HOOFDSTUK XXV.
Reading edition
Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde de forsche schouders op.
„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben een zware zeereis doorgemaakt.”
Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd weerhouden zich bij het leger te voegen.
„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren te worden gevoerd in Alvaders hal.”
Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen.
Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag allen voeren ten bloedigen wapendans....
De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg, welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs grijze Skald...
Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden?
Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende:
„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”....
Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr.
„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur aangebroken!”
Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld. Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord.
Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout, waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn verstonden vielen de leeken mee in:
„Media vita in morte sumus, quem quaerimus adjutorem, nisi te domine, qui pro peccatis nostris juste irasceris Sancte Deus[24]
Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen des doods.
„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop.
Unruoch hief zich op in de stijgbeugels:
„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg afsluiten?”
„Dat moet hun worden belet!”
De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest, met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden naar Utrecht.
„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden gloed in de verte! Weer branden er hoeven!”
„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel graaf Frethibold in.
Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der Denen!
„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd.
Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij Rolfr, „den Deen” herkend.
„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen heerban.
„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken.
„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop.
„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,” mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht op deze wijze onbekend — tot haar geluk.
„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden hoop komen wij spoedig klaar!”
Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten.
Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen — Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd — de naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten, lieten voetvolk en ruiters — het waren meest in ’t land geroofde paarden, die de Denen bezaten — hun tegenstanders naderen.
„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand.
„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder. Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren, als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog. Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend:
„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen! Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!”
Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd.
„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed slagzwaard op.
„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman, kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen. Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen.
„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!”
In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht dreigde te ontaarden in een wilde vlucht.
Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend, trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en dreigende woorden.
„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht reeds op uw gezicht!”
„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen.
„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout, daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold. Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn soudenieren moesten treffen.
Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf Frethibold greep de hand van Unruoch:
„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!”
„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!”
Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien — in de zielvolle oogen zijner vrouw.
Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de voetknechten waar zij stonden.
Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd. Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk gesproken — dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften! Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad. Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn. Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de verwarring te weeg — die hier de aanvang werd van de volkomen nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de vlucht als eenige uitkomst.
Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend, dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden, in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van Utrecht.
Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken, zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen, nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het veilige dek.
Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de nadering onmogelijk maken voor iederen vijand.
Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen. Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk, achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der overwinnaars.
Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien?
Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest gelaat.
„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!”
Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich, zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart, onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk.
De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche burgensen.
Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den mast.
„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!”
Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten verbrandden tot asch.
Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen.
Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele vijandige wereld uit ten kamp en strijd — nog een oogenblik, toen viel krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst.
Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot, snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf niemand antwoord.
In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een vernederd wingewest.