HOOFDSTUK XVII.
Reading edition
Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want, goede tijding bracht hij:
Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan dit eerste heldenfeit.
„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in. Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten; ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of toren of kiest het hazenpad.”
„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in Rolfr Jarl.”
De schilddrager knikte:
„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.”
„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.”
Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap naar de hal. Door de halfronde vensters — alle in dubbelvorm — vielen de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van den Skald; met strofen in eindrijm gedicht:
„Waar Walhalla’s hooge halle, Glinstert in den glans van goud, Daar kiest Wodan iedren morgen Helden zich, ’t zij jong of oud. Wie hier viel zijn naam ter eer Groet bij hem den morgen weer”....
Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde?
Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af:
„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.”
„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.”
Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer.
„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet eens. Hoe kunnen wij dan”....
Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik.
Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem.
„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!”
Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn.
„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af, schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”....
Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie — wat?” Het martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop. Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig — zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend — volgens zijn gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen.
„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!”
Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.”
„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.”
„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug. Wat is er gebeurd?”
Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden.
„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?”
„Neen, alleen wat zij niet wil.”
„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een rat in de val en de klep is dicht.”
„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.”
„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.”
Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk — eigen geluk. Hij begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij zich zelf een gelofte...
Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn? En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.”
Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven, hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak...
De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed, dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur.
Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos stroomde het water.
Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den Ravenhorst gebracht.
Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de kille muren op van het trotsche landkasteel!
Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht.
De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de wachtvuren om den Hohorst.
Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander. Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren avonddauw.
„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer het wagen! En wij — „gehoorzamen of de dood” — luidde zijn woord, maar zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is nabij. Dat zegt iedereen.”
Dof klonk de stem van den andere:
„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost, dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem dit zóó.”
Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis.
„Is er nog een boot hier?”
Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur — een licht van verwoesting en dood — zagen zij den jongen vreemdeling die eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde geen angst in, maar thans —
Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die dreigende uitdrukking op zijn trekken?
„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden; zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de overgave.”
„Zet mij dan over, terstond.”
„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.”
„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat gloeide er in.
Hij werd gehoorzaamd, onhoorbaar stiet het bootje af — — —
Wapentrofeeën glinsterden noch heirbijlen blonken in den eenvoudigen refter van den Hohorst, waarin hij nu den blik wierp. Geen wachter had hem tegengehouden met lans of zwaard. Slechts een klein aantal mannen was daar bijeen, sommigen reeds bejaard, in de kracht van het leven de meesten; de eenige, die een pantser droeg, was Unruoch. Met groote schreden mat hij het vertrek. Zijn gelaat zag nog bleek, maar strijdlust fonkelde uit zijn oogen toen hij bitter uitriep:
„De aarde moest zich openen om Rolfr van den Ravenhorst te verslinden met het duivelsgebroed, dat hem dient. Hier zijn wij machteloos tot eenig verzet, aangewezen op den hongerdood en intusschen gaat het heiligste wat wij bezitten verloren: vrijheid en geloof!”
Hij rukte zijn zwaard uit de scheede: „O, laat mij gaan en u allen een doortocht banen! Nog blijft ons een zestal ruiters, hun wonden zullen niet beletten, dat zij overzwemmen en u den weg vrij maken met hun wapens om”....
„Te vallen zooals bij den grafheuvel hun strijdmakkers, die Rolfr neerstiet met drievoudige overmacht. Unruoch, deze menschenlevens wegen zwaar op mijn ziel. Waarom verliet gij met zulk een klein aantal den Stuthenborch? Gij weet, wat ik u had gezegd.”
„Er waren geen ruiters meer te vinden. De angst voor den wereldbrand breekt alle tucht. Zonder verlof waren de meesten naar Utrecht. Daar stroomt alles naar de kerken. Verlaten zijn woningen en werkplaatsen. Zelfs bij de poorten houdt niemand de wacht meer, naar men zei.”
De trek van overgevende berusting, die steeds het gelaat van bisschop Ansfried stempelde, week bij dit antwoord. Zielsverdriet wierp donkere schaduwen over zijn voorhoofd; een zucht ontsnapte hem:
„O, mijn arm, aan uw doodvijanden overgeleverd volk, kon ik u slechts redden met mijn leven! Wie moedeloos neerzinkt is reeds half verloren. „Volhardt ten einde toe!”.... Waarom begrijpt schier niemand, dat dit een eisch is ook aan het leven gesteld met al zijn moeite en leed? Kon ik slechts iets doen, maar deze machteloosheid!”....
Hij zweeg, op de borst, die hijgde naar daden, zonk het hoofd, dat steeds dacht voor anderen, dat altijd een uitweg vond waar ieder versaagde. Niet lang.
„God zal helpen en uitkomst geven als Zijn tijd daar is. Hij wijst den weg, dien wij gaan moeten. Dat daarom ramp noch tegenspoed ons het vertrouwen op Hem ontneme, Die alle dingen doet medewerken ten goede!”
Als een belofte uit beter, heiliger oord klonken zijn woorden allen tegen. Zij stortten nieuwe kracht in harten, gebogen door een ramp, even onverwacht als onoverkomelijk, zooals altijd waar geweld optreedt als heerscher. Maar nu werd de deur met een ruk opengeslagen. Een vaste stem sprak:
„Ik bied u een uitweg, hoort mij.” Op den drempel stond Olaf, het getrokken zwaard glinsterde in zijn vuist, in zijn oogen blonk een vreemde glans. Met een hoofdbuiging groette hij de aanwezigen, maar aan Unruoch hechtte zich zijn blik, tot hem waren zijn woorden gericht:
„Unruoch van Teisterbant, ik daag u uit tot een kampstrijd op leven en dood. Overwint gij, dan ben ik in uw handen en door mij kunt gij van Rolfr Jarl uw aller vrijheid eischen. Dit zal de prijs zijn van mijn nederlaag. Zegevier ik, dan zult ook gij allen” — nu wierp hij een vluchtigen blik in het rond — „moeten toestemmen, dat de goden hebben geoordeeld.”
„Dat het een godsoordeel was,” sprak de bisschop vermanend.
Olaf haalde de schouders op:
„Ik kan mij geen God denken, die zich, als een weerloos slachtoffer, laat nagelen aan het kruis, terwijl de macht der aarde en van den hemel Hem behoorden, volgens de leer der christenen. Indien iemand waagde Thor aan te randen, zou hij zijn vijand verpletteren met één slag van zijn donderkeil. Dat is godenwraak!”
„Zoo denkt gij. En toch zal de godsdienst van den Gekruisigde eenmaal de wereld overwinnen en heerschen als uw goden reeds eeuwenlang zijn vergeten, omdat Zijn leer liefde en zelfverloochening tot grondvesten heeft en uw godendienst zich verheft op den hoeksteen van zelfzucht en geweld.”
Olaf was niet in staat den grijzen dienaar van het Evangelie te antwoorden. In zijn oogen flikkerde het opnieuw met verterenden gloed. — In zijn glinsterend ringpantser, met zijn hooge gestalte en fraai gevormd gelaat, de rosblonde lokken vrij vallend over het voorhoofd, geleek hij inderdaad een der fiere godengestalten van zijn volk, hartstochtelijk, onverschrokken, tot ieder middel bereid waar het gold zijn doel te bereiken, dat hem zou schenken — vergelding.
„Ik neem uw uitdaging aan.”
De stem van Unruoch klonk hard en vast, ook in zijn blik gloeide het.
„Unruoch, uw wond is nog niet geheeld!” Bisschop Ansfried riep het bezorgd.
„Dat zal mij niet beletten, mijn zwaard te kruisen met het zijne. Mag ik als een eerlooze handelen? Eisch geen woordbreuk. Ik heb de uitdaging aangenomen. Moge het hier gelden:
„Wee den overwonnene!”
Hoog richtte hij zich op, nu ook zijn tegenstander groetend:
„Tref goed, edele Olaf, bepaal het uur van den strijd en buig u voor het godsoordeel!”
Met instemming werden zijn woorden aangehoord. Overwinnaar noch verwonnene zou ooit wagen zich te kanten tegen de uitspraak van het godsoordeel, dat zoo menigwerf besliste, waar de meening der rechters verschilde of de beschuldigde zijn onschuld betuigen bleef. Mocht hij — de bisschop vroeg het zich in stilte af, — hier tegenwerpingen maken, waar een uitweg werd geboden aan allen, die met hem waren? Want verlossing zou het hun schenken uit een toestand, die met ieder uur noodlottig dreigde te worden voor het gansche volk.
Het godsoordeel zou ook hier richten; zonder vrees konden zij het afwachten.
Toch kon bisschop Ansfried een beklemmend gevoel niet onderdrukken, maar alle aanwezigen slaakten een zucht van verlichting, toen zij hem zijn toestemming hoorden geven tot het tweegevecht. Rechtvaardig was hun zaak....
Olaf wendde zich tot Unruoch: „Keurt gij goed, dat morgen, bij het rijzen der zon, de kampstrijd zal worden gestreden volgens recht en rede en oude zede? Tot dat uur geef ik mij over aan uw beschikking. Ongevraagd ben ik gekomen, zonder oorlof zal ik niet heengaan. Ben ik uw gevangene?”
De bisschop strekte de hand uit: „Vrij zijt gij gekomen, ga als een vrij man. Als de ochtend aanlicht boven de toppen der boomen, keer dan en gij zult het perk vinden afgepaald, vijf ellen in het vierkant, op de vier hoeken de palen. Geen der toeschouwers mag beweren dat den beiden kampioenen geen paal werd gezet, wanneer een van hen het perk overschrijdt. Ga alzoo en zorg ook van uw zijde voor bijzitters en kamprechters.”
Olaf dacht aan de wijze, waarop Unruoch eenmaal werd verlost uit Rolfr Jarls geweld en den kerker van den Ravenhorst. Een gevoel van vernedering kwam over hem: hij kon vrij komen en gaan — zoo handelden de verachte christenen!
Toch had hij geen deel aan Rolfrs verraderlijke handelwijze; maar wie edel denkt, lijdt onder onrecht, dat hij anderen bedrijven ziet, als beging hij het zelf.
Olaf kon heftig zijn, vol bruisenden hartstocht, laag nooit.
De boot — geroepen op zijn horensein — kliefde het donkere water. Hij ging en boog zich voor den christenbisschop, dieper boog hij voor hem dan ooit te voren voor den zegevierenden aanvoerder bij een stouten Vikingertocht.
Het zou voor de bewoners van den Hohorst gemakkelijk zijn geweest zich meester te maken van roeier en boot. Vrij waren zij dan, vrij!
Maar zij bleven. Trouw bleven zij het aan Olaf gegeven woord, afwachtend het godsoordeel.
De morgen rees, een stille ochtend; geen windvlaag schudde de boomen, alleen door de oude eikenkruinen ruischte het zacht, alsof geheimzinnige stemmen fluisterden. En daar, op dien „Hoogen horst” werd het strijdperk afgepaald, ver zichtbaar in den omtrek. De landbevolking was toegestroomd, op het door de speerknechten verspreid gerucht, schuw ter zijde wijkend, toen Rolfr Jarl verscheen aan het hoofd zijner gewapenden.
Vrouw Sigrid reed naast hem aan de spits van den tot de tanden gewapenden stoet. Haar oogen staken als twee dolken toen zij zich tot Swanwitha wendde met het kort bevel: „Hef uw sluier op!” Zwijgend werd zij gehoorzaamd.
Een stil, droevig gezichtje werd nu zichtbaar, omplooid door de glinsterende vouwen van het doorzichtig sindaal.
Voor wiens leven vreesde zij het meest?
Het duurde vele oogenblikken, eer allen den overkant bereikten.
Harald, de Skald, vergezelde Olaf met Sven Persen, den aanvoerder van Rolfr Jarls ruiters, als kamprechters. Samen stapten zij in de boot. Aan wal gekomen haastte Sven Persen zich de pennen met glinsterende koppen, de „tjösnur”, in de palen te slaan, volgens Noorsch gebruik. Langzaam, het formulier prevelend, dat ook den priesters was voorgeschreven als zij offerden, ging hij van paal tot paal op de voorgeschreven wijze: het gelaat opwaarts, de handen rustend op de ooren. Toen begaf hij zich naar zijn plaats, terwijl Erik Rafnrson, een van Olafs volgelingen, als bijzitter de wetten herhaalde van het godsgericht.
Hij bracht in herinnering, dat ieder der kampioenen verplicht was drie schilden met zich te voeren. Wanneer die waren „doorhouen en gheen slagen meer conden ontfaen” hadden zij het recht zich te verdedigen met zwaard en heirbijl. „De uitgedaagde doet den eersten slag. Wanneer het bloed van een der beide kampioenen vloeit en den bodem kleurt met roode druppels, is de strijd beslecht, — doch indien een van hen buiten het afgepaalde perk treedt, wordt hij beschouwd als vluchteling en heeft hij de nederlaag geleden. Elk der beide kampvechters bezit het recht zich door een weerbaar man van wapenen te doen begeleiden, die hem gedurende het gevecht dekt met zijn schild”....
Met schellen klank dreunden de horens boven de hoofden der ademlooze menigte, toen de bijzitter zweeg. Bisschop Ansfried strekte zegenend de handen uit over Unruochs hoofd:
„Strijd als een dapper held! Het is van groote beteekenis als kampioen in het perk te treden bij een godsoordeel. Het recht zal zegevieren en Hooger hand uw zwaard voeren en tot beukelaar strekken.”
Meer bewogen dan hij wilde laten blijken zonk hij terug in zijn eenvoudigen, tegen den kerkmuur geplaatsten zetel.
Gold die ontroering voor een deel de tegenwoordigheid van Rolfr Jarl? De wetten van het godsoordeel gaven hem vrijgeleide om te komen en te gaan. Hij maakte er gebruik van. Maar wat den bisschop de oogen deed afwenden, deed hem staren in de verte. En dan zag hij in den donkeren nacht, waarin de vlammen laaiend knetterden. Hij zag een hechten toren aan een vuurzuil gelijk. Hij zag bij dien gloed twee vrouwenoogen, wier blik hem de zijne deed neerslaan, een blik dien hij heden, na zooveel jaren terug vond in de oogen zijner kleindochter.
Maar hij werd teruggevoerd tot het heden, uit het verleden van verschrikking en schuld, waarheen zijn gedachten hem dreven, ondanks zelfbeheersching en verzet.
Luid en vast klonk Unruochs uitdaging tot den strijd. Olaf liet niet op zich wachten. Met forsche schreden betraden beiden het perk. Terwijl opnieuw de horens schetterden en de klaroenen werden gestoken, hief Unruoch het zwaard op in afwachting van den eersten stoot dien hij moest toebrengen. Ook Olaf stond onbeweeglijk, als uit erts gehouwen, alleen zijn arm trok krampachtig, de arm die het wapen ophief. Met overspanning zijner kracht beheerschte hij het noodlottige beven, dat door geen vrees veroorzaakt werd. Onzichtbaar waren zijn trekken onder den ijzeren helm en, dat was goed, want hartstocht en brandende smart trokken hun groeven en wischten de edele lijnen van zijn bewolkt voorhoofd en om de vastgesloten lippen. Geen enkele maal wendde hij het hoofd naar Swanwitha’s zijde. Wilde hij haar niet zien, die hem onbewust had gedreven tot de beslissing, waarvan hij nu den uitslag duchtte? Daar is een geheime stem in ieders borst, die richt, onverbiddelijk en waar, die soms fluistert van nederlaag wanneer een juichende menigte den overwinnaar lauwert. Olaf hoorde die stem en het deed hem, den onversaagden held, sidderen.
En nog een ander hart dan het zijne beefde. Het was Swanwitha als zag zij door een vochtigen sluier, diep boog zij het hoofd. Welken uitslag gold die vrees?
„Gij hadt uw verloofde het zwaard behooren aan te gorden, in plaats daarvan trilt gij als een espenblad, zijt gij een Vikingerbruid?”
Smadelijk, bevelend als altijd, klonk de stem van vrouw Sigrid. Zij vergat dat macht en geweld veel vermogen, maar geen liefde kunnen dwingen.
Het antwoord bleef Swanwitha bespaard. Het vreeselijk geluid: het kletteren van staal tegen staal, klonk haar tegen. De kampstrijd was aangevangen. In ademloos zwijgen werd hij gevolgd, niet slechts door kamprechters en bijzitters, maar bovenal door bisschop Ansfried en de zijnen, door Rolfr Jarl en zijn stoet wellicht het meest.
Maar de gespannen aandacht van den heer van den Ravenhorst veranderde ras in een ontevreden wenkbrauwfronsen. Hij zag, dat Unruoch de stooten wist af te slaan, door uit te wijken of ze voorzichtig af te weren. Hij bleef bedaard en Olaf stiet in ’t wilde toe of gaf zich onvoorzichtig bloot. Soms scheen het of hij zijn tegenstander wilde dooden, maar meer nog of hij zelf den dood zocht.
En voortgezet werd onafgebroken de strijd; het eerste doorboorde schild was — door de schilddragers — reeds verwisseld voor het tweede, weldra zou ook dit geen slagen meer „connen ontfaen”.
De zwaardspitsen stieten de maliën van de pantsers, vol deuken en blutsen waren de helmen. De zwaardhouwen dreunden; met doffen weerklank gaven de schilden het geluid terug.
En steeds duidelijker werd het ieder, dat Unruoch als overwinnaar uit het krijt zou treden, maar ook, dat hij wilde zegevieren over een levenden tegenstander.
Met een flikkering van haat gloeide Olafs blik hem tegen.
Krampachtig balde hij de linkerhand tot een vuist, want hij bespeurde, dat Unruoch ditmaal zijn zwaardslag een weinig op zijde had gericht, om hem geen doodelijken stoot toe te brengen.
„Unruoch, tref mij, raak mij goed! Of zijt gij bang om bloed te zien? Het is gelukkig, dat gij geen Viking zijt! Onder de Noormannen vindt men geen lafaards!”
Het heftige bloed steeg Unruoch heet in het gelaat, nu beefde ook zijn hand van drift. Zijn blik sprak, waar zijn mond zweeg. Olaf zag het met een gevoel van verlichting, uit wanhoop en ijverzucht geboren.
Hij had gezien, een oogwenk slechts, die een tijdperk van knagende smart voor hem insloot, wiens bewegingen Swanwitha volgde met stijgenden angst, dat zij — indien mogelijk — nog bleeker werd bij iederen slag, die tegen Unruoch gericht werd.
Olaf wenschte te vallen: en de vrouw, die hij liefhad, vreesde niet voor zijn leven...
„Ondervind of dit de stoot is van een lafaard!” Heesch klonk Unruochs stem. Het smadelijk woord had doel getroffen, het schrijnde.
Met een houw sloeg hij Olaf het zwaard uit de vuist, hoog boven de hoofden der kamprechters viel het ver buiten perk en paal. Maar in hetzelfde oogenblik voelde ook Unruoch zijn bloed vloeien. Het matte hem niet af. Met kracht uit overspanning geboren, prikkelde het hem schier tot razernij.
„Unruoch, tref beter! Kunt gij dan niet raken?” beet Olaf hem opnieuw toe.
Reeds vele oogenblikken vroeger had Unruoch ook zijn eigen zwaard weggeslingerd, toen hij dat van Olaf wegsloeg. Thans streden beiden met den heirbijl, thans trof — getergd tot het uiterste door Olafs uitval — Unruoch diens schedel tot zijn helmkap spleet en hij met een slag neerstortte.
Het scheen alsof de grond dreunde van zijn val.
„Houdt op! Staakt den strijd! Hij is beslist!” beval Harald, de oudste kamprechter. Want Olaf had zich weer opgericht, wankelend, struikelend, om zich tastend naar een steun, dien hij vond in een der hoekpalen van het perk. Hij hief de armen op, wild; het scheen alsof hij zich op Unruoch zou werpen in razende drift, maar duizelend, om zich grijpend struikelde hij opnieuw en klemde zich vast aan het struikgewas, dat groeide op den rand der hoogte, waar die tamelijk steil afliep naar den stroom. Het bood Olaf geen steun, nog éen oogenblik en hij zou naar beneden zijn geslagen, toen Unruoch het gevaar ziende, toesprong en hem wegdroeg in zijn armen. Behoedzaam legde hij den nu bijna geheel bezwijmde neer binnen het perk. Hij zag zijn bloed den grond kleuren. Een schetterend hoorngeschal klonk. Van zijn zetel verhief zich Harald, plechtig de hand uitstrekkend riep hij Unruoch als overwinnaar uit in den kampstrijd.

Luid gejuich overstemde zijn woorden. Swanwitha hief den krans van eikenloof op, haar gegeven door vrouw Sigrid voor hem, die de zegepraal wegdroeg, thans sloeg zij haar de ruischende bladerenkroon uit de hand.
„Weg er mee! Niet dezen uitslag had ik verwacht!”
Zij vertrapte de saamgestrengelde groene twijgen: „Dat is niet voor hem”....
„Hij behoeft uw krans niet, zijn daden kronen hem.”
Wanhoop en vreugde streden om den voorrang in den klank van Swanwitha’s woorden.
„Zwijg!” Vrouw Sigrids stem dreigde nog meer dan de rijzweep in haar toegeknepen hand.
Maar boven hoorngeschal en juichkreten klonk thans de stem van den Jarl, hoorbaar ver in ’t rond. Hij had zijn paard voortgedreven tot vlak aan den waterkant. Nu hief hij de hand op waarin een wapen glinsterde. Het was of hij zou neerstooten wie hem weerstond.
„Hoort mij, gij allen! Hier op den Hohorst, mijn wettig erf, wederrechtelijk mij ontroofd, verklaar ik de uitspraak der kamprechters voor onrechtvaardig en onwettig. Buiten de tjösnur zette Unruoch van Teisterbant den voet, eer de strijd was beslist. Volgens de wetten van den kampstrijd, zooeven nog in herinnering gebracht, is hij daarom te beschouwen als vluchteling. Geen enkel recht heeft hij zich overwinnaar te noemen, hij is buiten paal en perk gegaan. Onbeslist bleef alzoo de strijd. Ik gelast daarom Olaf Erikson met mij van hier te vertrekken. Ditmaal zal geen slag meer worden geslagen, later misschien, later!”
„Als de Denen komen,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wisselde een snellen blik van begrijpen met haar man. Maar met zijn laatste kracht hief Olaf zich een weinig op, in de armen van broeder Johannes, die hem steunde. Mat sprak hij:
„Ik was overwonnen, eer hij” — naar Unruoch wees zijn hand met flauw gebaar — „toeschoot om mij te redden van een misschien doodelijken val. Weigert gij hem den naam van overwinnaar, dan blijf ik hier als gevangene.”
Onhoorbaar stierf zijn stem weg, maar broeder Johannes bracht zijn woorden over aan Rolfr Jarl. Vaalwit werden diens trekken. Hij kende Olaf genoeg om te weten, dat hij woord zou houden en hij had hem noodig, als de Denen kwamen.
Hij zag, hoe op bevel van den bisschop het opnieuw roerlooze lichaam van den gewonde naar binnen werd gedragen. Met een gesmoorde verwensching wendde hij zijn paard en wilde, den Hohorst afrennend, het drijven door de rivier, zonder dat een der speerknechten het voerde bij den teugel, toen de bisschop hem in den weg trad:
„Rolfr van den Ravenhorst, een enkel woord.”
Zij stonden tegenover elkander; Rolfrs oogen rustten op den kerkvoogd met sombere dreiging:
„Gij wilt mij het heengaan beletten?”
„Ik schend gastrecht noch vrijgeleide.”
Rolfr beet zich op de lippen, met toornigen tred ging hij naast den bisschop voort, zijn vrouw trad hen in den weg. Met haar langzame, statige gebaren, omplooid door een dichten, donkeren sluier, haar staf, waarom een kunstig bewerkte bronzen Midgardslang zich kronkelde, in de hand, geleek zij een der sombere Noorsche Schikgodinnen. Wenkbrauwfronsend zag zij den bisschop in het gelaat:
„Bisschop van Utrecht, indien gij Olaf Erikson hier houdt als gijzelaar, zal onze wraak grooter zijn dan uw onrecht. Wees voorzichtig!”
„Ik houd hier niemand tegen zijn wil, vrouw Sigrid. Olaf Erikson is vrij zoodra hij vervoerd kan worden, nu echter eischt zijn wond zorg en verpleging. Werd hij thans weggebracht, het werd misschien zijn dood en ik zou het betreuren indien ik een misdadiger — scheen.”
Zij wendde zich af met een verwoeden blik.
„Swanwitha, volg mij!”
Zwijgend werd zij ook ditmaal gehoorzaamd, weldra kliefde de boot, die beide vrouwen droeg, den stroom.
„In memoria aeterna erit justus....”
Dat waren de woorden, sierlijk afgewerkt, meer geteekend dan geschreven met purperinkt op zilverkleurig francyn, die Rolfr las bij het binnentreden van bisschop Ansfrieds vertrek. Als met magisch geweld trok hem die aan den wand opgehangen spreuk. Hij herinnerde zich uit zijn leertijd in de Schola Palatina nog genoeg latijn om de beteekenis te vatten:
„De rechtvaardige zal in eeuwige herinnering blijven....”
Geërgerd wendde hij zich af. Waarom? Voelde hij, dat hij zijn oordeel in zich zelven droeg?
„Dat was een der eerste lessen, die wij van aartsbisschop Bruno ontvingen. Weet gij nog hoe hij zei: „Laat uw daden, uw leven voor u spreken. Dat is de maatstaf, waarmee het nageslacht hen meet die het voorgingen. En om uw levenstaak goed te verrichten, wil daartoe nooit uw eigen weg kiezen, maar tracht Gods wegen te gaan.”
Zoo eindigde hij. Herinnert gij het u nog? Als hij sprak werd het vrede en zwegen de klachten door afgunst of wrok aangeheven. Dan was iedere veete vergeten en trachtte elk zijn naaste recht te doen”....
„Waarom betracht gij, die alles zoo goed hebt onthouden, zelf die levensles niet?”
Rolfr sprak op bitteren toon, maar gejaagder dan hij vermoedde: hij zag de roode vlammen in den donkeren nacht.....
„Van welk onrecht beschuldigt gij mij?”
Bisschop Ansfrieds stem ging door merg en been en Rolfr hóórde nu ook de vlammen knetteren. Viel hij daarom hevig uit:
„Het leen van Walger is mij wederrechtelijk door u ontroofd. Het grenst aan, het behoort tot mijn bezittingen.”
Zwijgend op dien uitval opende de bisschop een donker houten, met zilver en ivoor ingelegd kistje.
„Lees dit,” sprak hij toen bedaard, Rolfr een perkament, waarvan het groote rijkszegel afhing, overreikend. En deze deed, wat hij in vele jaren niet had gedaan — lezen.
„In den naam der Heylige en onverdeelbare Drie-eenigheyd, Otto door Gods verzoenende goedertierenheyd Koning.
Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen, zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij, thans, in den wensch van onzen achtbaren en beminden bisschop Balderic bewilligende eenige goederen van ons recht aan de kerk van Sint-Maarten, die gesticht is in de plaats Trecht genaamd, en alwaar kennelijk is, dat de voorgemelde bisschop Balderic het opperbestier heeft, in eygendom vergund hebben; te weten al hetgene wij hadden in het dorp Amude, als ook den tol die aan het zelve gerechtelijk dorp toebehoort, welke wij voorheen te leen aan Walger gegeven hadden, aan de voornoemde kerk eeuwiglijk in eygendom geschonken hebben....”
Rolfr liet den giftbrief zinken:
„Welnu, wat zou dat?” vroeg hij scherp.
„Lees verder, Rolfr van den Ravenhorst, lees verder.”
En Rolfr las hoe de visscherij in het Almeere „als onze kroon toebehoord hebbende,” de goederen, die Hatto, graaf te Loene had bezeten, de landstreek bespoeld door de Vecht en het land „dat Hatto hadde, liggende op den boord des Rijns,” en „dat om deszelfs misdrijf naar rechtswege onder onze koninklijke macht aangeslagen was, aan de meergemelde kerk was gegeven”....
„Wat bedoelt gij met mij dit voor te leggen?” vroeg Rolfr weer.
Langzaam las, tot antwoord, bisschop Ansfried den slotzin:
„En opdat het gezag van deze onze gunst vaster en zekerder in Gods naam onder onze getrouwen blijve, hebben wij deezen met onze eijgen hand onder bevestigd en met onzen ring bevoolen te zegelen.
Gedaan te Quedlinburg in den Heer gelukkig. Amen.
Teken van den heer Otto onoverwinnelijksten Koning”....
Toen hief hij het hoofd op en zag den Noorman recht in de oogen:
„Durft gij nu nog beweren, dat het leen van Walger u wederrechtelijk werd onthouden?
Reeds ten tijde van bisschop Balderic werd het aan de kerk gegeven. En wèl behoefde zij toen die schenking, want braak lagen de velden, verwoest waren steden en sterkten, hoeve en heem. Toen bestond er geen volkswelvaart meer, er was slechts volksellende. Landbouw en veeteelt waren verdwenen, nijverheid en handel dood. Dat hadden de Noormannen gedaan. Inval op inval deden zij en de gieren volgden het spoor hunner krijgsbenden. Schuw verborg zich het uitgeschudde landvolk in moeras en veen bij hun nadering, want de vrees volgde de verwoesting op den voet.
Thiel, Wiedelham, Dorestad en Utrecht gingen op in vlammen, Daventre lag in puin, het bloeiende Friesland was bedolven onder zwarte sintels en grauwe asch, met doodsbeenderen als bezaaid en de golven van het Almeri waren rood gekleurd, wanneer zij vloeiden over de vlakke kust.
In Niumage, in keizer Karels hooge burcht, stalden zij hun paarden, tot zij dien, bij hun aftocht, in brand staken toen zij zagen, dat een vliegende storm den vuurgloed zou overdragen naar de stad.
En als de lente, vol toekomstbeloften streek over de velden, werden zij niet bezaaid, en als de oogsttijd daar was lagen zij braak.
Hoog schoot het gras op, maar geen sikkel werd er in geslagen om voorraad te vergaren voor den komenden winter. Slechts enkele jagers en visschers zwierven door het woud of langs poelen en plassen. Wie dacht aan zaaien? De Denen maaiden of verbrandden immers den oogst? De Denen, Rolfr, altijd de Denen. Er moest orde en gezag worden hersteld onder het verwilderde volk, in het uitgeplunderde land. Steden en sterkten waren verwoest, heeren en vrijen streden in het leger. Wie kon hier beter handelend optreden dan zij die genoodzaakt waren thuis te blijven, omdat de zorg voor de zielen hun was toevertrouwd en zij het volk wezen op het eeuwige, zonder dat zij daarom het tijdelijke vergaten? Waren toen deze schenkingen aan de kerk niet noodig? Wie zelf niets bezit kan hij anderen helpen? Het volk moest terug worden gebracht tot den arbeid van weleer, uit zijn midden moest de kracht voortkomen die in eigen land het geweld der Denen breidelde. En, Rolfr, werd door bisschop Balderic en zijn opvolgers hun zware taak niet begrepen en tot een goed einde gebracht? Zie thans de bloeiende steden, het van de felle schokken herstelde volk en land. Als nu de Denen kwamen, zouden zij met goed gevolg worden weerstaan. Zij mogen daarom op hun hoede zijn, Rolfr, op hun hoede.”
Vol argwaan, met geheime vrees vervuld, trachtte Rolfr zich te beheerschen. Was het reeds bekend? Als de vloot nog langer uitbleef, als het gerucht harer nadering zich verspreidde en het volk had tijd zich te wapenen.... De stem van den bisschop brak zijn wilden gedachtenstroom af.
„Kunt gij nu nog langer ontkennen, dat de Hohorst en het omliggende land reeds sinds heer Otto den Eerste behoorde tot de kerkelijke goederen? Graaf Walger liet een kleinzoon na, die, lang dood gewaand, na veel omzwervens eindelijk moe en vergrijsd terugkeerde in zijn land. Kon hem geheel het voorvaderlijk goed worden onthouden? Maar als het geslacht uitstierf, wie trad dan opnieuw in zijn rechten? Dat is nu gebeurd, Rolfr.”
„En toch zal ik mij verzetten, zij het tegen keizer en kerk en rijk te zamen. Kunt gij beslissen wie de sterkste zal blijken in ’t eind?”
Waarschuwend zag de bisschop hem aan:
„Gij hebt den keizer trouw gezworen, gij hebt dien eed afgelegd „up ten heiligen.”
Wrevelig haalde Rolfr de breede schouders op: „Een afgedwongen eed”...
„Blijft een eed. Gij hadt kunnen weigeren. Denk aan de schuld, die gij op u laadt bij eedbreuk. God laat niet spotten met het heiligste.”
Hevig stampte Rolfr met den voet:
„Ik ben hier niet gekomen om een sermoen aan te hooren, noch om uw spitsvondigheid om oude rechten te ontdekken of nieuwe te scheppen te bewonderen. Eens waart gij de machtigste in den staat, nu wilt gij het in de kerk worden. Het wordt u wèl vergolden, dat gij eenmaal de hechtste steun zijt geweest der schoone keizerin Theophano, wier zoon, de jonge Otto, dien wij nu als keizer moeten eeren, haar werd ontroofd door haar neef, den Beierschen bisschop. Weerloos stond toen de jonge weduwe, dat moet ik erkennen, want vele rijksgrooten in kerk en staat kozen tegen haar partij. Gij hebt het gezag gered voor de regentes en de moeder haar kind hergeven, dat is even waar. Gelooft gij echter niet, dat ik dit ook had kunnen doen? Alleen het grillige lot heeft mij belet als bemiddelaar op te treden.”
„God bestuurt de daden en het leven der menschen, niet het blinde lot. En daarom, Rolfr, kan ik mij buigen voor mijn lot, want ook wat tot ons komt door de menschen, komt van Hem. Dit stelt mij in staat u al het leed, dat gij over mij hebt gebracht te vergeven.”
De vlammen knetterden, en de storm loeide, twee oogen zagen hem aan vol jammer en wee...
Deed de nooit uitgewischte herinnering Rolfr uitroepen, meer verward dan hij zelf wist:
„Wat bedoelt gij?”
„Wat ik niet nauwkeuriger behoef te verklaren. Wat mij bekend werd, is u niet vreemd en — vrienden waren wij in onze jeugd. „Wie op harten bouwt, wat blijft hem als de stormvloed komt?” heeft een wijze gezegd. Rolfr, waarom bracht gij den stormvloed over mij? Eenmaal zwoeren wij elkander houw en trouw, op den tocht naar Italië, in het schitterende legerkamp van heer Otto den Groote. Ik geloofde aan uw woorden, nu weet ik, dat het een leugen was, waarin ik geloofde.”
Rolfr Jarl trok zijn spieren samen als wilde hij zich werpen op den vermetele, die hem zulk een beschuldiging waagde tegen te slingeren, — maar hij zweeg en bleef roerloos, beheerscht door zijn blik.
„Laat uw daden voor u spreken. En het leven, waarop gij, Rolfr, terugziet is als een dorre heide, waar geen boom schaduw, geen bron lafenis, geen bloem vreugde biedt”...
Hevig viel Rolfr hem in ’t woord:
„Mijn leven was steeds een woestenij; kon daaruit voor anderen een paradijs opbloeien? Reeds op de Schola Palatina begon het: achteruitgezet, vergeten. Toen, op den tocht naar Italië, gij waart in het leger als heer Otto’s bevoorrechte zwaardjonker, ik werd onopgemerkt, ongeacht, ingedeeld bij een der huurbenden.”
„Zou het een geluk zijn geweest voor keizer en rijk, als gij het zwaard hadt opgeheven boven het hoofd van heer Otto — toen hij bad?”
Rolfr wendde onwillekeurig de oogen af.
„Ik zal u niet aanklagen,” ging de bisschop voort, „noch met een beroep op het verleden, noch met betrekking tot dit heden. Ik herinner u niet wat gij tegen het geloof, dat gij eens hebt beleden, wat gij den keizer of mij misdeedt. Ik vraag u niet, waar mijn jongste dochter is, al gelijkt ook geen enkele witte lelie zoo op de andere als uw kleindochter, Swanwitha, op mijn kind toen dit haar leeftijd had. Spot zou uw eenig antwoord zijn en die hoon zou ik op zulk een vraag niet kunnen verdragen.”
O, de felle smart op dat bleeke gelaat, nog bleeker in schijn door de zilveren lokken, die het omlijstten!
Voelde in dit oogenblik Rolfr het wicht zijner schuld?
Hij boog het hoofd. Maar weer dwong de machtige stem van den vriend zijner jeugd hem tot luisteren:
„Ik zal niet langer lijden door u, dan God het toelaat. Dien troost kunt gij mij niet ontrooven, en zij stelt mij in staat het zwaarste te dragen. Doch” — hoog richtte de spreker zich op — „hier, waar wij van aangezicht tot aangezicht staan tegenover elkander — waar niemand ons hoort — daag ik u voor de vierschaar van uw geweten, tegen u zelven klaag ik u aan. Gaven en talenten waren u geschonken, gij hebt ze in dienst gesteld van het kwade. De kracht van uw arm hebt gij gebruikt om een moordwapen op te heffen, tegen hem die verdiende de hoogste te zijn, omdat hij de edelste was; door de macht van uw geest zijt gij anderen ten vloek geworden. Toen de koning van het Noorden u den gouden hoofdband reikte van den Jarl en u den hertogsmantel om de schouders deed slaan, toen strekte deze slechts om de smetten uwer schande te bedekken, evenals de schitterende diadeem onzichtbaar moest maken het Kaïnsbrandmerk van misdaad en verraad, dat brandt op uw voorhoofd.”
Met een uitroep schor van drift sprong Rolfr toe op zijn aanklager, zijn tot een vuist gebalde hand dreigde boven diens hoofd; bisschop Ansfried greep die vuist en dwong den opgeheven arm neer te zinken. Nog bezat hij zijn oude kracht, hij voelde het, maar ook, dat verontwaardiging haar verdubbelde.
„Rolfr Jarl, ga nu. Ik heb u gezegd wat ik moest. Verlaat vrij dit huis, waar gij mij gevangen houdt, terwijl de Denen in aantocht zijn, geroepen door u, om opnieuw dit volk ten ondergang te brengen, het land te herscheppen in een woestenij.”
Een brullende kreet stiet Rolfr uit, vreemd aan iederen menschelijken klank. Als een roofdier wilde hij zich werpen op den onversaagden spreker, twee sterke armen trokken hem terug met een ruk. Unruoch was binnengetreden.
„Jarl!” riep hij forsch. „Loont gij vrijgeleide met een moord?”
Rolfr deinsde terug, aschgrauw werden zijn trekken.
„Ga!” herhaalde de bisschop, „en weet dat God mij vrij kan maken, wanneer Hij dit wil, al haalt gij de mazen van het net nog tienvoud enger toe. Hij, die de macht bezit om dit arme volk te redden, dat gij prijs geeft aan ellende en ondergang. Ga!”
Zijn opgeheven arm wees naar de deur en Rolfr ging thans inderdaad, tandenknersend, geslagen. Nooit te voren in zijn van bittere ervaringen en teleurstellingen overvloeiend leven, was hij vernederd als in dit uur, nu bisschop Ansfried hem een blik had doen slaan in den spiegel der zelfkennis en hij daarin zijn verafschuwd beeld had gezien met onmiskenbaar scherpe lijnen, nu deze hem zoo diep verachtte, hem en zijn drijven, dat hij het zelfs versmaadde hem — in wiens macht hij zich bevond — te houden als gijzelaar of gevangene.
En heimelijk vroeg de Jarl zich af:
„Vanwaar de wondere kracht van dien bisschop der christenen? Hij kent vrees noch angst waar allen zouden versagen, hij verwacht redding, waar ieder zou vertwijfelen. Zou zijn God dan toch de machtigste zijn en hooren en uitredden wie Hem aanroept, geloovend in zijn sterkte, op Zijn hulp vertrouwend?”