EERSTE DAG (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
“Ze hebben me beloofd de boodschap, zoodra hij terugkwam, aan hem over te brengen en hem met het Heilig Oliesel hierheen te zenden.”
Het was een ware ramp voor zuster Hyacinthe. Nu de wetenschap niets meer vermocht, zou het Heilig Oliesel misschien den zieke verlichting gegeven hebben. Dat had zij reeds meermalen gezien.
“O, lieve zuster, wat spijt me dat vreeselijk … U weet niet, hoe lief het van u zou zijn, als u zelf ging kijken, of de pater terugkomt, om hem dadelijk hier te brengen.”
“Ik zal het doen, lieve zuster,” antwoordde zuster Claire des Anges gedwee en ging, terwijl zij met de lenigheid van een schim door de menigte gleed, weer met haar ernstig en geheimzinnig uiterlijk weg.
Diep bedroefd, dat hij zuster Hyacinthe het genoegen niet kon doen den man weer tot het bewustzijn terug te roepen, bleef Ferrand den zieke aankijken. En toen hij door een gebaar zijn onmacht te kennen gaf, vroeg zij hem op smeekenden toon:
“Blijf bij mij, mijnheer Ferrand, tot de pater er is … dan zal ik wat rustiger zijn.”
Hij bleef en hielp haar den man, die van de bank dreigde te vallen, weer wat oprichten. Dan nam zij een doek en veegde zijn gezicht af, dat telkens weer met een dik zweet bedekt werd. En het wachten duurde voort te midden van het onbehaaglijk gevoel van hen, die in den wagon gebleven waren, en van de nieuwsgierigheid der menschen, die zich langzamerhand voor den coupé verzamelden.
Een jong meisje baande zich vlug een weg door de menigte, stapte op de treeplank en vroeg aan madame de Jonquière:
“Waar blijft u toch, mama? De dames zitten aan het buffet op u te wachten.”
Het was Raymonde de Jonquière. Wat rijp reeds voor haar vijf-en-twintig jaar, leek zij met haar donkeren tint, haar krachtigen neus, haar grooten mond en haar vol, mollig figuur sprekend op haar moeder.
“Maar je ziet toch, kindlief, dat ik die arme vrouw niet in den steek kan laten.”
Zij wees op la Grivotte, die juist weer in een vreeselijke hoestbui lag te schokken.
“Hoe jammer, mama! Madame Désagneaux en madame Volmar hadden zich juist zooveel van dat déjeunertje met ons vieren voorgesteld!”
“Wat kan ik er aan doen, lieve kind?… Begin maar zonder mij en zeg aan de dames, dat ik zoo gauw als ik kan, komen zal.”
Dan plotseling een inval krijgend:
“Wacht, daar is de dokter! Ik zal zien, of ik hem de zorg van mijn zieke kan overdragen … Ga maar vooruit; ik kom dadelijk. Ik heb zoo’n vreeselijken trek.”
Raymonde ging vlug naar het buffet terug, terwijl madame de Jonquière aan Ferrand vroeg bij haar te komen, om te zien of hij la Grivotte misschien wat verlichting geven kon. Reeds had hij op verzoek van Marthe broeder Isidore, wiens steunen en kreunen maar niet ophield, onderzocht; en weer had hij met een gebaar van wanhoop zijn onmacht te kennen moeten geven. Hij richtte de teringlijdster wat op in de hoop daardoor de hoest wat tot bedaren te brengen, wat inderdaad eenigszins hielp. Vervolgens hielp hij madame de Jonquière de zieke een kalmeerend drankje in te gieten. Mijnheer Sabathier, die langzaam de druiven, welke zijn vrouw voor hem was gaan halen, op zat te eten, vroeg hem zelfs niets, daar hij het antwoord toch vooruit wist en de zaak moe was, nadat hij reeds, zooals hij zich uitdrukte, alle vorsten der wetenschap geraadpleegd had. Maar toch deed het hem goed, toen hij zag, hoe de dokter het arme meisje, wier nabijheid hem hinderde, oprichtte. Ook Marie keek met toenemende belangstelling naar hem, hoewel zij het niet durfde wagen hem voor zich zelf te roepen, zeker als zij was, dat hij haar toch niet helpen kon.
Op het perron werd het gedrang steeds grooter. Men had nog slechts een kwartier. Als ongevoelig, met wijdgeopende oogen, zonder nochtans iets te zien, verdoofde madame Vêtu haar pijnen in de gloeiende hitte der volle zon, terwijl madame Vincent nog steeds met denzelfden sussenden stap met de kleine Rose, licht als een ziek vogeltje, zoodat zij het gewicht niet eens op haar armen voelde, op en neer liep. Vele pelgrims haastten zich naar de fontein, om kannen, kruiken en flesschen te vullen. Madame Maze, die zeer op reinheid en zindelijkheid gesteld was, wilde er haar handen gaan wasschen; toen zij er echter bijkwam, vond zij er Elise Rouquet, die juist bezig was te drinken; verschrikt deinsde zij terug voor dit afschuwlijk wezen, die hondenkop met den uitgevreten bek, die de schuine spleet van haar mond uitstak, waaruit de tong slorpend neerhing; en allen beving met dezelfde huivering, dezelfde aarzeling om hun flesschen, kannen en kruiken te vullen uit dezelfde fontein, waaruit zij gedronken had. Een groot aantal pelgrims liep op het perron te eten. Men hoorde het rhythmische klepperen der krukken van een vrouw, die rusteloos door de verschillende groepen heen en weer liep. Op den grond schoof een man zonder beenen zich in zijn bak met moeite voort, om naar men wist niet wat te zoeken. Anderen zaten dicht bij elkaar op een hoop en bewogen zich niet meer. Het geheele voor een zoo korten tijd uitgestapte leger van zieken, dit rijdende hospitaal, dat voor een half uur ontruimd was, schepte te midden van het drukke, onophoudelijke heen en weer loopen der gezonden, in de volle brandende middagzon versche lucht.
Pierre verliet Marie niet meer, want mijnheer de Guersaint was, aangetrokken door het groene stukje land, dat men aan het einde van het station zag, verdwenen. De jonge priester, die vol bezorgdheid merkte, dat zij den bouillon niet naar binnen krijgen kon, trachtte glimlachend de snoeplust der zieke te prikkelen door haar aan te bieden een perzik voor haar te gaan halen; maar zij weigerde, zij had te veel pijn en nergens trek in. Zij keek hem aan met haar groote, droefgeestige oogen, heen en weer geslingerd tusschen haar ongeduld over dit oponthoud, dat haar mogelijke genezing uitstelde, en haar angst, om straks weer gedurende die eindelooze reis onbarmhartig door elkaar geschud te worden.
Een dikke mijnheer kwam naderbij en tikte Pierre op zijn arm. Hij was al grijs, droeg een vollen baard; zijn breed gezicht had een vaderlijk-bezorgde uitdrukking.
“Pardon, mijnheer de abbé, is er in dezen wagen niet een ongelukkige, die op sterven ligt?”
En toen de geestelijke bevestigend antwoordde, werd hij dadelijk vriendschappelijk en familiaar.
“Ik heet Vigneron en ben sous-chef over het ministerie van Financiën; ik heb een verlof gevraagd, om met mijn vrouw onzen zoon Gustave naar Lourdes te kunnen vergezellen … De arme jongen stelt al zijn hoop in de Heilige Maagd, wie wij dag en nacht voor hem bidden … Wij zitten in den wagon vóór den uwe, waar we een compartiment tweede klasse hebben.”
Dan keerde hij zich om en riep met een handgebaar zijn familie.
“Ja, het is hier. De ongelukkige man is er werkelijk heel slecht aan toe.”
Madame Vigneron was klein, haar gezicht lang en mager en wees op een groote bloedarmoede, die haar zoon Gustave in verschrikkelijke mate van haar scheen geërfd te hebben. De vijftienjarige jongen leek nog geen tien; hij was scheef, mager als een brandhout, door de bloedarmoede was zijn rechterbeen zoo weinig ontwikkeld, dat hij met een kruk loopen moest. Hij had een klein, fijn, eenigszins scheef gezichtje, waarvan men eigenlijk niets anders dan de oogen zag, oogen, waaruit een helder verstand straalde, die door verdriet gescherpt waren en daardoor zeker tot in het diepst der ziel zagen.
Een oude dame met gepoederd gezicht, die zich moeilijk bewoog, volgde hem; en mijnheer Vigneron, die zich nu herinnerde, dat hij haar vergeten had, wendde zich weer tot Pierre om haar voor te stellen.
“Madame Chaise, de oudste zuster van mijne vrouw, die met alle geweld Gustave, van wien zij veel houdt, heeft willen vergezellen.”
En zich over Pierre heen buigend, voegde hij er fluisterend en op vertrouwelijken toon aan toe:
“Madame Chaise, de weduwe van een zijdehandelaar en ontzaglijk rijk. Zij heeft een hartkwaal, waarover zij zich erg ongerust maakt.”
Dicht op elkaar staande, keek de heele familie met groote nieuwsgierigheid naar hetgeen er in den wagon voorviel. Nog steeds meer menschen kwamen erbij, en de vader hield zijn zoon een tijdje in zijn armen, om hem goed te kunnen laten zien, terwijl zijn tante zijn kruk zoo lang vasthield en zijn moeder op haar teenen ging staan.
In den wagon nog steeds hetzelfde schouwspel: de man zat stijf en roerloos in den hoek met zijn hoofd tegen het harde, eikenhouten beschot. Hij was doodelijk bleek, zijn oogen waren gesloten, zijn mond vertrokken door den doodsstrijd, zijn gezicht bedekt met koud zweet, dat zuster Hyacinthe van tijd tot tijd met een doek afveegde; zij sprak niet meer, was niet ongeduldig meer, had haar kalmte teruggekregen, vertrouwend op den hemel, slechts nu en dan een blik over het perron werpend, om te zien, of pater Massias nog niet kwam.
“Kijk goed, Gustave,” zeide mijnheer Vigneron tegen zijn zoon, “dat moet een teringlijder zijn.”
De jongen, die door klieren weggevreten werd, wiens heup reeds door een koud gezwel weggeteerd was en bij wien zich reeds symptomen van beenderversterf der ruggegraat vertoonden, scheen zich hartstochtelijk voor dien doodsstrijd te interesseeren. Hij was niet bang, lachte slechts met een oneindig droef glimlachje.
“Het is vreeselijk!” mompelde madame Chaise, bleek van angst voor den dood in haar voortdurende vrees, dat zij in een plotselingen aanval van hartkramp zou blijven.
“Wat zal ik je zeggen!” zeide mijnheer Vigneron philosophisch. “Ieder krijgt zijn beurt; we zijn allen sterfelijk!”
Het glimlachje van Gustave kreeg een uitdrukking van pijnlijken spot, alsof hij andere woorden gehoord had: de onbewuste wensch, dat de oude tante vóór hem sterven zou, dat hij de vijfhonderd duizend francs, die hem beloofd waren, erven zou en tevens dat hij zelf zijn familie niet langer meer tot last zou zijn.
“Zet hem neer,” zeide madame Vigneron tegen haar man; “je maakt hem zoo moe, als je hem aan zijn beenen vasthoudt.”
Dan zorgde zij er, evenals madame Chaise, zorgvuldig voor, dat het kind geen schok zou krijgen. De arme jongen moest zoo vreeselijk ontzien worden. Iedere minuut waren zij bang hem te zullen verliezen. De vader geloofde, dat het maar het beste zou zijn, als ze weer dadelijk in hun coupé gingen. En toen de twee vrouwen met het kind tusschen zich in weggingen, wendde hij zich vergenoegd tot Pierre en zeide met een diepe ontroering in zijn stem:
“O, mijnheer de abbé, als de goede God hem van ons wegnam, zou ons leven niets meer voor ons te beteekenen hebben. En ik zeg dat niet om het vermogen van zijn tante, dat dan naar andere neven gaan zou. Maar, nietwaar mijnheer de abbé, het zou heelemaal tegen de natuur in zijn, wanneer hij stierf vóór haar, vooral met het oog op haar gezondheid … Maar wat zullen wij er tegen doen, wij zijn allen in de handen der Voorzienigheid en wij vertrouwen op de Heilige Maagd, die zeker alles ten beste keeren zal.”
Eindelijk had madame de Jonquière, door dr. Ferrand gerustgesteld, la Grivotte alleen kunnen laten. Maar voor zij ging, had zij voor alle zekerheid tegen Pierre gezegd:
“Ik sterf van den honger, ik ga even naar het buffet … Maar wilt u mij dadelijk laten roepen, als het hoesten weer begint.”
Toen zij zich met groote moeite een weg gebaand had door de menigte op het perron, kwam zij weer in een nieuw gedrang. De pelgrims, die het betalen konden, hadden zich in een stormaanval van de tafeltjes meester gemaakt, vooral veel priesters liepen af en aan onder het lawaai van vorken, messen en borden. De drie of vier kellners konden onmogelijk voor de bestellingen zorgen, te meer daar een dichte menigte, die zich aan het buffet verdrong, om vruchten, broodjes en koud vleesch te koopen, hun den weg versperde. En daar, achter in de wachtkamer, zat Raymonde met madame Désagneaux en madame Volmar te dejeuneeren.
“Eindelijk, mama!” riep zij. “Ik wou u net weer komen halen. Ze moeten u toch laten eten!”
Zij lachte heel vroolijk, opgewonden als zij was over de reis, over dezen eenvoudigen maaltijd, dien ze haast-je-rep-je gebruiken moesten.
“Kijk, daar hebt u een portie forellen met peterseliesaus, die ik voor u bewaard heb, en daar staat een cotelette op u te wachten … Wij zijn al aan de artisjokken!”
Toen werd het een vroolijk hoekje, waar je met genoegen naar keek.
Vooral de jonge madame Désagneaux was zeer aantrekkelijk, een teere blondine met eigenzinnig, opvliegend, goudblond haar, een rond, melkblond gezichtje met aardige kuiltjes, opgewekt en goedhartig. Rijk getrouwd, liet zij nu al drie jaar achter elkaar midden in de maand Augustus dagen haar man in Trouville om als diacones de nationale bedevaart mede te maken: dat was haar grootste hartstocht, een innig medevoelen, een behoefte om zich gedurende vijf dagen geheel aan de zieken te geven, het was een waar zwelgen in volkomen toewijding, dat haar uitputte en gelukkig maakte tevens. Haar eenige verdriet was, dat zij nog geen kind had, en met een waarlijk komischen ernst gaf zij dikwijls haar spijt te kennen, dat zij haar roeping als pleegzuster miskend had.
“Kom kind!” zeide zij tegen Raymonde; “beklaag je moeder niet, dat zij zoo door haar zieken in beslag genomen wordt. Zij heeft tenminste wat te doen.”
En zich tot madame de Jonquière wendend:
“Als u eens wist, hoe lang ons de uren in onzen mooien eerste-klas-coupé vallen! Je mag zelfs geen klein handwerkje doen, dat is verboden … Ik had gevraagd, mij bij de zieken te plaatsen, doch alles was al vergeven, zoodat ik wel verplicht ben te probeeren vannacht in mijn hoekje te slapen.”
En lachend voegde zij er aan toe:
“Wij zullen wel slapen, niet waar madame Volmar, want het gesprek schijnt u te vermoeien?”
Madame Volmar, een brunette met een lang gezicht en fijne, vermoeide trekken, moest de dertig reeds gepasseerd zijn en had groote, prachtige oogen, die waren als gloeiende kolen, waarover nu en dan een sluier scheen te komen, die ze als het ware schenen uit te dooven. Zij was niet mooi bij den eersten aanblik; hoe langer men haar echter aankeek, des te bekoorlijker, overwinnender en begeerlijker zij werd. Verder trachtte zij zoo min mogelijk in het oog te vallen, zich op den achtergrond te houden, ging steeds in het zwart gekleed en droeg nooit sieraden, hoewel zij de vrouw van een handelaar in diamanten en parelen was.
“O,” mompelde zij, “als ik maar niet te veel door elkaar geschud word, ben ik al tevreden.”
Zij was reeds tweemaal als helpster mee naar Lourdes geweest, maar men zag haar daar bijna nooit in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, daar zij dadelijk na haar aankomst door zoo’n moeheid overvallen werd, dat zij, naar zij beweerde, genoodzaakt was haar kamer te houden.
Madame de Jonquière, de directrice der zaal, was zeer welwillend voor haar.
“Jullie hebt nu goed den tijd om uit te rusten. Slaapt maar goed, als je kunt, want, wanneer ik het niet meer volhouden kan, komen jullie aan de beurt.”
Dan richtte zij zich tot haar dochter:
“En jij, lieve kind, moet je niet te veel opwinden, als je je hoofd niet verliezen wilt.”
Maar Raymonde keek haar verwijtend aan en zeide glimlachend:
“Waarom zegt u dat, moeder?… Ben ik soms niet verstandig?”
Zij behoefde zich volstrekt nergens op te beroemen, want een krachtige wil en het vaste besluit zelf haar leven in te richten, spraken duidelijk uit haar grijze oogen, haar geheele jonge, onbezorgde wezen, dat één levensvreugde was.
“Het is zoo,” moest de moeder eenigszins verlegen bekennen; “het kind is soms verstandiger dan ik … Nou, geef me de côtelette maar even aan, die zal smaken. Lieve hemel, wat heb ik een honger!”
Opgevroolijkt door het voortdurende lachen van madame Désagneaux en Raymonde, dejeuneerde zij verder. Deze laatste leefde weer geheel op en haar gezicht, dat door het wachten op een huwelijk reeds eenigszins verlept was, kreeg den rosen tint van haar twintigste jaar terug. Ze namen nu dubbel groote happen, want ze hadden nog maar een tien minuten. In de geheele zaal heerschte nog een grooter lawaai dan zooeven, want men was bang geen tijd meer te zullen hebben voor de koffie.
Maar Pierre kwam: la Grivotte had weer een benauwende hoestbui gekregen; madame de Jonquière at gauw haar artisjok en ging dan naar haar wagon terug, na eerst haar dochter, die haar op gekscherenden toon goeden nacht wenschte, een zoen te hebben gegeven. Intusschen had de priester bij het zien van madame Volmar met het roode kruis der Hospitalité over haar zwarten corsage, een gebaar van verbazing niet kunnen onderdrukken. Hij kende haar, want hij bracht, al was het zelden, toch nog steeds nu en dan een bezoek aan de oude madame Volmar, de moeder van den diamanthandelaar, een oude vriendin van zijn eigen moeder; het was een verschrikkelijke vrouw, overdreven vroom en zoo streng, dat zij de jaloezieën gesloten hield, om haar schoondochter toch maar niet op straat te laten kijken. Hij kende de geschiedenis: sedert den dag van haar huwelijk leefde de jonge vrouw als een gevangene tusschen haar schoonmoeder, die haar tyranniseerde, en haar man, een afzichtelijk leelijk monster, die haar in zijn krankzinnige jaloerschheid zelfs sloeg, ofschoon hij zelf verscheidene meisjes mainteneerde. Zij lieten haar geen oogenblik uitgaan, dan om de mis bij te wonen. Pierre zelf had haar op een zekeren dag bij de Drievuldigheidskerk verrast, toen hij haar vlug enkele woorden had zien wisselen met een correct gekleed, gedistingeerd heer: de onvermijdelijke en zoo vergeeflijke val, de misstap in de armen van een vriend, die het geheim bewaarde, de verborgen en verterende hartstocht, dien men niet bevredigen kan en die toch zoo vreeselijk in je brandt, de afspraken, die men zoo moeilijk houden kan, dat men dikwijls weken lang wachten moet, en waarvan men, in een plotselinge opvlamming van begeerte, gulzig geniet.
Verlegen stak zij hem haar kleine, smalle, klamme hand toe.
“Hoe toevallig, mijnheer de abbé … Wat is het lang geleden, dat we elkaar gezien hebben!”
Zij vertelde hem, dat dit nu al het derde jaar was, dat zij naar Lourdes ging: haar schoonmoeder had haar gedwongen zich bij de Association de Notre-Dame de Salut aan te sluiten.
“Wonderlijk, dat u ze niet op het station gezien hebt. Ze brengt me naar den trein en komt me weer halen ook.”
Zij zeide het zeer eenvoudig, maar met zoo’n scherpe ironie, dat Pierre er het zijne van dacht. Hij wist, dat zij aan niets geloofde en slechts naar de kerk ging, om zich op die wijze van tijd tot tijd een vrij uur te verzekeren; en plotseling kreeg hij de ingeving, dat in Lourdes iemand op haar wachtte, dat zij met haar bescheiden en vurige manier van doen, met haar vlammende oogen, die zij onder den sluier van onverschilligheid verborg, haar hartstocht tegemoet snelde.
“Ik,” zeide hij op zijn beurt, “ik ben met een vriendin uit mijn jeugd, een arm ziek meisje … Ik beveel haar in uw zorgen aan, u moet haar verplegen …”
Toen bloosde zij even, en hij twijfelde niet langer. Raymonde keek de rekening na met de zelfverzekerheid van iemand, die met getallen om kan gaan; madame Désagneaux nam madame Volmar mede, de kellners verloren hun hoofd nog meer, de tafeltjes werden verlaten, allen stormden naar buiten, toen ze een bel hoorden gaan.
Ook Pierre haastte zich naar zijn wagon terug, toen hij weer staande gehouden werd.
“O, mijnheer de pastoor!” riep hij uit; “ik heb u bij het vertrek gezien, maar het was te laat, om u nog de hand te komen drukken.”
En hij stak de zijne uit naar den ouden priester, die hem glimlachend aankeek. Abbé Judaine was pastoor te Saligny, een kleine parochie in het departement Oise. Groot en krachtig van gestalte, had hij een breed, rood, door grijze haren omlokt gezicht; men voelde dadelijk, dat het een heilig man was, die nooit door zijn vleesch of door zijn verstand gekweld werd. Vroom als hij was, geloofde hij onvoorwaardelijk, zonder eenigen strijd, met het makkelijke geloof van een kind, dat nog geen hartstocht kent. Sedert de Heilige Maagd hem te Lourdes door een wonder, waarover men nu nog sprak, van een oogziekte genezen had, was zijn geloof nog blinder, nog inniger geworden, als ware het gedrenkt in dankbaarheid aan God.
“Ik ben blij, dat ik je bij ons zie, vriendlief,” zeide hij zacht, “want jonge priesters kunnen op zoo’n bedevaart heel wat leeren … Men heeft mij verzekerd, dat er onder hen nog al een geest van verzet heerscht. Nu, je zult al die arme drommels zien bidden; het is iets, dat je niet met droge oogen zult kunnen aanschouwen … En hoe is het mogelijk, dat men zich niet overgeeft aan God bij het zien van zooveel genezen of toch minstens verzacht lijden?”
Ook hij begeleidde een zieke. Hij wees hem een coupé eerste klasse, waaraan een kaart met de woorden: “Abbé Judaine, gereserveerd” bevestigd was. En fluisterend ging hij voort:
“Het is madame Dieulafay, je weet wel, de vrouw van den grooten bankier. Hun kasteel, een koninklijk domeingoed, behoort tot mijn parochie; en toen zij hoorde, dat de Heilige Maagd mij zoo’n buitengewone genade bewezen had, hebben zij mij gesmeekt de voorspraak van die arme vrouw te zijn. Ik heb al heel wat missen gelezen, en vurige geloften voor haar afgelegd … Kijk, daar is zij. Zij heeft met alle geweld er een oogenblik uit willen komen, ook al zal het straks weer veel moeite kosten, haar in de coupé te krijgen.”
Inderdaad lag op een schaduwrijk plekje van het perron in een soort rustbed een vrouw, wier knap, zuiver ovaal gezicht met prachtige oogen op een leeftijd van hoogstens zes-en-twintig wees. Zij was door een verschrikkelijke ziekte aangetast; het verdwijnen van de kalkhoudende zouten, wat een langzame verweeking en verwoesting van het beenderenstelsel ten gevolge had. Twee jaar geleden reeds, toen zij van een levenloos kind bevallen was, had zij pijn gevoeld in de wervelkolom. Langzamerhand waren de beenderen dunner geworden en van vorm veranderd, de wervelkolom werd krom, de beenderen van het bekken plat, terwijl die der beenen en armen verschrompelden; op die wijze was zij als het ware kleiner geworden, samengesmolten tot een armzalig stukje mensch, een fluïde, naamloos ding, dat men niet rechtop kan zetten, dat men met de grootste voorzichtigheid verplaatsen moest uit vrees, dat men het tusschen zijn vingers zou zien wegvloeien. Het hoofd, dat roerloos en met een stompzinnige, wezenlooze uitdrukking op het kussen lag, had zijn vroegere schoonheid behouden. Maar wat het hart, bij het zien van dat jammerlijk restje vrouw, nog meer toekneep, dat was de groote luxe, die haar omringde: het met blauwe zijde gecapitonneerde rustbed, de kostbare kanten, waarmede zij bedekt was, het kapje van Valenciennes-kant, dat zij droeg: een rijkdom, die zelfs nog in den doodsstrijd ten toon gespreid werd.
“Hoe treurig,” begon abbé Judaine weer fluisterend, “te moeten denken, dat zij nog zoo jong, zoo mooi, zoo schatrijk is. En als je eens wist, met hoeveel liefde zij nog omringd wordt … Die lange mijnheer naast haar is haar man, en die elegante dame daar haar zuster, madame Jousseur.”
Pierre herinnerde zich in de courant dikwijls den naam van madame Jousseur gezien te hebben, de vrouw van een diplomaat, die een voorname rol speelde in de hooge Katholieke kringen van Parijs. Zelfs had het verhaal van een hevigen, bestreden en overwonnen hartstocht de rondte gedaan. Zij was heel knap, uiterst eenvoudig gekleed en één en al toewijding voor haar arme zuster. De echtgenoot, die op vijf-en-dertigjarigen leeftijd het groote bankierskantoor van zijn vader geërfd had, was een knappe, uiterst correct gekleede man; maar in zijn oogen stonden tranen, want hij aanbad zijn vrouw; hij had zijn zaken in den steek gelaten, daar hij er op gestaan had zijn vrouw naar Lourdes te vergezellen; zijn laatste hoop was gevestigd op die aanroeping, der goddelijke barmhartigheid.
Pierre had zeker sedert het begin van den dag in dien aan smarten rijken, witten trein heel wat ontzettend lijden gezien, maar niets had zijn ziel zoo aangegrepen als dit jammerlijk vrouwenskelet, dat te midden van haar kant en van haar millioenen, zich als in een vloeistof oploste.
“De ongelukkige!” prevelde hij huiverend.
“De Maagd zal haar genezen, ik heb er zoo om gesmeekt!” antwoordde abbé Judaine vol oprecht gemeend vertrouwen.
Doch weer ging de bel, en ditmaal was het het teeken voor vertrek. Men had nog twee minuten. Een laatste dringen en duwen begon: menschen kwamen terug met in papier gewikkeld eten, met flesschen en kruiken, die zij in de fontein gevuld hadden. Velen liepen angstig heen en weer, konden hun wagon niet meer vinden, vlogen wanhopig van den eenen coupé naar den anderen, terwijl de zieken zich onder het rhythmisch klipklappen der krukken vlugger voortbewogen, en anderen, die moeilijk liepen, aan den arm van diakonessen hun pas trachtten te versnellen. Vier mannen hadden groote moeite om madame Dieulafay in haar coupé eerste klasse te krijgen. De Vignerons, die het niet beneden zich achtten tweede klasse te reizen, hadden zich reeds weer geïnstalleerd tusschen een groote menigte manden, kisten en koffers, die den armen Gustave nauwlijks veroorloofd hadden zijn arme, rudimentaire beenen uit te strekken. Dan kwamen zij allen weer terug: madame Maze sloop op haar stille manier den wagon binnen; madame Vincent lichtte haar dochtertje voorzichtig in de hoogte, steeds bang, dat zij zou gaan huilen; madame Vêtu moest binnengesleept worden, nadat men haar uit de verdooving van haar pijnen gewekt had; Elise Rouquet, die zich bij het gulzige drinken heelemaal nat gemaakt had en nog bezig was haar afzichtelijk gezicht af te vegen. En terwijl iedereen zijn plaats innam en de wagon weer vol werd, luisterde Marie naar haar vader, die verrukt was, dat hij tot aan het einde van het station gegaan was, tot het huisje van een wisselwachter, vanwaar men een mooi uitzicht op een werkelijk aardig landschap had.
“Willen we je dadelijk weer neerleggen?” vroeg Pierre, wanhopig over het angstige gezicht van de zieke.
“O neen, neen, strakjes!” antwoordde zij. “Ik heb nog tijd genoeg om die wielen in mijn hoofd te hooren ratelen, alsof zij mijn beenderen vermorzelen!”
Zuster Hyacinthe had Ferrand gesmeekt nog eens naar den man te kijken, vóór hij naar den kantinewagen ging. Verbaasd over het uitblijven van pater Massias, wachtte zij nog steeds op hem; zij was echter niet wanhopig, want zuster Claire des Anges was nog niet teruggekomen.
“Mijnheer Ferrand, zeg eens eerlijk of de ongelukkige werkelijk in onmiddellijk gevaar verkeert.”
Weer keek de jonge dokter hem aan, beluisterde en beklopte hem. Dan zeide hij met een wanhopig gebaar:
“Het is mijn vaste overtuiging, dat u hem niet levend naar Lourdes krijgen kunt.”
Men rekte angstig de halzen uit. Als ze nu nog maar wisten, hoe de man heette, waar hij vandaan kwam, wie hij was. Maar niemand kende den ongelukkige, uit wien men geen woord los kon krijgen, en die daar in den wagon zou sterven.
Toen kwam zuster Hyacinthe op het denkbeeld hem te fouilleeren. Daar kon onder de gegeven omstandigheden geen kwaad in steken.
“Mijnheer Ferrand, kijk eens in zijn zakken!”
Voorzichtig fouilleerde hij den man. Maar hij vond in de zakken niets dan een rozenkrans, een mes en drie sous. Nooit zou men iets meer van hem weten.
Daar riep iemand, dat zuster Claire des Anges en pater Massias kwamen. Deze laatste had in een wachtkamer zijn tijd verpraat met den pastoor van Sainte-Radegonde. Er ontstond een levendige ontroering, alles zou misschien nog terecht komen. Maar de trein stond op het punt te vertrekken, de conducteurs sloten de portieren reeds, het Laatste Oliesel moest inderhaast worden toegediend, als men niet een te lange vertraging wilde veroorzaken.
“Hier, eerwaarde vader!” riep zuster Hyacinthe. “Ja, ja, stap u in, de ongelukkige zieke ligt hier.”
Pater Massias, die, ofschoon vijf jaar ouder dan Pierre, tegelijk met dezen op het seminarie geweest was, had een groot, mager lichaam met het gezicht van een asceet, dat door een blonde baard omgeven was en waarin schitterende oogen fonkelden. Hij was noch de door twijfel gekwelde priester noch de priester met het blind geloof van een kind, maar een apostel vol gloeiende geestdrift, steeds gereed om voor den onbevlekten roem der Heilige Maagd te strijden en te overwinnen. Onder de zwarte pelerine met den grooten kap straalde hij van dien blijvenden strijdlust.
Onmiddellijk had hij het zilveren doosje met het Heilige Oliesel gehaald. En de plechtige handeling begon onder het toeslaan der laatste portieren en het haastige toesnellen der pelgrims, die zich verlaat hadden, terwijl de stationschef met onrustige blikken naar de stationsklok keek, daar hij wel inzag, dat hij nog eenige minuten zou moeten toestaan.
“Amen,” vielen zuster Hyacinthe en de geheele wagon in.
Pater Massias had de zilveren naald, waaraan een droppel gewijde olie trilde, genomen. Bij de drukte en het wachten van den geheelen trein, waardoor de pelgrims hun hoofd uit de portieren staken, kon de geestelijke er niet aan denken de zalving, zooals die gewoonlijk geschiedde, te verrichten op de diverse zintuigsorganen, de poorten, die de zonde binnenlieten. Zooals het voorschrift voor dringende gevallen toestond, moest hij zich tevreden stellen met één zalving; hij verrichtte die op den mond, op dien bleeken, half geopenden mond, waaruit nog nauwlijks één ademtochtje kwam, terwijl het gezicht met de gesloten oogen reeds geheel verstijfd, tot het stof der aarde teruggekeerd scheen te zijn.
Het slot der plechtigheid ging in het lawaai van het vertrek verloren. De pater had nog nauwlijks tijd den droppel af te wisschen met het watje, dat zuster Hyacinthe voor hem gereed hield. Hij moest den wagon verlaten en zich naar den zijne haasten, terwijl de anderen het slotgebed uitspraken.
“Wij kunnen onmogelijk langer wachten!” herhaalde de stationschef in groote opwinding. “Opschieten!”
Eindelijk kon men vertrekken. Iedereen had zijn plaats ingenomen. Madame de Jonquière, die zich over den toestand van la Grivotte nog even ongerust maakte, was dichter bij haar gaan zitten tegenover mijnheer Sabathier, die berustend en zwijgend wachtte. Zuster Hyacinthe was niet in haar compartiment teruggekomen; zij wilde bij den man blijven, te meer daar zij dan ook tegelijk voor broeder Isidore kon zorgen, aan wien Marthe geen verlichting meer geven kon. Marie, bleek wordend, voelde reeds in haar lichaam de schokken van den trein, nog vóór deze onder de loodzwaar drukkende hitte zijn vaart opnieuw begonnen was met zijn lading zieken in de benauwende en verpestende atmospheer der over-verhitte wagons.
Een lang-aangehouden gefluit weerklonk, de locomotief begon te puffen, en zuster Hyacinthe stond op om te zeggen:
“Het Magnificat, kinderen!”
IV.
Toen de trein zich in beweging zette, ging het portier nogmaals open en duwde een conducteur een meisje van veertien jaar in het compartiment, waarin Marie en Pierre waren.
“Daar is nog een plaats. Schiet op!”
Reeds werden de gezichten langer, wilde men protesteeren. Maar zuster Hyacinthe riep uit:
“Wat ben jij het, Sophie. Ga je weer de Heilige Maagd bezoeken, die je verleden jaar genezen heeft?”
En madame de Jonquière zeide tegelijk:
“Dat is heel goed van je, beste Sophie, om dankbaar te zijn!”
“Zeker, lieve zuster; zeker, madame!” antwoordde het meisje vriendelijk.
Trouwens het portier was reeds gesloten en zij moesten dus deze nieuwe bedevaartgangster, die als uit den hemel gevallen was op het oogenblik, dat de trein, dien zij bijna gemist had, vertrok, wel aanvaarden. Zij was mager bovendien en zou dus niet veel plaats innemen. En dan kenden de dames haar; de oogen van alle zieken richtten zich op haar, toen zij hoorden, dat zij genezen was. Maar ze waren het station uit; de locomotief pufte in het steeds luider wordende geratel der wielen, en zuster Hyacinthe herhaalde, in haar handen klappend:
“Vooruit, vooruit, kinderen, het Magnificat!”
Terwijl de jubelzang te midden der schokken opsteeg, keek Pierre naar de kleine Sophie. Het was een boerinnetje, het dochtertje van een armen landbouwer uit de omstreken van Poitiers, dat haar ouders bedierven en als een jongejuffrouw behandelden, sedert zij door een wonder begenadigd, een uitverkorene was, die de geestelijken van het heele arrondissement kwamen bezoeken. Zij had een stroohoed met rose linten, een japonnetje van grijze wol, gegarneerd met een volant. Haar rond gezichtje was niet mooi, maar vriendelijk en frisch en werd opgevroolijkt door een paar heldere, sluwe oogen, die haar iets glimlachends en bescheidens gaven.
Toen het Magnificat uitgezongen was, kon Pierre geen weerstand bieden aan zijn verlangen Sophie te ondervragen. Een kind van dien leeftijd, dat er zoo oprecht uitzag en geen leugenaarster scheen te zijn, interesseerde hem ten zeerste.
“Je hadt bijna den trein gemist, niet lieve kind?”
“O, mijnheer de abbé, dat zou verschrikkelijk geweest zijn. Ik was gisteren al aan het station. Toen zag ik mijnheer den pastoor van Sainte-Radegonde, die mij heel goed kent, en mij riep, om me een zoen te geven; hij zeide, dat het heel lief van me was weer naar Lourdes te gaan … Toen ging ineens de trein weg, ik had nog net den tijd, om hard te loopen … He, wat heb ik gevlogen!”
Zij lachte, nog een beetje buiten adem, en het speet haar tegelijk ook, dat zij uit onbedachtzaamheid bijna een zonde begaan had.
“En hoe heet je, kindlief?”
“Sophie Couteau, mijnheer de abbé.”
“Je bent toch niet uit Poitiers zelf?”
“O, neen … wij zijn uit Vivonne, zeven kilometer van Poitiers. Mijn vader en mijn moeder hebben daar een klein boerderijtje, en het zou ons zoo slecht niet gaan, als we niet met ons achten thuis waren. Ik ben de vijfde. Gelukkig, dat de vier oudsten langzamerhand kunnen gaan medewerken.”
“En wat doe jij, kind?”
“Ik ben niet van heel veel nut, mijnheer de abbé … Sedert ik verleden jaar genezen thuis gekomen ben, heeft men mij geen oogenblik met rust gelaten, omdat ze, zooals u begrijpen kunt, naar mij zijn komen kijken; ook hebben ze mij meegenomen naar monseigneur en naar de kloosters en zoo wat overal naar toe … En voor dien tijd ben ik lang ziek geweest; ik kon niet loopen zonder stok, en bij iederen stap, dien ik deed, gilde ik het uit van de pijn aan mijn voet.”
“Dus heeft de Heilige Maagd je van die pijn aan je voet genezen?”
Sophie kreeg geen gelegenheid om te antwoorden. Zuster Hyacinthe, die naar het verhaal geluisterd had, mengde zich in het gesprek.
“Ja, van een beeneter in de linkerhiel, die al drie jaar oud was. De voet was opgezwollen en misvormd, terwijl er zich ook fistels gevormd hadden, die steeds door etterden.”
Plotseling waren alle zieken in den wagon één en al belangstelling. Zij hadden geen blik af van het wondermeisje, zij zochten in haar het mirakel. Zij, die staan konden, stonden op, om haar beter te kunnen zien; de anderen, de zieken, die op hun matrassen lagen, trachtten zich op te richten. In hun lijden, dat hen, angstig als zij opzagen tegen de vijftien uur, die zij nog hadden te rijden, bij het vertrek uit Poitiers opnieuw aangegrepen had, was de plotselinge komst van dit, door den hemel uitverkoren kind als een goddelijke troost, als een straal van hoop, waaruit zij de kracht zouden putten om de reis moedig vol te houden. Reeds hield het jammeren wat op, kwam er in de vurige begeerte om te gelooven, een ontspanning op aller gelaat.
Marie vooral was als door nieuwe krachten bezield; half opzittend vouwde zij haar bevende handen en vroeg fluisterend aan Pierre:
“Vraag haar meer, laat haar alles vertellen … Genezen, goede God! Genezen van een zoo afschuwlijke kwaal!”
Ontroerd had madame de Jonquière zich over het beschot gebogen, om het kind een zoen te geven.
“Zeker, ons klein vriendinnetje zal ons alles zeggen … Niet waar, schat, je wilt ons toch wel vertellen, wat de Heilige Maagd voor je gedaan heeft.”
“Natuurlijk, madame … Zooveel als u zelf maar wilt!”
Zij glimlachte vriendelijk en bescheiden, terwijl uit haar stralende oogen een helder verstand sprak. Onmiddellijk wilde zij reeds beginnen, stak haar rechterhand in de hoogte met een lief gebaar, dat aandacht scheen te vragen. Blijkbaar was zij er al heelemaal aan gewend in het openbaar te spreken.
Maar men kon haar niet overal in den wagon zien, waarom zuster Hyacinthe op het denkbeeld kwam te zeggen:
“Ga op de bank staan, Sophie, en spreek een beetje hard, anders kunnen ze je met dat lawaai niet verstaan.”
Daar had de kleine veel schik in; zij moest eerst weer ernstig worden, voor zij beginnen kon.
“Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in een verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uit vloeide … Dokter Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn … En toen heb ik de Heilige Maagd vurig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo’n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen … En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde.”
Een gemompel van verrassing, verwondering en begeerte ontstond en plantte zich bij dit prachtige wonderverhaal, dat den wanhopigen zoo zoet in de ooren klonk, voort. Maar de kleine was nog niet klaar. Zij wachtte even en begon dan weer, nadat zij met een nieuw gebaar stilte verzocht had.
“Toen dokter Rivoire te Vivonne mijn voet weer zag, zeide hij: “Of het de goede God of de duivel is, die dit kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.””
Ditmaal volgde er gelach op haar woorden. Zij declameerde te veel, daar zij het verhaal al zoo dikwijls gedaan had, dat zij het uit haar hoofd leerde. De woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit; zij lachte, zeker als zij was, dat de anderen ook lachen zouden, er bij voorbaat zelf al om. Maar toch bleef zij naïef en ontroerend.
Toch scheen zij een bijzonderheid vergeten te hebben, want zuster Hyacinthe, die met een blik de toehoorders op het woord van den dokter opmerkzaam gemaakt had, fluisterde haar zachtjes in:
“En wat je tegen de gravin, de directrice van de zaal, gezegd hebt, Sophie?”
“O ja, dat is waar ook! Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: “De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.””
Weer volgde een blij gelach. Men vond haar zoo schattig, dat zij op die manier genezen was! Op een vraag van madame de Jonquière moest zij nog het verhaal doen van de schoenen, mooie, splinternieuwe schoenen, die mevrouw de gravin haar gegeven had en waarin zij, in haar zalige verrukking, dadelijk geloopen, gesprongen en gedanst had. Stel je voor, schoenen, zij, die in geen drie jaar een pantoffel aan had kunnen hebben!
Pierre, van wien zich een onbehaaglijk gevoel meester gemaakt had, was ernstig geworden en bleef haar aankijken. Hij deed haar nog een paar andere vragen. Het kind loog beslist niet, doch wel vermoedde hij, dat zij langzamerhand de waarheid een beetje gewijzigd had, een zeer begrijpelijke opsiering bij haar vreugde, dat zij genezen en daardoor een persoon van gewicht geworden was. Wie kon nu met zekerheid zeggen, of er voor het volkomen toetrekken van de wond, wat volgens haar beweren in enkele seconden geschied was, niet dagen noodig geweest waren. Waar waren de getuigen?
“Ik was erbij,” vertelde juist madame de Jonquière. “Zij behoorde niet tot mijn zaal, maar ik had haar dien ochtend nog gezien; zij hinkte …”
“Ah! Hebt u haar voet vóór en na de indompeling gezien?”
“Neen, dat niet, ik geloof niet, dat iemand dien heeft kunnen zien, want hij was heelemaal in verband … Zij heeft u toch zelf verteld, dat het verband in het water gevallen is.”
En zich tot het meisje wendend:
“Maar zij zal u haar voet laten zien, niet waar, Sophie?… Trek je laars uit.”
Sophie maakte haar schoen reeds los en trok haar kous uit met een handigheid en een gemak, die duidelijk bewezen, hoe gewend zij al was dat te doen. Zij stak haar heel zindelijken, blanken, ja zelfs gesoigneerden voet met de roze, zorgvuldig geknipte nagels uit en draaide hem met een zeker welbehagen om, opdat de jonge priester hem makkelijk zou kunnen onderzoeken. Boven den enkel was een groot litteeken, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad heel duidelijk bewees, hoe ernstig de ziekte geweest was.
“O, mijnheer de abbé, u kunt den hiel gerust in uw handen nemen en er met alle kracht op drukken: ik voel niets meer!”
Pierre maakte een gebaar met zijn hand, waaruit men zou kunnen opmaken, dat hij verrukt was over de macht der Heilige Maagd. Maar twijfel bleef hem kwellen. Welke onbekende kracht was hier werkzaam geweest? Of liever, welke verkeerde geneeskundige diagnose, welke samenloop van dwalingen en overdrijvingen hadden tot dit mooie sprookje geleid?
Maar de zieken wilden allen den wondervoet zien, dit zichtbaar bewijs van goddelijke genezing, die zij allen gingen zoeken. Marie, die nu geheel rechtop zat en al minder pijn voelde, raakte hem het eerst aan. Dan gaf madame Maze, uit haar melancholie weggerukt, hem over aan madame Vincent, die hem had willen kussen voor de hoop, die hij haar teruggaf. Mijnheer Sabathier had met een van geluk stralend gezicht geluisterd; madame Vêtu, la Grivotte, ja zelfs broeder Isidore sloegen hun oogen weer open en toonden belangstelling; het gezicht van Elise Roquet had door haar geloof en vertrouwen een wonderbare verandering ondergaan, was bijna mooi geworden: wanneer een wond zoo verdwenen was, zou dan haar wond zich ook niet sluiten, zou haar gezicht dan ook niet een klein litteeken behouden en niet als het gezicht van alle menschen worden? Sophie, nog steeds op de bank staande, moest zich aan een der ijzeren stangen vasthouden en haar voet op den rand van het beschot leggen, nu rechts, dan links; zij werd niet moede, integendeel zij was blij en trotsch over de uitroepen, die zij hoorde, over de sidderende bewondering, over den vromen eerbied, dien men bewees aan dat kleine stukje van haar persoon, aan dien kleinen voet, welke nu als gewijd en heilig was.
“Er is ongetwijfeld een groot geloof voor noodig,” dacht Marie hardop; “je moet er een volkomen reine ziel voor hebben …”
En zich tot mijnheer de Guersaint wendend:
“Vader, ik voel, dat ik genezen zou, als ik tien jaar was, als ik de volkomen reine ziel van een klein meisje had.”
“Maar je bent tien jaar, lieveling. Zeg zelf eens, Pierre, kunnen meisjes van tien jaar een reinere ziel hebben dan zij?”
Hij met zijn levendige verbeeldingskracht en zijn phantastischen geest, was dol op die wonderverhalen. En de priester, diep bewogen door de innige reinheid van het jonge meisje, ging er niet verder op in, liet haar zich geheel overgeven aan den ademtocht van de troostrijke illusie, die door den wagon ging.
Sedert het vertrek uit Poitiers was de temperatuur nog drukkender geworden; een onweer kwam op aan den koperkleurigen hemel; het was alsof de trein door een hoogoven reed. Droefgeestig en als uitgestorven onder de brandende zon, snelden de dorpen voorbij. Te Couhé-Verac werd de rozenkrans weer gebeden en een lied gezongen. Maar de geestelijke oefeningen verslapten eenigszins. Zuster Hyacinthe, die nog niet ontbeten had, was er eindelijk toe gekomen gauw een stukje brood en een paar vruchten te eten, zonder echter op te houden te letten op den man, wiens moeilijke ademhaling de laatste oogenblikken iets regelmatiger scheen te worden. En eerst te Ruffec, dat men om drie uur passeerde, werden de avondmetten van de Heilige Maagd gebeden.
“Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix.”
Toen het gebed geëindigd was, zeide mijnheer Sabathier, die naar de kleine Sophie gekeken had, toen zij haar schoenen en kousen weer aantrok, tegen mijnheer de Guersaint:
“Het geval van dit kind is buiten eenigen twijfel zeer interessant. Maar het is eigenlijk nog niets, er zijn nog veel sterker gevallen … Kent u het verhaal van Pierre de Rudder, een Belgisch werkman?”
Allen waren weer gaan zitten om te luisteren.
“Die man had door een val zijn been gebroken. Na acht jaar waren de twee deelen van het been nog niet samengegroeid; je zag de beide einden diep in een open, steeds etterende wonde; het been hing slap en krachteloos en kon in alle richtingen gedraaid en gekeerd worden … Welnu, bij hem was het voldoende om een glas van het wonderdoende water te drinken en zijn been was plotseling genezen. Hij kon weer zonder krukken loopen en de dokter heeft tegen hem gezegd: “Je been is als dat van een pasgeboren kind!” Precies! Een heel nieuw been!”
Niemand sprak een woord; er werden slechts blikken van verrukking gewisseld.
“En zoo,” ging mijnheer Sabathier voort, “zoo is het ook met het verhaal van Louis Rouriette, een steenhouwer, een der eerste wonderen van Lourdes. Kennen jullie het niet?… Hij was bij een mijnontploffing gewond. Zijn rechteroog was heelemaal verloren, terwijl het linker ook die kans liep … Welnu, op een goeden dag laat hij zijn dochter een flesch van het modderige water uit de bron, die toen nog nauwlijks sprong, halen. Met dat modderige water waschte hij zijn oog en bad daarbij vurig. Hij stiet een gil uit, hij zag, mijnheer, hij zag even goed als u en ik … De dokter, die hem behandelde, heeft er een zeer uitvoerige verhandeling over geschreven, er is geen twijfel mogelijk.”
“Het is wonderbaar,” mompelde mijnheer de Guersaint in extase.
“Wilt u nog een ander voorbeeld, mijnheer? Ik bedoel dat heel bekende van François Macary, den schrijnwerker uit Lavaur. Achttien jaar lang had hij in het binnengedeelte van zijn linkerbeen een diep aderspatachtig gezwel met een belangrijke verstopping van het cellenweefsel. Hij kon zich niet meer bewegen, de wetenschap had hem geheel en al opgegeven … Daar sluit hij zich op een goeden avond op met een flesch water uit Lourdes. Hij neemt het verband weg, wascht zijn beide beenen en drinkt de rest van de flesch leeg. Dan gaat hij naar bed en valt in slaap; en wanneer hij wakker wordt, bevoelt hij zich, kijkt: niets meer! De aderspat, de gezwellen, alles verdwenen … De huid van de knie was zoo zacht en frisch geworden, als zij met twintig jaar zijn moet.”
Ditmaal volgde er een uitbarsting van verbazing en bewondering. De zieken en de pelgrims betraden het tooverland van het wonder, waar het onmogelijke bij iedere kromming van den weg zich voltrekt, waar men van wonder tot wonder schrijdt. En ieder van hen had een geschiedenis te vertellen, brandde van verlangen zijn bewijs te geven, zijn hoop te rechtvaardigen door een voorbeeld.
Madame Maze, die tot nog toe geen woord gezegd had, geraakte zoo in geestdrift, dat zij het eerst vertelde.
“Ik heb een vriendin, die de weduwe Rezan gekend heeft, de vrouw, wier genezing indertijd zooveel opzien gewekt heeft … Sedert vier-en-twintig jaar was haar geheele linkerzijde verlamd. Alles wat zij at, gaf zij weer terug, zij was niet veel meer dan een levenlooze massa, die je in haar bed omkeeren moest, en langzamerhand had het wrijven van de lakens haar huid afgescheurd … Op een avond zeide de dokter, dat zij den volgenden ochtend niet meer halen zou. Twee uur later ontwaakt zij uit haar verdooving en vraagt zij met een zwakke stem aan haar dochter, voor haar een glas water uit Lourdes bij een buurvrouw te gaan halen. Maar eerst den volgenden ochtend kon zij het krijgen en riep: “Lief kind, ik drink het leven! Wasch mijn gezicht, mijn arm, mijn been, mijn heele lichaam!” En naar mate het kind dat deed, zag zij de groote gezwellen slinken, de verlamde ledematen hun lenigheid en hun natuurlijk aanzien terugkrijgen … Dat is echter niet alles: madame Rezan riep, dat zij genezen was, dat zij honger had, dat zij brood en vleesch wilde, zij, die in geen vier-en-twintig jaar gegeten had. En zij stond op en kleedde zich aan, terwijl haar dochter aan de buurvrouwen, die, toen zij haar zoo van streek zagen, dachten, dat zij een wees was, riep: “Neen, neen, moeder is niet dood, moeder is weer opgestaan!””
Tranen waren madame Vincent in de oogen gekomen. Lieve God! Als zij ook Rose zoo kon zien opstaan en eten en loopen! Een ander geval van een jong meisje, dat zij te Parijs gehoord had en dat veel bijgedragen had tot haar besluit, om met de kleine zieke naar Lourdes te gaan, kwam weer bij haar op.
Nu stroomden de tranen van haar wangen op het bleeke gezicht van haar dochtertje, dat zij met hartstochtelijke kussen bedekte.
De geestdrift nam nog steeds toe, de verrukte vreugde over deze mooie verhalen, waarin de hemel telkens weer over de menschelijke realiteit triompheerde, bracht die kinderzielen in zulk een extase, dat zelfs de ergste zieken zich op hun beurt oprichtten, om wat te vertellen. En achter ieder verhaal verborg zich het voortdurend bezig zijn met zijn eigen kwaal, het vertrouwen, dat die genezen zou, omdat een dergelijke ziekte door den goddelijken adem als een booze droom verdreven was.
“O,” stamelde madame Vêtu met een van pijn vertrokken mond; “er was er een, Antoinette Thardivail, wier maag evenals de mijne door kanker weggevreten werd. Je zoudt gedacht hebben, dat honden haar wegvraten en soms werd zij nog dikker dan een kinderhoofd. Gezwellen zoo groot als kippeneieren groeiden er in, zoodat zij acht maanden lang bloed gespuwd had … Zij was, omdat zij niets meer eten kon, gewoon vel over been, en zij was op het punt te sterven, toen zij water uit Lourdes dronk en zich daarmede de maagholte liet wasschen. Drie minuten later vond de dokter, die haar den vorigen avond stervend en bijna geen adem meer halend verlaten had, haar bij het vuur zitten, juist toen zij zich trakteerde op een malsch kippenvleugeltje. Zij had geen gezwellen meer, zij lachte als op haar twintigste jaar, haar gezicht had weer den stralenden glans der jeugd … O, te kunnen eten waar je trek in hebt, weer jong te worden en geen pijn meer!”
“En de genezing van zuster Julienne dan!” zeide la Grivotte, die zich op haar elleboog had opgericht en wier oogen gloeiden van koorts. “Net als bij mij was het bij haar met een zware kou begonnen; daarna is zij begonnen bloed te spuwen. Ieder half jaar stortte zij weer in en moest zij het bed houden. De laatste maal was het heel duidelijk te zien, dat zij niet meer op zou staan. Tevergeefs had zij allerlei middelen geprobeerd: jodium, trekpleisters, brandpiqures enz. Kort en goed, een echte teringlijdster, zooals trouwens zes doktoren verklaard hadden … Enfin, zij komt te Lourdes, maar God weet onder welke pijnen! Te Toulouse dacht men een oogenblik, dat zij sterven zou. De zusters droegen haar in haar armen. Bij den vijver wilden de dames der Hospitalité haar niet baden. Het was een doode … Maar ten slotte hebben zij haar toch uitgekleed en haar bewusteloos en met zweet bedekt ondergedompeld; zij haalden er haar zoo bleek uit, dat men haar dadelijk op den grond legde, zoo vast was men er van overtuigd, dat het nu werkelijk met haar gedaan was. Plotseling kwam er een kleur op haar wangen, haar oogen gingen open en zij haalde krachtig adem. Zij was genezen, zij heeft zich alleen aangekleed, en, na in de Grot de Heilige Maagd gedankt te hebben, flink gegeten. Nu, dat was toch een teringlijdster, en toch in een handomdraaien radicaal genezen!”
Toen wilde broeder Isidore wat vertellen, maar hij kon niet; met de grootste moeite zeide hij tegen zijn zuster:
“Marthe, vertel jij het verhaal van zuster Dorothée eens, dat de pastoor van Saint-Sauveur ons gedaan heeft.”
“Zuster Dorothée,” begon de boerin verlegen, “stond op een ochtend met een gezwollen been op; van af dat oogenblik kon zij het been, dat koud en zwaar als een steen werd, niet meer gebruiken. Bovendien had zij vreeselijke pijnen in haar rug. De dokters begrepen er niets van. Zij heeft er wel een stuk of zes om raad gevraagd, die met naalden diep in haar vleesch prikten en haar allerlei geneesmiddelen gaven. Maar zij hadden net zoo goed niets kunnen doen … Zuster Dorothée begreep heel goed, dat alleen de Heilige Maagd haar zou kunnen genezen, en dus gaat zij naar Lourdes en laat zich in den vijver onderdompelen. Eerst dacht zij te zullen sterven, zoo koud was het. Doch toen werd het zoo zacht, dat zij het lauwwarm begon te vinden en lekker als melk. Nooit had zij zoo iets heerlijks gevoeld; haar aderen gingen open en het water stroomde erin. U begrijpt, het leven keerde in haar terug van af het oogenblik, dat de Heilige Maagd zich over haar erbarmde … Zij had in het geheel geen pijn meer, wandelde, at ’s avonds een heele duif en sliep den heelen nacht als een roos. Lof aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid aan de machtige Moeder en haar goddelijken Zoon!”
Ook Elise Roquet had graag een wonder, dat zij kende, verteld, maar met haar misvormden mond sprak zij zoo slecht, dat zij nog niet aan de beurt had kunnen komen. Er volgde nu echter een stilte, waarvan zij gebruik maakte; zij schoof den sluier, die haar afzichtelijke wond verborg, wat ter zijde:
“O, wat ik weet is niet zoo zeer een ernstige ziekte, maar het is zoo grappig … Het betreft een zekere Célestine Dubois, die bij het inzeepen van de wasch een naald in haar hand gekregen had. Zeven jaar had zij dat ding er al in, geen dokter kon het eruit krijgen. Haar hand was heelemaal samengetrokken, zoodat zij die niet meer open kon maken … Zij gaat naar Lourdes en steekt haar hand in het water. Maar gillend trekt zij die er dadelijk weer uit. Met geweld doet men er die hand weer in, houdt die erin, terwijl zij maar blijft gillen en met zweet overdekt is. Driemaal dompelt men haar erin, en iederen keer zíet men de naald zich voortbewegen, tot hij door den duim naar buiten komt … Dat zij zoo gilde, kwam natuurlijk omdat die naald door het vleesch wandelde, alsof iemand eraan getrokken had, om hem eruit te halen … Célestine heeft nooit pijn meer gehad, alleen bleef er aan haar hand een klein litteeken, alleen om het werk der Heilige Maagd te kunnen laten zien.”
Deze anecdote had nog meer uitwerking dan de wonderen der groote genezingen. Een naald, die wandelde, alsof iemand hem voortgeduwd had. Dat bevolkte het onzienlijke, bewees, dat iedere zieke zijn eigen schutsengel achter zich had, bereid hem op een teeken des hemels te helpen. En dan, hoe aardig en kinderlijk was het, die naald, die, na zeven jaar te zijn blijven zitten, in het wonderwater wegging. En allen lachten van pleizier, straalden van geluk, dat voor den hemel niets onmogelijk was, dat zij allen, wanneer de hemel het wilde, weer gezond, jong en krachtig zouden worden. Geloof en vurige gebeden waren voldoende om de natuur het zwijgen op te leggen en het ongelooflijke werkelijkheid te doen worden. Ten slotte hing het dus eigenlijk van het geluk af, want de hemel scheen te kiezen.
“O, vader, wat is dat alles mooi!” fluisterde Marie, die tot nog toe stom van aandoening geluisterd had. “Herinnert u zich nog, wat u mij zelf verteld hebt van die Joachine Dehaut, die uit België gekomen was en met haar lam en met zweren bedekt been, dat zoo kwalijk riekte, dat niemand het uithouden kon, heel Frankrijk doorgeloopen had … Eerst werden de zweren genezen: je kon in haar knie knijpen, zonder dat ze iets voelde, er bleef alleen maar een roode vlek achter. Dan kwam de ontwrichting aan de beurt. In het water gilde zij, het scheen haar toe, alsof men haar beenderen brak, haar been afrukte; en te zelfder tijd zagen zij en de vrouw, die haar baadde, den misvormden voet zich weer recht uitstrekken met de regelmaat van een wijzer, die over een wijzerplaat loopt. Het been stond weer goed, de spieren ontspanden zich, de knie strekte zich weer, en dat alles onder zoo hevige pijnen, dat Joachine in zwijm gevallen was. Maar toen zij weer tot zichzelf kwam, sprong zij recht en flink op, om haar krukken naar de Grot te brengen.”
Ook mijnheer de Guersaint lachte verrukt over het wonder en bevestigde met een gebaar dit verhaal, dat hij van een pater van Maria Hemelvaart had gehoord. Hij zou, zeide hij, twintig dergelijke gevallen, het een al treffender en wonderbaarlijker dan het andere, kunnen vertellen. Hij riep daarbij Pierre tot getuige, en deze, die niet geloofde, schudde alleen maar zijn hoofd. In den beginne had hij, daar hij Marie geen verdriet wilde doen, getracht afleiding te zoeken door te kijken naar de landerijen, de boomen en de huizen, die voorbij vlogen. Zij waren nu Angoulême voorbij, weiden en lange rijen populieren gleden in razende vaart langs hem heen. Ongetwijfeld had men geen vertraging, want de trein, die met volle stoom reed, verslond onder het onweer in den in vuur staanden hemel den eenen kilometer na den anderen. En ondanks zichzelf hoorde Pierre telkens brokstukken van een verhaal en interesseerde hij zich voor die extravagante geschiedenissen, die de harde schokken der wielen in slaap wiegden, alsof de locomotief, aan zichzelf overgelaten, hen allen gevoerd had naar het goddelijke land der droomen. Ze rolden voort, rolden steeds maar voort, en ten slotte keek hij niet meer naar buiten, maar gaf hij zich geheel over aan den invloed van de zware, slaapwekkende atmosfeer in den wagon, waarin de extase, die ver weg was van de werkelijke wereld, die zij in zoo snelle vaart doorijlden, steeds grooter werd. Het met nieuw leven bezielde gezicht van Marie vervulde hem met groote vreugde. Hij liet zijn hand, die zij genomen had, om hem door een innigen druk al het vertrouwen, dat in haar herleefde, te zeggen, in de hare. Waarom zou hij, die toch haar genezing wilde, haar ontmoedigd hebben door zijn twijfel? Dan hield hij met eindelooze liefde de kleine klamme ziekenhand in de zijne; vervuld met broederlijk medelijden, wilde hij aan erbarming, aan een hoogere genade, die den radeloozen smarten bespaart, gelooven.
“O Pierre,” herhaalde zij, “wat is het mooi! En welk een glorie, als de Heilige Maagd zich verwaardigt zich over mij te ontfermen … Geloof je heusch, dat ik dat waardig ben?”
“Zeker,” riep hij uit, “jij bent de beste en de reinste, een sneeuwwitte ziel, zooals je vader daareven ook zeide, er zijn in het paradijs geen goede engelen genoeg, om je als eerewacht te dienen.”
Maar de verhalen waren nog niet ten einde. Zuster Hyacinthe en madame de Jonquière vertelden nu al de wonderen, die zij kenden, de lange reeks wonderen, die sedert meer dan dertig jaar te Lourdes opbloeiden als de ononderbroken rijkdom van rozen aan den mystieken rozenstruik. Men telde ze bij duizenden en ieder jaar ontloken er nieuwe in het weelderige groen van een wonderbaarlijken wasdom. De zieken, die in een toenemende koortsachtige opwinding naar die wonderen luisterden, waren de kleine kinderen, die, na het hooren van een mooi sprookje, er nog een willen, en nog een en nog een. Ja, nog meer, steeds meer verhalen, waarin de booze werkelijkheid bespot, de onrechtvaardige natuur afgeranseld wordt, waarin de goede God optreedt als de laatste en grootste genezer, die lacht om de wetenschap en naar zijn willekeur geluk geeft.
Dan kwamen nog allerlei andere kwalen aan de beurt. In de eerste plaats ziekten van klierachtigen aard, waarbij eveneens beenen, die hun dienst geweigerd hadden, tot nieuw leven gewekt worden. Marguérite Géhier, die zeventien jaar lang aan heupjicht geleden had, wier heup door de ziekte geheel was weggevreten en wier rechterknie verlamd was, valt plotseling op haar knieën, om de Heilige Maagd voor haar genezing te danken; Philomène Simonneau, een jong meisje uit de Vendée, wier linkerbeen drie verschrikkelijke open wonden had, waarin de aangevreten beenderen, die bloot lagen, splinters lieten vallen, zag plotseling haar beenderen, haar vleesch en haar huid als nieuw worden. Dan volgden de waterzuchtigen: madame Ancelin, wier voeten, handen en heele lichaam plotseling geslonken waren, zonder dat men wist waarheen dit water weggevloeid was; mademoiselle Montagnon, wie men meermalen twee-en-twintig liter water had afgetapt, en die, toen zij opnieuw opgezwollen was, weer slonk, door het aanbrengen van een in de wonderbron nat gemaakt compres, zonder dat men in het bed of op den grond water terugvond. Eveneens houdt geen enkele maagziekte stand, alle verdwijnen bij het eerste glas. Zoo kreeg Marie Souchet, die zwart bloed spuwde en die zoo uitteerde, dat zij ten slotte niet meer dan een geraamte was, in twee dagen haar vorig gewicht terug. Marie Jarland, die door het bij vergissing drinken van loog haar maag verbrand had, voelde de tumoren, die daar het gevolg van geweest waren, verdwijnen. Trouwens de grootste tumoren gaan in den vijver weg, zonder het minste spoor achter te laten. Maar wat nog wonderbaarlijker is: zweren, kankergezwellen, de meest afzichtelijke wonden worden door een ademtocht van boven genezen. Een Jood, een tooneelspeler, wiens hand door een zweer weggevreten werd, behoefde die slechts in het water te steken, om genezen te worden. Een jonge, schatrijke vreemdeling, aan wiens rechter polsgewricht zich een lupus, zoo groot als een kippenei, gevormd had, zag die verdwijnen. Rose Duval, die ten gevolge van een etterbuil in haar linkerelleboog een groot gat had, waarin men een noot kon leggen, zag het nieuwe vleesch, dat die wond heelde, aangroeien. De weduwe Fromond, wier lip half weggevreten was door een kankergezwel, behoefde zich slechts te laten afwasschen, en er was zelfs geen naad van het litteeken te zien. Marie Moreau, die vreeselijk leed door borstkanker, ging, nadat zij op de wond een in Lourdes-water gedrenkt compres gelegd had, slapen; en toen zij twee uur later wakker werd, was de pijn verdwenen, de wond toegetrokken.
Ten slotte vertelde zuster Hyacinthe de radicale genezingen van tering. Dat zette de kroon op het werk. De vreeselijke ziekte, die verwoestingen aanrichtte onder de menschheid, die de ongeloovigen de Heilige Maagd tartten om te genezen, genas zij toch, zeide men, door één enkele beweging van haar pink. Honderden gevallen, het eene al wonderbaarlijker dan het andere, volgden elkaar op. Marguerite Coupel, die drie jaar aan tering leed, en wier longtoppen door de tuberkels waren weggevreten, staat op en gaat, stralend van gezondheid, weg. Madame de la Rivière, die bloed spuwt, steeds met koud zweet overdekt is, en wier nagels reeds een blauwe kleur aangenomen hebben, behoeft, wanneer zij op het punt staat haar laatsten adem uit te blazen, slechts een lepel vol water, dat men haar tusschen de tanden giet, te drinken, en onmiddellijk houdt het rochelen op; zij gaat zitten, bidt de litanieën mede en vraagt om bouillon. Julie Jadot had vier lepels noodig, maar zij kon haar hoofd ook niet meer recht houden, terwijl zij bovendien zoo’n zwak gestel had, dat de ziekte haar opgelost scheen te hebben; binnen enkele dagen was zij heel dik. Anna Catry, die tering in den ergsten graad had en wier linkerlong reeds half weggeteerd was, wordt, tegen alle regelen der kunst in, vijfmaal ondergedompeld in het koude water, en zij is genezen, de long weer gezond. Een andere, een jonge teringlijdster, die door vijftien geneesheeren was opgegeven, was toevallig in de Grot neergeknield en ten hoogste verbaasd zoo door een gelukkig toeval genezen te zijn; zij was ongetwijfeld juist gekomen op het oogenblik, dat de Heilige Maagd in haar erbarming het wonder uit hare onzichtbare handen vallen laat.
Wonderen, wonderen, steeds meer! Als droombloemen regenen zij uit een helderen, zachten hemel. Er waren er treffende, er waren er kinderlijke onder. Een oude vrouw, die haar verlamde hand in geen dertig jaar had kunnen bewegen, wascht zich en maakte het teeken des kruises. Zuster Sophie, die blafte als een hond, springt in het water en komt er uit, terwijl zij met een heldere stem een loflied zingt. Mustapha, een Turk, roept de Witte Vrouw aan en krijgt het gebruik van zijn linkeroog terug door er een compres op te leggen. Een officier der Turco’s werd bij Sedan beschermd, een kurassier uit Reichshoffen zou gesneuveld zijn door een kogel in zijn hart, als die kogel, welke zijn portefeuille reeds doorboord had, niet afgestuit was op een beeltenis van Notre-Dame de Lourdes. En de kinderen, de arme kleinen, die lijden, vinden ook genade in haar oogen; een jongetje van vijf jaar, dat lam was, werd ontkleed en vijf minuten onder den kouden straal der fontein gehouden; hij staat op en loopt; een ander van vijftien jaar, die in zijn bed slechts dierlijke kreten uitstiet, springt uit den vijver en roept uit, dat hij genezen is; nog een ander van twee jaar, die nog nooit geloopen had, bleef een kwartier in het koude water, en doet dan vroolijk en glimlachend zijn eerste stappen. En allen, zoowel de grooten als de kleinen, leden hevige pijnen, terwijl het wonder zich voltrok, want het herstel kan niet geschieden zonder een geweldigen schok van de geheele menschelijke machine: de beenderen vernieuwden zich, het vleesch groeide aan, de kwaal werd in een laatste stuiptrekking uitgedreven. Maar welk een gevoel van welbehagen daarna! De geneesheeren geloofden hun oogen niet, de verwondering werd bij iedere genezing grooter, wanneer zij hun zieken zagen loopen, en met een waren geeuwhonger eten. Al die uitverkoren, al die genezen vrouwen liepen drie kilometer ver, zetten zich voor een kip aan tafel en sliepen dan twaalf uur aan één stuk door. Van een gewoon herstel geen sprake; het was een plotselinge sprong van den doodsstrijd in de volle gezondheid met nieuw gevormde ledematen, dichtgetrokken wonden, op hun plaats teruggebrachte organen, en dat alles met de snelheid van een bliksemstraal. Met de wetenschap werd gelachen, men nam zelfs de meest eenvoudige voorzichtigheidsmaatregelen niet in acht: vrouwen baadden in ieder gedeelte der maand, teringlijders werden, al waren zij met zweet bedekt, ondergedompeld in het ijskoude water, wonden liet men gewoon veretteren zonder eenige antiseptische behandeling. En welk een jubelgezang steeg op bij ieder wonder, welke kreten van dankbaarheid en liefde! De door het wonder geredde valt op haar knieën, alle omstanders weenen, bekeeringen vinden plaats, protestanten en joden omhelzen het Katholicisme, als nieuwe wonderen van het geloof, waarbij de hemel triompheert. De inwoners van het dorp wachtten in menigte de door het wonder geredde bij haar terugkomst op, terwijl de klokken haar jubeltoon doen hooren; en wanneer men haar lenig uit het rijtuig ziet springen, klinken luide vreugdekreten en vreugdesnikken, wordt het Magnificat aangeheven. Eer aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid en liefde aan de Moeder Gods!
Want van al die verwezenlijkte verwachtingen, van al die vurige dankzeggingen was de dankbaarheid jegens de zeer kuische Moeder, de bewonderenswaardige Moeder het voornaamste. Zij was de groote hartstocht van alle zieken, de genadige Maagd, de Spiegel der rechtvaardigheid, de Troon der wijsheid. Aller handen strekten zich uit naar haar, de mystieke Roos in de schaduw der kapellen, den ivoren Toren aan den horizont der droom, de Poort des hemels, die uitkomt in de eeuwigheid. Van af het aanbreken van iederen nieuwen dag straalt zij, als de heldere Ster van den morgen, blijde door jonge hoop. En is zij niet de Gezondheid der zieken, de Toevlucht der zondaren, de Troosteresse der bedroefden? Frankrijk was steeds haar lievelingsland geweest, waar men haar vurig vereerde als vrouw en moeder en zij zich zoo gaarne openbaarde aan jonge herderinnetjes. Zij was zoo lief voor de kleinen! Zij hield zich voortdurend met hen bezig, men wendde zich daarom zoo graag tot haar, omdat men wist, dat zij de bemiddelaarster tusschen hemel en aarde was. Iederen avond weende zij gouden tranen voor de voeten van haar goddelijken Zoon, om van hem genade te verwerven; dat waren de wonderen, die Hij haar toestond te wrochten, dat mooie, in bloei staande veld van wonderen, welriekend als de rozen van het paradijs, zoo heerlijk van kleurenpracht en geur.
De trein rolde voort. Ze waren nu—het was zes uur—Coutras voorbij. Zuster Hyacinthe stond op, klapte in de handen en riep:
“Het Angelus, kinderen!”
Nooit waren de Ave’s in een vuriger geloof, dat nog aangewakkerd werd door de brandende begeerte om door den hemel vertroost te worden, opgestegen. En toen kreeg Pierre plotseling het ware inzicht in deze bedevaarten, in deze treinen, die door de geheele wereld rolden, in al die samenstroomende menschenmassa’s, in Lourdes, dat daar in de verte straalde als het heil voor lichaam en ziel. O, de jammerlijke ongelukkigen, die hij nu sedert van ochtend zag reutelen en steunen van pijn, hun armzalige lichamen zag blootstellen aan de vermoeienis van zoo’n reis. Zij waren allen veroordeeld en opgegeven door de wetenschap, waren het moede nog langer geneesheeren te raadplegen en zich te laten kwellen door niets uitwerkende geneesmiddelen! En hoe begrijpelijk was het, dat zij in hun vurige begeerte om nog verder te leven en zich niet kunnende onderwerpen aan de onrechtvaardige en voor hun lijden onverschillige natuur, zich overgaven aan den droom van een bovenaardsche macht, van een almachtige godheid, die misschien in hun belang de vastgestelde wetten zou opheffen, den loop der sterren veranderen, terugkomen op zijn schepping. Hadden zij dan God niet, wanneer de aarde hen in den steek liet? De werkelijkheid was voor hen te vreeselijk, een oneindig verlangen naar illusie en leugen werd in hen wakker. O, te kunnen gelooven, dat er ergens een opperste gerechtsheer is, die de ongerechtigheden van menschen en dingen herstelt; te kunnen gelooven, dat er een verlosser bestaat, een trooster, die de heer en meester is, die de stroomen naar hun bron kan doen terugvloeien, jeugd kan teruggeven aan grijsaards, dooden kan opwekken! Te kunnen gelooven, wanneer je overdekt bent met wonden, je beenen verlamd zijn, je buik opgezwollen van tumoren, je longen door tuberkels weggevreten zijn, dan te kunnen gelooven, dat dat er niet op aan komt, dat dat alles kan verdwijnen en opnieuw ontstaan kan op een teeken der Heilige Maagd, en dat het voldoende is te bidden, haar te ontroeren, om van haar de genade te verkrijgen uitverkoren te worden. En dan, welk een hemelsche springbron van heerlijke verwachtingen, wanneer de wonderbare stroom begint te vloeien van die prachtige genezingsverhalen, van die bekoorlijke feeënsprookjes, die de koortsachtig opgewonden verbeeldingskracht van zieken en zwakken in slaap wiegen en bedwelmen. Hoe begreep men, sedert de kleine Sophie Couteau met haar blank, genezen voetje in dien wagon gekomen was en den grenzenloozen hemel van het goddelijke en bovennatuurlijke geopend had, hoe begreep men nu den ademtocht van wonderbare opstanding, die langzamerhand de meest radeloozen van hun jammerbed oprichtte, aller oogen deed stralen, daar het leven voor hen nog mogelijk was en zij het misschien opnieuw zouden beginnen!
Ja, zoo was het. Dat deze jammervolle trein voortrolde, steeds voortrolde, dat deze wagon vol was, dat de andere vol waren; dat Frankrijk en de wereld, van uit de verste hoeken der aarde, door dergelijke treinen doorstoomd werd; dat scharen van driehonderd duizend geloovigen, duizenden zieken met zich voerend, het eene jaar in, het andere uit zich in beweging zetten; dat alles geschiedde, omdat daar in de verte de Grot in haar glorie straalde als een vuurtoren van hoop en illusie, als de opstand en de triomf van het onmogelijk geachte over de onverbiddelijke materie. Nooit was een meer passionneerende roman geschreven om de zieken te verheffen boven den harden en wreeden levensstrijd. Dien droom te droomen was het groote, onuitsprekelijke geluk. De paters van Maria Hemelvaart hadden slechts daarom jaarlijks het succes van hun bedevaarten grooter zien worden, omdat zij aan de toegestroomde volkeren troost en leugen verkochten, dat heerlijke brood der hoop, waarnaar de lijdende menschheid eeuwig hongert, een honger, dien nooit iets stillen kan. En niet alleen de lichamelijke wonden, die om genezing riepen, neen het geheele moreele en intellectueele zijn schreeuwde zijn leed uit in een onverzadigbare dorst naar genezing. Gelukkig zijn, de zekerheid van zijn leven stellen in het geloof, tot aan zijn dood steunen op dien krachtigen en betrouwbaren reisstaf, dat was de wensch, die uit aller harten opsteeg, die alle moreele smarten deed nederknielen in een smeeken om voortzetting der genade, om bekeering der dierbaren, om het geestelijk heil van zichzelf en van hen, die men liefheeft. De luide kreet plantte zich voort, rees op, vulde de ruimte: gelukkig zijn voor eeuwig, in het leven en in den dood.
En Pierre had wel gezien, hoe al die lijdenden, die hem omringden, het schokken van de wielen niet meer voelden, hun krachten terugvonden bij iederen verslonden kilometer, die hen dichter bij het wonder bracht. Madame Maze zelfs werd spraakzaam in de zekerheid, dat de Heilige Maagd haar haar man zou teruggeven. Madame Vincent wiegde glimlachend de kleine Rose, die zij heel wat minder ziek vond dan die half doode kinderen, welke men in het ijskoude water dompelde en die dan speelden. Mijnheer Sabathier schertste met mijnheer de Guersaint en zeide, dat hij in October, wanneer hij zijn beenen weer zou kunnen gebruiken, naar Rome zou gaan, een reis, die hij al vijftien jaar uitgesteld had. Madame Vêtu, die eveneens kalmer geworden was, ook al deed haar maag nog wat pijn, dacht, dat zij honger had en vroeg aan madame de Jonquière een paar beschuitjes voor haar in een glas melk te doopen, terwijl Elise Rouquet, haar open wond vergetend, haar sluier weggeslagen had en een tros druiven at. La Grivotte, die op was gaan zitten, en broeder Isidore, die niet langer kreunde, waren ten gevolge van die mooie verhalen nog zoo opgewonden, dat zij in hun ongeduldig verlangen naar genezing zich over ieder uur uitstel ongerust maakten. Zelfs de onbekende keerde, al was het dan ook maar voor één minuut, tot het leven terug. Toen zuster Hyacinthe weer eens het koude zweet van zijn voorhoofd veegde, sloeg hij zijn oogen op, terwijl een glimlach zijn gelaat deed oplichten. Nog eenmaal had hij gehoopt.
Marie hield nog steeds in haar kleine klamme hand de hand van Pierre. Het was zeven uur, eerst om half acht zouden ze in Bordeaux zijn; en de trein, die te laat was, verhaastte, om de verloren minuten in te halen, meer en meer zijn vaart in een dolzinnige snelheid. Het onweer had uitgewoed, een zuivere, reine koelheid viel uit den wijden, helderen hemel.
“O, Pierre, wat is het mooi, wat is het mooi,” herhaalde Marie weer, terwijl zij vol teederheid en liefde zijn hand drukte.
En zich naar hem vooroverbuigend, fluisterde zij:
“Pierre, ik heb daareven de Heilige Maagd gezien en toen heb ik jouw genezing gevraagd en verkregen.”
De priester begreep haar en geraakte geheel van streek door de oogen vol goddelijk licht, die zij op de zijne richtte. Zij had zichzelf vergeten, zij had zijn bekeering gevraagd, en dit gebed om geloof, dat zoo rein uit dit lijdende en hem zoo dierbare wezen opgestegen was, roerde hem tot in het diepst van zijn ziel. De verstikkende hitte van den wagon had hem verdoofd, het zien van die daarin opgehoopte ellende deed zijn medelijdend hart bloeden. En de besmetting liet haar werking gevoelen; hij wist niet meer, waar het werkelijke en het mogelijke ophielden, was niet in staat te midden van die opeenhooping van verbijsterende feiten, de ware keuze te doen, sommige te verklaren, andere te verwerpen. Een oogenblik, juist toen weer een gezang hemelwaarts steeg, sleepte zijn obsessie hem mede, hij behoorde zichzelf niet meer toe, verbeeldde zich, in de duizelingwekkende vaart van dit onder vollen stoom rollende, steeds voortrollende hospitaal, weer geloovig te zijn.
V.
Na een oponthoud van enkele minuten, gedurende welke zij, die nog niet gegeten hadden, zich haastten om wat te koopen, verliet de trein Bordeaux. De zieken kregen telkens wat melk en hielden, evenals kleine kinderen, niet op steeds weer om melk te vragen. Zoodra de trein zich weer in beweging gezet had, klapte zuster Hyacinthe in haar handen.
“Kom, kinderen, voortgemaakt! Het avondgebed!”
Toen volgde bijna een kwartier lang een verward geprevel van Pater’s en Ave’s, een zelfonderzoek, een boetedoening, een algeheele overgave van zichzelf aan God, aan de Heilige Maagd en aan de Heiligen, een vurige dankzegging voor den gelukkig doorgebrachten dag, die met een gebed voor de levenden en gestorven geloovigen eindigde.
“In den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes … Amen!”
Het was tien minuten over achten, de avondschemering daalde reeds over het land, een uitgestrekte vlakte, die door de avondnevels nog grooter scheen en waarin in de verspreid staande huizen heldere vonkjes vriendelijk òplichtten. De pitten in den wagon flikkerden en wierpen een geel schijnsel op de stapels bagage en de pelgrims, die door de aanhoudende zigzagbeweging heen en weer geschud werden.
“Denkt eraan, kinderen,” begon zuster Hyacinthe, die was blijven staan, weer, “dat ik te Lamothe, ongeveer een uur verder, de nachtrust zal laten ingaan. Je hebt dus nog een uur om je aangenaam bezig te houden, maar weest verstandig en windt je niet te veel op. Maar goed begrepen, nietwaar? na Lamothe geen woord meer; ik wil, dat jullie allemaal slaapt.”
Zij moesten om die woorden lachen.
“Ja, dat is de regel, en jullie bent veel te verstandig, om niet te gehoorzamen!”
Werkelijk hadden zij vanaf den vroegen ochtend stipt het programma der godsdienstige oefeningen, die voor ieder uur vastgesteld waren, gevolgd. Nu alle gebeden opgezegd, de rozenkransen afgebeden, de liederen gezongen waren, was de dag geëindigd, bleef er nog een korte tijd van verpoozing voor de nachtrust. Maar zij wisten niet, wat zij doen moesten.
“Zuster,” zeide Marie, “zoudt u mijnheer den abbé niet willen toestaan ons wat voor te lezen. Hij leest prachtig, en ik heb toevallig een klein boekje bij mij, een mooi verhaal over Bernadette …”
Maar men liet haar niet uitspreken; allen schreeuwden door elkaar, onstuimig als kinderen, aan wie je belooft een mooi sprookje te vertellen.
“Hè ja, zuster! Hè ja, zuster!”
“Natuurlijk vind ik het goed,” zeide zuster Hyacinthe, “nu het een goed boek is.”
Pierre moest toestemmen, of hij wilde of niet. Maar hij wilde onder de lamp zitten en moest daarom van plaats omwisselen met mijnheer de Guersaint, die door de belofte van een verhaal al even verrukt was als de zieken. En toen de jonge priester eindelijk zat en het boekje opende, rekten aller halzen zich uit en spitsten zich aller ooren. Gelukkig had hij een duidelijke, heldere stem, kon hij boven het gedreun der wielen uitkomen, dat trouwens in deze eindelooze vlakte niet zoo hinderlijk meer was.
Maar alvorens te beginnen, keek Pierre het boekje in. Het was een van die kleine colportageboekjes, die door de Katholieke pers gedrukt en in grooten getale over de geheele Christenheid verspreid werden. Het was slecht gedrukt op goedkoop papier en had op den blauwen omslag een Notre-Dame de Lourdes, een naïef plaatje van stijve, onbeholpen gratie. Hij zou het, zonder zich te overhaasten, in een half uur kunnen uitlezen.
En Pierre begon met zijn mooie heldere stem, die een prettigen, doordringenden klank had:
“Het was te Lourdes, een klein stadje in de Pyrenaeën, op Donderdag 11 Februari 1858. Het weer was koud, de lucht lichtbewolkt. In het huis van den armen, maar fatsoenlijken molenaar François Soubirous hadden ze geen hout meer om het eten op te koken. Zijn vrouw Louise zeide tegen haar tweede dochter, Marie: “Ga wat hout halen aan den Gave of in het bosch.” De Gave is een bergriviertje, dat door Lourdes stroomt.
“Marie had een oudere zuster, Bernadette geheeten, die pas van het land teruggekomen was, waar zij als herderin bij brave boerenlieden gediend had. Het was een zwak, teer, heel onschuldig kind, wier geheele wetenschap hierin bestond, dat zij den rozenkrans af kon bidden. Louise was wegens de koude bang haar met haar zuster naar het bosch te zenden, maar op aandrang van Marie en een buurmeisje, Jeanne Abadie, liet zij haar toch gaan.
“De drie vriendinnetjes, die langs het beekje liepen, om dor hout te sprokkelen, kwamen bij een grot, die uitgehold was in een groote rots, die de bewoners van die streek Massabielle noemen …”
Hier gekomen hield Pierre op en liet het boekje op zijn knieën vallen. De kinderlijkheid van het verhaal, de conventioneele, nietszeggende zinnen hinderden hem, hem, die het volledige dossier van deze buitengewone geschiedenis in handen gehad, die hartstochtelijk de kleinste bijzonderheden ervan bestudeerd had, en die in zijn hart een innige liefde, een grenzenloos medelijden voor Bernadette koesterde. Hij had zooeven nog tegen zichzelf gezegd, dat hij de enquête, waarvoor hij vroeger zoo graag naar Lourdes had willen gaan, morgen aan den dag zou kunnen beginnen. Het was een van de redenen, die hem tot de reis hadden doen besluiten. En opnieuw ontwaakte zijn nieuwsgierigheid met betrekking tot de helderziende, die hij liefhad, omdat hij voelde, dat zij oprecht, waarheidlievend en ongelukkig was, maar wier geval hij had willen analyseeren en verklaren. Zeker, zij loog niet, zij had haar visioen gehad, zij had stemmen gehoord evenals Jeanne d’Arc, en evenals Jeanne d’Arc bevrijdde zij, volgens het zeggen der Katholieken, Frankrijk. Welke kracht was het nu, die haar en haar werk voortgebracht had? Hoe had het visioen bij dit ongelukkige kind kunnen ontstaan, hoe had zij alle geloovige zielen in zoo’n opwinding kunnen brengen, dat de wonderen der primitieve tijden zich hernieuwden en men bijna een nieuwen godsdienst stichtte in een heilige stad, plotseling met millioenen opgebouwd en overstroomd door menschenmassa’s, zóó in extase en zóó talrijk als men ze sedert de Kruistochten niet gezien had?
Toen hield hij op met lezen en vertelde hij, wat hij wist, wat hij geraden en opnieuw vastgesteld had van deze geschiedenis, nog altijd zoo duister ondanks de stroomen inkt, die zij reeds had doen vloeien. Hij kende het land, de zeden, de gewoonten door de lange gesprekken, die hij met zijn vriend, dr. Chassaigne gehad had. Hij bezat een prettige manier van vertellen, een heilige bezieling, opmerkelijke gaven van een gewijd redenaar, die hij in zijn seminarietijd al in zich gevoeld, maar nooit gebruikt had. Toen men in den wagon merkte, dat hij de geschiedenis heel wat beter en uitvoeriger kende dan het kleine boekje en dat hij haar op een zoo aandoenlijken en bezielden toon vertelde, steeg de aandacht nog meer, gaven die aan smart zoo rijke zielen zich, in haar honger naar geluk, geheel aan hem.
Eerst kwam de jeugd van Bernadette, te Bartrès, aan de beurt. Zij groeide daar op bij haar zoogmoeder, vrouw Lagües, die, toen zij een pas geboren kind verloren had, den armen Soubirous den dienst bewees hun kind te voeden en bij zich te houden. Dit gehucht van vierhonderd zielen lag, op ongeveer een mijl afstands van Lourdes, als in een woestijn, ver van alle verkeerswegen, verscholen tusschen het groen. De weg loopt steil naar beneden, de enkele huizen staan vrij ver uit elkaar op door hagen gescheiden grasvelden, die met note- en kastanjeboomen beplant zijn, terwijl heldere beekjes, die nooit zwijgen, de voetpaden der hellingen volgen; alleen de oude, kleine Romaansche kerk steekt omhoog op een heuveltje, dat verder door de graven van het kerkhof ingenomen wordt. Aan alle kanten rijzen boschrijke hellingen golvend op: het dorpje is als een gat in het heerlijke diep-groene grastapijt. Bernadette, die, sedert zij een groot meisje was, haar kostgeld verdiende met het hoeden van schapen, weidde haar dieren maanden lang in dat groen, waarin zij nooit een levende ziel ontmoette. Een enkele maal echter zag zij van den top van een helling in de verte de bergen, den Pic du Midi, den Pic de Viscos, stralende of donkere rotsmassa’s al naar de kleur, die het weer hun gaf, en waarachter zich verder in nevelen gehulde Pics verhieven, onduidelijke verschijningen, zooals men die in een droom pleegt te zien. Het huisje der Laqûes, waar haar wieg nog steeds stond, lag eenzaam en was het laatste van het dorp. Er voor strekte zich een weide uit, beplant met appel- en pereboomen en van het vrije veld slechts gescheiden door een smal beekje, waar je makkelijk overheen kon springen. In het lage huisje waren rechts en links van de houten trap, die naar den zolder leidde, slechts twee groote met steenen tegels bedekte vertrekken, in elk waarvan vier of vijf bedden stonden. De meisjes sliepen bij elkaar en sluimerden iederen avond in onder het kijken naar de mooie platen aan den muur, terwijl te midden der diepe stilte de groote klok in zijn kast van dennenhout de uren aangaf.
O, in welk een zalige heerlijkheid had Bernadette die jaren in Bartrès geleefd! Zij groeide slechts langzaam op, altijd ziek, lijdend aan een nerveus asthma, dat haar bij den minsten wind dreigde te doen stikken; toen zij twaalf jaar was, kon zij nog niet lezen of schrijven, sprak slechts het patois van die streken, was nog een echt kind gebleven, zoowel geestelijk als lichamelijk haar leeftijd ver ten achter. Het was een lief, zacht, gehoorzaam meisje, maar verder een kind als ieder ander kind, alleen niet erg spraakzaam: zij luisterde liever dan dat zij sprak. Hoewel zij weinig geleerd had, bewees zij nu en dan gezond verstand te bezitten, had zelfs dikwijls een goed antwoord bij de hand, een aardig, schertsend woord, waarom men moest lachen. Het kostte daarentegen weer veel moeite haar den rozenkrans te leeren. Toen zij hem eindelijk uit haar hoofd opzeggen kon, scheen zij daartoe haar geheele kennis te willen beperken; zij bad hem van den vroegen ochtend tot den laten avond, zoodat men haar ten slotte bij haar schapen nog slechts zag met den rozenkrans in haar handen, de Pater’s en Ave’s afbiddend. Hoeveel uren had zij daar zoo doorgebracht op de groene helling van den heuvel, gewiegd door het geheimzinnig ruischen der bladeren, terwijl zij bij oogenblikken niets van de wereld zag dan de toppen der verre bergen, ijl als een droom wegdoezelend in het licht. De dagen verliepen, en steeds vergezelde haar bij het rondzwerven die nauw-begrensde droom, het eenige gebed, dat zij telkens weer herhaalde en dat haar in die frissche, kinderlijk-naïeve eenzaamheid geen andere metgezelle en vriendin gaf dan de Heilige Maagd. En wat een heerlijke avonden bracht zij ’s winters door in het vertrek links, waar een groot vuur brandde! Haar zoogmoeder had een broer, die priester was en soms zulke prachtige verhalen voorlas, geschiedenissen van heilige mannen en vrouwen, wonder-heerlijke avonturen, die je deden beven van angst en pleizier, verschijningen uit het paradijs op de aarde, terwijl de half-geopende hemel den glans der engelen zien liet.
De boeken, die hij medebracht, stonden dikwijls vol mooie platen: den goeden God in zijn volle heerlijkheid en glorie, de zoo teere en vriendelijke gestalte van Jezus met zijn door licht omstraald gezicht, en vooral de Heilige Maagd, schitterend in het wit, azuur en goud gekleed en zoo liefderijk, dat zij haar dikwijls in haar droomen terugzag. Maar de Bijbel was toch het boek, dat men het meest las, een oude, door het gebruik vergeelde Bijbel, die reeds meer dan een eeuw in de familie was; iederen langen winteravond, dat er bezoek was, nam de pleegvader, de eenige, die had leeren lezen, een speld, stak die op goed geluk ergens in den Bijbel en begon dan boven aan de rechterbladzijde te lezen onder de diepe stilte van de vrouwen en de kinderen, die ten slotte den tekst van buiten kenden en, zonder zich in één woord te vergissen, door hadden kunnen gaan.
Bernadette gaf de voorkeur aan vrome boeken, waarin de Heilige Maagd met haar vriendelijk glimlachje voorkwam. Doch ook een ander verhaal vond zij erg mooi, de wonderlijke geschiedenis van de vier Heemskinderen. Op den gelen omslag van het kleine boekje, dat hier toevallig achter gelaten was door een rondreizend koopman, zag men op een kinderlijk plaatje de vier koene ridders, Reinoud en zijn broeders, alle vier op Bayard, hun beroemd strijdros dat de fee Orlanda hun ten geschenke gegeven had. Het waren die bloedige gevechten, belegeringen van vestingen, vreeselijke duels op den degen tusschen Roland en Reinoud, die ten slotte het Heilige Land ging bevrijden, den toovenaar Maugis met zijn wonderbaarlijke tooverkunsten niet te vergeten en prinses Clarisse, de zuster van den koning van Aquitanië, die mooier was dan de dag. Wanneer haar phantasie zoo opgewekt was, kon Bernadette ’s nachts den slaap niet vatten vooral niet na avonden, waarop niet voorgelezen werd, maar iemand uit het gezelschap een heksengeschiedenis verteld had. Zij was zeer bijgeloovig, nooit zou men haar na zonsondergang langs een toren gekregen hebben, die door den duivel bezocht werd. Trouwens de geheele streek was heel eenvoudig van geest, was als bevolkt met geheimzinnigheden; boomen, die zongen, steenen, waar bloed uit parelde, kruiswegen, waarbij je drie Pater’s en drie Ave’s moest bidden, als je het woeste beest met de zeven hoorns niet wilde tegenkomen, dat de meisjes in het verderf sleepte. En welk een rijkdom van schrikaanjagende sprookjes! Er waren er honderden, je zoudt er op één avond niet mee klaar komen om ze te vertellen.
In de eerste plaats kwamen de avonturen van weerwolven, welke ongelukkige menschen, die door den duivel gedwongen werden in de huid van een van de groote witte berghonden te kruipen: wanneer je op den hond schiet en de eerste kogel hem raakt, dan is de mensch verlost; doch wanneer de kogel slechts de schaduw raakt, sterft de mensch onmiddellijk.
Dan volgden in een eindelooze rij de toovenaars en tooverheksen. Een van die verhalen viel bijzonder in Bernadette’s smaak, dat van een griffier te Lourdes, die den duivel wilde zien en daarom op Goeden Vrijdag om middernacht door een heks naar een eenzaam veld gebracht werd. De duivel kwam, prachtig in het rood gekleed.
Onmiddellijk stelde hij den griffier voor zijn ziel te koopen, op welk voorstel deze schijnbaar inging. Toevallig had de duivel onder zijn arm het register, waarin de menschen uit de stad, die zich reeds verkocht hadden, hun handteekening hadden gezet. Maar de sluwe griffier haalde uit zijn zak een fleschje, waarin volgens zijn zeggen inkt was, doch waarin zich in werkelijkheid wijwater bevond; hij besprenkelde den duivel daarmede, die verschrikkelijk begon te gillen, terwijl hij zelf op de vlucht ging en het register meenam. Toen begon er een dolle jacht, die den heelen avond kon duren, door bergen en dalen, door bosschen en over bergstroomen.
“Geef me mijn register!”
“Neen, je krijgt het niet!”
En telkens begon het weer opnieuw:
“Geef me mijn register!”
“Neen, je krijgt het niet!”
De griffier, die reeds buiten adem was en op het punt stond neer te vallen, kreeg plotseling een ingeving: hij sprong op het kerkhof in gewijde aarde en lachte vandaar den duivel uit, terwijl hij spottend met het register heen en weer zwaaide; op die manier had hij de zielen van alle ongelukkigen, die geteekend hadden, gered.
Op zulke avonden bad Bernadette, voor zij slapen ging, een rozenkrans af, blij te zien, dat de hel zoo gehoond werd, maar toch rillend bij de gedachte, dat de duivel, zoodra men de lamp uitgeblazen had, zeker om haar zou komen rondsluipen.
Een heele winter lang hadden de gezellige avondbijeenkomsten in de kerk plaats. Pastoor Ader had er toestemming voor gegeven, en er kwamen veel families, om licht uit te sparen, terwijl je het bovendien veel warmer hadt, wanneer je met zoovelen bij elkaar zat. Men las uit den Bijbel voor en er werd gezamenlijk gebeden. De kinderen vielen er ten slotte bij in slaap. Alleen Bernadette streed er tot het einde tegen, gelukkig als ze zich gevoelde bij den goeden God te mogen zijn in het kleine schip der kerk, welks muren rood en blauw geverfd waren. Op den achtergrond verhief zich, eveneens geschilderd en verguld het altaar met zijn spiraalvormig gewonden zuilen en zijn altaarstukken, die Maria bij Anna en de onthoofding van den H. Johannes voorstelden. In de slaperigheid, die zich steeds meer van haar meester maakte, zag het kind het mystieke visioen van die schreeuwend gekleurde beelden oprijzen, het bloed uit de wonden vloeien, de aureolen stralen, de Heilige Maagd steeds weer terugkomen en haar aankijken met haar levende, hemelsblauwe oogen, terwijl het haar toescheen, alsof zij haar vermillioen-roode lippen wilde openen, om haar toe te spreken. Maandenlang bracht zij op die wijze haar avonden door, tegenover het half in schemer gehulde altaar, in dien halven slaap, waarin reeds de goddelijke droom begon, dien zij medenam naar huis, om hem in bed verder te droomen, terwijl zij rustig onder de bescherming van haar schutsengel sliep.
In diezelfde oude kerk, zoo nederig en zoo vol vurig geloof, ging Bernadette ter leering. Zij was toen bijna veertien jaar, zoodat het hoog tijd werd, dat zij haar eerste communie deed. Haar zoogmoeder, die voor gierig doorging, liet haar niet school gaan, maar haar van ’s morgens tot ’s avonds in het huishouden helpen. Mijnheer Barbet, de onderwijzer, zag haar nooit in zijn klas. Maar op een dag, dat hij in plaats van pastoor Ader, die ziek was, catechesatie gaf, viel zij hem dadelijk op door haar vroomheid en haar bescheidenheid. De priester hield veel van Bernadette en sprak dikwijls met den onderwijzer over haar en zeide dan, dat hij haar nooit kon aankijken zonder aan de kinderen van la Salette denken, want die kinderen moesten eenvoudig, goed en vroom geweest zijn als zij, anders zou de Heilige Maagd hun niet verschenen zijn.
Op een morgen, dat de beide mannen haar buiten het dorp in de verte met haar kudde tusschen de groote boomen zagen, keerde de priester zich meermalen om en zeide:
“Ik weet niet, wat het is in mij, maar iederen keer, dat ik het kind zie, denk ik Mélanie, het kleine herderinnetje, de metgezellin van den kleinen Maximin te zien.”
Ongetwijfeld was hij als het ware bezeten door deze gedachte, die later een voorspelling zou blijken te zijn. En had hij niet op een dag na de catechesatie, of misschien op een avondbijeenkomst in de kerk, het wonderbaarlijke, nu reeds twaalf jaar oude verhaal verteld van de in schitterend en verblindend wit gekleede Vrouw, die over het gras liep, zonder het plat te trappen, van de Heilige Maagd, die op den berg aan den oever van een beekje aan Mélanie en Maximin verschenen was, om hun een groot geheim toe te vertrouwen en hun de toorn van haar zoon aan te kondigen?
Van af dien dag genas een bron, die uit de tranen der Heilige Maagd ontstaan was, alle ziekten, terwijl het geheim, dat aan een met drie waszegels gesloten perkament toevertrouwd was, te Rome rustte. Zeker had Bernadette in koortsachtige opwinding met haar zwijgend gezichtje van wakend droomstertje naar dit wonderbare verhaal geluisterd en het medegenomen naar de eenzaamheid der bosschen, waarin zij haar dagen doorbracht, om het achter haar schapen nog eens te herlezen, terwijl de kralen van haar rozenkrans één voor één tusschen haar teere vingertjes gleden.
Zoo verstreek haar jeugd te Bartrès. Wat in die tengere en achterlijke Bernadette vooral verrukte, dat waren haar dweepzieke oogen, de mooie oogen van een helderziende, waarin de vlucht der droomen, als vogels in een helderen hemel, voorbij streek. Haar mond was groot en sterk ontwikkeld en wees op goedheid; haar vierkant hoofd met het rechte voorhoofd en de dikke zwarte haren zou zonder de uitdrukking van beminlijke eigenzinnigheid niets bijzonders gehad hebben. Maar wie haar niet in de oogen zag, merkte haar niet op; zij was dan niets meer dan een arm straatkind, dat lichamelijk en geestelijk achter was. En in die oogen had pastoor Ader ongetwijfeld alles gelezen, wat later in haar zou opbloeien: het lijden, dat haar arm lichaam in zijn ontwikkeling belemmeren zou, de eenzaamheid der bosschen, waarin zij opgegroeid was, de blatende zachtmoedigheid van haar lammeren, de engelengroet, dien zij op haar rondzwerving onder den vrijen hemel steeds weer herhaalde, de angstaanjagende verhalen, die zij bij haar zoogmoeder gehoord had, de avondbijeenkomsten, die zij voor de levende altaarstukken der kerk had medegemaakt, de geheele atmospheer van primitief geloof, die zij in dit verre, door bergen afgesloten land had ingeademd.
Den 7den Januari was Bernadette veertien geworden, en haar ouders, de Soubirous, die zagen, dat zij te Bartrès niets leerde, besloten haar weer voor goed thuis te Lourdes te nemen, waar zij de catechesatie geregeld volgen en zich ernstig voorbereiden moest voor haar eerste communie. En zoo was zij twee à drie weken te Lourdes, toen op 11 Febr. een Donderdag, bij koud weer en een bedekte lucht …