Lord Lister in de Schatkamer van den Roghi.
Reading edition
Volgens bevel van den Roghi waren de Spanjaarden, evenals de Engelsche matrozen, stevig geboeid, nadat men hun al hun eigendommen had afgenomen.
Men had hen over het plein naar een ander, ruw opgetrokken gebouw gevoerd, een soort van barak. In het midden van het gebouw, waarin de geweren der Kabylen en allerlei krijgsvoorwerpen, gedeeltelijk nog ingepakt, werden bewaard, gaapte in den vloer een zwarte opening, hierboven bevond zich een stevige eikenpaal, waarvan een touw afhing.
Een Kabyle, voorzien van een fakkel, liet zich langs het touw naar beneden glijden en weldra verscheen in de opening een soort korf, waarin telkens twee of drie Europeanen werden gepakt, die daarop in de diepte verdwenen.
Eindelijk waren alle Europeanen, geboeid als zij waren, in den diepen rotskelder gebracht en de Kabyle, die hen vermoedelijk beneden naast elkaar had neergelegd, kwam weer te voorschijn.
Lister was door eenige zwarte bedienden van den Roghi opgenomen en naar een meer verwijderd vertrek gedragen, waar zich het begin van een trap bevond.
Men had hem aan een touw onder de armen neergelaten, waarop de drie negers ook neergedaald waren. In den kelder namen zij hem weer op de schouders en droegen hem naar een uitgehouwen rotskelder.
Een der negers, die hier goed den weg scheen te kennen, drukte op een knopje in de rots en nu hoorde Lister het rinkelen van kettingen en het piepen van verroeste scharnieren.
Bij het licht der fakkels ontdekte hij, dat hij zich in een hooggewelfde zaal bevond, waarin hij op een tafel zag een groot aantal splinternieuwe Winchester-repeteerbuksen met bijbehoorende ammunitie, talrijke pistolen en moderne revolvers met ontelbare patronengordels, patronendoozen en allerlei sabels, bajonetten, hartsvangers, dolken en bijlen, ja zelfs zweepen.
Wat echter nog meer zijn blik aantrok, waren de honderden met goud gevulde zakken.
Lister zag onmiddellijk, dat het gemunt, fonkelnieuw goud moest zijn, dat in vele rijen uit de open zakken blonk en schitterde.
De bleekere glans van het zilvergeld vertoonde zich meer op den achtergrond en in de vakken langs den wand bevonden zich staven van goud of zilver, misschien ook gouderts en geroofde kostbaarheden.
Op bevel van den Roghi, die Lister door den aanblik van het goud wilde hoonen, zette men Lister op een kleine ton aan den rotsmuur, zoodat hij met zijn rug tegen de rots leunde en nu den geheelen rijkdom van den Roghi voor zich zag, daar men verscheiden fakkels in de rotskloven had bevestigd.
Lister voelde op dit oogenblik niets van de ruwe behandeling, welke hij onderging. Zijn oog rustte onafgebroken op al het goud, dat voor hem lag.
Slechts één enkele gedachte beheerschte zijn brein in dit verblijf uit de „Duizend en één Nacht”, de vurige wensch, om zijn woord tegenover den Roghi gestand te doen.
Eerst toen de rotsdeur opnieuw piepte en kraakte, kwam hij tot het ontzettende bewustzijn van zijn toestand, begreep hij, dat hij hier diep onder de aarde was, verstoken van menschelijke hulp.
Op dit oogenblik voelde hij ook de boeien, die diep in zijn vleesch drongen, de lichamelijke pijn en de noodzakelijkheid, om zich zelf te bevrijden.
Maar zijn boeien waren niet los te krijgen, de Rifkabylen hadden de touwen op zulk een ongelooflijk kunstige wijze vastgemaakt, dat hij ondanks al zijn pogingen geen enkelen knoop los kon maken om er een hand doorheen te werken.
Maar Lister bleef rustig en koelbloedig.
Plotseling hoorde hij het knarsen der verroeste deurscharnieren.
Verrast keek hij op, doch op hetzelfde oogenblik verhelderde een straal van vreugde zijn gelaat: hij had de gesluierde vrouw herkend.
Snel trad zij nader en een mes blonk in haar hand.
„Hierheen hebben de onmenschen u dus gesleept!” sprak een welluidende, medelijdende stem. „Maar waar is de knaap? Waar zijn uw vrienden?” vroeg zij angstig.
„Zij smachten in andere gewelven, edele redster”, antwoordde Lister. „Wij zullen hen vinden en bevrijden, als gij maar eerst zoo goed wilt zijn, mijn boeien door te snijden!”
„Onmiddellijk, mijn edele landgenoot!” sprak zij en reeds sneed zij met het scherpe mes het eene touw na het andere door.
Lister was weer vrij!.…..
Hij rekte zich uit om den gestoorden bloedsomloop te herstellen en bedankte de onbekende met warme woorden.
Plotseling legde zij haar hand, het mooiste en blankste vrouwenhandje, dat men zich kan denken, op zijn arm en fluisterde:
„Hoort gij niets? Dat zijn schreden! Om ’s Hemels wil! Ik heb de deur opengelaten! Als dat Bu Hamara eens zelf was!”
Snel liep zij naar de rotsdeur en met inspanning van al haar krachten gelukte het haar, de deur te bewegen en door de veeren van het slot tegen te houden, elk geluid bij het sluiten der deur te vermijden.
Bleek maar vastberaden keerde zij naar Lister terug, die juist een revolver had genomen van de vele, die op de tafel lagen.
„Goed, goed”, fluisterde zij, „voor het geval, dat het de Roghi zelf is en hij niet alleen is! Maar misschien is het beter, dat gij u houdt alsof gij nog geboeid zijt, om af te wachten wat er gebeuren zal!”
Handig nam zij een paar einden van het touw, waarmee Lister gebonden was geweest, en legde die zoo om het lichaam van den Lord, dat het zonder nauwkeurig onderzoek leek, alsof hij geheel vastgebonden was, terwijl inderdaad het touw hem niet belette, zich volkomen vrij te bewegen. Zij zelf verborg zich achter een grooten zak goud in een der hoeken.