HOOFDSTUK IX.
Reading edition
Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine voeten waren bloot; kortgeknipt — wat haar als onvrije kenmerkte — de kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw Sigrid — niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar koesterde, nog toenemen.
Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws verteld, haperend, vol vreugd en — vol geheimen angst.
Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O, die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld doen?
Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal bezweringen noch aderlaten hielpen.
Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde, ontsnapte haar:
„De bisschop!....”
Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee hij zich tot het meisje wendde.
„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn kind?”
Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.”
„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge dat ook, mijn dochter?”
Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch. Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend?
Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en nu....”
„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.”
Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo bij den ouden grafheuvel....
Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde — brak er iets in haar binnenste?
Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan.
„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.”
Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk — al was het bitter en zwaar — omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel.
„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!...
O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” — —
Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk van zegen op haar neerdaalde:
„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis.
God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil, niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige land.”
Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen....
Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde, de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet alleen duisternis meer.
„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”....
Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm voelt naderen.
Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht.