HOOFDSTUK XVIII.
Reading edition
Den avond na dit onderhoud, toen het eentonig geroep van den koekoek zweeg en de wolken verder dreven, goud en karmozijn omzoomd door het avondrood, lag Trutha moe en zwak in een kuil op de heide. Een man had haar gered uit den stroom, een vreemde man met grijzende haren, het gebruind gelaat doorgroefd van naden en rimpels, een versleten kolder om de magere leden. Hij had de drenkelinge in zijn armen genomen als de herder een verdwaald lam, met de dankbare gewaarwording, welke hem bezielt, die door de wereld heeft gezworven vele lange, eenzame jaren, verlaten en alleen en wie nu een warm geluksgevoel doortintelt, omdat hij weer een menschelijk wezen vond om voor te zorgen.
Een kuil in de heide was ras gevonden, een beschuttend dak van dennentakken en zoden dra gereed. Nu waakte hij bij het zwakke kind en bracht haar het karig rantsoen, dat hij op zijn smeeken ontving aan de verspreide hutten.
Zoo vond hen Lisa, terwijl zij voortsukkelde over de heide. In weinige woorden deelde zij hem de gebeurtenissen mee van den laatsten tijd, om te eindigen:
„Vlucht achter de wallen van Utrecht als uw leven u lief is: Gij hebt beschermd wie Rolfr Jarl vervolgt met zijn haat. Neem Trutha mee en verhaal te Utrecht hoe het hier met den bisschop staat, dan zullen de burgensen komen om hem te bevrijden. Zeg toch, dat zij zich haasten.” Plotseling hield zij in, beducht.... „Vreemdeling, wie zijt gij?”
„Een vrije speerknecht, wien het slecht genoeg ging in de wereld. Gerlach heet ik en voor den bisschop en dat kind daar zal ik doen wat ik kan, al was het alleen, omdat zij vervolgd worden door Rolfr, den Deen.”
Over zijn lippen kwam die naam op schorren toon, een toon van wrok, maar er was geen woord meer uit hem te krijgen.
„Gegroet, moeder! Met het eerste morgengrauwen breng ik het kind in veiligheid, en drijf de Utrechtsche poorters tot handelen. Nu moet ik zorgen voor haar avondbrood. De boerin van het Hooge land heeft gezegd, dat ik het dezen avond bij haar mocht halen.”
Weldra werd zijn lange gestalte slechts een stip op de eenzame heide; Trutha, uitgeput, was blijven doorslapen. Moeder Lisa dekte haar zorgvuldig toe met den doek, dien Swanwitha haar eens had gegeven. Toen ging ook zij verder.
Een man stond onder de dennen aan den voet van een heuvel. Moede leunde hij op zijn staf van knoestig eikenhout. Zij slaakte een kreet:
„Henno! Hebt gij gedaan wat ik zei?”
Hij knikte zwijgend, twee groote tranen rolden uit zijn holle oogen.
„Ja! Maar zij durven niet, niemand durft! En mijn kind sterft in den kerker van den Ravenhorst.”
Ongeduldig trok zij hem bij zijn mouw.
„Denk niet het eerst aan je zelf. Is Yglo meer dan de bisschop? Henno, wat heb je gedaan?”
„Wat je mij hebt geraden. Gegaan ben ik van hoeve tot hoeve, van heem tot heem om iederen vrije te vragen, te dringen, gewapend op te trekken tegen Rolfr Jarl. Maar zij sloegen de deur dicht met een schamper:
„Eerst was uw zoon bode voor den Jarl, nu gij tègen hem. Henno, wij vertrouwen je niet meer!”
„En o, Lisa, mijn kind sterft, mijn eenig kind!”
Strak zag Henno voor zich en voelde, dat hij gestraft werd in de zonde, die hij beging.
Lisa hernam:
„Dan het laatste middel: naar Aken, naar heer Otto, onzen jongen keizer! Hij moet de Utrechtsche burgensen aanvoeren.”
Henno maakte een verschrikte beweging:
„Ik, een arme visscher!”
„Maar een vrij geboren man. En Henno, „voor God zijn wij allen gelijk,” zegt de bisschop. Vreest gij dan voor een mensch? Help ons allen en red Yglo!”
Henno wischte zich de klamme druppels van het voorhoofd:
„Ik zal het doen; ik zal het! O, mijn kind, mijn kind!”
Zij hief de hand op:
„Ginds, op den heuvel ligt Trutha, zwak en ziek, gered door een vreemden speerknecht, die haar naar Utrecht zal brengen. Verberg u over dag, want Rolfr Jarl laat scherp wacht houden op iederen kruisweg; ga bij nacht over hei en veld en verhaal overal te Utrecht wat hier voorvalt. Dring er toch bij ieder op aan, dat de burgensen uittrekken den bisschop te hulp en als gij ze daartoe bereid weet, zie dan een paard te krijgen en haast je naar Aken. Maar zeg niets van dit plan, omdat het een goed plan is, want dan wordt gij tegengewerkt door menschen, die niet van zins zijn zelf te handelen, maar die toch niet kunnen verdragen, dat een ander verricht waarmee hij misschien de eer zal behalen, die zij voor zich zelven wenschen zonder de inspanning.
Zorg nu echter eerst voor Trutha. Altijd is het best te doen wat het eerst voor de hand ligt.”
Lisa begreep in haar eenvoud niet welke levenslessen zij had verkondigd, maar Henno knikte en beloofde nogmaals haar raad te volgen. — — —
En de Hohorst bleef scherp bewaakt en iedere weg, die er heenleidde afgezet. Rolfr Jarl hield zijn volk in strenge tucht en de landbewoners verscholen zich reeds vol angst, als een boogschutter, die de rondte deed met zijn gevreesd wapen, zichtbaar werd. Lang kon die toestand echter niet voortduren. Rolfr Jarl begreep dit zelf het best, maar iedere dag was voordeel: de Denenvloot zou nu niet lang meer uitblijven en den bisschop werd belet maatregelen ter verdediging te nemen. Of nog anderen dan hij wisten van den beraamden inval? Met bezorgdheid vroeg Rolfr zich dit af en opnieuw rees zijn verlangen naar zegepraal niet het meest, doch naar vergelding. Nooit zou hij het uur vergeten toen hij vrij heenging van den Hohorst en bijna wenschte gevangen te worden gehouden om zoo groot een smaad te ontgaan. Het met zooveel onverholen minachting geuite woord: „Ga!” klonk hem in de ooren bij het gewoel van den dag als in de stilte van den nacht. Te verachtelijk zelfs om gevangen te blijven!.... Het denkbeeld prikkelde hem schier tot razernij. Dat Olaf, herstellend van zijn vleeschwond, weigerde den Hohorst te verlaten, wanneer het den bewoners niet werd vergund om te gaan waar zij wilden, maakte zijn stemming slechts meer verbitterd.
En verscheidene dagen gingen en kwamen zonder eenige verandering te brengen. De stroom vloeide om den Hohorst, vele visschen droeg hij aan, ook fraaie zilverzalmen, die de glinsterende koppen omhoog staken boven het effen watervlak. Unruoch en broeder Johannes wierpen haken en netten uit, zoodat het den door een sperenhaag omringden niet geheel aan voedsel ontbrak, ofschoon de teerkost steeds schaarscher werd en weldra het gebrek zou nijpen.
„O, om mij te mogen meten met Rolfr Jarl bij het schallen der hoorns, het flikkeren der zwaarden en het stooten der speren!” mompelde Unruoch meer dan eens met een onstuimig verlangen naar een daad, die de beslissing brengen zou.
„Wij zullen misschien hier wel blijven tot de bazuin klinkt van het jongste gericht en dan zijn wij te uitgevast om te strijden tegen den Antichrist en zijn heir van booze geesten,” steunde broeder Johannes.
De overige broeders vielen hem bij, de ruiters kozen Unruoch’s zijde.
De eenige, die kalm bleef bij de naderende of reeds aanwezige gevaren, was de grijze bisschop. Hij leidde zelf de godsdienstoefeningen in de kleine kerk, verpleegde Olaf met eigen hand en las kalm of er niets dreigde, in zijn weer op hun plaats gestelde boeken, op deze wijze opnieuw de spreuk bevestigend, dat een zuiver geweten en een rustig gemoed meer waarde bezitten dan alles wat de wereld kan nemen of geven.