← Table of contents
Waverley

KEUZE VAN EEN BEROEP.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Maar eer de bekoorlijkheden van Cecilia Stubbs haar wezenlijk tot een godin gemaakt, of ten minste haar even hoog geplaatst hadden als de heilige van dien naam, vatte Rachel Waverley eenige vermoedens op, welke haar bewogen de aanstaande apotheose of heiligverklaring te voorkomen. Zelfs de eenvoudigste en onergdenkendste der vrouwen (God zegene haar!) bezitten een aangeboren instinct in soortgelijke zaken, welke soms zoo ver gaat, dat ze neigingen bespeuren, die nooit bestaan hebben, en maar zelden missen die te ontdekken, welke onder het bereik harer waarneming vallen. Freule Rachel legde er zich met groote voorzichtigheid op toe, niet om het naderend gevaar te bestrijden, maar om het te voorkomen, en bracht haren broeder aan het verstand, dat de erfgenaam van zijn huis noodzakelijk iets meer van de wereld moest zien, dan mogelijk was bij zijn aanhoudend verblijf op Waverley-Honour.

Sir Everard had in den beginne geen ooren naar een voorstel, waardoor hij van zijn neef zou gescheiden worden. Eduard was eenigzins op boeken gesteld; dat stemde hij toe; maar de jeugd, zooals hij altijd gehoord had, was de tijd om te leeren, en er bestond geen twijfel of hij zou, als zijn leeslust gestild, en zijn hoofd met kundigheden vervuld was, zich van zelf op de vermaken der jacht en de belangen van de landstreek toeleggen. Ook hij had het, zeide hij, dikwijls betreurd, dat hij in zijn jeugd niet een weinig tijd aan de studie besteed had: hij zou er niet minder goed om geschoten of gejaagd hebben, en het Parlementsgebouw met langere redevoeringen hebben doen weergalmen, dan de driftige „Neen’s”, waarmede hij, als lid van het Huis onder het bestuur der Whigs, zich tegen elken maatregel van het Bewind verzette.

Tante Rachels bezorgdheid echter schonk haar de behendigheid om haar plan door te drijven. Ieder hoofd van hun huis had vreemde landen bezocht, of bij het leger gediend, alvorens zich op Waverley-Honour neêr te zetten, en ze beriep zich voor de waarheid harer verzekering op den stamboom, een gezag dat nooit door Sir Everard weersproken werd. Met éen woord, er werd een voorstel aan den heer Richard Waverley gedaan, om zijn zoon te laten reizen, onder toezicht van zijn gouverneur, den heer Pembroke, terwijl de Baronet op een gepaste en milde wijze in de reiskosten zou voorzien. De vader had niet het minste bezwaar; maar toen er aan de tafel van den Minister over gesproken werd, trok de groote man een bedenkelijk gezicht. De reden werd den vader in ’t geheim medegedeeld. „De ongelukkige staatkundige richting van Sir Everard,” merkte de Minister op, „maakte dat het hoogst ongeschikt was een jongeling van zulke groote vooruitzichten op het vaste land te laten reizen, met een gouverneur, buiten alle kijf, door zijn oom gekozen om hem in diens voetstappen en naar zijn voorschriften te leiden. Hoedanig zou mijnheer Eduard Waverleys gezelschap te Parijs, hoedanig dat te Rome zijn, waar alle soort van strikken door den Pretendent en zijn zoons gelegd werden? Dit waren alle maal punten waarover de heer Waverley zich nog wel tweemaal bedenken mocht. De minister zelf kon zeggen, dat Zijn Majesteit de diensten van den heer Richard Waverley op zulk een hoogen prijs stelde, dat, indien zijn zoon voor eenige jaren in dienst wilde gaan, hij rekenen kon op een escadron van een der dragonderregimenten, die onlangs uit Vlaanderen waren terug gekomen.”

Een op deze wijze gegeven wenk liet zich niet straffeloos veronachtzamen, en ofschoon zeer bevreesd om de vooroordeelen van zijn broeder te krenken, besloot Richard Waverley de hem aldus voor zijn zoon aangeboden plaats niet te weigeren. De waarheid is, dat hij in ruime mate, en te recht, rekende op Sir Everards liefde tot Eduard, die niet liet voorzien, dat hij hem een stap kwalijk zou nemen, door hem uit onderwerping aan zijns vaders wil gedaan. Twee brieven kondigden dit besluit den Baronet en diens neef aan. In den laatsten bepaalde hij zich alleen tot de mededeeling van de zaak, terwijl daarin tevens de toebereidselen werden opgegeven, die hij te maken had om zich bij het regiment te voegen. Aan zijn broeder schreef Richard uitvoeriger en zeer omzichtig. Hij stemde, op de vleijendste wijze, toe, dat het voor zijn zoon zeer goed zou wezen, iets meer van de wereld te zien, en hij drukte zelfs in de nederigste bewoordingen zijn dankbaarheid voor den aangeboden bijstand uit; maar hij gaf zijn leedwezen te kennen, dat Eduard thans ongelukkig niet, bij machte was volkomen te handelen overeenkomstig het plan, door zijn besten vriend en weldoener ontworpen. Hij zelf had met smart gedacht aan de werkeloosheid van den jongen, op een leeftijd, dat al zijn voorvaders de wapens gedragen hadden; ja de Koning zelf had zich verwaardigd te vragen, of de jonge Waverley thans niet in Vlaanderen was, op een leeftijd dat zijn grootvader reeds zijn bloed voor zijn Koning, in den grooten burgeroorlog gestort had? Deze vraag ging met de aanbieding van een escadron vergezeld. Wat kon hij doen? Er was geen tijd om zijn broeder te raadplegen, al ware het ook, dat er zwarigheden van zijn zijde mochten bestaan, om zijn neef de roemrijke loopbaan van diens voorvaderen te laten betreden. En, om kort te gaan, dat Eduard thans (na de mindere graden van Kornet en Luitenant met een buitengewone vlugheid te zijn overgesprongen) kapitein Waverley bij de dragonders van Gardiner was, en hij zich binnen eene maand te vervoegen had bij zijn regiment te Dundee, in Schotland.

Sir Everard Waverley ontving deze mededeeling met gemengde gewaarwordingen. Toen het geslacht van Hannover den troon van Engeland beklom, had hij zich uit het Parlement teruggetrokken, en zijn gedrag in het gedenkwaardige jaar 1715 was niet geheel en al onopgemerkt gebleven. Er liepen geruchten van bijzondere monsteringen van boeren en paarden te Waverley bij maneschijn, en van kisten vol in Holland gekochte en aan den Baronet geadresseerde geweren en pistolen; maar deze laatste werden onderschept door de waakzaamheid van een ambtenaar der accijnsen, die later op een donkeren nacht, voor zijn gedienstigheid door eenige moedige boerenknapen afgestraft werd. Ja, wat meer is, men had zelfs gezegd, dat bij het arresteren van Sir Willem Wyndham, den aanvoerder der Tory-partij, een brief van Sir Everard in den zak van diens rok was gevonden. Maar er liet zich geene openbare aanklacht op bouwen; en het Bewind, tevreden met den opstand van 1715 onderdrukt te hebben, achtte het voorzichtig noch raadzaam zijn wraak verder uit te strekken, dan tot de ongelukkigen, die openlijk de wapenen hadden opgevat.

Sir Everard legde ook niet de minste vrees aan den dag ten opzichte der geruchten omtrent zijn persoon onder zijn Whigsche buren verspreid. Het was wel bekend, dat hij verscheidene in ongelegenheid geraakte Noord-Engelschen en Schotten met geld had bijgestaan, die na te Preston, in Lancashire, gevat te zijn, in de gevangenissen van Newgate en Marshalsea waren opgesloten; en het was zijn zaakwaarnemer en gewone raadsman, die zich met de verdediging van sommigen dezer ongelukkigen belast had. Algemeen was men van gevoelen, dat, zoo de Ministers een wettig bewijs in handen gehad hadden van Sir Everards deelneming aan den Opstand, hij dan niet zou gewaagd hebben de bestaande regeering te tarten, of wèl dat hij dit niet straffeloos zou hebben gedaan. De gevoelens echter, die hem toen beheerschten, waren die van den jongeling, en wel in een veel bewogen tijd. Sedert was Sir Everards Jacobietisme langzamerhand verkoeld, gelijk een vuur dat uit gebrek aan brandstof uitdooft. Van tijd tot tijd vond hij gelegenheid om zijne Torysche en kerkelijke beginselen te versterken, bij verkiezingen en vergaderingen; maar betrekkelijk het erfelijke troonrecht waren zijn denkbeelden zoo wat in doodslaap gevallen. Intusschen schokte het zijn gevoel niet weinig, zijn neef bij het leger te zien onder de Brunswijksche dynastie; en dat te meer, daar, behalve zijn nauwgezette begrippen van het vaderlijk gezag, het onmogelijk, of ten minste hoogst onvoorzichtig zou geweest zijn, om de zaak met geweld te keer te gaan. Deze onderdrukte ergernis gaf aanleiding tot veel zuchten en steunen, hetgeen op rekening gesteld werd van een opkomenden aanval van jicht, tot de waardige Baronet, na om de ranglijst gezonden te hebben, zijn troost zocht in het optellen van de afstammelingen der huizen van erkende staatkundige eerlijkheid: de Mordaunts, Granvilles en Stanleys, wier namen hij hier aantrof. Terwijl hij nu al zijn ingenomenheid met familieëer en oorlogsroem te hulp riep, besloot hij volgens eene logica, niet ongelijk aan die van Falstaff, dat, zoo er oorlog op handen was, ofschoon het schande zou zijn, zich bij eene andere partij dan bij die éene te scharen, het echter nog grooter schande wezen zou bij dien strijd stil te zitten, dan om te strijden voor den slechtste van allen, al was die bij overweldiging op den troon gekomen. Wat tante Rachel betreft, haar plan was wel niet juist volgens hare wenschen gelukt, maar zij was in de noodzakelijkheid zich aan de omstandigheden te onderwerpen. Zij vond ook afleiding voor hare droefheid in het gereedmaken der uitrusting van haren neef, en niet weinig vergoeding in het vooruitzicht van hem in volle uniform te zien schitteren.

Eduard Waverley zelf ontving de geheel onverwachte kennisgeving met levendige en onuitsprekelijke verbazing. Het was, gelijk een fraai, oud gedicht het uitdrukt „een vuur in de heide ontstoken,” dat een eenzamen heuvel met smook bedekt en dien te gelijk door een somber vuur verlicht. Zijn gouverneur, of liever de heer Pembroke, want hij heette slechts zelden gouverneur, vond in Eduards kamer eenige fragmenten van verzen, die hem schenen ingegeven te zijn door het onverwachte opslaan van deze bladzijde uit zijn levensboek. De geleerde, die alles voor poëzij hield, wat door zijn vrienden vervaardigd, en in fraaie rechte regels, waarvan allen met een hoofdletter begonnen, geschreven werd, deelde dezen schat aan tante Rachel mede, die, haar bril met tranen bevochtigd op den neus, ze overschreef in haar zakboekje, onder uitgezochte recepten voor de keuken of de apotheek, lievelingsteksten en fragmenten van godsdienstige boeken naar haren smaak, als ook een paar liedjes van krijgshaftigen en Jacobietischen inhoud, die ze in hare jonge dagen placht te neuriën; uit welke verzameling de dichterlijke proeven van haar neef werden getrokken, toen het boek zelf, met andere authentieke stukken van de familie Waverley, ter inzage werden gegeven aan den onwaardigen uitgever van deze merkwaardige geschiedenis. Indien ze het genoegen van den lezer al niet verhoogen, zullen ze ten minste beter dan eenig verslag den woesten en ongeregelden aard van onzen held doen kennen.

Toen ’s avonds laat de herfst zijn rood

En goud op het Zwarte-meer-dal goot,

Gaf, stil en zedig, ’t effen meer

De purpren wolk en goudgloed weêr,

En beeldde ’t vloeijend bergkristal

Het bergland af en ’t lage dal.

Daar spiegelde in den heldren stroom

Zich elke bloem en elke boom

En rots en toren trouw en teêr,

Als lag daar onder ’t vredig meer,

Bevrijd van de onrust, zorg en smart,

Het deel van ieder menschenhart,

Een wereld, die, naar allen schijn,

Nog schooner dan onze aard moest zijn.

Maar, ver en buldrend opgestaan,

Verhief zich plotseling de orkaan,

En wekte snel den Geest van ’t meer

Hij hoorde ’t buldren van het weêr

En ’s eiken kreunend dof gebrom;

Hij sloeg den zwarten mantel om,

Gelijk de krijgsman op den kreet

Van d’ oorlog zich in ’t pantser kleedt.

Maar als de stormwind nader toog,

Betrok zijn forsche wenkbrauwboog,

En werd zijn wang van kleur beroofd.

De helmpluim schudde er op zijn hoofd,

Toen hij het golvend wed beval

Te dondren door ’t misvormde dal.

Die ideale wereld ging

Op eens in wilden warrelkring

Met d’ opgejaagden vloed te loor.

Van kalmte en rust geen enkel spoor.

En wrak bij wrak dier zaligheid

Lag op den oever ver verspreid.

Toen zag ’k dien ommekeer met vreugd,

Ja, met een wondervreemd geneugt.

Terwijl de wind, in wilden trots,

Den kamp bestond met golf en bosch,

Stond ’k op den toren. ’t Was alsof

Mij toen een vreemd geheimnis trof,

En aan zijn zoet gevlei mijn hart,

Hoe langs zoo meer gekluisterd werd;

Toen treurde ik ras, door ’t stormenheer

Omringd, om ’t stil tooneel niet meer.

Zoo breekt de waarheid ook eens heel

Des jonkheids lokkend luchtkasteel;

Zoo bant ze elk toovrend droomgezigt

Dat, als het landschap, rijk aan licht

En glans en schoon, op ’t meervlak scheen,

Eer ’t voor den najaarsstorm verdween.

En voor verbeeldings scheppend oog

Is nu die vorm, die langs mij toog,

En mij dus ketende om zijn schoon,

Geborgen bij geliefde doôn;

Want liefdes droom en liefdes bloem

Maakt plaats voor krijgsgewoel en roem.

In eenvoudig proza, want misschien drukken deze verzen het niet bepaald genoeg uit, werd het vluchtige beeld van Cecilia Stubbs in kapitein Waverley’s hart uitgewischt, te midden van de beslommeringen zijner nieuwe stemming. Zij zelve verscheen, wel is waar, in vollen glans, in haar vaders bank, op den Zondag toen hij voor het laatst de dienst in de oude dorpskerk bijwoonde; bij welke gelegenheid hij, op verzoek van zijn oom en van tante Rachel (zonder, om de waarheid te zeggen, er zich lang toe te laten bidden) werd overgehaald, om zich in volle uniform te vertoonen.

Het beste middel om geen al te hoog denkbeeld van anderen te koesteren, is zeer met zich zelven ingenomen te zijn. Jufvrouw Stubbs had wel alle hulp ingeroepen, die de kunst aan de schoonheid verleenen kan; maar helaas! hoepelrok, moesjes, golvende lokken en een nieuw kleed van echt Fransche zijde, vermochten niets op een jongen dragonder-officier, die voor het eerst zijn met goud omboorden hoed, zijn rijlaarzen en sleepsabel droeg. Ik weet niet, of, gelijk de kampioen in de oude ballade,

Zijn hart alleen voor de eere sloeg,

En liefde bleef verzaken;

Geen vrouw, in ’t land had kracht genoeg,

Om ’t ijskoud hart te raken,

dan of de schitterende en met goud geborduurde rok, die thans zijn borst beschermde, Cecilia’s blikken trotseerde; maar hare pijlen werden te vergeefs op hem afgeschoten.

Toch zag ik, waar Cupido’s schichtje vloog;

Het viel niet neêr op ’t bloemrijk westerveld,

Maar trof een knaap, de bloem van heel het west,

Heer Jonas Cubertfield, ’s rentmeesters zoon.

Terwijl ik verschooning vraag voor mijn heroica (waaraan ik in zekere gevallen niet kan nalaten lucht te geven), moet ik tot mijn leedwezen berichten, dat wij hier afscheid dienen te nemen van de schoone Cecilia, die, gelijk menige dochter van Eva, na het vertrek van Eduard, en het vervliegen van zekere ijdele door haar gevoede droomen, zich stilletjes tevreden stelde met een pis-aller, en na verloop van zes maanden hare hand schonk, aan voornoemden Jonas, zoon van des baronets rentmeester, en erfgenaam (geen gering vooruitzicht!) van eens rentmeesters fortuin, behalve het fraaie verschiet van zijn vader in zijn post op te zullen volgen. Al deze voordeelen bewogen den heer Stubbs, evenals het bruine gelaat en de manhaftige gestalte van den vrijer, zijn dochter, het punt van „afkomst” over ’t hoofd te zien, en zoo kwam het huwelijk tot stand. Niemand scheen meer in haar schik dan tante Rachel, die tot hiertoe het ingebeelde juffertje wel een weinig schuins had aangekeken (voor zoo ver hare goedhartigheid dit toeliet), maar die bij de eerste verschijning van het jonggehuwde paar in de kerk, de bruid met een glimlach en een diepe buiging vereerde, in tegenwoordigheid van den predikant, den kapelaan, den koster en de geheele vergadering der vereenigde gemeenten van Waverley en Beverley.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings