← Table of contents
Toen de duisternis dreigde...

HOOFDSTUK XXIX.

Reading edition

„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel, vaarwel!”...

Olaf Erikson stond voor den bisschop — het was de laatste maal. Buiten, aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de thuisreis tegen — het was voor de laatste maal.

Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed fluisterden voor zijn vijanden — met woorden wellend uit het hart.

„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!”

Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden.

Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet:

„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur. Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche leven en de wisselende lotgevallen der menschen.”

Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte.

„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk, dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan?

Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden, omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven.

Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde, zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het leven is mij Christus, het sterven gewin.”

Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen, die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts, Olaf, geloof en vertrouw.”

Olaf sloot de oogen.

Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam bezit van hem geheel.

Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver wachtte....

Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich, neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning, om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De donkere zee — thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel — hij rust in veilige haven.

Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen, ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in het verschiet?

Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed:

„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien in het eeuwig licht.”

„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken, het ligt voor u bereid.”

Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde:

„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind, opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk.

Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de eeuwige liefde.

Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis.

Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen.

Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak te kunnen vervullen, die u wenkt.

Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het menschelijk hart. Ga daarom, — waar ik de lessen leerde, waarvan mijn leven de vrucht werd — naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw toekomst, dat is leven voor de toekomst.

En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning. Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te behouden.”

Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd.

Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol, beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie van Johannes.

„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het, lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.”

Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet — thans niet meer een „vaarwel!”....

Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze wolken, met nevelen dicht en zwaar.

Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker, bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden, al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten.

Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche natuur van zijn land.

Zou hij slagen in zijn levenstaak?

———————————

De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin valt, zouden het antwoord geven op die vraag.

Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken van „Olaf, de Heilige.”

Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag. Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig aanschouwen.—————

———————————

Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het, gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde toevertrouwd.

Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings