← Table of contents
Toen de duisternis dreigde...

HOOFDSTUK XIV.

Reading edition

Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster, waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte, zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu wachtte hij — droomend. De zomerwind speelde ritselend met de perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging, als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard.

Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze hem eenige oogenblikken aanstaren.

„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem.

„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn bezoeker.

„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.”

„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.”

Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden, gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht. ’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de leegte ziet, in den nacht!”...

Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan.

Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold ging voort:

„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb nooit een meer waar woord gelezen.”

De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.”

Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op het hopelooze gelaat voor hem:

„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te besteden tot Zijn eer?”

De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet verstaan, als dacht hij overluid:

„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!”

Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw hoofd en uw hart zijn het beide!”

„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!”

„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd:

„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.”

„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg, dood!”....

„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht.

„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee eindigt, Frethibold?”

„Wie anderen lief heeft boven Mij”....

In een zucht klonk het:

„En dat deedt gij!”

„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet begraven!”

Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen ook in zijn borst herinneringen aan het weleer?

„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend, mèt uw hart!”

„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”....

„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal? Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen, niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.”

„O, kon ik dat! kon ik!”

„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen onbeweeglijk te blijven.

Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!”

„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun looden wicht!”

„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot den vasten grond der dingen, die men niet ziet — het geloof.”

„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!”

„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad.

Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold!

Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog heden naar den keizer, naar Aken.”

Frethibold wankelde terug.

„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!”

„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids. Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!”

Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden — hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist....

„De Denen!”

Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee van ellende en leed.

„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te doen, zijt gij niet waardig te gaan.

Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.”

„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”....

„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen? Zijn wij niet allen zwak?”

„Homo sum!”....

Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar viel en hij dien zag met steenen bezaaid.

Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht. Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te verzachten.

Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij alleen.

„Het uitnemendste is moeite en verdriet” — hij wist het bij ervaring. En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste.

„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën; hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er bij: „Fiat voluntas!”

Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet tot hem konden komen.

Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur — zij waren alle gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen?

Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar smadelijken tocht. Met een vloed van woorden — niet te weerhouden door de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha....

„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op:

„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje, krijschend gilde en schold Walgers vrouw....

De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht hoonde?

De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant. Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet kwamen met hun jammer en tweedracht.

Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand.

„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. — Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn huis gejaagd.”

Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde leden.

„Is het geen gruwel, heer bisschop?

Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”....

„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de Heer wil het!”

„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.”

„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.”

Zij zweeg en boog zich over Swanwitha.

De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried:

„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer naar huis, nóóit meer!”....

Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk te herhalen: „Nooit meer!”

Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst, smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat Rolfr over zijn leven had gebracht.

„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen overgang.

„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield bijna op te kloppen.

„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”....

Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O, toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”....

„Waar is het nu?”

Vol belangstelling werd het gevraagd.

Toch verwierp de bisschop als een hersenschim — wat hij hoopte. Zijn kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte. Hij hoorde Swanwitha vervolgen:

„Het boek is th — daar waar ik niet meer heen wil.”

Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte stem:

„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h — daarheen!”

O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld, tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem:

„Neen, mijn kind, dat kan niet!”

Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op zijn hart.

„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!”

„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”....

Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns levens?....

De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen.

„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem, wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?”

Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk klonk het nauw verstaanbaar:

„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!”

Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op haar schouder met ernstig gebaar.

„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit, wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” — die is een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart.

Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving. Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en trachten”....

„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!”

Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde Swanwitha bij den schouder.

„Grootmoeder!”

Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar aan:

„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou betreft” dit tot de bevende Lisa — „je zult gauw genoeg gerookt worden uit je hol en — heksen moeten branden, ha, ha!”

Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang. Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend.

„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!”

Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa kroop naderbij op de knieën.

„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”....

De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha schreide.

„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.”

„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.”

„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....”

Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke weg het toeliet.

Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen, was aangekomen.

Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op:

„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je beschermen.”

Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in leed verstijfd hart binnen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings