HOOFDSTUK XXIII.
Reading edition
Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen, waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht, dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen. Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?....
Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de stevige wallen het lijf te bergen, om — de heerschende onrust en verwarring nog tienvoud te vergrooten.
Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen. Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad, over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland. Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere, dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart.
Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon?
Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal, zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken gelijk zij dit eenmaal deden op Bioern.[22]
Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen — waarschuwend sein — vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven, vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk.
Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En, waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld, dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord was hem meer dan de meening der menschen.
Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche goed: vrijheid van volk en land.
En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de levering van stormkappen — angstige gestalten het Bisschopshof binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden:
„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen:
„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat:
„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde, die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!”
Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen:
„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?”
Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd, die deze denkbeelden huldigde.
Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan.
En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen, kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na.
„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord.
En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug, die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij.
Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle stad herbergde.
Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land. Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde, aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken.
Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken: platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir....
De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte eindelijk keerde — slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had gekend.
„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad behouden blijven.”
Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat. Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag.
„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan. Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken.
Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt, vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen zijn beteekenis verloren.
„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen!
Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen. Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem:
„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte.
De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend, kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen. Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen bonzen en het hun duizelt voor de oogen.
„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen, wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid over.
„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen verdringen elkander.
Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis. Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht, brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven — daaruit bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen! Mijn leven zou ik er voor willen geven!”
Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik tintelde in zijn oogen.
De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm:
„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende. Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot nieuw leven. Dank den Heer!”
Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand:
„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven: zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.”
„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” — hoe beteekenisvol werd het opnieuw gezegd — „zullen wij allen volharden zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of klein?
Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht.
„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde, zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode gloed kleurde aan den horizon den avondhemel.
„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat, daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren bij hen heeft aangesloten.
Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken — het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht.
Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren.
„Heer bisschop, u behoort die eer!”
„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop ook u daar niet te missen.”
Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na:
„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.”