DE SLAG.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
„Het voorstel verwekte algemeene vreugde, en iedere aanvoerder haastte zich zijn manschappen, met het minst mooglijke geraas, in orde te scharen. Het leger verliet door een rechtsche beweging zijn stelling op de hoogte, en kwam spoedig op den weg door het moeras, terwijl het zijn marsch in verwonderlijke stilte en met grooten spoed voortzette. Daar de opkomende mist de hoogere gronden nog niet bereikt had, zoo hadden de soldaten een tijdlang het voordeel van het schijnsel der sterren. Maar dit flauwe licht ging verloren, toen de sterren voor den naderenden dag verbleekten, en het hoofd der voorttrekkende kolonne dompelde zich onder het afdalen van de hoogte, als het ware in den zwaren mist-oceaan, die zijn witte golven over de geheele vlakte en de aangrenzende zee voortrolde. Thans ontmoette men eenige zwarigheden, onafscheidelijk van de duisternis, een smal, ruw en moerassig pad, en de noodzakelijkheid om eenheid in den tocht te bewaren. Dit alles leverde echter minder bezwaren voor de Hooglanders op, uit hoofde van hunne levenswijze, dan het voor ieder ander leger zou gedaan hebben, zoodat zij hunne geregelde en snelle beweging bleven voortzetten.
Toen de clan van Ivor den vasten grond bereikte, door het volgen van de voetstappen dergenen die hen voorgegaan waren, liet zich het geroep van een schildwacht, dwars door den mist, hooren, ofschoon zij den dragonder, die het „Werda!” had geroepen, niet zagen.
„St!” riep Fergus, „st! Dat niemand antwoorde, zoo hij zijn leven lief heeft. – Dringt voorwaarts;” en zij zetten hun marsch in stilte en met verdubbelde schreden voort.
De clan van Fergus had nu den vasten grond der vlakte bereikt, die nog kort te voren met een heerlijk gewas van granen was bedekt geweest. Maar de oogst was binnen gehaald, en het veld was zonder eenige hindernissen van boomen, struiken of iets dergelijks. Het overige gedeelte van het leger volgde met snelheid, toen zij de trommels van den vijand alarm hoorden slaan. Het had intusschen niet in hun plan gelegen den vijand te verrassen; dus werden zij ook niet van hun stuk gebracht toen zij begrepen dat de Engelschen op hunne hoede waren en gereed om hen te ontvangen. Het verhaastte slechts de schikking hunner slagorde, die zeer eenvoudig was.
De Hooglandsche armee, die nu den oostkant der breede vlakte bezette, trok op in twee liniën, welke zich van het moeras tot aan de zee uitstrekten. De eerste was bestemd om den vijand aan te vallen, de tweede om tot reserve te dienen. De weinige ruiterij, aan wier hoofd de Prins in persoon zich bevond, hield zich tusschen de beide liniën. De vorstelijke gelukzoeker had zijn voornemen te kennen gegeven, om persoonlijk, aan het hoofd zijner eerste linie, aan te vallen; maar allen hadden hem gesmeekt hiervan af te zien, en hij was slechts met moeite daartoe bewogen geworden.
Beide liniën trokken nu voorwaarts, de eerste gereed om onmiddellijk slag te leveren. De clans, waaruit zij bestond, vormden elk een soort van afzonderlijken Phalanx, met een stal front en tien, twaalf of vijftien gelederen diep, naar gelang der sterkte. De best gewapenden en aanzienlijksten van geboorte – want deze woorden hadden hier één en dezelfde beteekenis – werden vooraan geplaatst, in ieder dezer onregelmatige afdeelingen. De anderen, in de achterhoede, steunden al voorwaarts dringende het front, en vermeerderden, door hunne aansluiting, zoo wel de lichamelijke kracht als de geestdrift en het vertrouwen van hen, die het gevaar onmiddellijk in de oogen moesten zien.
„Werp uw plaid weg, Waverley!” riep Fergus, terwijl hij de zijne afdeed; „eer de zon boven de zee is, zullen wij zijden tartans gewonnen hebben.”
Aan alle kanten legden nu de clanslieden hunne plaids af, en maakten hunne wapens gereed. Er was een ontzagwekkende stilte van drie minuten, gedurende welke de manschappen hunne mutsen afnamen, hun oog ten hemel sloegen, en een kort gebed uitten. Waverley voelde in dat oogenblik zijn hart kloppen, alsof het uit zijn borst wilde springen. Het was geen vrees, het was geen geestdrift, – het was een mengsel van beide, een voor hem nieuwe en krachtige prikkel, die, eerst huivering en schrik, daarna koortshitte en een soort van dolzinnigheid opwekte. Het geraas rondom hem werkte mede om zijn geestvervoering te verhoogen, de doedelzakken speelden en de clans rukten voorwaarts, ieder op zich zelve in een onheilspellende, sombere kolonne. Naarmate zij voortrukten, versnelden ze den pas, en het geluid hunner samengesmolten stemmen begon aan te groeien, en in een woesten kreet over te gaan.
Op dit oogenblik verdreef de zon, die zich boven den gezichteinder verhief, de hangende dampen. Zij werden opgerold als een gordijn, en lieten de beide legers, op het punt om handgemeen te worden, zichtbaar. De linie van het Engelsche leger stond recht tegenover het corps der Hooglanders geschaard; de wapens van dat volkomen uitgeruste, en aan weerszijde door ruiterij en artillerie gedekte leger, schitterden de Hooglanders tegen. Maar dit gezicht boezemde hun geen vrees in „Voorwaarts, zonen van Ivor!” riep hun opperhoofd, „of de Camerons zullen het eerste bloed storten!” Zij stormden met een vreeslijken gil op hunne vijanden in.
Het overige is bekend. De ruiterij, die bevel kreeg om de aanstormende Hooglanders in de flank te vallen, ontving, terwijl zij aanrukte, het vuur uit hunne geweren, en door een schandelijken, panischen schrik overvallen, wankelde zij, hield stand, geraakte uit elkander en rende van het slagveld. De kanonniers, door de ruiterij verlaten, vluchtten, na hunne stukken te hebben losgebrand, en de Hooglanders, die, hunne geweren, zoodra zij ze afgeschoten hadden, wegwierpen, en den sabel trokken, stormden met onbeteugelde woede op het voetvolk in.
In dit oogenblik van verwarring en schrik, ontdekte Waverley een Engelsch officier, blijkbaar van hoogen rang, die alleen en hulpeloos bij een veldstuk stand hield, dat hij, na de vlucht der manschappen, die er bij behoorden, zelf gericht en op den clan van Mac-Ivor, den naasten troep Hooglanders binnen zijn bereik, had afgeschoten. Getroffen door zijn hooge, krijgshaftige gestalte, en met den wensch vervuld om hem voor een onvermijdelijken ondergang te bewaren, snelde Waverley voor een oogenblik zelfs de vlugste krijgslieden vooruit, en toen hij de plek het eerst bereikt had, riep hij hem toe zich over te geven. De officier antwoordde met een degenstoot, dien Waverley op zijn schild ontving, waardoor het wapen van den Engelschman brak. Op hetzelfde oogenblik zweefde Dugald Mahony’s strijdbijl boven het hoofd van den officier. Waverley keerde den slag af, en de officier, ziende dat verdere tegenstand nutteloos was, en getroffen door Eduards edelmoedige bezorgheid voor zijn behoud, gaf hem zijn gebroken degen over. Waverley stelde den officier in handen van Dugald, met streng bevel om hem goed te behandelen en niet uit te plunderen, terwijl hij den Schot een volle vergoeding voor den buit toezegde.