← Table of contents
Toen de duisternis dreigde...

HOOFDSTUK XXVI.

Reading edition

De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste, gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een opkomenden lichten nevel.

Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning, opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer schietgaten dan vensters.

De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant, de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere trachtte te bereiken.

Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere — krampachtig waren haar handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven met een snerpend:

„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die daar!”

Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd gekleurde lucht.

„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was.

Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij tevergeefs naar een staf om op te steunen.

Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde vluchtelinge....

Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit denkbeeld over haar strenge trekken — wees het haar een uitweg?

Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis, moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid — hun laatste pijlen waren verschoten.

Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen. Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met Lars, den ouden slotvoogd.

Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?....

Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven.

Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken.

„Ik heb heden een brandend schip gezien” — ving zij aan. „Ik benijdde allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt gespuis.”

Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort:

„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de kelders.”

Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der dienstbaarheid.

„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.”

Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd verwekt, maar met meewarigheid vermengd — het was een wanhoopsdaad uit trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan:

„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan, wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn schepselen oordeelen naar hun daden.”

Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen bezit van haar geheel.

Minachtend zag zij Olaf aan:

„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een slaaf van den witten Christus, gij!”

Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het scherpste wapen, dat bestaat: de tong.

Maar hij hief de hand op ernstig, waardig:

„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge, edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles en hun naasten als zich zelven?”

Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met een kort bevel. Olaf trad haar in den weg:

„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, — de meesten zijn vrouwen en kinderen — niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!”

„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij bespotten, en — vergeten. En, dàt duld ik niet — nòòit! — Ik zal mij gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een vloek en — dat is de onuitwischbaarste herinnering.”

Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te veel!

Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast:

„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons — met u zelve!”

Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug:

„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat! Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen! Weg!”....

Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak.

Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader....

„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele onzalige ravennest tot asch!”

Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf Swanwitha’s hand.

„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!”

Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het vertrek, tot vrouw Sigrid.

„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!”

„Mij belet niemand wat ik wil!”

Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag dichtgeworpen.

„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds een doodvonnis!”

In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de zegepraal van een demon.

Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur, zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het zonlicht, na duisternis en winterkou.

„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis naar het licht?”

Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw — de droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit zoo, waarom?

Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders.

Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of zij het verstond boven het geraas van den strijd:

„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft overwonnen.”

Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven.

Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort bezweken — zij was gered.

Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen vaster in de armen.

Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder:

„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het afwachten.”

Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af.

„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!”

Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide. Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal.

„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze geheel.

Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem terug tot de bittere werkelijkheid.

Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij het mes opgeraapt van den grond.

„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen.

„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”...

„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last.

Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer.

Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de bevrijden was ook Yglo. — Nu wendde hij zich tot de droevige groep, waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen.

„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee, mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha.

Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet, hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op zijn levensweg....

De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt, rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen.

„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op Unruoch wijzend.

„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken gleden over Olafs kleurloos gelaat.

Ja, gered waren zij, gered!

Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig: de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken.

Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen.

De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de woede der vervolging.

Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken, juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde. Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen, door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen! Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend, rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken:

„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!”

Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte.

Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen, zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk. Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij sprak — sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had:

„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn, want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!”

Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk, geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met zilveren klank....

„Daarheen! Daarheen!”....

Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich op.

Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld. Over die wiegelende bodems stroomden thans allen....

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings