← Table of contents
Waverley

ROSE BRADWARDINE EN HAAR VADER.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Rose Bradwardine was slechts zeventien jaar oud; en toch zeide, bij de laatste harddraverij in de hoofdstad van het graafschap, toen hare gezondheid met die van een aantal schoonen ingesteld werd, de heer van Bumperquaigh, permanent ceremoniemeester, enz. van de Bautherwhillery-club, niet alleen: Meer! terwijl hij dien toast met een beker vol Bordeaux-wijn bevestigde, maar noemde ook, eer hij de plenging volbracht, de godin, aan wie deze dronk gewijd was, de „Roos van Tully-Veolan.” Bij deze feestelijke handeling brachten al de leden van dit eerwaardig gezelschap, wier keel de wijn tot zulk eene inspanning nog had in staat gelaten, drie luide hoera’s uit. Ja, ik ben er zeker van, dat de slapende deelgenooten van het gezelschap hunne goedkeuring daaraan snorkend te kennen gaven, en dat, ofschoon sterke teugen en zwakke hoofden er twee of drie tegen den vloer geworpen hadden, deze evenwel, gevallen als ze waren uit hun hoogen staat, en wentelende – ik wil de parodie niet verder uitwerken – verscheiden ongearticuleerde geluiden voortbrachten, om te doen verstaan hoe zeer ze met het voorstel instemden.

Zulk een algemeene toejuiching kon slechts het gevolg zijn van erkende verdienste; en Rose Bradwardine verdiende ze niet alleen, maar eveneens de goedkeuring van veel redelijker wezens, dan de Bautherwhillery-club had kunnen aanwijzen, zelfs vóór de eerste flesch geleegd was. Zij was inderdaad een zeer lief meisje, zoo als de Schotten de schoonheid begrijpen; dat is, met een overvloed van bleek goudgeel haar en een huid, die de sneeuw op de bergen in witheid evenaarde. Nogtans was haar gelaat bleek noch droefgeestig; hare trekken, zoo wel als hare geaardheid, waren levendig; hare kleur, zonder bepaald blozend te zijn, was zoo zuiver, dat ze bijna doorschijnend geleek, en de minste aandoening joeg op eens al haar bloed naar gelaat en hals. Hare gestalte, schoon beneden de gewone maat, was zeer sierlijk, en hare bewegingen vlug, gemakkelijk en zonder een zweem van stijfheid. Zij kwam van een ander gedeelte van den tuin, om kapitein Waverley te ontvangen, op eene wijze die het midden hield tusschen beschroomdheid en beleefdheid.

Na het wisselen van de eerste groeten vernam Eduard van haar, dat de zwarte heg, die hem een weinig in de war had gebracht, bij des keldermeesters verslag van de bezigheid zijns meesters, niets te doen had met een zwarte kat of bezemsteel, maar eenvoudig een stuk eiken kreupelhout was, dat dien dag moest geveld worden. Beleefd, maar met een zekere schroomvalligheid, bood ze aan den vreemdeling naar de plaats te brengen, die, zoo het scheen niet ver af was; doch ze werd voorgekomen door de verschijning van den baron van Bradwardine in persoon die, geroepen door Davie Gellatley, thans naderde, „geheel met gastvrije gedachten bezield,” en wel met zulke geweldige schreden, dat Waverley daardoor aan de zeven-mijls laarzen uit het kindersprookje herinnerd werd. Hij was rank, schraal, krachtig en grijs, ofschoon iedere spier door aanhoudende oefening, nog volkomen lenig en rekbaar was. Hij was met weinig zorg gekleed, en meer als een Franschman dan een Engelschman van dien tijd, terwijl hij, met zijn harde trekken en zijn stijve houding, eenigszins geleek op een Zwitserschen garde-officier, die eenigen tijd te Parijs gelegen had en wel de kleêrdracht, maar niet het gemakkelijke in de manieren van de inwoners dier wereldstad zich had eigen gemaakt. Om de waarheid te zeggen waren zijn taal en zijn gewoonten even zonderling als zijn geheele voorkomen.

Uit de wijze, waarop hij Waverley ontving, scheen het, dat het innig genoegen, hetwelk hij smaakte in het zien van zijns vriends neef, de stijve en statige deftigheid van den baron van Bradwardine een weinig uit den plooi had gebracht; want de tranen stonden den ouden heer in de oogen, toen, na Eduard eerst, volgens Engelsche gewoonte, hartelijk de hand te hebben gedrukt, hij hem vervolgens à la mode Française omhelsde, en op beide wangen kuste, terwijl zijn stevige handdruk en de hoeveelheid Schotsche snuif door zijn accolade medegedeeld, wederkeerig de tranen in de oogen van zijn gast te voorschijn riepen.

„Bij de eer van een edelman,” zeide hij, „het maakt mij weêr jong u hier te zien, mijnheer Waverley! Een waardige spruit van den ouden stam van Waverley-Honour – spes altera, zoo als Virgilius zegt – en gij hebt precies het gelaat van de oude linie, kapitein Waverley; niet zoo lijvig nog als mijn oude vriend Sir Everard – mais cela viendra avec le temps, zooals een mijner Hollandsche kennissen, de baron van Kikkitbroeck zeide, van la sagesse de Madame son épouse. – En gij hebt dus de kokarde opgezet? Best, best! schoon ik de kleur anders zou gewenscht hebben, en dat, denk ik, zou Sir Everard ook. Maar daarover geen woord meer; ik ben oud en de tijden zijn veranderd. – En hoe vaart de waardige Baronet, en de schoone Freule Rachel? – Ha, gij lacht, Jonkman! maar ze was de schoone Freule Rachel in het jaar onzes Heeren zeventien honderd en zestien; maar de tijd gaat voort – et singula prædantur anni – dat is ontegenzeglijk waar. Maar nogmaals, van harte welkom op mijn armoedig huis van Tully-Veolan! Loop vlug naar huis, Rose, en zorg dat Alexander Saunderson den ouden Chateau-Margaux op tafel zet, dien ik in het jaar 1713 uit Bordeaux naar Dundee zond.”

Rose trippelde weg, vrij deftig tot ze den eersten hoek om was, maar vervolgens met de snelheid van eene toovernimf, ten einde den tijd te hebben, na het volvoeren van haars vaders last, om voor haar toilet te zorgen, en haar geheelen kleinen opschik voor den dag te halen, eene bezigheid waarvoor het naderend etensuur maar weinige oogenblikken overliet.

Deze toespraak, met de noodige tusschengevoegde antwoorden, duurde van het einde der laan, waar zij elkander ontmoetten, tot aan de deur van het huis, waar vier of vijf bedienden in ouderwetsche liverei, aan wier hoofd Alexander Saunderson de keldermeester, bij wien nu geen spoor meer te zien was van zijn tuinwerk, hen in grand costume ontvingen.

In een oude voorzaal, breed en wijd, met piek en boog behangen,

Met harnas en met schild, waarop veel beukens was ontvangen.

Met veel statie, en nog meer hartelijke vriendschap, geleidde de Baron, zonder zich in eenig tusschen gelegen vertrek op te houden, zijn gast naar de groote eetkamer, met een zwart-eikenhouten beschot, en verder versierd met de afbeeldingen van zijn voorgeslacht, waar eene tafel gedekt was voor zes personen, en een ouderwetsch buffet al het oude en zware zilver der Bradwardinesche familie ten toon spreidde. Thans werd eene klok gehoord, aan den ingang der oprijlaan; want een oud man, die op galadagen de dienst van portier waarnam, had het nieuws van Waverleys komst vernomen, en zich naar zijn post begevende, kondigde hij de komst van nog andere gasten aan.

Terwijl hij hen aldus beschreef naar uitzicht en geslacht,

Trad ieder binnen, en ’t diner werd spoedig opgebracht.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings