NIET HEEL BELANGRIJK.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
„Fergus?” riep Waverley met een verwijtenden blik.
„Ik ben bedroefd over den dood van den armen kolonel Gardiner: hij heeft mij vroeger met zoo veel vriendschap behandeld.”
„Nu, wees dan bedroefd voor vijf minuten, daarna weder vroolijk. Het lot dat hem heden getroffen heet, kan morgen het onze zijn, en wat heeft het te beteekenen? Wat is naast de overwinning beter dan een roemvolle dood, maar het is een pis-aller, en men gunt hem den vijand liever dan zichzelven.”
„De kolonel Talbot heeft mij bericht, dat mijn vader en oom beiden door het bewind worden gevangen gehouden, om mijnentwil.”
„Neen, ze zijn reeds in vrijheid, op borgtocht van meer wettigen aard.”
„Waarom laat uw groote geest zich dan ter nederslaan, Eduard? Denkt gij dat de ministers van den keurvorst zulke duifjes zijn, dat zij hunne vijanden in dit netelig oogenblik in vrijheid zouden stellen, zoo zij hen konden of durfden gevangen houden en straffen? Wees verzekerd, dat zij óf geene gronden van beschuldiging tegen uwe bloedverwanten hebben, volgens welke zij hunne opsluiting kunnen doen voortduren, óf anders zijn ze bang voor onze vrienden, de dappere cavaliers van Oud Engeland. In elk geval behoeft gij niet bevreesd voor hen te zijn, en wij zullen wel middel vinden om hun bericht van uwe veiligheid te doen geworden.”
Eduard werd door deze redenen tot zwijgen gebracht, maar niet overtuigd. Het had reeds meer dan eens een pijnlijke gewaarwording bij hem opgewekt, dat Fergus weinig deelneming in de gevoelens verried, zelfs van hen, die hij het meest beminde, zoo deze niet in overeenstemming waren met zijn eigene gemoedsgesteldheid op het oogenblik, en vooral zoo ze hem hinderlijk waren in het ernstige najagen van een geliefkoosd oogmerk. Fergus bespeurde inderdaad soms, dat hij Waverley gekrenkt had; maar daar hij altijd het een of ander lievelingsplan voor zichzelf op het oog had, sloeg hij nooit ernstig acht op de mate en den duur van dit ongenoegen, zoodat de herhaling van deze kleine ergernissen de buitengemeene gehechtheid van den vrijwilliger aan zijn officier een weinigje deed verkoelen.
De Prins ontving Waverley met de meeste genegenheid, en roemde sterk zijn uitstekende dapperheid. Vervolgens trok hij hem ter zijde, deed hem een aantal vragen betreffende kolonel Talbot, en toen hij alle berichten ontvangen had, die Eduard omtrent hem en zijn betrekkingen in staat was te geven, vervolgde hij: – „Ik kan niet nalaten te denken, mijnheer Waverley, dat, daar deze heer zoo bijzonder vertrouwd is met onzen waardigen en uitnemenden vriend, Sir Everhard Waverley, en daar zijn echtgenoote behoort tot het Huis van Blandeville, welks gehechtheid aan de ware en echt koningsgezinde beginsels der Kerk van Engeland zoo algemeen bekend is, de bijzondere gevoelens van den kolonel ons niet ongunstig kunnen zijn, welk masker hij ook moge hebben aangenomen, om zich naar de tijden te schikken.”
„Te oordeelen naar de taal, die hij heden tegen mij voerde, ben ik genoodzaakt geheel en al in meening van Uwe Koninklijke Hoogheid te verschillen.”
„Wel, het is ten minste de moeite waard een proef te nemen. Ik belast u derhalve met de zorg voor kolonel Talbot, met volmacht om te zijnen aanzien te handelen, zoo als ge het raadzaamst zult oordeelen, en ik vertrouw, dat ge wel middelen zult vinden om u te vergewissen, welke zijn wezenlijke gezindheid is, met betrekking tot de herstelling van onzen Koninklijken Vader op den troon.”
„Ik ben overtuigd,” hernam Waverley, met een buiging, „dat zoo kolonel Talbot zijn woord verkiest te geven, men met zekerheid er op bouwen kan; maar indien hij het weigert, zoo vertrouw ik, dat Uwe Koninklijke Hoogheid aan iemand anders, dan aan den neef van zijn vriend, de taak zal willen opdragen om hem onder het noodige opzicht te houden.”
„Ik zal hem aan niemand toevertrouwen dan aan u,” zei de Prins met een glimlach, terwijl hij evenwel zijn bevel op stelligen toon herhaalde; „het is van belang voor mijn dienst, dat er een goede verstandhouding tusschen u schijne te bestaan, al kunt gij ook zijn vertrouwen in goeden ernst niet winnen. Gij zult hem derhalve in uw kwartier ontvangen, en weigert hij u zijn woord van eer te geven, dan moet ge om een behoorlijke wacht vragen. Ik verzoek u dit oogenblikkelijk te bewerkstelligen. Wij keeren morgen naar Edinburgh terug.”
„Sedert dat noodlottige tractaat, hetwelk Schotland als een onafhankelijke natie, vernietigde, hebben wij het geluk niet gehad zijn vorsten te zien ontvangen, en zijn edelen die bewijzen van leendienst en hulde te zien brengen, welke, op de luisterrijke bedrijven der Schotsche dapperheid gegrond, hunne vroegere geschiedenis in het geheugen terugroepen, benevens de manhaftige en ridderlijke eenvoudigheid der banden, die aan de Kroon de hulde verzekerden der krijgslieden, door wie zij bestendig geschoord en verdedigd werd. Maar op den 20sten werden onze herinneringen verlevendigd door een dier plechtigheden, welke tot de oude dagen van Schotlands glorie behoorden. Nadat de kring gevormd was, naderde Cosmo Comyne Bradwardine, op het oogenblik kolonel in dienst enz. enz. enz, den Prins, bijgestaan door den heer D. Mackwheeble, den rentmeester van zijn aloude baronie van Bradwardine, (die, gelijk wij vernemen, onlangs tot een van de krijgs-commissarissen is benoemd,) bij vorm van publieke acte, en met de meeste bescheidenheid, verlof vragende, om aan den persoon van Zijne Koninklijke Hoogheid, als vertegenwoordigende den Vader van den Prins, den gebruikelijken en gewonen dienst te mogen bewijzen, waarvoor, volgens een charter van Robert Bruce, (waarvan het oorspronkelijke in der tijd vertoond werd aan en gewaarmerkt door Zijne Koninklijke Hoogheids kanselarij) de eischer de baronie van Bradwardine en landen van Tully-Veolan in leen hield. Nadat zijn eisch was toegestaan en geregistreerd, plaatste Zijne Koninklijke Hoogheid den voet op een kussen, en de baron van Bradwardine, op zijn rechter knie gevallen, ging over om den brogue of Schotschen schoen los te maken, welken onze jonge held, ten believe zijner brave volgelingen, heeft aangenomen. Toen dat gedaan was, verklaarde Zijne Koninklijke Hoogheid de plechtigheid voor volbracht, en, den ridderlijken krijgshaftigen grijsaard omhelzende, betuigde hij, dat niets dan gehoorzaamheid aan een ordonnantie van Robert Bruce hem zou bewogen hebben, zelfs de zinnebeeldige volbrenging van kleine diensten aan te nemen van handen, die zoo dapper gestreden hadden om de kroon op zijns vaders hoofd te zetten. De baron van Bradwardine stelde thans de akten in handen van den heer commissaris Mackwheeble, inhoudende, dat alle punten en omstandigheden der huldiging waren rite et solemniter acta et peracta, en er werd een gelijkluidend bewijs gebracht ten protocolle van den Grootkamerheer en in de aanteekeningen van de kanselarij. Wij vernemen, dat Zijne Koninklijke Hoogheid in overweging heeft genomen, om, zoo het Zijner Majesteits welbehagen is, den kolonel Bradwardine te verheffen tot het pairschap, onder den titel van burggraaf Bradwardine van Bradwardine en Tully-Veolan, en dat het, middelerwijl, Zijner Koninklijke Hoogheid, op zijns vaders naam en gezag, heeft behaagd hem een eervol toevoegsel op zijn voorvaderlijk wapenschild te verleenen, bestaande in een laarzentrekker, kruiselings geplaatst met een ontblooten sabel, aangebracht rechts in het schild, met een toepasselijke spreuk er onder op een perkamenten rol, namelijk de woorden:
„Trek en trek uit.”
„Ware het niet door Fergus’ spotternij,” dacht Waverley bij zichzelven, toen hij het lange en deftige stuk had uitgelezen, „hoe deftig zou dit alles luiden, en hoe weinig zou ik er aan gedacht hebben, om het met eenig belachelijk denkbeeld te verbinden! Och! alles wél beschouwd, heeft iedere zaak hare gunstige en hare gebrekkige zijde, en ik zie niet in, waarom de laarzentrekker van den baron niet even fraai in de wapenboeken zou prijken, als de wateremmers, de wagens, de karrewielen, de ploegscharen, schietspoelen en andere gewone zaken, die aan niets minder doen denken dan aan ridderschap, en op de wapenschilden van onzen oudsten adel voorkomen.” Maar dit is slechts een episode; laat ons tot de eigenlijke geschiedenis terug keeren.
„Naar ik gehoord heb, niet; ik geloof dat het leger eenigen rusttijd in Edinburgh zal houden, om versterking af te wachten.”
„En om het kasteel te belegeren?” zeide Talbot, met een spottenden glimlach: „nu, zoo mijn oude overste, generaal Preston, geen verrader wordt, en het kasteel in het Noordermeer niet verzinkt, gebeurtenissen die ik al even waarschijnlijk acht, dan zullen wij wel eenigen tijd hebben, om kennis te maken. Ik verbeeld me, dat deze beleefde Ridder zich in het hoofd heeft gezet, dat ge mij bekeeren zult, en, daar ik wensch zelf u te bekeeren, kon er geen schooner voorstel gedaan worden dan om ons volop gelegenheid te geven met elkaar te praten. Maar, daar ik van daag gesproken heb onder den invloed van gewaarwordingen, waaraan ik zelden toegeef, zoo hoop ik dat ge mij zult verschoonen van andermaal geschillen te behandelen, voor en aleer wij een weinig beter met elkander bekend zijn.”