← Table of contents
Toen de duisternis dreigde...

HOOFDSTUK XVI.

Reading edition

Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden, zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van heidensche dwalingen.

De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud.

De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der wachters had hem gegrepen of teruggewezen.

„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij, onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.”

„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”....

Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden; doodsangst sprak uit ieder gebaar.

„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode. Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar Rolfr Jarl verlamt hun kracht.

Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden, ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.”

„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?”

„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het zijt?

Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.”

„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St. Jan is nabij!”

Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn tanden klapperden op elkaar:

„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil, alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine.

Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de vrees.”

„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde sluit de vrees buiten.”

Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw gedempt:

„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde, en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring:

„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden”....

„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren? Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?”

„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en, dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op een dag samentreffen, is het einde daar!”...

Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is die dit jaar niet in vervulling gekomen?

O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den nacht!”

Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen. Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging:

„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld zal vergaan, nù!”

„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 — wegens zijn weigering — veroordeeld tot een zevenjarige boetedoening. Wijst dit op den ondergang der wereld in dit jaar?”

„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”...

Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst, nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat!

„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is gestorven.”

Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den wand.

„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.”

Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit.

De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als gij nu. Op haar verzoek — zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht — werd het boekje geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet, hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft bepaald.” —

„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den mensch zijn eischen.”

Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof gewijd, rust bezittend en rust gevend.

„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!” fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof.

Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven langs de kerk.

Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed. Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk. En thans — de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed en haat.

De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot afval van zijn geloof....

Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam, gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon.

Eens — hoe goed herinnerde de bisschop het zich! — had hij op een reis door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig oprees boven het omliggende land:

„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?”

Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven geheimvol krasten:

„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top, gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde.

Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”....

Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn voorganger gehoord en die....

Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt, volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof. Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij — gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid — niet genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken, ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen, maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen.

Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen, boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen. Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel, zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de landing der gevreesde vijanden.

Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende haren.

Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn vader was ontroofd?

Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en — nog kwam Unruoch niet.

De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in een leeren tasch.

Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom. Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet.

Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide, Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog — met lossen teugel reden de Denen — wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant. Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot de ruiters:

„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den Hohorst zijt gij veilig!”

Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom. De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan. Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos.

Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild; als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar wendde hij zich tot den bisschop:

„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist.

„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl. „Dan”....

De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw, — het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken, hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand. Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven — door overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond gebleven ruiters — het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken — terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard. Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval:

„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!”

Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen, sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het boothuis:

„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht. Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw leven!”

Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den Hohorst en de Denen tot den inval gereed!

Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de huisdeuren — van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in ’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan zag zij:

In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen.

„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!” klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord:

„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” — met een gebaar naar de alruinen — „en gij weet, wie een alruin uit den grond trekt moet sterven.[16] Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!”

De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog geheven handen:

„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel komt! Heer, erbarm u onzer!”

„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”....

„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is nabij. Op Midzomer — ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”....

Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood. Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen....

Lisa’s voetstappen stierven weg.

Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield. Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid verduisterd:

„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen! Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!”

Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die oude, doffe stem over zooveel kracht?

„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook voor jou!”

„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den Hohorst was gebeurd:

„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen.

„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”....

„Maak het goed, Henno, maak het goed!”

„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?”

Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw zoo vindingrijk?

Een blik in het verleden:

Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde; naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf gekregen door de schuld van een drijver — hij was op last van zijn heer dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van zijn gezicht zag, sidderde.

Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog, terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het:

„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood gestoken om”....

Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid smeekend uit te roepen:

„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij van schuld.[17] Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart brood, na de zware morgentaak.

„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze leeren, te luieren en te stelen!”

Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm.

„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid, als de hoorigen!”

Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld, gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig hondgebas verder was gerend.

Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen van de vermoeide oogen.

„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”....

Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek — nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een uitweg, nu allen versaagden....

Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel. Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten zij en staarden in den nacht.

„Vloek over Rolfr Jarl!”....

„Voltrek dien! Hij houdt onzen bisschop opgesloten op den Hohorst. Dàt doet hij nu!”

Lisa’s stem drong aan, maar Walger kroop weg van angst onder een wilgenstruik.

„Ik een geringe, arme man? Hoe zou ik de hand durven opheffen tegen den Jarl, die machtig is en groot?”

„Zijt gij niet evenzeer vrij geboren als hij?”

Uit den wilgenstruik klonk geen antwoord, maar de vrouw mompelde — op welk een anderen toon dan de vorige maal! — „De dagen zijn geteld, waarin de wereld nog bestaat. Wat zullen menschen elkander richten? Het oordeel komt!”....

Zij zweeg en Lisa met haar. Hier was geen hulp te wachten. Angst en moedeloosheid voerden deze menschen tot radeloos afwachten. Zij hieven hen niet op tot zelfvergetelheid door mede-lijden met anderen, even zwaar of meer nog getroffen dan zij zelven.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings