ik u echter vertellen, dat wij tegenwoordig een republikeinschen gemeenteraad hebben, die zich den zedelijken achteruitgang van de stad zeer aantrekt. ’s Avonds kun je niet meer uitgaan zonder overal op straat snollen tegen te komen, die zoogenaamd kaarsen verkoopen. Zij geven zich af met de koetsiers, die in het seizoen hier komen, in het kort een verdacht zootje, dat God mag weten waarvandaan komt … Ook moet ik u even in een paar woorden de verhouding van de paters tegenover de stad uitleggen. Toen zij de terreinen van de Grot van de stad kochten, hebben zij een contract geteekend, waarbij zij zich uitdrukkelijk verbonden geen handel te drijven. Nu hebben zij ondanks hun belofte toch een winkel geopend. Dat is oneerlijke concurrentie, die fatsoenlijke menschen onwaardig is, dat zult u moeten toegeven … De nieuwe gemeenteraad besloot dan ook een commissie naar de paters te zenden, om te eischen, dat zij zich aan hun contract zouden houden en hun uitdrukkelijk te gelasten, den winkel onmiddellijk te sluiten. En weet u wat zij geantwoord hebben, mijnheer?… O, wat ze al twintigmaal geantwoord hebben, wat ze altijd antwoorden, wanneer men ze aan hun verplichtingen herinnert: “Goed, we zullen ze houden, maar wij zijn meester in ons eigen huis, en we sluiten de Grot.””

Hij was rechtop gaan staan, zwaaide met zijn scheermes in de lucht en herhaalde, terwijl hij de woorden scandeerde en zijn oogen, die door deze enormiteit nog grooter geworden waren, wijd opensperde:

“Wij sluiten de Grot.”

Pierre, die nog steeds op en neer liep, bleef plotseling staan en zeide hem vlak in zijn gezicht:

“Dan had de gemeenteraad moeten antwoorden: “Sluit haar!””

Cazaban stikte bijna. Het bloed stroomde naar zijn gezicht.

“De Grot sluiten!… De Grot sluiten!” stamelde hij.

“Ja, natuurlijk! Die Grot ergert jullie immers toch zoo! Zij is immers één voortdurende oorzaak van oorlog, van onrechtvaardigheid, van bederf! Dan zou het uit zijn, zou je er niet meer over hooren praten … Werkelijk, dat zou een prachtige oplossing zijn, en wanneer men daartoe de macht bezat, zou men u een dienst bewijzen door de paters te dwingen hun bedreiging uit te voeren.”

Hoe langer Pierre sprak, des te meer zakte de woede van Cazaban. Hij werd kalm en wat bleek. In zijn groote oogen zag de priester een zekere ongerustheid grooter worden. Was hij niet te ver gegaan in zijn hartstocht tegen de paters? Vele geestelijken waren alles behalve met hen ingenomen, misschien was deze jonge priester alleen maar naar Lourdes gekomen, om een campagne tegen hen op touw te zetten? En wie kon zeggen wat er dan gebeuren zou? Mogelijk zou het op den duur leiden tot een sluiting van de Grot. En daar leefde men toch alleen van. Al ging de oude stad te keer, omdat zij slechts de kruimels kreeg, toch was zij altijd nog blij met dat buitenkansje; en de vrijdenkers zelf, die geld uit de pelgrims sloegen, zwegen verschrikt en met een onbehaaglijk gevoel, zoodra men het ten opzichte van de leelijke schaduwzijde van het nieuwe Lourdes te zeer met hen eens was. Men moest voorzichtig zijn.

Cazaban ging weer naar mijnheer de Guersaint terug. Hij begon met de andere wang te scheren en zeide op onverschilligen toon:

“Wat ik van de Grot zeg, dat zeg ik niet, omdat zij mij hindert. En trouwens, iedereen moet leven.”

In de eetkamer hadden de kinderen, die een oorverdoovend geschreeuw aanhieven, een der koppen chocolade gebroken. Weer zag Pierre de vrome plaatjes, de Heilige Maagd van gips, waarmede de kapper, om zijn huurders pleizier te doen, het vertrek versierd had. Van de eerste verdieping schreeuwde een stem, dat de koffer dicht was en dat de bediende zeker wel zoo goed zou willen zijn om dien, wanneer hij thuis kwam, met een touw toe te komen binden.

Maar Cazaban bleef tegenover de twee heeren, die hij per slot van rekening toch niet kende, wantrouwend en verlegen; allerlei verontrustende veronderstellingen spookten door zijn brein. Het bracht hem bijna tot wanhoop, dat hij ze zoo, zonder iets van hen te weten, moest laten gaan, nadat hij zichzelf zoo gecompromitteerd had. Als hij zijn al te heftige woorden tegen de paters nog maar had kunnen intrekken. Toen mijnheer de Guersaint opstond, om zich af te wasschen, kon hij niet langer weerstand bieden om het gesprek weer te beginnen.

“Hebt u al gehoord van het wonder van gisteren? De heele stad is er vol van, zeker al twintig menschen hebben het me verteld … Ja, het schijnt, dat zij een buitengewoon wonder te boeken hebben, een jonge dame, die verlamd was en die opgestaan is en haar wagentje tot in het koor der Basilica gereden heeft.”

Mijnheer de Guersaint, die, na zich afgedroogd te hebben, weer wilde gaan zitten, lachte welgevallig:

“Die jonge dame is mijn dochter.”

Cazaban straalde van blijdschap, dat hij op den gelukkigen inval gekomen was daarover te beginnen. Gerustgesteld, manoeuvreerde hij magistraal met zijn kam, terwijl hij zijn gebaren- en woordenstroom weer terugvond.

“Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, en het is mij een groote eer, u onder mijn handen gehad te hebben … Nu mademoiselle genezen is, is dat voldoende voor het vaderhart, niet waar?”

Ook voor Pierre had hij een vriendelijk woord. Toen hij er eindelijk toe kwam hen te laten gaan, keek hij den priester diep getroffen aan en zeide als een verstandig man, die een definitief oordeel over de wonderen wilde vellen:

“Er komen van die voor iedereen gelukkige wonderen voor, mijnheer de abbé. Van tijd tot tijd moeten we er zoo een hebben.”

Buiten moest mijnheer de Guersaint den koetsier gaan halen, die nog steeds grapjes stond te maken met de meid, wier druipnatte hond zich in de zon stond uit te schudden. Binnen vijf minuten bracht het rijtuig hen beneden aan het plateau de la Merlasse terug. De heele tocht had ongeveer een half uur in beslag genomen. Pierre wilde het rijtuig houden met het plan Marie de stad te laten zien, zonder haar al te veel te vermoeien. Terwijl de vader Marie bij de Grot ging halen, bleef hij onder de boomen wachten.

Onmiddellijk knoopte de koetsier een gesprek met den priester aan. Hij had een nieuwe sigaret aangestoken en deed dadelijk heel familiaar. Hij beklaagde zich volstrekt niet, dat hij uit een dorpje in de omstreken van Toulouse hierheen gekomen was, want hij verdiende hier te Lourdes een prachtig daggeld. Je at er goed, je amuseerde je best, je kon het een Luilekkerland noemen. Hij zeide die dingen met de nonchalance van een man, die niet veel last heeft van godsdienstige gewetensbezwaren, zonder echter den eerbied uit het oog te verliezen, dien hij aan een geestelijke verschuldigd was.

Eindelijk liet hij zich van af zijn bok, waarop hij half lag, terwijl zijn eene been hing te slingeren, zich langzaam de woorden ontvallen:

“Ja, mijnheer de abbé, Lourdes heeft goed opgenomen, maar het is de vraag, of het lang zoo zal duren.”

Getroffen door dit woord, overwoog Pierre er de diepe beteekenis van, toen mijnheer de Guersaint met Marie terugkwam. Hij had haar nog op dezelfde plaats, in hetzelfde dankgebed verdiept, aan de voeten der Heilige Maagd teruggevonden; het leek alsof zij den geheelen gloed der Grot in haar oogen had medegebracht, zoo schitterde zij van hemelsche vreugde over haar genezing. Neen, zij weigerde beslist te rijden. Neen, neen, zij wilde veel liever loopen; het kon haar niet schelen of zij de stad zag of niet; als zij nog maar een uurtje aan den arm van haar vader door de tuinen, door de straten, over de pleinen wandelen kon! Toen Pierre den koetsier betaald had, sloeg zij een laantje van den tuin der Esplanade in en vond het heerlijk zoo met kleine pasjes langs de met bloembedden versierde grasperken onder de groote boomen te wandelen. Het was zoo mooi, zoo frisch, al dat gras, al die bladeren, die schaduwrijke, eenzame lanen, waarin men het eeuwige ruischen van den Gave hoorde. Dan wilde zij weer terug naar de drukke straten, om er de beweging, het lawaai, het leven, waarnaar haar geheele hart uitging, terug te vinden.

Toen in de rue Saint-Joseph Pierre’s oog op het Panorama viel, waarin men de oude Grot met de knielende Bernadette op den dag van het kaarsenwonder zag, kwam hij op het denkbeeld te gaan kijken. Marie was er zoo blijde als een kind over, terwijl mijnheer de Guersaint eveneens de meest onschuldige vreugde liet blijken, vooral toen hij merkte, dat er onder de menigte pelgrims, die zich met hen in de donkere gang verdrongen, verschillende waren, die in zijn dochter de jonge wonderdadig genezene herkenden, wier naam van mond tot mond vloog. Toen men boven op de hooge estrade in het matte licht kwam, dat door een soort velum gedempt werd, werd Marie een soort ovatie gebracht, ontstond er een zacht fluisteren, werden verrukte blikken op haar geworpen, voelden allen een extatische behoefte om haar te zien, haar na te loopen, haar aan te raken.

Het was, alsof een stralenkrans haar omgaf, van nu af aan zou zij overal waar zij kwam, zoo bemind worden. Om haar wat te doen vergeten, stelde de beambte, die met de verklaring belast was, zich aan het hoofd der kleine groep bezoekers, liep met hen rond en vertelde de episode, die het groote, kringvormige, honderd zes-en-twintig meter lange doek voorstelde. Het bracht de zeventiende verschijning van de Heilige Maagd aan Bernadette in beeld, den dag, waarop zij, neergeknield voor de Grot, uit onachtzaamheid gedurende het visioen haar hand op de vlam van de kaars gehouden had, zonder die te branden: het geheele oude landschap der Grot was hersteld, het geheele tooneel was weergegeven met de historische personen, den dokter, die met zijn horloge in zijn hand het wonder constateerde, den burgemeester, den commissaris van politie, den officier van justitie, wier namen de beambte te midden van de verrukte uitroepen van het publiek, dat hem volgde, noemde.

Toen kwamen door een onwillekeurige gedachten-associatie Pierre de woorden weer voor den geest, die de koetsier tegen hem gezegd had: “Lourdes heeft goed opgenomen, maar het is de vraag, of het lang zoo duren zal.” Inderdaad, dàt was de vraag. Hoeveel gewijde heiligdommen waren niet reeds zoo gebouwd op aanwijzing van onschuldige kinderen, uitverkoren onder allen en aan wie de Heilige Maagd verschenen was! Altijd weer was het dezelfde geschiedenis: een verschijning, een herderinnetje, dat men vervolgde en voor leugenaarster uitmaakte, dan een onbewuste drang van de menschelijke ellende, die naar illusie snakte, vervolgens de propaganda, de triomf van het als een vuurtoren stralende heiligdom, en eindelijk de achteruitgang, het verval, de vergetelheid, wanneer elders een ander heiligdom uit den visionnairen droom van een andere zieneres ontstond. Het leek wel alsof de macht der illusie versleten geraakte, alsof men het in den loop der eeuwen moest verplaatsen, het opnieuw opbouwen moest in andere decors, om de macht en de kracht ervan te herstellen. La Salette had de vroegere genezende Maagden van hout of steen onttroond, Lourdes had La Salette onttroond, om straks op zijn beurt ook weer onttroond te worden door de Notre-Dame van morgen, die met haar vriendelijk, glimlachend gelaat zou verschijnen aan een rein kind, dat nog geboren moest worden.

Dat Lourdes een zoo snellen, zoo wonderbaarlijk vluggen opbloei gehad had, dankte het ongetwijfeld aan het oprechte, eerlijke zieltje, aan de heerlijke bekoring van Bernadette. Hier geen bedrog, geen leugen, maar alleen de bloem van het lijden, een zwak, ziekelijk meisje, dat aan het lijdende volk in het wonder den droom van gerechtigheid en gelijkheid bracht. Zij was de eeuwige hoop, de eeuwige vertroosting. Bovendien schenen alle historische en maatschappelijke omstandigheden samengewerkt te hebben om aan het einde van een verschrikkelijke eeuw van empiristische onderzoekingen en nasporingen den drang naar die mystieke vlucht te versterken; daarom zou Lourdes ongetwijfeld nog lang in zijn triomf blijven voortbestaan, alvorens het niets meer zijn zou dan een legende, een van die doode godsdiensten met een sterken, maar vervluchtigden geur.

O, dat oude Lourdes, die stad van vrede en van geloof, de eenig mogelijke wieg, waarin de legende geboren kon worden! Wat kon Pierre het zich makkelijk voor den geest roepen, toen hij het lange doek van het Panorama omwandelde! Dit doek zeide alles, het gaf het beste uitsluitsel over de dingen, dat men geven kon. Naar de eentonige verklaringen van den beambte behoefde men niet te luisteren; het landschap sprak voor zichzelf. In de eerste plaats de Grot, het rotshol aan den oever van den Gave, een woeste plek voor droomen, met struikgewas bedekte hellingen, ineenstortingen van steenen zonder een gebaanden weg; en verder niets, geen verfraaiïngen waren nog aangebracht, geen monumentale kade, geen lanen in Engelsche tuinen, die zigzagden tusschen mooi geschoren hagen, geen prachtig ingerichte, maar misvormde, door een hek afgesloten Grot, en vooral geen winkel van religieuze artikelen, nog geen winkel van simonie, die een ergernis was voor vrome zielen.

De Heilige Maagd had in de woestijn geen bekoorlijker plekje kunnen kiezen om zich aan de uitverkorene van haar hart te openbaren, het arme meisje, dat hier rondliep met den droom van haar pijnlijke nachten, en dood hout sprokkelde. Verder zag hij aan de overzijde van den Gave, achter de rots van het Kasteel, het oude, in vol geloofsvertrouwen ingeslapen Lourdes.

Een andere eeuw rees voor zijn oog op, een klein stadje met zijn nauwe, met kiezelzand geplaveide straatjes, zijn zwarte huisjes, zijn oude, half-Spaansche kerk vol oude beeldhouwwerken, bevolkt met gouden visioenen en geschilderde beelden. Tweemaal per dag kwamen de diligences van Bagnères en Cauterets, die de Lapaca moesten doorwaden, om daarna de steile helling van de rue Basse op te rijden. De geest der eeuw was nog niet over deze vredige daken gestreken, welke de altijd nog kinderlijk gebleven bevolking beschermden, die zich nog steeds voegde in den nauwen band van een strenge, godsdienstige tucht. Geen overdadige weelde, een kalme, eeuwenoude handel was voldoende voor het dagelijksche leven, een armzalig-eenvoudig leven, welks ruwheid de beste bescherming voor de goede zeden was. Nooit had Pierre beter begrepen hoe Bernadette, de dochter van dat land van geloof en strenge zeden, er gebloeid had als een natuurroos, ontloken op de wilde rozestruiken langs den weg.

“Het is toch wel interessant,” zeide mijnheer de Guersaint, toen zij weer op straat waren. “Ik ben blij, dat ik het gezien heb.”

Ook Marie glimlachte vergenoegd.

“Niet waar, papa, je zoudt denken, dat het echt was. Soms is het net, alsof de menschen zich bewegen willen … En hoe verrukkelijk is Bernadette, zooals zij daar in extase geknield ligt, terwijl de vlam van de kaars om haar vingers lekt, zonder een brandwond achter te laten.”

“Kom,” begon de architect weer, “we hebben niet meer dan een uur; als we nog wat willen koopen, moeten we niet al te lang meer wachten. Willen we eens in de winkels gaan kijken? Wij hebben wel aan Majesté beloofd hem de voorkeur te geven, maar dat belet ons niet, om ook verder eens rond te kijken. Wat zeg jij ervan, Pierre?”

“Net zoo als u wilt, hoor!” antwoordde de priester. “We wandelen dan gelijk nog wat.”

En hij volgde het jonge meisje en haar vader, die naar het plateau de la Merlasse teruggingen. Na zijn bezoek aan het Panorama had hij het vreemde gevoel, als was hij in een heel ander land gekomen. Het was, alsof men hem plotseling van de eene stad in een andere gezet had, die er eeuwen ver van verwijderd lag. Hij verliet de eenzaamheid, den ingesluimerden vrede van het oude Lourdes, die nog versterkt werd door het matte licht van het velum, om plotseling neer te vallen in het nieuwe, stralende, luidruchtige Lourdes.

Het was nu even over tienen, op de trottoirs heerschte een levendige drukte, een dichte menigte, die voor het dejeuner de noodige inkoopen doen moest, om vervolgens alleen nog maar aan het vertrek te denken.

De duizenden pelgrims van de nationale bedevaart stroomden, in een laatste gedrang, door de straten, belegerden de winkels. Afgaande op het geschreeuw en lawaai en de herrie zou men hebben kunnen denken aan een kermis, die ten einde loopt. Vele pelgrims voorzagen zich van mondvoorraad voor de reis, plunderden de openluchtstalletjes, waarin men broodjes met worst en ham verkocht. Men kocht vruchten, men kocht wijn, manden vulden zich zóó met flesschen en vette papieren, dat zij bijna barstten. Een koopman, die met kaas liep te venten, zag zijn wagen eensklaps leeg, als was er een stormwind door geloeid.

Maar vooral kocht de menigte religieuze artikelen; ventende kooplui, wier wagentjes vol beeldjes en vrome prentjes waren, deden schitterende zaken. Voor de winkels werd queue gemaakt: vrouwen hadden buitengewoon groote rozenkransen om haar hals gedaan, hielden beeldjes der Heilige Maagd onder haar armen, droegen kruiken, om die in de Grot met het wonderdoende water te vullen. Deze in de hand gedragen of aan een riem hangende kruiken, welke een tot tien liter bevatten konden, ten deele zonder beeld en ten deele met het portret van de Heilige Maagd in blauwe kleuren beschilderd waren, gaven met hun glans van nieuw blik en hun luid gerinkel iets vroolijks aan de menigte.

De koopwoede, het genot, om geld uit te geven en met zakken vol photographieën en medailles terug te keeren, deden de gezichten stralen met een feestelijken glans, veranderde de uitgelaten menigte in een kermistroep, die zijn schrokkige lusten bevredigt.

Op het plateau de la Merlasse kwam mijnheer de Guersaint een oogenblik in de verleiding, om een van de mooiste en drukste winkels binnen te gaan; op het uithangbord stond in groote letters: Soubirous, broeder van Bernadette.

“Als we hier onze inkoopen eens deden? Dat zou er meer lokale kleur aan geven, en onze souvenirs zouden er des te belangrijker door worden.”

Dan echter ging hij verder en herhaalde, dat men eerst alles zien moest.

Toen Pierre den winkel van Bernadette’s broeder zag, kreeg hij een gevoel, alsof hij een prop in zijn keel had. Het hinderde hem: de broer, die de Heilige Maagd verkocht, welke zijn zuster gezien had. Maar hij moest toch leven; en Pierre meende te weten, dat de familie der zieneres in haar winkel naast de van goud stralende Basilica, geen schitterende zaken maakte, zoo scherp was de concurrentie. Het mocht dan waar zijn, dat de pelgrims millioenen in Lourdes achterlieten, er waren meer dan tweehonderd handelaars in religieuze artikelen, ongerekend de hoteliers en pensionhouders, die het grootste gedeelte opstreken, zoodat de zoo vurige betwiste winsten ten slotte middelmatig waren. Het geheele plateau langs, rechts en links van Bernadette’s broer, waren nog andere winkels, één ononderbroken rij winkels naast elkaar, die alle afdeelingen van de door de stad gebouwde galerij innamen en de stad een jaarlijksche huursom van zestigduizend francs opbrachten. Het waren echte bazars, open etalages, die tot op het trottoir stonden en den menschen het loopen bemoeilijkten. Over een lengte van driehonderd meters waren er geen andere zaken: één stroom van rozenkransen, medailles, beeldjes, die eindeloos over de vitrines vloeide. De uithangborden verkondigden in reusachtige letters de meest vereerde namen: de H. Roch, de H. Jozef, Jeruzalem, de Onbevlekte Maagd, het Heilige Hart van Maria, in het kort het beste, wat het Paradijs bevatte om klanten te trekken.

“Ik geloof waarachtig,” zeide mijnheer de Guersaint, “dat het overal precies hetzelfde is. Laten we maar ergens binnengaan.”

Hij had er genoeg van, die eindelooze rij etalages maakte hem doodmoe.

“Maar daar u beloofd hebt bij mijnheer Majesté te koopen,” zeide Marie, die niet moede werd, “moesten we maar teruggaan.”

“Uitstekend, laten we naar Majesté gaan!”

Maar in de rue de la Grotte begonnen de winkels opnieuw. Aan beide kanten stonden zij dicht op elkaar; doch nu waren er ook juweliers, modewinkels, parapluiehandelaars, zelfs was er een confiseur, die doozen Lourdes-water-pastilles verkocht, op het deksel waarvan het beeld der Heilige Maagd geschilderd was. De vitrines van een photograaf lagen vol met gezichten van de Grot en van de Basilica, portretten van bisschoppen en van eerwaarde paters van alle orden, en ansichtskaarten uit de omstreken. Een boekwinkel stalde de laatste Katholieke publicaties uit, boeken met vrome titels, waaronder de talrijke boeken, die sedert twintig jaar over Lourdes verschenen waren en waarvan sommige een groot opzien verwekt hadden. Op dezen grooten, drukken weg vloeide de menigte in een breeden stroom, tinkelden de kruiken, was het één intense levensvreugde in de heldere zon, die de straat in haar geheele lengte bescheen. De beeldjes, de medailles, de rozenkransen schenen nooit op te houden, de eene etalage volgde op de andere, kilometers ver ging het zoo voort door de straten van de geheele stad, die een bazaar met steeds weer dezelfde artikelen scheen geworden te zijn.

Voor het Hôtel des Apparitions aarzelde mijnheer de Guersaint nog even.

“Dus goed afgesproken, we zullen hier onze inkoopen doen.”

“Natuurlijk,” zeide Marie. “Kijk eens hoe mooi de winkel is.”

Zij ging het eerst den winkel binnen, werkelijk een der grootste van de straat en die de geheele linkerhelft van den rez-de-chaussée van het hotel besloeg. Mijnheer de Guersaint en Pierre volgden haar.

Appoline, de nicht van Majesté, die met den verkoop belast was, stond op een klein trapje, om uit een hooge lade wijwaterbakjes te krijgen, die zij moest laten zien aan een jongen man, een eleganten brancarddrager met mooie, gele slobkousen. Zij lachte met het gekir van een tortelduif en zag er bekoorlijk uit met haar dikke zwarte haren, haar prachtige oogen in een iets te vierkant gezichtje met het rechte voorhoofd, de breede wangen en de dikke, roode lippen. Pierre zag heel duidelijk, hoe de hand van den jongen man aan den rand van de rok het ondergedeelte van een been streelde, dat zich daar blijkbaar met die bedoeling had neergezet. Het was een visioen van een seconde. Reeds was het jonge meisje lenig van het trapje gesprongen en vroeg:

“Dus u gelooft niet, dat dit model bakje in den smaak van uw tante zal vallen?”

“Neen, heelemaal niet,” antwoordde de brancardier, terwijl hij wegging; “zie, dat u het andere model krijgt. Ik ga morgen pas weg en kom nog wel terug.”

Toen Appoline hoorde, dat Marie de wonderdadig genezene was, over wie madame Majesté sinds den vorigen avond aan één stuk door sprak, was zij dadelijk zeer voorkomend. Zij keek naar haar met haar vriendelijk glimlachje, waarin een zweempje verbazing en discreet ongeloof was, zoo iets als de geheime spot van een knap, op haar eigen lichaam verliefd meisje, tegenover een kinderlijke, achterlijk gebleven maagdelijkheid. Maar handig verkoopster als zij was, putte zij zich uit in vriendelijke woorden.

“O mademoiselle, hoe heerlijk u iets te mogen verkoopen! Het aan u volbrachte wonder is zoo buitengewoon mooi!… Het geheele magazijn staat voor u open. Wij hebben een prachtige keus.”

Marie werd een beetje verlegen.

“Dank u, heel vriendelijk van u … Wij komen maar een paar kleinigheden koopen.”

“Als u het goed vindt,” zeide mijnheer de Guersaint, “dan willen we graag even rondkijken.”

“Uitstekend, mijnheer, kies zelf uit, dan kunnen we straks verder zien.”

Toen er andere koopers binnenkwamen, vergat Appoline hen al gauw en vatte haar taak als knappe verkoopster weer op met vleiende woorden, verleidelijke bewegingen, vooral voor de mannen, die zij nooit liet vertrekken of zij moesten hun zakken vol hebben.

Van den louis d’or, dien Blanche mijnheer de Guersaint bij het vertrek als zakgeld toegestopt had, waren nog twee francs over. Hij durfde dan ook in zijn keus niet al te ver te gaan. Maar Pierre verklaarde, dat het hem hoogst onaangenaam zijn zou, als men hem niet toestond hun de enkele souvenirs, die zij uit Lourdes wilden meenemen, aan te bieden. Toen kwamen zij overeen, dat zij eerst een cadeau voor Blanche zouden uitzoeken en dat Marie en haar vader ieder het souvenir, dat het meest in hun smaak viel, nemen zouden.

“Laten we ons niet overhaasten,” herhaalde mijnheer de Guersaint eenige malen vroolijk. “Zoek goed uit, Marie … Waar zouden we Blanche het meeste pleizier mee doen?”

Alle drie keken ze en zochten ze. Naarmate zij meer zagen, werd hun besluiteloosheid echter grooter. Het groote magazijn met zijn vele toonbanken, vitrines en kastjes, die het van boven naar beneden versierden, was een zee met tallooze golven, een overvloed van alle mogelijke en onmogelijke religieuze artikelen. Er waren rozenkransen, heele ritsen rozenkransen, die aan de muren hingen, hoopen rozenkransen in de laden, vanaf de gewoonste rozenkransen van twintig sous het dozijn tot rozenkransen van reukhout, van agaat, van lazuursteen, die met goud en zilver opgelegd waren, sommige waren zóó lang, dat men ze dubbel om den hals en het middel dragen kon, hadden zorgvuldig bewerkte kralen, groot als noten en door doodskoppen van elkaar gescheiden. Er waren medailles, een regen van medailles, medailles in volle doozen, van alle grootten, van alle metalen, goedkoope en kostbare, met verschillende opschriften, medailles, die de Basilica, de Grot, de Onbevlekte Ontvangenis voorstelden, gegraveerd, gedreven, geciseleerd, geëmailleerd, met de hand bewerkt of bij het gros tegelijk machinaal vervaardigd.

Er waren beeldjes van Heilige Maagden, kleine, groote, van zink, van hout, van ivoor, van gips vooral, sommige geheel wit, andere beschilderd met levendige bloemen; tot in het oneindige gaven zij de door Bernadette gemaakte beschrijving weer: het vriendelijk lachende gezicht, de zeer lange sluier, de blauwe sjerp, de gouden rozen op de voeten, maar met kleine variaties voor ieder model, om daardoor den eigendom van den vervaardiger te beschermen. Verder was er nog een andere vloed van religieuze artikelen: de honderd verschillende scapulieren, duizenden afdrukken van vrome plaatjes, fijnbewerkte gravures, schreeuwende lithographieën, die verdronken in een zee van kleine gekleurde, vergulde, geverniste, met bouquetjes beschilderde en kant versierde plaatjes. Ook waren er bijouterie-artikelen, ringen, broches, armbanden met steenen en kruisen en versierd met heilige figuren. Eindelijk nog een zondvloed van galanterieën: potloodhouders, porte-monnaies, sigarenpijpjes, presse-papiers, vouwbeenen, tot tabaksdoozen toe, tallooze voorwerpen, waarop onophoudelijk de Basilica, de Grot, de Heilige Maagd terugkwamen, die op alle wijze en volgens alle bekende procédés gereproduceerd waren. In een kast met vijftig-centimes-artikelen lag een opeenstapeling van servetringen, eierdopjes en houten pijpen, waarop de verschijning van Notre-Dame de Lourdes uitgesneden was.

Langzamerhand begon mijnheer de Guersaint er een walg van te krijgen; de geprikkeldheid van iemand, die zich verbeeldt een kunstenaar te zijn, had zich van hem meester gemaakt.

“Het is afschuwelijk, het eene is nog leelijker dan het andere,” herhaalde hij bij ieder nieuw artikel, dat hij bekeek.

Hij gaf zijn hart lucht door Pierre te herinneren aan de mislukte poging, die hij gedaan had, om een omwenteling te brengen in de religieuze platendrukkerij. De overblijfselen van zijn fortuin waren erin gebleven, wat hem tegenover de jammerlijke dingen, waarmede het magazijn volgepropt was, nog strenger maakte. Had iemand ooit zulke dwaas-leelijke en daarbij toch zoo pretentieuse dingen gezien? De alledaagschheid van het denkbeeld en de onnoozelheid in de uitdrukking vonden een waardigen tegenhanger in de banale uitvoering. Het had iets van een modeplaat, van de deksels van bonbondoozen, van wassen poppen, die in de etalages van kappers staan: het was een valsch-mooie, pijnlijk-hinderlijke kunst zonder eenig menschelijk gevoel, zonder uitdrukking, zonder eenige echtheid. De architect, eenmaal op zijn praatstoel, wist niet van ophouden, sprak nu ook zijn afkeuring uit over de gebouwen van het nieuwe Lourdes, de jammerlijk-leelijke inrichting van de Grot, het afschuwelijke van de kolossale hellingen, de ongelukkige wanverhoudingen van de Rozenkranskerk en van de Basilica, gene te zwaar en precies een graanschuur, deze mager als een aan bloedarmoede lijdend gebouw zonder eenigen stijl.

“Waarachtig,” zoo zeide hij ten slotte; “je moet wel veel van de Heilige Maagd houden, om haar tusschen dergelijke monstruositeiten te komen vereeren. Zij hebben alles bedorven en verknoeid, alsof zij er pleizier in hadden, zonder dat één van hen ook maar een minuut van ontroering, van echte naïeveteit, van het oprechte geloof gehad heeft, dat kunstwerken wrocht. Allemaal stomkoppen, allemaal naäpers, geen een, die zijn bloed en zijn ziel gegeven heeft. Wat zal hen dan wèl kunnen inspireeren, wanneer zij niets grootsch te voorschijn hebben kunnen roepen uit dit land van het wonder?”

Pierre gaf geen antwoord. Maar hij werd bijzonder getroffen door deze beschouwingen, eindelijk kon hij nu zich verklaren waarom hem onmiddellijk bij zijn aankomst een gevoel van onbehagen had aangegrepen. Het kwam voort uit den wanklank tusschen het geheel moderne milieu en het geloof der vervlogen eeuwen, dat men weer tot nieuw leven trachtte te wekken. Hij riep zich de oude kathedralen voor den geest, waarin dit geloof der volkeren nog na-huiverde; hij zag weer de oude voorwerpen van den eeredienst, de heiligenbeelden, de goudsmeedkunst, de heiligen van hout en steen met hun wonderbaar krachtige uitdrukking. In die oude, lang vervlogen tijden geloofden de meesters, gaven zij, zooals mijnheer de Guersaint zeide, hun bloed en hun ziel. En nu bouwden de architecten de kerken met dezelfde rustige kunde als waarmede zij een huis van vijf verdiepingen bouwden, evenals de religieuze artikelen, rozenkransen, medailles, beeldjes per gros in de volkrijke buurten van Parijs vervaardigd werden door fuivende werklui, die nooit naar de kerk gingen.

Wat een lorrenpijperij om van te huilen, wat een onnoozele sentimentaliteit om je het hart in je lichaam te doen omkeeren! Lourdes was erdoor overstroomd, verwoest, zoo leelijk gemaakt, dat menschen met een klein beetje fijngevoeligen smaak, die er toevallig verdwaalden, er onpasselijk van werden. Dat alles vloekte brutaal met de wederopstanding, die men beproefd had, met de legenden, met de ceremoniën, de processies van gestorven eeuwen, en Pierre bedacht plotseling, dat de historische en maatschappelijke ondergang van Lourdes daarin lag, dat het geloof bij een volk voor eeuwig gestorven is, wanneer het dit niet meer legt in de kerken, die het bouwt, in de rozenkransen, die het vervaardigt.

Marie had voortdurend met kinderlijk ongeduld in de etalages gezocht; zij weifelde, kon niets vinden, dat den grootschen droom van verrukking, dien zij in zich bewaren wilde, waardig scheen.

“Vader, het wordt te laat, u moet mij naar het Hôpital brengen … En om er een eind aan te maken, ik zal aan Blanche deze medaille met den zilveren ketting geven. Dat is nog het eenvoudigste en het mooiste. Zij kan het als een aardige herinnering dragen … Ik voor mij neem dit beeldje van Notre-Dame de Lourdes, dat kleine model, dat vrij aardig beschilderd is. Ik zal het in mijn kamer zetten en altijd met frissche bloemen omgeven … Dat zal heel aardig zijn, niet?”

Mijnheer de Guersaint knikte goedkeurend. Dan zeide hij, op zijn eigen keus terugkomend:

“Lieve Hemel, ik weet heusch niet, wat ik nemen moet.”

Hij bekeek nog eens de ivoren penhouders, die in kogeltjes, zoo groot als erwten, eindigden, waarin mikroskopische photographieën zaten. En toen hij zijn oog voor een van die miniatuurgaatjes hield, om te kijken, riep hij verrukt uit:

“Kijk, het keteldal van Gavarnie!… Dat is wonderbaarlijk je ziet er alles op, hoe kan die kolos in dit kleine hokje?… Waarachtig, ik neem dien penhouder. Hij zal mij altijd aan mijn uitstapje herinneren.”

Pierre had eenvoudig een portret van Bernadette gekozen, het groote portret, dat haar knielend voorstelt, in haar zwarte kleedje, met een doek over haar haar geknoopt, het eenige, dat naar de natuur gemaakt is. Hij betaalde gauw, en ze wilden met hun drieën weggaan, toen madame Majesté binnenkwam en Marie met alle geweld een kleine herinnering wilde geven; dat zou haar winkel geluk aanbrengen.

“Neem als het u blieft een scapulier, mademoiselle, kijk, een van deze. De Heilige Maagd, die u uitverkoren heeft, zal het mij met voorspoed in zaken betalen.”

Zij sprak luid en maakte zooveel drukte, dat de koopers, waarmede de winkel vol stond, belangstellend naar het jonge meisje keken. Weer begon de populariteit om haar heen, die ten slotte zich ook meester maakte van de straat, toen madame Majesté in de deur van haar winkel ging staan, aan de kooplieden aan den overkant wenken gaf en zoo de geheele buurt in opschudding bracht.

“Gaan we nu eindelijk?” vroeg Marie, die hoe langer hoe meer verlegen werd. Doch haar vader hield haar nog tegen, toen hij een priester zag binnenkomen.

“Ha, mijnheer de abbé des Hermoises!”

Het was inderdaad de mooie, heerlijk geparfumeerde abbé in een fijne soutane; zijn frisch gezicht straalde van vroolijkheid. Hij had zijn reisgenoot van den vorigen dag niet gezien en was dadelijk naar Appoline toegegaan, die hij ter zijde nam.

Pierre hoorde hem half fluisterend zeggen:

“Waarom hebt u mij mijn drie dozijn rozenkransen vanochtend niet gebracht?”

Appoline lachte weer met het gekir van een tortelduif, terwijl zij hem, zonder te antwoorden, ondeugend van onder haar oogwimpers aankeek.

“Ze zijn voor mijn kleine biechtkinderen uit Toulouse, ik wilde ze onder in mijn koffer stoppen, en u hadt mij aangeboden mij bij het inpakken te helpen.”

Zij lachte nog altijd en keek hem weer coquet aan.

“Nu kan ik morgenochtend pas gaan. Breng ze me dan vanavond, als u vrij bent … Het is aan het eind van de straat bij madame Duchêne op den rez-de-chaussée … Wees nu eens aardig en kom zelf.”

Met haar roode lippen zeide zij eindelijk schertsend op een toon, die hem in onzekerheid liet, of zij haar belofte na zou komen:

“Zeker, mijnheer de abbé, ik zal komen.”

Zij werden gestoord: mijnheer de Guersaint ging den priester de hand drukken. Onmiddellijk begonnen zij over het keteldal van Gavarnie: een heerlijk uitstapje, dat zij nooit vergeten zouden. Dan maakten zij zich wat vroolijk over hun twee reisgenooten, weinig gefortuneerde priesters, heele brave menschen, om wier naïeve opmerkingen zij zoo hadden moeten lachen. De architect herinnerde er ten slotte zijn nieuwen vriend aan, dat hij wel zoo goed geweest was hem te beloven, iemand uit Toulouse, die tienmaal millionnair was, te interesseeren voor zijn studies op het gebied van bestuurbare ballons.

“Een eerste voorschot van honderd duizend francs zou wel voldoende zijn,” zeide hij.

“Reken op mij,” antwoordde abbé des Hermoises. “U zult de Heilige Maagd niet vergeefs gesmeekt hebben.”

Pierre, die het portret van Bernadette in zijn hand gehouden had, was getroffen door de sprekende gelijkenis van Appoline met de zieneres. Het was hetzelfde, ietwat plompe gezicht, dezelfde te sterk ontwikkelde mond, dezelfde prachtige oogen; hij herinnerde zich, dat madame Majesté hem reeds op deze buitengewone gelijkenis gewezen had, te meer daar Appoline dezelfde treurige jeugd te Bartrès gehad had, voordat haar tante haar bij zich genomen had, om haar in den winkel behulpzaam te zijn. Bernadette! Appoline! Wat een vreemde toenadering! Welk een onverwachte reïncarnatie in een tijdsverloop van dertig jaar! En plotseling rees met deze zoo coquet lachende Appoline, die afspraakjes maakte, en over wie de aardigste praatjes in omloop waren, het nieuwe Lourdes voor zijn oogen op: de koetsiers, de kaarsenverkoopsters, de kamerverhuursters, die zich bij het station aan het publiek opdrongen, de honderden pensions met hun kleine, discrete kamertjes, de zwerm van vrije priesters en hartstochtelijke hospitaliteitsdames.

Dan dacht hij aan het door den regen van millioenen ontketende geschacher; aan de stad, die geheel aan hebzucht overgeleverd was; aan de winkels, die de straten in bazars veranderden en elkaar dood concurreerden; aan de hotels, die van de pelgrims leefden, tot de Blauwe Zusters toe, die een table-d’hôte hielden, tot de paters der Grot toe, die geld sloegen uit hun God! Hoe troosteloos treurig was het toch! Het visioen van de zoo reine Bernadette bracht de menigte in geestdrift, deed haar zich storten op de illusie van het geluk, voerde een stroom van goud aan, en van dien dag af was alles bezoedeld! Het was voldoende geweest, dat het bijgeloof zijn adem over de wereld liet gaan, dat de menschen zich ophoopten, dat het geld werd aangedragen, om dit tot dusverre zoo eerlijke en fatsoenlijke hoekje der aarde voor eeuwig te bederven. Waar de reine lelie vroeger bloeide, schoot nu in de nieuwe humus van heb- en genotzucht de roos der zinnelijkheid op. Sedert een onschuldig kind de Heilige Maagd gezien had, was uit Bethlehem Sodom ontstaan.

“Nu, wat heb ik u gezegd!” riep madame Majesté uit, toen zij zag, dat Pierre zijn nicht met het portret vergeleek. “Appoline en Bernadette lijken op elkaar als twee druppels water.”

Het jonge meisje kwam met haar vriendelijk glimlachje, eerst gevleid door de vergelijking, wat dichter bij.

“Laat eens kijken!” zeide abbé des Hermoises belangstellend.

Hij nam het portret, vergeleek op zijn beurt en riep verwonderd:

“Het is verwonderlijk, dezelfde trekken … Ik had het nog niet opgemerkt.”

“Toch geloof ik,” zeide Appoline, “dat zij een dikkeren neus heeft.”

Toen riep de abbé bewonderend uit:

“O, u bent veel knapper, veel knapper, dat is zoo … Maar dat neemt niet weg, dat men u voor twee zusters zou houden.”

Pierre kon een lachje niet onderdrukken, zoo zonderling vond hij het woord. Ach, de arme Bernadette was dood en had geen zuster. Zij zou niet kunnen herboren worden, zij was niet meer mogelijk in dit land van lawaai en hartstocht, dat zij van Lourdes gemaakt had.

Eindelijk ging Marie aan den arm van haar vader weg; zij spraken af, dat zij samen haar in het Hôpital zouden komen halen, om met hun drieën naar het station te gaan. Op straat stonden meer dan vijftig personen als in extase te wachten. Men groette haar, liep haar na, een vrouw liet de japon der wonderdadig genezene aanraken door haar ziek kind, waarmede zij terugkwam van de Grot.

III.

Reeds om half drie stond de witte trein, die om tien minuten over half vier van Lourdes zou vertrekken, langs het tweede perron. Hij had drie dagen lang, geheel geformeerd, zóó als hij van Parijs gekomen was, op een zijspoor staan wachten, en sedert men hem naar het tweede perron gerangeerd had, wapperden witte vlaggen op het eerste en laatste rijtuig, om hem kenbaar te maken voor de pelgrims. De veertien treinen der nationale bedevaart zouden dien dag alle weer teruggaan. Om tien uur was de groene trein vertrokken, daarna de rose en de gele, terwijl, na den witten, de andere, de oranjekleurige, de grijze en de blauwe volgen zouden. Het was voor het stationspersoneel een zware dag, een lawaai en een gedrang, dat de beambten half gek maakte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings