HOOFDSTUK VIII.
Reading edition
De nacht met zijn verschrikkingen was voorbij. De hemel straalde van licht, de vogels kweelden hun morgenlied, de aarde bloeide, als een belofte van rijken oogst. Weggevaagd was de vurige roede aan de nu weer heldere lucht. Het landvolk was aan den arbeid — het zong als ontheven van een verpletterenden last:
„U, onzen Schepper, loven wij!”....
Een lofpsalm der christenen! Rolfr Jarl kende ook de woorden, lang te voren had hij ze nog eens gehoord, lang te voren.
Hoe haatte hij dien lofzang, gelijk hem die.... Zijn hand omknelde de greep van zijn zwaard. De herinnering aan het tooneel van den vorigen avond verliet hem geen oogenblik. Steeds zag hij hoe hij gedwongen was geweest den man uitgeleide te doen, dien hij begeerde te worgen met eigen hand. Vrij was hij nu, vrij!....
In zijn volle lengte verhief zich eensklaps de Jarl:
„Nog ben ik hier heer en meester, niet alleen op den Ravenhorst, ook in den ganschen omtrek. Het zijn allen mijn dienstmannen, mijn hoorigen. Ik zal mij wreken, zij het dan op andere wijze dan ik wilde.”
Hij liet zijn paard zadelen en reed heen in woesten ren.
Niet ver van het dennenbosch, dat de Ravenhorst aan de eene zijde insloot, stond een vervallen hut van plaggen en leem, met een half vergaan dak van mos en graszoden. Wind en weer waren er ongehinderd jaren lang in en uit getrokken. De ingang werd afgesloten door een wolfsvel, dat genoeg koude en tocht doorliet aan alle zijden. De rook trok weg door een gat in het dak en de eenige bewoonster was een oude in half vergane lompen gekleede vrouw. Zij had in die hut haar leven voortgesleept sinds de Denen haar hoeve verbrandden en haar man en zonen door hen werden gedood. Oude Lisa zat dien morgen zich te koesteren in de zon op den aarden drempel, die een weinig was opgehoogd boven den uitgegraven bodem van haar hut.
Zij zag naar de lijsterbes bij den bouwvalligen gevel, naar de kamperfoelie, die geurige bloemen vlocht door zijn takken. Het water van een kleine beek murmelde half verborgen tusschen berken en elzen zijn droomerig lied. Deed die golvenzang ook haar neuriën:
„Hi was minnera, And hi was betera”....
Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te nemen in kracht. En opnieuw klonk het:
„Kerl, hi was minnera, And hi was betera Hi stifte and sterde Triwa ande werde Ande hi sette thera Kenega jeft, Ande allere liude leest And Londriucht Ande allera londe eccum sin riucht.[5]
Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te paard zag zij den landheer.
„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?”
„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal, heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was geweest, toen begrepen zij het.”
Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien, nog eer zij hem hoorde bulderen:
„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.”
„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als ’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.”
Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen?
Toen viel hem iets in.
„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst tot meel?”
Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige vel.
„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe zou ik!”
Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar keel, zij wrong de handen, radeloos.
„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je eigen krot.”
„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik wist niet”....
„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is. Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders te doen malen.”[7]
Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!”
Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele kracht.... Vaak spraken door hen de goden.
„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.”
„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!”
Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen.
„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.”
Vragend wachtte zij.
„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer, verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.”
Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid.
„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen denken, dat daar” — zij wees met de magere hand omhoog — „alle tranen zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten maakt het leven tot een lust in plaats van een last.
Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels, zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet meer.
Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is, staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.”
Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen:
„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.”
Zij zag hem na met donkeren blik.
„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het vuur bestand.”
Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach.
„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij kon sluipen door het kleinste sleutelgat — alzoo was zij een heks. — Hij zòu haar vinden.
„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een bedreiging tegen den Ravenhorst.
„Niets bestand tegen het vuur!”
Zij zou het ervaren aan hut en lijf.
Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die splinter gesneden.
Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen.
Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd....
Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote, sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en hozen waren van hertevel — zelf had hij het wild geschoten — onbedekt was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden — hij had reeds een voordeelige vangst gehad — toen de Jarl verscheen, geharnast van zijn schedel tot den voetzool.
Henno zong — latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude volkslied —
„Hi woonde na dien tide op sinen ouden casteele gheen langde dagen meer: den kerker bleefer gesloten, de linden standen te groene, den eenen steene vieler oppe den anderen neer”....
Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben opgehaald, nu verschrikte het hem.
Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch de wijze waarop zij worden opgevat.
„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe.
Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije, maar zijn hoeve had alleen — naar vaderlijke zede — den haag en den sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst.
„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.”
Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte. Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin?
„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem.
„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is mijn dank.”
„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd.
„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!”
„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?”
„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een paar sterren meer of minder aan de lucht staan.”
„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”....
„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den Noorderboom.”
„Ik ben een vrijgeboren man, heer.”
„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn Jarl trouw.”
Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort:
„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk tracht terug te brengen tot het oude geloof.”
„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet, ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen.
„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen goederen?”
Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest daarom wel zwijgen.
„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath! Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door liefde of door geweld en kracht?”
Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.”
„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.”
Henno keek in zijn vischkorf.
„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij er aan?
Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons „slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God ons allen heeft geschapen.”
„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor zijn zonen.”
De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor zijn zoon.
Berouwvol zag hij voor zich:
„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag. Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem:
„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij geeft, wordt gevolgd.” — Henno glimlachte gevleid — „En nu weet ge evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.”
Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en knikte daarom veelbeteekenend.
„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,” hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn, bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend:
„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag! En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?”
Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”, waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng:
„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar. Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op:
„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!”
Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het mos. Het was daar donker.
„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken.
„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch ook christenen.”
Als verontschuldigend voegde hij dit er bij.
„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen, boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.”
Henno zag voor zich, berouwvol.
„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof voorbij is en dan” — tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem — „als het waar is, dat de wereld moet vergaan”....
„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal kastijden. De aanvang.”
Het gezicht van den visscher werd wit van angst.
„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”....
„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet uw eigen leven alleen.”
„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.”
„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn schilddrager wezen.”
„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons dat niet aan!”
„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.”
„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” — Het was de tweede maal, dat hij dit hoorde dien morgen. — „Hoe zal ik dit ooit vergelden”....
„Dat zult gij hooren.”
Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd. Waarom liep een rilling door zijn leden?....
Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout; groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier; visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron. Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte klei; ruwe stemmen zongen krijschend....
„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd.
„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!”
Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het hamerteeken.
„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens.
„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!”
Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en allen dronken en klonken op het vergaan der wereld.
„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden niet verstaan,” beval hij den boer.
„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” — dit tot zijn dochters en vrouwelijke verwanten — ransel je met mijn zweep het erf af als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!”
„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons gedaan!” Onverschillig klonk het terug.
De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien ieder in den omtrek kende en vreesde.
„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!”
De vrouw van Walger verschoot van kleur.
„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk. Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O, o!”....
„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....”
„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van Walger, het woord af.
„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”....
„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge dievegge en hangen er bij!”
„O, heer, heer! Erbarming, genade!”....
De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig, vooralsnog.
„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat ligt in uw eigen macht.”
„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!”
„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood.
Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij. Wees niet bang” — dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde — „die spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde.
Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef zelfs hem op de vlucht....
Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den schilddrager.
„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?”
Henno schudde zuchtend het hoofd:
„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel. Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij, zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou althans gelukkig te zien.
Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.”
De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was deerniswaardig.
Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder.
„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?”
„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal geweest in de wereld.”
„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?”
„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?”
„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.”
Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij zijn toestemming geven tot het huwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren, wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen — de wanhoop van zijn vader hield hem terug.
„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij! Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo, heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het zal niet lang meer duren.” — —
En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen, die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij veroorzaakte — wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht....
En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder — zwijgend had zij alles aangehoord — schreide....
Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan zou zijn gerezen boven de toppen der boomen.
Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde. De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog zichtbaar.
Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels.
En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die verboden plaats....
Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich — hij, een christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de dood.
„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel?”....
Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan zijn voet?
„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”....
Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en bevel, verder....