← Table of contents
Waverley

Note 3 — ROSE BRADWARDINE EN HAAR VADER.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Deze waren, gelijk de Baron zijn jongen vriend verzekerde, zeer achtenswaardige personen. „Daar was de jonge heer van Balmawhapple, een Falconer, van den huize van Glenfarquhar, een groot liefhebber van de jacht – gaudet equis et canibus – maar overigens een zeer bescheiden jongmensch. Ook was er de heer van Killancureit, die zijn ledigen tijd met boomkweekerij en akkerbouw doorbracht, en zich beroemde de eigenaar te zijn van een stier van onovertroffen verdienste, afkomstig uit het graafschap van Devon (het Damnonia der Romeinen, zoo wij Robert van Cirencester mogen gelooven.) Hij is, zooals ge uit zijne bezigheden wel opmerken zult, slechts van geringe afkomst – servabit odorem testa diu3 – en ik geloof (onder ons) dat zijn grootvader niet veel bijzonders was – een Bullsegg, die hierheen kwam als rentmeester, of baljuw, of zoo iets, bij den laatsten Girnigo van Killancureit, die aan verval van krachten stierf. Na zijns meesters dood, mijnheer, – men zou zulk een schandaal nauwelijks gelooven, – huwde deze Bullsegg, die een knap en goed uiterlijk had, met de weduwe, die jong en verliefd van aard was, en stelde zich in bezit van dit landgoed, dat, volgens eene bepaling van wijlen haar echtgenoot, op dit ongelukkige wezen verviel, in rechtstreeksche tegenspraak met eene ongeregistreerde leensbepaling, en ten nadeele van des erfbestellers eigen vleesch en bloed, in den persoon van zijn natuurlijken erfgenaam en neef in den tweeden graad, Girnigo van Tipperhewit, wiens geslacht door het daaruit ontstane proces dermate in verval geraakte, dat de vertegenwoordiger er van thans zonder eenigen rang dient in de Hooglandsche Black-Watch4. Maar deze mijnheer Bullsegg van Killancureit, die nog leeft, heeft goed bloed in zijn aderen, door zijne moeder en grootmoeder, die beide van de familie van Pickletillim waren, en is wel gezien en bemind en weet zich heel goed te gedragen. En God beware ons, kapitein Waverley, dat wij, lieden van onberispelijke afkomst, met minachting op hem zouden neerzien, daar het mogelijk is, dat in de achtste, negende of tiende generatie, zijn nageslacht, in zekere mate, gelijk zal staan met den ouden adel des lands. Rang en voorouders, mijnheer, behoorden de laatste woorden in den mond van ons, lieden van onbesproken stam te zijn – vix ea nostra voco, zooals Ovidius zegt. Er komt ook nog een geestelijke van de ware, schoon verdrukte Episcopale kerk van Schotland. Hij was een martelaar voor hare zaak, na het jaar 1715, toen een Whigsche oproerbende zijn kerk verwoestte, zijn koorkleed verscheurde en zijn woning beroofde van vier zilveren lepels, terwijl ze desgelijks eetwaren en twee vaten, een met tafel- en een met sterk bier, behalve drie flesschen brandewijn meêpakten.5 Mijn baljuw en zaakwaarnemer, de heer Duncan Mackwheeble is de vierde op onze lijst. Het is niet bekend wegens de onzekerheid van de oude spelling, of hij behoort tot het geslacht van Wheedle of van Quibble;6 maar beide hebben uitstekende rechtsgeleerden voortgebracht”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings