HOOFDSTUK XIII.
Reading edition
„Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden, gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient, Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop, hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren. Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewoners nu is hij de wachter der kerk, de heilige priester — De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks; de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds. Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd, Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes, van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.”
Twee jonge leekebroeders zongen met heldere stem de Leonische strofen, een beeld der vreugde waarmee eenmaal de benoeming door den keizer van graaf Ansfried van Teisterbant tot bisschop van Utrecht was begroet. Met moeite — zij kwamen terug van de vischvangst — stuurden de zangers hun bootje door belemmerende rietbosschen en lischstruiken, naar de landingsplaats van den Hohorst.
Roerloos als gesmolten metaal lag het water, schitterend in den zonnegloed, waar het riet geen donkere schaduwplekken wierp op zijn effen vlak. Bisschop Ansfried, weer alleen in zijn werkkamer, zag de moeitevolle pogingen der visschers en hoorde hun zang. Een flauwe glimlach speelde om zijn ernstigen mond.
„Nog vóór de dam gemaakt is, die mijn Hohorst verbindt met het land, zal ik toonen, dat ik nog niet geheel den tijd ben vergeten, toen ik mij het zwaard aangordde. Ditmaal echter zal het een heiligen strijd gelden, een zwaren tevens.”
Zijn doordringende blik zocht nogmaals het ontrolde perkament, dat voor hem lag. Hij las:
„In den naam der Heilige en onverdeelbare drie-eenigheid, Otto III door Gods verzoenende goedertierenheid Koning. Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij alle grondgebied, dat Poppo, zoon van Walger voorheen bezat, ook dat in het graafschap Teisterbant en de heerlijkheid Arclo in eeuwig eigendom afstaan aan het bisdom Utrecht”....[11]
De bisschop las niet verder: tol en muntrecht te Arclo, het jachtrecht in geheel Drenthe werden hem tevens verleend. Zij liet hem niet onverschillig, die nieuwe, onverwachte keizerlijke gunst, maar geen bevordering van eigen belangen zocht hij.
In het vertrekje naast het zijne bevond Unruoch zich. Hij riep hem. Hij zag hem binnenkomen werktuiglijk, het gelaat strak, recht voor zich uitstarend de oogen:
„Unruoch, weet ge wat er heden nacht is gebeurd?”
„Ik heb niets gehoord.” Gedempt klonk zijn steeds zoo klankvolle stem, lusteloos bleef zijn houding.
„Rolfr van den Ravenhorst, heeft, gebruik makend van den angst voor den ondergang der wereld, die in ieder hart bijna stijgt met den dag, het landvolk van den geheelen omtrek bijeen geroepen bij den grafheuvel van Roruk. Daar heeft hij geofferd aan de oude goden en allen gedrongen terug te keeren tot het heidensche wangeloof.
Unruoch, die grafheuvel moet met den grond worden gelijk gemaakt.
Die taak draag ik u op. Laat uw paard zadelen en rijd zoo snel mogelijk naar den Stuthenborch, mijn sterkte bij de Hoeve Lake. Doe de helft der speerruiters, die haar bewaken, opzitten en draag zorg, dat het werk volbracht wordt eer de dag is gedaald.
De grafheuvel behoort nu tot mijn gebied. Alzoo bezit ik het recht hier handelend op te treden om de verdere verspreiding van bijgeloof te beletten. Draag echter zorg de urnen mee te voeren, wij zullen ze in stilte teruggeven aan het stof der aarde.”
Een verbaasde blik trof hem. Bezorgd klonk Unruochs stem:
„Ik vrees, dat geen enkele speerknecht te bewegen zal zijn naar een hunnebed te gaan. Liever zullen zij zich in ketenen laten klinken. Het algemeene geloof is immers, dat in die grafheuvels de duivel huist.
Met welke strenge straffen bedreigde voorheen bisschop Radboud niet ieder, die waagde er te offeren. Thans durft zelfs bijna niemand er voorbijgaan.”[12]
Bisschop Ansfried glimlachte met zijn fijnen, weemoedigen glimlach:
„Zoo gaat het, mijn zoon! Toen ik mijn kerkelijk ambt ontving, hoopte ik in mijn geliefd Utrecht een kerkgebouw te stichten, waarin plaats zou zijn voor allen, die in mijn bisdom den Heer zochten met een geloovig hart. Thans bezit ik niet eens genoeg macht om een zandhoop te doen verdwijnen, die toch terecht een rots der ergernis en een steen des aanstoots mag heeten.”
„En die geslecht zal worden, heden nog. Wanneer bevel noch overreding baten, zal ik het alleen doen.”
„Ik zal u een bevelschrift meegeven. Ik wil gehoorzaamd worden. Het is een zaak van gering belang, maar die in deze dagen beteekenis heeft.”
„Gij bedoelt nu Rolfr Jarl”....
„Rolfr Jarl is slechts een schakel in den keten, die ons dreigt te omspannen: er is weer een Deensche vloot gezien bij Lammersvliet.”
Het bleek der ontzetting streek over Unruochs trekken. Maar bedaard ging de bisschop voort:
„Daarom moet ik handelen. Wie vrees toont is reeds half verloren. Zwijg er echter tegen ieder over. Morgen vertrekken wij allen van hier naar Utrecht. De stad moet in staat van tegenweer worden gesteld.
Neem dezen brief mede aan den kastelein van den Stuthenborch. Nog heden moet gij hier terug zijn. Wij zullen werken zoolang het dag is en niet steunen op eigen kracht alleen. Moge God ons volk behoeden voor een herhaling der jammertooneelen, waarvan bisschop Balderic in den aanvang dezer eeuw getuige was.”
Beiden kenden de deerniswaardige schets, gegeven door Balderic van Cleve in het jaar negen honderd zeventien. Naar Daventre had hij de wijk moeten nemen voor het geweld der Denen, en toen zij eindelijk waren weggezeild, beladen met roof onder hun buit gekromd, toen schreef bisschop Balderic, bij zijn terugkeer uit zijn ballingschap in zijn geliefd Utrecht:
„Toen ik die stad voor het eerst binnentrad, en haar door de Denen vernield en geheel verwoest aanschouwde; de kerken van St. Martinus en St. Salvator vernield en verbrand, heb ik, door den diepsten weemoed des harten geroerd, mijn tranen op geenerlei wijze kunnen weerhouden; en, de hulp des Hemels afgesmeekt hebbende, heb ik onder een vloed van tranen gebeden, dat Hij, die Zijn heilige kerk op een hechten rotssteen, welke Christus is, gebouwd heeft, tot den wederopbouw en het herstel der kerk, mij aanbevolen, zich mocht verwaardigen mede te werken.
Met Zijn hulp heb ik dan ook de brug over de gracht, de stad met haar poorten, den muur met zijn bolwerken, tegen vijandelijke aanvallen gebouwd en opgericht; en de Gode gewijde plaats van vrede, de kerken namelijk, door de heidenen verwoest en verbrand, heb ik — niet zooals ik het behoorde te doen, maar zoo goed ik het kon — eenigszins hersteld”....[13]
Beider onuitgesproken gedachten hadden elkander gevonden, toen bisschop Ansfried voortging:
„Balderic van Cleve liet het niet bij woorden en klachten. Nehemia was zijn voorbeeld, als deze riep hij uit: „Hoe zoude mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der grafstede mijner vaderen, woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?” Maar evenals de profeet greep hij naar hamer en houweel om het puin weg te ruimen, gebruikte hij passer en troffel, hout en metselsteen om te vernieuwen wat nog herstelbaar, om te herstellen wat verwoest was. Het was als Nehemia schrijft: „De eene hand was bezig aan het werk, de andere hield de spies,” want weer liepen geruchten eener nieuwe landing door de Denen beraamd, maar ondanks den nood der tijden werd de stad herbouwd. De stevige muren, die thans Utrecht omringen, bewijzen evenals de Baldericstoren[14] dat de arbeid met evenveel kracht werd voortgezet als aangevangen. De kerken verrezen uit hun asch, hersteld werd de Rijnbrug. Wij zullen dit voorbeeld volgen: als de Denen ook ònze brug mochten afbreken, dan heffen wij op de slappe handen en bouwen een nieuwe.”
Veelbeteekenend zag hij den jongen man aan. „Verstaat gij mij, mijn zoon? Menigeen bouwt zich een brug en waant, dat zij voor hem de afgronden van leed en tegenspoed zal overwelven en hem regelrecht voeren in het geluksland. Maar dan komen er houtwormen, die het paalwerk doorknagen, een orkaan werpt de bogen neer, of de geheele bouw gaat op in vlammen en rook — in rook Unruoch — door de hand van een vijand. En dan buigt de mensch, die reeds de overwinning voor zich zag en het geluksland waande binnen te treden, het hoofd. De hoop ontvlucht zijn hart en daarin is het zoo vol van knagend, radeloos leed. Dan wijkt de glimlach van zijn gelaat, hij noemt zijn leven mislukt, gebroken. Waarom? Omdat de heldere vlammen zijner verwachtingen opgingen in rook, omdat hij leefde voor zijn eigen geluk, vertrouwde op eigen kracht, op den weg die leidde naar zijn doel. Hij dacht zijn leven vol heil en hij wist niet hoe leeg het was, omdat hij bij al zijn plannen God vergeten had, Die ieders levensbeker mengt, ieders levenslot bestuurt. Indien de menschen in Hem geloofden, zou hun nederlaag in zegepraal verkeeren, want dan zouden zij zich een nieuwe brug bouwen en haar schragen met de onwankelbare pijlers van plicht en geloof. Menschelijk geweld noch eenige aardsche macht zouden in staat blijken haar te vergruizen, en die brug zou haar bouwer voeren in het eeuwige land van zalig aanschouwen, bereid voor ieder, die hier moedig zijn kruis heeft getorst en de lessen van ervaring en zelfkennis hem door zijn levensleed geleerd, gebruikte om de wereld beter te maken en om het levensgeluk van anderen te vermeerderen.
Vaarwel, Unruoch, hier is mijn schrijven. Ik hoop, dat uw levensbrug u zal voeren in het land, waaruit eenmaal uw ziel haar oorsprong nam!”
Unruoch ging zwijgend, getroffen. Hij had zijn brug gebouwd, en — aan zijn geluksdroomen dacht hij nu en aan hun uitkomst. Swanwitha voor hem verloren, een vreemde noemde haar zijn bruid. Met zijn groote liefde had hij haar willen omringen, de weg naar hun geluksland leidde immers over een met bloemen bedekt pad en thans... Ruw en met steenen bezaaid was het veld van zijn werken en strijden, dat hij voor zich zag en zijn moed en hoop waren van hem geweken, zijn voetstap voorheen zoo vast, sleepte, wankelde....
Niet meer. De woorden van den grijzen bisschop, wien zijn levenservaringen wijsheid hadden geleerd en gevormd tot denker, wien ’s levens rouw en ontgoochelingen dichter hadden gebracht bij God, toonden hem zijn beeld in onmiskenbaar scherpe lijnen.
„Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.” Wie fluisterde hem dit toe, nu, juist nu? Had hij niet het eerst, het meest zijn eigen leven gezocht — zijn geluk? En daar was een wereld om hem die leed en streed, fel en zwaar, aldoor, aldoor. Had hij ooit gepoogd den last van anderen te verlichten? Jonge vriendschap, jonge liefde, waren gevolgd op zijn leerjaren in de kapittelschool, samengevloeid met de jacht van hair met hair en veer met veer. Soms had de gedachte hem bedroefd, dat hij niet wist wie zijn ouders waren: uit de rookende puinhoopen van het ten tweeden male door de Denen verwoeste Wiedelham was hij gered, door arme lieden wier eenige woning, sinds dien inval der gevreesde zeeschuimers, bestond in hun krakenden ossenwagen. In die armelijke omgeving had hij zijn eerste levensjaren gesleten, met zijn pleegouders zwervend door het verwoeste land. Toen — zeven jaren na den brand van Wiedelham — klopte een bijna stervende vrouw aan het klooster te Thorn, waar Benedicta, graaf Ansfried van Teisterbant’s dochter, de wijding had ontvangen tot abdis.
„Mevrouwe, ach, zorg voor dit kind. Ik sterf van gebrek en in een gevecht met de Denen is mijn man gevallen. Dit kind, het is van edelen stam.... het is”....
In onverstaanbaar fluisteren stierf haar stem weg, heen ging zij naar het eeuwige land voor zij den naam had geuit van het kind, dat zich schreiend aan haar vast klemde, als gevoelde het welk een schat van liefde het verloor met die verlaten, nooddruftige vrouw.
Maar vol medelijden had de jeugdige abdis zich het lot aangetrokken van den kleinen wees. Zij beval hem haar vader aan en deze — voor zoo menigen ouderloozen knaap zorgde hij — kreeg zijn schranderen pupil lief; aan het schuldelooze kind, met zijn warmvoelend hartje hechtte zich de sterke, eenzame man. Thans was hij zijn verklaarde lieveling, thans wees de hand van den vergrijsden bisschop hem den weg, dien hij gaan moest, hem, die een steun behoefde in zijn volle, jeugdige kracht.
Een gevoel van beschaming sloop het hart binnen van den jongeling:
„Ik zal mijn best doen, met Gods hulp,” prevelde hij voor zich heen. „Niet meer zal ik het eerst mijn eigen geluk zoeken, maar beproeven anderen tot heil te zijn.”
Er kwam weer glans in zijn oogen. Hij voelde nu, dat de steenen geworpen op zijn weg, als zooveel hindernissen, hem zouden helpen om hooger te stijgen, om zich te zien met ruimer blik op het heden, naar de toekomst het meest.
Toen hij uit de boot stapte, die hem wegvoerde van den Hohorst en hij zijn paard besteeg, dat hem reeds tegenhinnikte uit den, op den anderen oever gebouwden stal, volgde de bisschop ieder zijner bewegingen en nog stond hij hem voor het venster na te staren, terwijl reeds een stofwolk hem onttrok aan zijn blik.
„De weg zal moeilijk voor hem zijn. Het is hard levensheil en levenshoop reeds in zijn jeugd te moeten opgeven. Toch wanhoop ik niet voor hem. Ieder vindt den weg, die zich zelven leert vergeten voor de menschheid en haar weedom, voor haar lijden en strijden, haar inspanning en denken, die in zich voelt gloren een sprank van het Hoogere door God in ieder hart gelegd, dat lichtend opvoert tot Hem. Zelfvergetelheid, dat is geluk. Alleen door te arbeiden voor anderen rusteloos, ingespannen, vol liefde, wordt deze levensles geleerd.”
Hij verliet zijn vertrek: nog een anderen, moeden zwerveling had hij den weg te wijzen.