WEDERKEERIGE OPHELDERINGEN.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
„Ja wel, mijnheer, ik zal het waterhoen braden, dat John Heatherblutter heden morgen medegebracht heeft, en gij ziet, de arme Davie is al bezig met de eieren van de zwarte kip te bakken. Ik durf zeggen, mijnheer Waverley, dat gij nooit geweten hebt dat al de eieren die zoo goed in het groote heerenhuis gebakken werden, door onzen Davie waren klaar gemaakt. Niemand haalt bij hem, die zoo knap is om met zijn vingers in de heete asch te werken en de eieren te keeren.” Davie lag gedurende al dien tijd met zijn neus bijna in het vuur, terwijl hij in de asch blies, met de hielen schopte, bij zichzelven mompelde, en zijn eieren in den gloed keerde, als ware het om het spreekwoord te weêrleggen, „dat er verstand toe noodig is om eieren te bakken,” en de lofspraak te rechtvaardigen, die Janet uitstortte
„Davie is zoo dom niet, als de menschen wel meenen, mijnheer Waverley; hij zou u hier niet gebracht hebben, als hij niet geweten had, dat gij een vriend waart van mijnheer – zoo waar, zelfs de honden kenden u, mijnheer Waverley, want gij waart altijd vriendelijk jegens beesten en menschen. – Maar, met mijnheers verlof, zal ik u een geschiedenis van Davie vertellen. Ge ziet, dat de edele heer die zich in deze bittere tijden moet schuil houden, en wat nog erger is, dag en nacht in het hol in het eikenbosch ligt, en ofschoon het nauw genoeg is van ingang en de goede oude man, Cors Cleugh, het van een bos stroo heeft voorzien, zoo komt evenwel, wanneer alles in den omtrek op het land stil, en de nacht recht koud is, mijnheer er soms uit kruipen, om zich te warmen bij een takkenbosch en op kussens te slapen, en dan gaat hij er ’s morgens weêr heen. En zoo, eens op een keer, – hoe schrikte ik! – hadden twee ongelukkige roodrokken den nacht doorgebracht met op de zalmvangst uit te gaan, of iets ergers, want ze doen zelden veel goeds, en zagen even een glimp van mijnheer, toen hij het bosch inging, en schoten op hem. Ik er uit, als een giervalk, en aan het roepen: – „Wat ze te schieten hadden op een brave vrouws arm, onnoozel kind?” en ik vloog naar hen toe, en riep dat het mijn zoon was, en ze vloekten en zwoeren, dat het de oude rebel was, zoo als de deugnieten mijnheer noemden; en Davie was in het bosch, en hoorde het leven, en nam, krek uit eigen beweging, den ouden grijzen mantel op, dien mijnheer weggeworpen had, om des te vlugger te kunnen beenen maken, en kwam juist uit hetzelfde gedeelte van het bosch, zich oprichtende en rondziende, zoo geheel op mijnheer gelijkende, dat zij glad misleid werden, en overtuigd werden dat zij hun geweer op mallen Sawney afgeschoten hadden, gelijk men hem noemt; en zij gaven mij een zesstuiverstuk, en twee zalmen, opdat ik er maar niets van zeggen zou. – Neen, neen, Davie is wel niet precies als andere menschen, maar hij is toch lang zoo gek niet als de menschen meenen. Het is waar, wij kunnen nooit genoeg voor mijnheer doen, daar wij en de onzen nu al twee honderd jaar op zijn land hebben gewoond; en daar hij mijn armen Jamie op school en het collegie liet gaan, en zelfs op het heerenhuis hield, tot hij hier boven een betere plaats kreeg. Hij heeft er mij voor bewaard, dat ik te Perth als een tooverheks werd terechtgesteld – de Heer vergeve het hun, die zulk een eenvoudige, arme oude vrouw aanvielen! – en den armen Davie heeft hij van voedsel en kleeding voorzien, gedurende bijna zijn gansche leven!” Waverley vond eindelijk een gelegenheid, om Janets verhaal af te breken, door een vraag naar Freule Bradwardine.
„Zij is, God dank! wél en in veiligheid te Duchran,” antwoordde de Baron; „de heer is een verre bloedverwant van ons, maar een bloedverwant van mijn kapelaan, den heer Rubrick; en, ofschoon hij de Whigsche beginselen is toegedaan, vergeet hij echter, in dezen tijd, de oude vriendschap niet. De rentmeester doet wat hij kan, om iets uit de schipbreuk voor de arme Rose te redden; maar ik vrees, ik vrees, dat ik haar nooit zal wederzien, want ik zal mijn beenderen naar een ver land moeten dragen.”
„Neen, neen, mijnheer; gij waart er in het jaar vijftien even slecht aan toe, en kreegt de kostelijke baronie terug, dat kreegt ge; en nu zijn de eieren klaar, en het waterhoen is gebraden, en daar is voor elk een bord en wat zout en een hapje witte brood, dat van den rentmeester is gekomen; en daar is nog overvloed van brandewijn in de kan, die Luckie Maclearie heeft gestuurd, en zult ge nu niet een maaltijd doen als Prinsen?”
„Ik hoop, dat ten minste één Prins van onze kennis er niet erger aan toe is,” zei de baron tot Waverley, die met hem instemde in den hartelijken wensch dat de ongelukkige Prins in veiligheid wezen mocht.
Nu begonnen ze van hunne verwachtingen in de toekomst te spreken. Het ontwerp van den Baron was zeer eenvoudig. Het was, naar Frankrijk te ontsnappen, waar hij hoopte, door den invloed zijner oude vrienden, de eene of andere bediening bij het leger te verkrijgen, waarvoor hij zich nog geschikt achtte. Hij noodigde Waverley uit hem te vergezellen; een voorslag, dien deze aannam, ingeval de invloed van kolonel Talbot te kort mocht schieten, om hem genade te bezorgen. Stilzwijgend hoopte hij, dat de Baron zijn liefde voor Rose zou goedkeuren, en hem het recht geven om hem in zijn ballingschap te ondersteunen; maar hij onthield zich hiervan te spreken, tot zijn eigen lot zou beslist zijn. Nu liep hun gesprek over Glennaquoich, omtrent wien de Baron groote bezorgheid aan den dag legde, ofschoon hij aanmerkte, dat hij „juist de Achilles van Horatius Flaccus was
Impiger, iracundus, inexorabilis, acer.
welke verzen,” zoo voegde hij er bij, „te vertalen zijn:
„Een woelig hoofd, een krijger als metaal,
Zoo heet als vuur en zoo hard als staal.”
Flora had een ruim en onbekrompen deel in het medelijden van den goeden oude.
Intusschen begon het laat te worden. De oude Janet kroop in een soort van hondenhok, achter de hut; Davie sliep en snurkte al lang tusschen Ban en Buscar. Deze beide honden waren hem naar de hut gevolgd, nadat het heerenhuis verlaten was, en waren er gebleven; en hunne kwaadaardigheid, en de naam der oude vrouw, die voor een tooverheks te boek stond, droegen er niet weinig toe bij, om het dal van bezoekers te vrijwaren. Met dit inzicht voorzag de rentmeester Mackwheeble de oude Janet, ondershands van het noodige voor haar onderhoud, en insgelijks van eenige kleine voorwerpen van weelde, ten gebruike van zijn heer, waarvan de bezorging met niet weinig voorzichtigheid moest geschieden. Na eenige plichtplegingen, begaf de Baron zich naar zijn gewone legerplaats, en Waverley zette zich in een gemakkelijken leuningstoel met gescheurd fluweel, die eens de statie-slaapkamer van Tully-Veolan had versierd, (want het huisraad van dit verblijf was thans in al de hutten uit de nabuurschap vestrooid) en sliep zoo zacht in, alsof hij op een donzen bed zijn leden ter ruste gevlijd had.