← Table of contents
Waverley

HET OPPERHOOFD EN ZIJN VERBLIJF.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

De stamvader van Fergus Mac-Ivor had, voor omstreeks drie eeuwen, aanspraak gemaakt om als opperhoofd erkend te worden van den talrijken en machtigen clan, waartoe hij behoorde, en waarvan het niet noodig is, den naam op te geven. Toen hij de neêrlaag geleden had door een tegenstander, die meer recht, of ten minste meer macht bezat, begaf hij zich met degenen die hem aanhingen, zuidwaarts, om, als een tweede Æneas, nieuwe woonplaatsen te zoeken. De toestand waarin de Hooglanden van het graafschap Perth verkeerden, begunstigde zijn ontwerp. Een der voornaamste Baronnen van die landstreek, was onlangs ontrouw geworden aan de kroon; Ian, zoo was de naam van onzen gelukzoeker, vereenigde zich met hen die door den Koning waren afgezonden met den last om hem te tuchtigen, en bewees zulke goede diensten, dat hem de landerijen werden geschonken, waarop hij en zijn nakomelingen zich later vestigden. Hij volgde den Koning ook, toen deze den oorlog naar de vruchtbare gewesten van Engeland overbracht, waar hij zijn vrije uren zoo nuttig besteedde in het heffen van onderstandsgelden bij de landlieden van Northumberland en Durham, dat hij, bij zijn terugkeer, in staat was een steenen toren, of sterkte, te bouwen, die zoo zeer de bewondering zijner onderhoorigen en naburen opwekte, dat hij, die tot hiertoe den naam had gevoerd van Ian Mac-Ivor, of Jan, de zoon van Ivor, daarna, zoowel in gezangen als geslachtsregisters, met den grootschen titel van Ian van Chaistel, of Jan van den Toren werd onderscheiden. De nakomelingen van dezen waardigen man waren zoo trotsch op hem, dat het regeerend Opperhoofd altijd den geslachtsnaam droeg van Vich Ian Vohr, zoon van Jan den Groote en de clan in het algemeen, om niet met dien, van welken hij zich afgescheiden had, verward te worden, werd Sliochd nan Ivor, de stam van Ivor, genoemd.

Wat hij bij deze gelegenheid ook gevoelde, hij bezat de kunst, om elken schijn van ontevredenheid geheel te verbergen; maar weldra begon het omliggende land de droevige gevolgen zijner afzetting te ondervinden. Van Donald Bean Lean en de andere lieden van zijn soort, wier rooverijen zich tot nog toe tot de omliggende streken hadden bepaald, bleek het dat ze zich van toen af op deze ongelukkige kust hadden nedergezet; en hunne strooperijen vonden weinig tegenstand, daar de Laaglandsche grondbezitters voornamelijk Jacobieten en ontwapend waren, Dit dwong een aantal inwoners, om contracten aangaande beschermgeld met Fergus Mac-Ivor te sluiten, waardoor hij niet alleen hun Beschermheer werd, en hij zich grooten invloed op al hunne handelingen verschafte, maar hij daarenboven fondsen verkreeg om die ridderlijke gastvrijheid te bestrijden, welke door het intrekken van zijn traktement anders ligt aanmerkelijk had moeten ingekort worden.

Met zich aldus te gedragen, had Fergus een veel uitgestrekter doel, dan alleen de groote heer in den omtrek te spelen en onbepaald over een kleinen clan te heerschen. Van zijn kindsheid af had hij zich toegewijd aan de zaak van het verbannen koningshuis, en zich overtuigd, niet slechts dat de herstelling der Stuarts op den troon van Groot-Brittanje spoedig zou plaats hebben, maar tevens dat zij, die tot dat doel zouden hebben medegewerkt, tot eer en aanzien zouden verheven worden. Met dit vooruitzicht deed hij het mogelijke om de Hooglanders te verzoenen, en zijn eigene macht zóo veel mogelijk uit te breiden, ten einde bij de eerste gelegenheid de beste dadelijk tot den opstand gereed te zijn. Met ditzelfde oogmerk zocht hij de gunst te winnen van zoodanige Laaglandsche heeren in de nabuurschap, die de goede zaak waren toegedaan; en om dezelfde reden bediende hij zich, nu hij ongelukkig in twist geraakt was met den baron van Bradwardine, die, in weerwil van zijn zonderling karakter, zeer gezien was in den omtrek, van den strooptocht van Donald Bean Lean, om het geschil, op de wijze door ons beschreven, uit den weg te ruimen. Sommigen waren inderdaad van meening, dat Fergus zelf Donald tot die onderneming had doen aansporen, met oogmerk om den weg ter verzoening te banen, welke, indien die veronderstelling gegrond was, den heer van Bradwardine twee goede melkkoeien kostte. Dezen ijver voor haar zaak beloonde de familie Stuart met veel vertrouwen in hem te stellen, met een telkens herhaalden onderstand in Louis d’or, een overvloed van schoone woorden en een perkament met een zwaar zegel er aan vastgehecht, hetwelk een grafelijk patent moest verbeelden, van wege geen geringer personage, dan Jacobus III, Koning van Engeland, en VIII Koning van Schotland, aan zijn bijzonderen, lieven, getrouwen Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, in het graafschap Perth en het koninkrijk Schotland.

Met het oog op deze toekomstige grafelijke waardigheid, nam Fergus een zeer werkzaam deel aan de onderhandelingen en samenzweringen van dat ongelukkig tijdstip. Even als alle ijverige deelnemers in dusdanige zaken, stelde hij zijn geweten gemakkelijk gerust omtrent eenige handelingen, waarvan zijn eer en trots hem zouden hebben teruggehouden, als hij niets anders dan de onmiddellijke bevordering van zijn eigen persoonlijk belang op het oog had gehad. Na dezen blik in een stoutmoedig, eerzuchtig en vurig hart geworpen te hebben, zullen wij den afgebroken draad van ons verhaal weder opvatten.

Fergus en zijn gast hadden nu het huis van Glennaquoich bereikt, hetwelk bestond uit Ian nan Chaistel’s aloud verblijf. Het was een groote, plompe, vierkante toren, waaraan Fergus’ grootvader een gebouw van twee verdiepingen had gevoegd, toen hij van dien merkwaardigen tocht in de Westersche graafschappen, wel bekend onder den naam van den Hooglandschen oorlog, terugkeerde. Bij gelegenheid van dezen tocht tegen de Ayrshiresche Whigs en Covenanters, was de Vich Ian Vohr van dien tijd waarschijnlijk even voorspoedig geweest als zijn voorganger, in het plunderen in Northumberland, en liet dus aan zijn nakomelingschap mede een gebouw achter, dat daarmede moest wedijveren, als een gedenkstuk van zijn grootheid.

Vóor de poort van het kasteel deed zich echter een tooneel op, waar misschien de eerste bezitter van Blenheim de voorkeur aan zou gegeven hebben, boven het schoonste van den ganschen eigendom, hem door de dankbaarheid van zijn land geschonken. Dit bestond uit ongeveer een honderdtal volkomen goed gekleede en gewapende Hooglanders; op wier gezicht het Opperhoofd zich min of meer kort, en, als het ware in het voorbijgaan, jegens Waverley verontschuldigde. „Hij had vergeten,” zeide hij, „dat hij eenige lieden van zijn clan had opgeroepen, met het doel om zich te overtuigen, dat ze in een behoorlijken toestand waren om het land te beschermen, en zoodanige voorvallen te voorkomen, als hij met leedwezen hoorde, dat den baron van Bradwardine waren overkomen. Alvorens hij hen weder uiteen liet gaan, zou kapitein Waverley misschien niet ongenegen zijn, iets van hunne exercitiën te zien.”

Eduard nam dit aanbod aan, en de manschappen voerden, met groote vlugheid en nauwkeurigheid, eenige gewone bewegingen uit. Vervolgens schoten ze, een voor een, naar de schijf, en toonden uitnemend ervaren te wezen in het behandelen van pistool en snaphaan. Staande, zittende, leunende of voorover liggende, al naar hun bevolen werd, en altijd: met blijkbaar goed gevolg, gaven ze vuur. Vervolgens verdeelden ze zich, om in het voeren van den sabel, hunne bedrevenheid aan den dag te leggen, en na ieder afzonderlijk hunne behendigheid bewezen te hebben, vormden ze twee partijen en leverden een soort van spiegelgevecht, waarin aanvallen, herstellen, vluchten, vervolgen en al de bij een gevecht vereischte manoeuvres, op den klank van den grooten doedelzak, werden uitgevoerd.

„En hoe groot is wel het getal van zulke flinke borsten, die het geluk hebben u hun aanvoerder te noemen?” vroeg Waverley.

„Als het de verdediging van een goede zaak betreft, en ze onder een hoofd dat ze beminnen staan, is de stam van Ivor zelden te velde getrokken minder dan vijfhonderd zwaarden sterk. Maar gij weet, kapitein Waverley, dat de acte ter ontwapening, voor omstreeks twintig jaar, hen belet in zulk een volkomen staat van voorbereiding te zijn, als in vroeger dagen; en ik houd van mijn clan niet meer onder de wapenen, dan in staat zijn om mijn eigene bezittingen en die mijner vrienden te beschermen, wanneer het land door zulke lieden verontrust wordt als uw gastheer van gisteren avond; en daar het Bewind ons geen andere middelen van bescherming heeft gelaten, moet het wel toezien, dat wij ons zelven helpen.”

„Maar, met uwe macht zoudt gij zulke benden, als die van Donald Bean Lean, licht verjagen of vernietigen kunnen.”

„Ja, ongetwijfeld; maar mijn belooning zou bestaan in een bevel, om aan generaal Blakeney, te Stirling, de weinige sabels uit te leveren, die men ons gelaten heeft; hetgeen dunkt mij, toch niet zeer staatkundig wezen zou. – Maar, kom kapitein, het geluid der doedelzakken meldt ons, dat het middagmaal gereed is. – Laat mij de eer hebben u den weg naar mijn armoedige woning te wijzen.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings