← Table of contents
Toen de duisternis dreigde...

HOOFDSTUK XXII.

Reading edition

Een nieuwe dag was verrezen. Gouden pijlen schoten naar de witte nevelen. Rood gloeiend werden zij, als waren zij gewond, in bloed gedoopt, tot zij eindelijk zich oplosten in licht en glans. De dag had gezegepraald. Waarop zouden zijn stralen vallen? Op een lachend tafreel van vrede en geluk, op een gruwzaam tooneel van strijd en verwoesting?

Op een schouwspel van trotsche macht en wemelende kleuren-schittering viel de eerste zonnegloed. De golven van de breede Eem rezen en daalden met goudvonken overstrooid. De Ravenhorst weerspiegelde zijn transen in het effen vlak — hij niet alleen.

Een welbewapende vloot dreef nader. Ronde schilden blonken langs het scheepsboord en weerkaatsten den gloed der zon; gouden leeuwen met opgeheven klauwen, als gereed tot den beslissenden sprong, prijkten op den achtersteven. Banieren en vaandels wapperden van mast en stengen. Breed spreidde een zilveren adelaar de trotsche vleugels uit op den top van elke groote mast. Door de wendingen hunner wieken waren zij in staat iedere verandering van den wind aan te geven. Met fiere voldoening hing het oog van den vervaardiger aan zijn kunstwerk — nu droeg hij pijl en boog en berekende, welk deel van het land, dat de dichtbemande vloot ging veroveren, zijn loon zou wezen.

Toch moest de bewondering, welke zijn arbeid vond, wijken voor die welke den draak ten deel viel op het grootste schip. Als een visioen van dreigende macht gleed hij voorbij, vlammend goud blonk het geschubde lijf, hel opgloeiend tegen een bloedrood zeil. De draak — de groote Midgardslang, die de wereld omkronkelde, waren zij niet één? Was het niet als verrees het verleden — het geloof aan de goden — dat den strijd wagen ging met den godsdienst der toekomst — het Christendom. Vreesaanjagend, zelfs voor die stoere krijgers, was het verschrikkelijke dier, vuur schoot uit zijn muil, dreigend rekten zich door een kunstig, inwendig samenstel zijn klauwen....

Maar een volgend vaartuig vroeg de aandacht. Een stier met blanken zilverglans stond, als levend, op de voorplecht. Een bloedige flikkering gleed lichtuitstralend uit de oogen van karbonkels, opgeheven was de breede kop als ten doodelijken stoot. Zou hij den strijd winnen of zelf zinken in den afgrond van het niets — dien der vergetelheid.

Als een reuzenbloem uit een ver wonderland dreef ieder schip op de klare golven. Hier verscheen een vurig roode roos, ginds dreef een lelie met donkeren oranjegloed. De kleurschakeeringen waren met zorg gekozen. Tintelend van licht blonk de glans der verf van dek en boord, de tapijten werden er in weerkaatst, waarmee de banken waren belegd langs de verschansing.

Opgehouden door vergulde lansen, saamgesnoerd onder een gouden kroon, rees op ieder achterdek een paviljoen van karmozijnroode zijde. Hier bevond zich de gezaghebber met zijn bloedsbroeders en schildgenooten, hier sloegen de Skalden hun harpen en het was of op het dek in een golvende en dalende zee dolfijnen van electrum de koppen ophieven, luisterend naar den wonderen zang, aangeheven ter eere van goden en helden. Een zee van zijde was het, blauw als de wateren, die de geheimzinnige, altijd groene eilanden omruischten, in het verre Grecaland.[18]

En op het dek schaarden zich de weerbare strijders. Hun schilden glinsterden in den zonneschijn. Ieder harnas omgaf een held, elke zwaardknop kletterde tegen een maliënpantser en een onverschrokken hart.

Verder zeilde de trotsche vloot, versierd om den hoogtijd der zegepraal te vieren. Reeds kwamen de torentransen van den Ravenhorst in het gezicht, waar boogschutters en dienstmannen, hun wapen in de vuist, gereed stonden, om, als het bevel klonk uit den mond van hun Jarl, met hem de vloot tegemoet te gaan. Den soudenieren, die in een der beide houten torens op den muur naast de poort de wacht hielden, was gelast het sein te geven.

„Zouden de schepen hier alle voor anker komen?” vroeg een der beide schildwachten zijn makker. Deze haalde de schouders op:

„Dan zal, in ieder geval, het oponthoud hier niet lang duren, wij zullen wel gauw gezamenlijk naar Utrecht oprukken.”

„Als er nog meer krijgers noodig zijn! Ieder verdek wemelt van helmen en harnassen.”

„En van pracht en praal! ’t Is, uit de verte gezien of de schepen in vlam staan! De kleurengloed overtreft nog het geflikker der blanke wapens, van gouden beeldwerk op den voorsteven en van zilver op het achterdek der schepen.[19] Als de Denen het onderspit delven doen de onzen een goede vangst.”

Verachtelijk zag de andere — een woeste Wend — hem aan:

„Hoe durf je zoo iets alleen maar dènken! Wie zou die verschrikkelijke, van goud schitterende leeuwen, die metalen menschenbeelden met hun dreigende houding, die draken van zuiver goud, kunnen, zelfs durven weerstaan!”

„Om van de stieren met gouden hoornen en bliksemende oogen, niet eens te spreken! Hoort, hoe ze brullen!”[20] viel een derde in.

„Laat je niet verblinden door den schijn! Als die je reeds zooveel schrik aanjaagt wat moet dan de werkelijkheid zijn. Die ziet gij dáár!”

De oude speerknecht wees naar een kleine groep aanvoerders, in ernstig gesprek op de voorplecht van het grootste schip. Hun wapens schoten vonken in het helle ochtendlicht, breed uitgespreide vleugels van den zilvergier vormden hun helmtooi. De scharlaken mantels waren als een vlam, boven hun door den zonneglans als met vurige vonken overstrooide ringkragen.

„En gij denkt, dat zulke reuzen door het landvolk hier overwonnen zullen worden, diè!”....

De ongeveinsde verbazing van den schildwacht evenaarde zijn verontwaardiging en weer hingen zijn oogen als geboeid aan het schitterend schouwspel.

Hij was de eenige niet. Geheel in ’t rinkelend harnas, gewapend tot de tanden, stond Rolfr Jarl voor het middelvenster der hal en fronste ongeduldig de wenkbrauwen:

„Waar blijft Olaf?” — Over den kronkelenden stroom gleed zijn blik. — „De vloot ankert, eer gindsche waskaars is opgebrand, wij moeten haar tegemoet. Het is hoog tijd.”

Hij zette zijn zilveren fluitje aan de lippen, voor zijn lijfdienaar een welbekend teeken, maar eer hij het sein kon geven stond de met zooveel ongeduld verwachte voor hem. Onhoorbaar was de deur open gegaan, ook Olafs blik zocht de brandende kaars, waarmee de tijd werd afgemeten.

„Hebben wij nog eenige oogenblikken tijd?” Dof klonk zijn stem, bleek waren zijn trekken.

„Wat scheelt je, Olaf?”

Wrevelig klonk het antwoord van den Jarl.

„Verbleek je op het gezicht der drakenschepen? Mag zoo een aanvoerder den strijd tegengaan, waarin hij mòet zegevieren?”

Olaf tastte met de hand naar zijn voorhoofd.

„Dat kleurgewemel schrijnt, het is of die wapens mij alle in het hart treffen.”

„Olaf!”....

Deze streek zich met de hand over de oogen.

„Het is alles uitgekomen, zooals ik voorgevoelde, toen ik dit vredige landschap zag — voor de eerste maal. Herinnert gij u nog wat ik zei?”

„Ja, en ik hoop, dat gij mijn antwoord niet zijt vergeten!”

Hoe bijtend klonk het!

„Voorheen, Olaf, waart gij altijd de eerste, die op den vijand instormde, zonder te vragen wat zijn lot worden zou.”

Met snelle schreden mat de jonge Viking het vertrek. Zwaar legde een hand zich op zijn arm, een forsche hand.

„Olaf, laat ons gaan! Voor de eer van Alvader en van alle Asen trekken wij het zwaard!”

„Neen!” klonk het in hevige gemoedsbeweging terug. „Het is tegen Zijn wil en leer. God is liefde. Vrede gebiedt Hij. Vrede op aarde.”

„God!” — Rolfr Jarl herhaalde dat woord en dof gaf de holle zaal den klank terug. Het klonk als een waarschuwing. Een oogenblik zagen beiden elkander aan, als wilde de een de gedachten peilen van den andere. Toen barstte Rolfr los:

„Ha! Nu begrijp ik! Gij waart op den Hohorst!.... Vervloekt zij”....

„Gezegend moge de geest zijn, die van daar uitgaat. Daar klinkt het: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!”

Is dat geloof niet bergen hoog verheven boven Odins leer? Zijn zonen strijden om macht en goud, en brengen verschrikking, verwoesting en dood waar zij verschijnen. Ik weet niet of de geweldige dag, waarin ieder zal geoordeeld worden naar zijn werken, aanstaande is, maar dit weet ik: dat ieder zijn onsterfelijke ziel moet redden en, dat dit nooit kan geschieden langs den weg van bloed en moord.”

„Gij, een christen! Gij!”

Kort en beslist klonk het bevestigend antwoord van twee lippen, die beefden — niet van vrees.

Toen weergalmde een dreunend gekraak. Met een slag had Rolfr zijn vuist laten neerkomen op de tafel — het blad was gespleten. Woeste haat flikkerde Olaf tegen onder de borstelige wenkbrauwen. Grauw werd de kleur van zijn gezicht. Met van toorn half verstikte stem barstte hij los:

„Dan vloek ik de hand, die eens de uwe drukte als bloedsbroeder, dan roep ik Odins vergelding in over uw hoofd! Verlamme uw kracht, verwarre uw brein, vergeten zij uw leven en uw dood! Odin is rechtvaardig, hij zal uw afval richten. Ga dan naar uw nieuwe vrienden, laat mij alleen, laat mij alleen! Overwinnen zal ik toch, mij de zege, u de verachting voor uw meineed en verraad! Als de bazuinen schallen mij ter eer dan verslinde u de diepte van Hel!”...

Olaf had hem zijn woede laten uitrazen. Te midden van den overstelpenden woordenvloed trok, als in een visioen, het geweld van den slag, de macht der aarde hem voorbij. Banieren wapperden, klaroenen werden gestoken, paarden trappelden en brieschten bij den woesten wedloop hunner ruiters om het eerst hun doel te bereiken: de gouden kroon, het symbool der macht, opgeheven door de hand der schoonste vrouw, die den overwinnaar zou toebehooren met het schier tot de wolken rijzende burchtslot, waaruit hij zou beheerschen het aan zijn wil en wet onderworpen land.

Over dooden en gewonden ging hun weg, gruwelen, de ellende van duizenden waren hun trawanten, niemand sloeg er acht op. Aller oog hing in deemoedigen eerbied aan hem, die de macht had veroverd voor zich alleen. Voor hem bogen de heerschers en knielden de volken.

Slechts een enkele vrouw niet, een enkele, stille, fiere vrouw. Verlaten stond zij aan een hoek van den heirweg, droevig rustten haar oogen op de weegschaal in haar hand: „Gewogen en te licht bevonden,” sprak haar ernstige stem. Maar in Olafs hart klonk het: „Ik wil u dienen, u: het Recht, vertrapt zoo dikwerf en veracht. Nimmermeer buig ik mij voor het geweld, al wordt dit door de macht gekroond met de overwinningslauweren der aarde.”

En weer dacht hij aan dien gloeienden zomerdag, toen hij op een zijner zwerftochten in het Italiaansche land het beeld der vrouw, met de weegschaal van het recht, in steen gehouwen had aanschouwd in den trotschen Romaburg. Een waarschuwing scheen het hem, dat zij thans voorbij zijn geestesoog trok — als in een visioen. Hij dacht aan den christen-bisschop, wiens woorden vol ontzagwekkenden ernst van zoo grooten invloed waren geweest op zijn zieleleven — hij wist nu waar hij het recht zou vinden, door wien het werd gediend.

Dreef die wetenschap hem tot het antwoord: meer een antwoord op zijn eigen gedachten dan op de woorden van Rolfr Jarl:

„Verwacht niet te veel, roem niet te vroeg. Gij kent uw tegenstander. De hand van den graaf van Teisterbant voerde steeds een wapen van ijzer al is zijn hart van goud. Hij zal strijden voor geloof en recht tot zijn laatsten ademtocht.”

„De strijd dien gij, meineedige, weigert. Ook wij kampen voor ons geloof!”

„Maar wat wij beoogen is ongerecht en laag. Ik weiger daarom echter niet uw leven te beschermen met het mijne. Uw schilddrager wil ik zijn, iederen slag zal ik opvangen, die op u is gemunt. Zoo volbreng ik de gelofte eens aan u als bloedsbroeder afgelegd en schiet ik niet te kort waar het mijn hoogsten plicht geldt. Geen zwaardslag sla ik, maar ook geen helm behoede mijn hoofd, geen harnas mijn hart.”

Toen klonk weer die harde lach:

„Dichterlijk en schoon, mijn jonge Skald, alleen — onuitvoerbaar, gelijk alles wat tot dat gebied behoort. De eene aanvoerder is nooit de schilddrager van den anderen. Ook zou uw strijdbende wanen, dat ik u blootstelde aan de pijlen om niet met u macht en buit te moeten deelen.”

„Op een andere voorwaarde weiger ik u te vergezellen!”

„Dat is weer zijn werk! Vervloekt! Ansfried, altijd Ansfried! Het is zijn invloed!”

Hij drukte de handen tegen het hoofd en mompelde, alleen voor zich zelven verstaanbaar: „Ha! Ik hoor ze lachen, de wraakgodinnen! Die hoon geldt mij! Ik waande hem te treffen en het wapen wondde de hand, die het voerde.”

De toorn, die in hem woelde en bruiste, maakte plaats voor een ander gevoel; een smart ongeneeslijk en brandend, na zoovele jaren nog, schrijnde en dreef hem tot den uitroep:

„Gij vraagt of ik zijn hand ken? Ja, reeds lang voor gij geboren werdt greep die storend in mijn leven en verwoestte wat in waarheid dien naam verdiende. O, noch het dreunend geraas van den slag, noch het bruisen der zee te midden van den orkaan konden voor mij de gelofte van trouw verdooven, die Hereswit van Strijen aflegde voor het altaar met haar zachte, zilveren stem aan de zijde van graaf Ansfried van Teisterbant. Hoor, hoe ik mij wreekte! Of ik hem ken? Jà, en hij mij!”

Toen verdrongen zich de woorden op zijn lippen, een gloeiende vuurstroom geleken zij, waaruit de vlammen opstegen van den haat.

Olaf luisterde zwijgend, maar in zijn hart klonk het:

„Vergeef uw vijand zeventig maal zevenmaal”....

Het was hem of engelenhanden gouden harpen sloegen, of hun gestalten hem omzweefden, blinkend wit, terwijl hun lippen fluisterend herhaalden dat ééne woord:

„Zeventig maal zevenmaal!”....

O, hoe hoog stond de godsdienst der christenen boven dien zijner vaderen! Zeventig maal zevenmaal... Wreekt u zelven niet.”....

En, was hier gezondigd? Bestond de schuld, die Rolfr Jarl vervolgd had en gewroken gedurende zijn gansche bestaan, niet in zijn verbeelding, in zijn gekwetste eigenliefde en teleurgestelde wenschen?

Die gedachte deed Olaf vragen:

„En áls het oordeel daar is, gelijk zoovelen gelooven met den aanstaanden zonnestilstand en de eeuwige Rechter, dien gij Alvader noemt, verschijnt op de wolken, durft gij dan voor hem bestaan, bezwaard met den last van zulk een schuld, met zooveel haat in uw hart? Want, was het recht wat gij deedt? Kan Alvader uw daden goedkeuren, of Balder de liefelijke, zachtzinnige, en Thor, de vreeselijke maar rechtvaardige god? De Edda verbiedt alle onrecht. Gij hebt het bedreven, uw gansche leven en waar een rechter verschijnt oefent hij recht.”

De aderen aan Rolfrs slapen zwollen.

„Dat wil wijsheid opdisschen! Wel zeker! Wij schenden den bloedseed, wij vertreden eer en trouw en janken met christenhonden over het vergaan der wereld op den avond van den langsten dag! Nu, gij zult uw langsten dag gezien hebben!”

Hij rukte een verborgen deur open en stiet Olaf, voor deze er op verdacht was, in de diepte. „Hier ongeluksprofeet, haal je profetenloon!”

De deur dreunde dicht. Een horensein schalde.

„De vloot is daar! Thans voorwaarts ten strijd en ten zege!”

Hij gordde zich het zwaard dichter en toen was het hem eensklaps als werd het vuurvlammend heden, de in gouden glorie gehulde toekomst bedekt door een grijzen sluier — dien van het verleden. Veertig jaren weken terug, hij zag zich weer, als jongeling zonder macht of aanzien in de Schola Palatina te Keulen. De ernstige stem van aartsbisschop Bruno waarschuwde:

„Den dwaze brengt de toorn om en de ijver doodt den slechte.”[21]

Waarom kwamen die woorden thans terug in zijn geheugen, na zooveel jaren van vergetelheid, waarom?

Vrouw Sigrid stond voor hem. Op den toren had zij gewacht en gestaard in de verte, vele uren sinds vele dagen.

De raven hadden gezweefd boven haar hoofd, hun krijschende kreten uitstootend, de wind haar de grijze lokken losgewoeld, de regen haar geslagen in het onbewogen gelaat; zij had het eene bemerkt noch het andere. Thans echter kwam een zegevierende trek om de dunne lippen, bijna het eenige wat van haar gelaat te zien was; een zwarte mantel hing haar van den hals tot de voeten, somber als de nachtzwarte vlerken der raven; de kap verborg haar hoofd.

„De vloot nadert. Laat thans de vergelding de schuld evenaren. Triomfeer en leef. Van de zwakke eischt Odin den dood, in uw hand legt hij de wraak. Grijp den bisschop levend, hij sterve op het toppunt zijner macht aan den Noorderboom als een ellendige slaaf.”

Zij hief de armen omhoog en sloeg de kap terug, de grijze haren zwierden haar om hals en schouders, in de holle oogen gloeide het als een verterend vuur.

Rolfr Jarl, die nooit had gevreesd, huiverde. Het was hem als werd hij voortgedreven door de geduchte schikgodinnen van zijn volk — waarheen, waarheen?

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings