← Table of contents
Waverley

HET AFSCHEID VAN WAVERLEY.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Op den avond van dezen merkwaardigen zondag trad Sir Everard de boekerij binnen, waar hij onzen jongen held bijna had betrapt, bezig met het oude zwaard van Sir Hildebrand in het rond te zwaaijen, dat als een erfstuk bewaard, gewoonlijk boven den schoorsteen in de boekerij, onder een portret van den ridder en zijn paard hing, wiens gelaatstrekken bijna geheel bedekt waren door des ridders vreeselijk zware krulpruik, terwijl het door hem bereden strijdros verborgen was onder den ontzachlijken mantel van de Bath-orde, waarmede hij omhangen was. Sir Everard trad binnen, en na een blik op de schilderij en een tweeden op zijn neef geslagen te hebben, begon hij eene kleine deftige aanspraak, die echter spoedig overging in zijne natuurlijke eenvoudige spreekwijze, bij deze gelegenheid door meer dan gewone aandoening verlevendigd. „Neef,” zeide hij „dat is, mijn lieve Eduard, het is Gods wil, en insgelijks de wil van uw vader, wien het, naast God, uw plicht is te gehoorzamen, dat gij ons verlaat, om het krijgsmans beroep te volgen, waarin zoovelen uwer voorvaderen zich onderscheiden hebben. Ik heb de noodige schikkingen gemaakt die u zullen in staat stellen, om in het veld te verschijnen als hun afstammeling en als de stamhouder van het huis Waverley; en, op ’t slagveld zult ge niet vergeten, welken naam gij draagt. Maar Eduard, mijn lieve jongen, herinner u insgelijks, dat gij de laatste van dien stam zijt, en dat alleen op u de hoop berust, dat hij niet zal uitsterven; en daarom, zoo ver plicht en eer zulks toelaten, vermijd het gevaar – ik meen, noodeloos gevaar – en houd u niet op met gemeene knapen, spelers en Whigs, waarvan er zoo als te vreezen is, maar al te veel in de dienst gevonden worden, waarin gij treden zult. Uw Kolonel is, naar men mij bericht heeft, een uitmuntend man – voor een Presbyteriaan; maar gij zult uw plicht in het oog houden jegens God, de kerk van Engeland en den – (deze gaping had volgens de orde behooren aangevuld te worden met het woord koning; maar daar dit woord ongelukkig een dubbelen en onzekeren zin had, de éen doelende op het feitelijk bezit en de ander op het recht, zoo vulde de ridder het aan) – de kerk van Engeland en alle ingestelde machten.” Vervolgens, daar hij zich niet verder als redenaar waagde, bracht hij zijn neef naar den stal, om de paarden te zien, die hij voor hem bestemd had. Twee waren er zwart, de kleur van het regiment, beide uitmuntend schoone dieren; de drie andere waren stevige, vlugge rijpaarden, voor de reis, of voor Eduards bedienden bestemd; twee dezer waren uit die van het slot gekozen; een derde, die als staljongen dienst zou doen, zou in Schotland wel te krijgen zijn.

„Gij zult slechts met een klein gevolg vertrekken,” zei de baronet, „in vergelijking met Sir Hildebrand, toen hij voor de poort van zijn slot een talrijker troep ruiterij monsterde; dan uw geheele regiment. Ik zou graag gezien hebben, dat de twintig jonge lieden van mijn goederen, die dienst hebben genomen bij uw regiment, te gelijk met u naar Schotland hadden kunnen vertrekken. Het zou ten minste iets geweest zijn; maar men heeft mij gezegd, dat zulk een gevolg in den tegenwoordigen tijd als iets ongewoons beschouwd zou worden, nu allerlei nieuwe en dwaze gewoonten ingevoerd zijn om de natuurlijke banden, die het volk aan zijne landheeren hechten, te verzwakken.”

Sir Everard had zijn best gedaan, om deze onnatuurlijke richting van den tijdgeest te verbeteren; want hij had de banden van gehechtheid tusschen de recruten en hun jongen kapitein verstrekt, niet alleen door een overvloedigen maaltijd van vleesch en bier, bij wijze van afscheidsfeest, maar tevens door een ruim geschenk in geld, hetwelk eer strekte om de genoegens dan wel om de orde en tucht op hun marsch te bevorderen. Na de paarden in oogenschouw genomen te hebben, bracht Sir Everard zijn neef terug naar de bibliotheek, waar hij een met zorg toegevouwen brief voor den dag haalde, volgens ouder gewoonte omwonden met een strookje ongesponnen zijde, en verzegeld met een nauwkeurig afdruksel van het Waverleysche wapenschild. Deze brief was, met alle deftigheid van dien tijd, geadresseerd „Aan den Hoogwelgeboren Heere Cosmo Comyne Bradwardine, van Bradwardine, op zijn residentie Tully-Veolan, graafschap Perth, Schotland. – Ter vriendelijke bezorging van kapitein Eduard Waverley, neef van Sir Everard Waverley, van Waverley-Honour, Baronet.”

„Wee, wee om Schotland, maar geen zier om mij!”

Wat den edelman betreft, deze was verheugd, dat zijn waardige vriend Sir Everard Waverley van Waverley-Honour terugbetaling ontvangen had der kosten, welke hij voor rekening van het huis Bradwardine had gemaakt. Het was van belang, zeide hij, voor de eer van zijn familie, en van het koninkrijk Schotland in het algemeen, dat deze verschotten terstond betaald werden, en het uitstellen zou een openbare schande zijn. Sir Everard, gewoon om veel grootere sommen met onverschilligheid te behandelen, ontving de drie honderd pond sterling zonder eens op te merken, dat deze betaling van internationaal belang was, en zou waarschijnlijk de gansche zaak vergeten hebben, indien Mackwheeble bedacht geweest was, om zijn kolijk te verzachten door het gezondene te onderscheppen. Van dit oogenblik dateerde echter eene jaarlijksche correspondentie bestaande in een korten brief, een mand wild en een paar gevulde vaten, tusschen Waverley-Honour en Tully-Veolan, terwijl de Engelsche toezending in groote kazen en sterk bier, faizanten en reeën, en het Schotsche tegengeschenk uit korhoenders, hazen, gezouten zalm en eigengestookte jenever bestond. Al deze geschenken werden gegeven en ontvangen, als bewijzen van standvastige vriendschap en genegenheid tusschen twee edele huizen. Natuurlijk vloeide hieruit voort, dat de stamhouder van Waverley-Honour Schotland niet gevoeglijk kon bezoeken, zonder van een geloofsbrief bij den baron van Bradwardine voorzien te zijn.

Hier haalde de heer Pembroke twee geweldige pakken voor den dag, die ieder een geheelen riem dicht geschreven stukken schenen te bevatten. Het was de arbeid van ’s waardigen mans geheele leven; en nooit gingen arbeid en ijver zoo volslagen te loor. Hij was eens naar Londen gegaan, met het voornemen om ze aan de wereld te schenken, door middel van een boekverkooper, wel bekend door den handel in dergelijke geschriften en tot wien men hem gezegd had zich te wenden met zekere woorden en met een zeker teeken, dat, naar het schijnt, in die dagen gangbaar was onder de Jacobieten. Nauwelijks had de heer Pembroke het schibboleth met den vereischten klem uitgebracht, of de boekverkooper begroette hem, in weerwil van alle tegenbetuiging, met den titel van doctor; en na hem in zijn achterwinkel gebracht, en overal te hebben nagezien, waar iemand al of niet verborgen kon zijn, begon hij: „Wel doctor! – wel! – alles onder de roos. – Alles dicht – er is hier zelfs geen gat voor een Hannoversche rat om in te kruipen. Wel zoo, – he! goed nieuws van onze vrienden aan den overkant? – en hoe vaart de waardige koning van Frankrijk? – Of misschien komt gij nu uit Rome – want Rome moet eindelijk gaan handelen – de Kerk moet hare kaars aan de oude lamp opsteken. – He – wat – beschroomd? Gij bevalt mij des te beter; maar wees onbevreesd.”

Hier brak de heer Pembroke met eenige moeite een stroom van vragen af, vergezeld van teekens, knikjes en wenken; en na eindelijk den boekverkooper overtuigd te hebben dat hij hem te veel eer aandeed, door te vooronderstellen dat hij een zendeling van het verdreven koningshuis was, gaf hij hem te verstaan wat zijn bedoeling was.

Den volgenden dag ging de heer Pembroke weder bij den uitgever: maar bevond dat Tom Alibi’s advies dezen van de onderneming had doen afzien. „Niet, dat ik niet (wat wilde ik ook zeggen?) om den wil der kerk naar de strafkoloniën wou gaan; met genoegen – maar, doctorlief ik heb vrouw en kinderen; – doch, om mijn ijver te toonen, ik wil de karwei aan mijn buurman Trimmel aanprijzen – hij heeft vrouw noch kind, en niet veel omhanden, dus zal eene zeereis hem niet zoo ongelegen komen.” Maar de heer Trimmel was ook onverbiddelijk, en de heer Pembroke, gelukkig misschien voor hem zelven, was genoodzaakt naar Waverley-Honour terug te keeren met zijn verhandeling ter handhaving der echte grondbeginselen van Kerk en Staat in den mantelzak gepakt.

Daar, door de baatzuchtige lafhartigheid van den boekhandel, naar alle waarschijnlijkheid het publiek beroofd zou worden van het voordeel, hetwelk er van zijn onvermoeiden arbeid te hopen was, besloot de heer Pembroke twee afschriften van deze verbazende manuscripten, ten gebruike van zijn leerling, te maken. Hij gevoelde dat hij, als gouverneur, wat lui was geweest; en daarenboven kwelde hem zijn geweten, dat hij in het verzoek van den heer Richard Waverley had toegestemd, om Eduard geene denkbeelden in te boezemen, die met de tegenwoordige inrichtingen in Kerk en Staat onbestaanbaar waren. „Maar nu,” dacht hij, „mag ik, zonder mijn woord te verbreken, daar hij niet langer onder mijn opzicht is, den jongeling de middelen in handen geven om voor zichzelven te oordeelen, en heb ik slechts zijn verwijtingen te vreezen, dat ik hem zoolang het licht heb onthouden, hetwelk in zijn ziel zal opgaan, na volbrachte lectuur.” Terwijl hij aldus aan de droombeelden van een schrijver en een staatkundige toegaf, stopte zijn geliefde leerling, die weinig uitlokkends in den titel der verhandelingen zag, en door het aantal dicht ineen geschreven regels afgeschrikt werd, het handschrift in een hoek van zijn reiskoffer.

Tante Rachel’s vaarwel was kort maar teeder; alleen waarschuwde zij haar dierbaren Eduard, dien ze waarschijnlijk zeer vatbaar geloofde, voor de betoovering der Schotsche schoonen. Zij stemde toe, dat in het noordelijke gedeelte van het eiland eenige oude familiën woonden; maar het waren alle Whigs en Presbyterianen, uitgenomen de Hooglanders, en wat deze betrof, kon ze niet nalaten te zeggen dat er niet veel kieschheid onder de dames kon heerschen, waar de gewone dracht der heeren, gelijk men haar verzekerd had, om er het minste van te zeggen, zeer vreemd en alles behalve welvoegelijk was. Zij besloot met eene vriendelijke en roerende zegenbede en gaf den jongen officier, als een bewijs harer liefde, een kostbaren diamanten ring, een in die dagen veel door de mannen gedragen sieraad, en een beurs vol zware goudstukken, die insgelijks zestig jaar geleden vrij wat algemeener waren, dan in later tijd.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings