De edelmoedigheid van Lord Lister.
Reading edition
Lister hing zich een gordel met patronen om het middel, en stak verscheiden revolvers van het wapenrek bij zich. Vervolgens ontnam hij den altijd nog bewusteloozen Roghi zijn drie fakkels, stak een ervan op de plaats van de bijna opgebrande in de rotsspleet en gaf een tweede aan Mrs. Lupton. De derde nam hijzelf.
Ook toen men hem geboeid wegdroeg, had Lister een oog in het zeil gehouden en had er goede nota van genomen, waarheen men zijn makkers had gebracht.
Zij hadden de bewuste zaal bereikt, toen plotseling een gestalte uit het onderaardsche hol te voorschijn kwam en zijn handen boven het hoofd ineensloeg.
Lister had reeds een verdedigende houding aangenomen, toen hij den reeds lang vermisten Marabout Bu Ismail herkende.
„Bij den baard van den profeet”, riep deze uit, „wat een verrassing. Tevergeefs brak ik mij het hoofd, waar de Roghi u en uwe makkers verborgen had gehouden. En nu vind ik u hier, vrij, en ook gij, ongelukkige vrouw? Is mijn vermoeden juist?”
„Ja, dappere Marabout”, antwoordde Lister op ernstigen toon, „uw vermoeden is juist, wat zou ik zijn zonder haar, die mij van mijn boeien bevrijdde!”
„Dat treft goed, Sidi Shaw, want ik breng u een goede tijding.—Wat ge niet had durven hopen, is verwezenlijkt. De Roghi is verdwenen, niemand weet waarheen.”
Lister en de jonge vrouw keken elkander lachend aan; zij wisten het beter en alleen, waar de geweldenaar zich bevond.
De Lord klopte den Marabout op de schouders.
„Ik weet niet alleen, waar de Roghi zich bevindt, ik weet ook, waar onze manschappen, waar de aan uw hoede toevertrouwde kleine Jack, en waar de Spanjaarden zich bevinden.
„Den Roghi nam ik gevangen, en in zijn schatkamer ligt hij evengoed geboeid, zooals nog kort geleden met mij het geval was!—Ik wil nu naar onze manschappen om hen te bevrijden! Hebben we veel tegenstand te duchten?”
„Niet de moeite waard!” antwoordde de Marabout. „Behalve de grijze bewaker zijn slechts ongeveer tien man voor brug- en waakdienst hier gebleven.
„Alle anderen zijn naar Melilla getrokken, daar zij dachten, dat de Roghi ze daarheen ongeduldig vooruitgesneld zou zijn.”
„Uitstekend! Dat zullen we wel klaar spelen. Bu Ismail, mag ik u verzoeken erop toe te zien, dat zij ons hier niet storen?”
De Marabout glimlachte.
„Niets is gemakkelijker dan dat! Ik zal hun een der verhalen van Scheherazades vertellen. Bij den strijd wil ik liever niet zijn.”
„Wanneer het mogelijk is, spaar hen dan!”
„Dat zal gebeuren, en weet gij, hoe? Ik zal met mijn fluit een teeken geven; dan zendt gij den een na den ander op onderzoek uit, en als dat gebeurd is, blijft gij achter om voor muildieren te zorgen. Die zullen we noodig hebben.”
De Marabout boog met smartelijk gebaar. Hij vouwde zijn handen ineen en voerde een zwaren strijd met zichzelf.
„Hoe moeilijk het mij ook valt, verraad te plegen tegenover mijn landslieden, ik zie in, dat het niet anders gaat. Gij zijt in uw recht. Men heeft u schandelijk behandeld.
„Om der wille van de gerechtigheid zal ik u helpen!”
„Hartelijk dank, Bu Ismail! Ik begrijp, dat het u moeilijk valt. Zonder u en deze moedige vrouw waren we al lang verloren en misschien had de Roghi mij reeds onder ontzettende martelingen om het leven gebracht!”
De Marabout groette en liep naar de trap om het plan van Lord Lister ten uitvoer te brengen.
Terwijl de jonge vrouw het touw vasthield, liet deze zich met zijn fakkel in de onderaardsche ruimte afglijden.—
Toen het rotsvertrek door Lister’s fakkel werd verlicht, en de hulpeloos in twee rijen op den grond liggenden in plaats van den verwachten Kabyle of beul den jongen Engelschen Lord herkenden, slaakten allen een zucht van verlichting.
„Goddank!” riep Charly geestdriftig. „Nu is alles in orde.”
De Spaansche sergeant Ramiro werd doodsbleek, daar hij zich zijn valschheid welbewust was en wraak duchtte.
„O Señor Shaw!” riep hij uit „Misericordia!”
„Allen goeden morgen, heeren!” antwoordde Lister opgewekt. „Het stemt altijd prettig, als men ziet, dat men welkom is. We zullen zien wat er valt te doen!”
Met een mes bevrijdde bij eerst Charly en Jack, daarna den bootsman Canning en zijn gezellen.
Allen schudden hem bewogen de hand.
Daarna wendde hij zich tot Señor Ramiro en de overige Spanjaarden, om hen te wijzen op het verkeerde van hun handelwijze.
Allen toonden berouw en zwoeren trouwe onderdanigheid op leven en dood, als Señor Shaw hen wilde bevrijden.
„Dat is juist wat ik noodig heb, daar we anders niet ongedeerd de kust zullen kunnen bereiken”, was Lister’s antwoord.
Hij liet hen allen bij het flikkerend fakkellicht een eed van trouw afleggen en binnen weinige minuten waren ook de Spanjaarden van alle boeien bevrijd.
„Volg mij, Jack!” zei Lister. „Kun je nu je ledematen weer bewegen, arme jongen?”
„Dat denk ik wel, lieve Lord! Het zal wel gaan.”
Lister trok aan een touw en de eenvoudige lift kwam naar beneden.
„Stap in, mijn jongen, dat is beter. Ik zal het ook doen.—Daarna komen Charly, Canning en de anderen.”
Lister trok aan het andere touw het eenvoudige hijschtoestel naar boven en spoedig was de uitgang bereikt.
De knaap bleef boven even staan, toen hij de vrouwengestalte onder de fakkel ontdekte, doch een oogenblik later vloog hij zijn wedergevonden moeder in de armen, die hem aan haar liefdevol hart drukte.
Toen ook de anderen boven waren gekomen, werden allen door Lister op een rij geschaard, waarna hij zich met Charly en Canning naar de voorste mannenzaal begaf, waar zij allerlei uitrustingen en kleeren en al datgene vonden, wat tot de kleedij der Rifbewoners behoorde.
Lister was nog in het bezit van eenige schminkstiften. Op een wenk van hem hadden Charly en Canning hun jas uitgetrokken, de broek tot aan de knie, de hemdsmouwen tot over de ellebogen teruggeslagen.
Armen en beenen werden bruin geverfd en ook het gelaat kreeg een Marokkaanschen tint. Zij kozen eenige der mooiste Marokkaansche laarzen uit en hadden zich weldra omgetooverd in geboren Marokkanen.
De Spanjaarden schrokken, toen zij de voorname Marokkanen zagen aankomen en wilden zich al bijna op hen werpen.
Met Moorsche waardigheid strekte Lister zijn armen uit en zei:
„Kalm, kalm, Amigos. Wij zijn het, alleen een beetje Moorsch uitgedost.
„Doet gij allen ook zoo; in het nevenvertrek vindt gij het noodige, dan zorg ik ondertusschen voor wapens!”