← Table of contents
Lord Lister No. 0052

De Marabout aan den arbeid. Worstelstrijd in de schatkamer.

Reading edition

Nadat de Marabout zoo handig was omgegaan met het hem door Lister geschonken groen Bengaalsch poeder, dat hij gebruik kon maken van het bijgeloof der Rifbewoners en den aanslag van den Roghi tegen zijn vrijheid en zijn leven kon ontloopen, was hij de eigenlijke vertrekken van den Roghi en het daaraan verbonden vrouwenhuis binnengeslopen.

Bu Hamara had zich door zijn ondoordachte houding tegenover een kluizenaar en door zijn bedreiging van dezen een gevaarlijken vijand geschapen, daar de Marabouts in het geheele land in verbinding staan met de overige geestelijken.

Bu Ismail, die tot nu toe de zaken van den Roghi had waargenomen, was thans besloten hem te laten vallen en ook de overige geestelijkheid van hoogeren en lageren rang te bewegen, dit eveneens te doen.

Met dit besluit stelde hij allereerst de beide gezanten van den Sultan in kennis, die hierdoor bijna hun trotsche waardigheid vergaten en luide wilden juichen. Daar zij ten gevolge van hun openbaringen aan Lister een slecht geweten hadden en nu de overbrengers van zulke goede berichten voor Muley Hafid waren, besloten zij dadelijk terug te keeren, zonder nog van den Roghi afscheid te nemen.

Zonder lang dralen was de Marabout naar buiten gesneld om zich over het plein naar de gevangenen te begeven, wier verblijf de Roghi hem in zijn woede had verraden. Allereerst stond hij er op het verblijf der Amerikanen uit te vorschen, alvorens het te laat was.— — —

Opnieuw kraakte de groote rotspoort der schatkamer, waarin Lister en de gesluierde vrouw met ingehouden adem luisterden in de verschillende hoeken en in de gapende opening stond hoonend de Roghi.

Een enkele blik had hem er van overtuigd, dat zijn manschappen zijn bevelen goed hadden opgevolgd en dat de trotsche Yankee nog steeds stijf en onbewegelijk geketend, vlak bij deze schatten en wapenen, hulpeloos in zijn macht was.

„Welnu, mijn vriend van de overzij van den Oceaan, ik was zoo nieuwsgierig naar de door u aangekondigde daden, dat ik niet kon nalaten te zien, hoe het u ging. Ik ben verrukt, mijn vriend, dat moet ik zeggen! Lui en niets doende heb je nog geen hand uitgestoken; het wordt, dunkt me, meer dan tijd dat gij uw pocherijen waar maakt. De nacht is niet lang meer, mijn vriend, ge moest reeds uitgeslapen zijn. Kijk, hier zijn de schatten en daar wapens in overvloed. Steel nu toch de millioenen, zooals ge van plan waart!”

„Hooggeachte Roghi”, antwoordde Lister spottend, „Wees wat minder eigenwijs en bind uw vriendelijke belangstelling in mijn doen en laten een weinig in; ik geloof eveneens, dat mijn resultaat u zeer zal verrassen en zooals gij terecht opmerkt, zal ik eerst op het laatste oogenblik handelend optreden en uw bewondering opwekken. Ik ben het nog niet met mij zelve eens, hoe ik de twee millioen pesetas, die ik volgens mondelinge overeenkomst gaarne zou meenemen, het gemakkelijkst hier vandaan krijg. Zoodra ik in dit opzicht een besluit heb genomen, zal ik u zoo vrij zijn u de millioenen te ontstelen; wacht alles dus geduldig af!”

De Roghi kon nauwelijks zijn woede verkroppen; hij werd bont en blauw in zijn gelaat en greep knarsetandend in zijn zwarten baard.

„Wat, vervloekte kerel? Ook nu nog hoont gij den Roghi?

„Honderd dooden zal ik je laten sterven! Ik laat je de tong en de tanden uitrukken, de ledematen zullen je een voor een worden afgehakt, opdat gij het pochen tegenover den door Allah uitverkoren Sheriff, den wereldberoemden Roghi, den aanstaanden Sultan van Fez en Marrakesch, zult afleeren!”

Met bloeddorstige oogen keek hij naar het wapenrek. Opeens begonnen zijn oogen te fonkelen toen hij een bundel zweepen ontdekte en hij was van plan een er van te nemen, vermoedelijk met het doel om zijn woede te koelen op den hulpelooze.

Blijkbaar kon hij de zweep er niet zoo gauw uittrekken, of wel het pak was te vast bijeengebonden, want er verliepen eenige seconden, waarin hij Lister den rug toekeerde.

Het oogenblik kon niet gunstiger zijn. Lister stond snel op, de touwen vielen van hem af, hij deed een sprong en met ijzeren vuist had hij den Roghi bij de keel gegrepen. De Marokkaan begon woest te schreeuwen en de sterke, aan vechten gewende man verweerde zich met alle kracht.

Lister moest alle kracht, die hij bezat, aanwenden om zich tegen den Roghi te verweren. Steeds vaster drukte hij de keel dicht van zijn tegenstander, die zich met geweld tegen hem verzette en, naar lucht snappend, begon te rochelen.

De Marokkaan had met zijn linkerhand Lister beetgepakt en tastte met zijn rechter naar zijn dolk om daarvan plotseling gebruik te maken. Lister echter was een te goed worstelaar en had hem daarbij nog het been gelicht, zoodat de Marokkaan struikelde over de zakken met Spaansche goudstukken en ruggelings met Lister op de andere zakken viel. Verscheidene hiervan kantelden en wierpen hun blinken den inhoud onder luid gerinkel op den rotsachtigen bodem van de schatkamer. (Zie titelblad.)

Tevergeefs beproefde de Roghi zich weer op te richten en zich aan Listers vasten greep te onttrekken en met even weinig succes greep hij naar de wapens in zijn gordel.

Reeds had hij met de rechterhand zijn mes beetgepakt, toen Lister hem een handigen Japanschen Jiu-Jitsu-slag toebracht, daar de worsteling hem te lang duurde en hij er naar verlangde Charly en Jack te bevrijden.

Bewusteloos lag de Roghi Bu Hamara op het glinsterend bed van goudstukken uitgestrekt. Een oogenblik later waren de rollen verwisseld. Lister stond vrij en te midden van wapenen voor de gouden schatten en de woeste, kwaadaardige Roghi lag geboeid en bewusteloos in zijn eigen schatkamer neer.

De gesluierde Engelsche evenwel was voor Lister neergeknield en kuste zijn hand, na haar sluier te hebben teruggeslagen.

„O dappere, edelmoedige man!” riep zij bijna snikkend uit, „gij zult immers ook de anderen redden en allereerst den knaap, niet waar? Het zou verschrikkelijk zijn, wanneer hij en de overige Europeanen in handen van de Kabylen zouden vallen!”

De Groote Onbekende keek verwonderd naar het lieftallige gelaat, dat zich voor de eerste maal ongesluierd naar hem wendde; in haar groote, blauwe oogen blonk een traan en onder den sluier kwam een goudblonde lok te voorschijn.

„Sta op, Mylady, sta op!” riep Lister en hielp haar opstaan. „Vertel mij eens, hoe komt gij in handen van dezen onmensch?”

„Ik ben de weduwe van den armen om het leven gebrachten ingenieur Lupton”, sprak zij bedroefd. „Wij waren eerst een half jaar getrouwd—ik was zijn tweede vrouw, toen dit ongeluk als een bliksemslag uit den hemel op mij neerviel.

„Mijn goede man, die verscheidene keeren zaken met den Roghi had, waarbij ook de Roghi geen slechten indruk op mij maakte, vertrouwde hem ten volle!—Bu Hamara dacht alleen maar aan geld!

„Het was gelukkig, dat onze Jack, dien ik als mijn eigen kind liefheb, de gevangenis ontging, ach, om toch nog in handen van den Roghi te vallen!

„Gelukkig, dat hij niet vermoedt, hoe na mij de knaap aan het hart ligt.”

„Troost u, Mrs. Lupton! Binnen eenige oogenblikken zal hij vrij zijn. Dan zullen wij zien of ons de tocht naar de kust gelukt! Aan den arbeid! De tijd staat niet stil!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings