← Table of contents
Lord Lister No. 0004

WAAGHALZERIJ.

Reading edition

Lord Lister viel zuchtende terug in de zachte kussens van een coupé eerste klasse, waarin hij natuurlijk met Brand alleen was en strekte de beenen behagelijk uit.

„Het grootste offer heb ik toch gebracht,” sprak hij met een sarcastisch lachje.

„Hoezoo?”

„Omdat ik den heelen tijd geen sigaret heb kunnen rooken. Als adjudant in grootvorstelijken dienst kan ik dat toch onmogelijk doen. Maar ik zal nu mijn schade inhalen.”

„Heb je het krankzinnige plan om die doodkist te plunderen, nog altijd niet opgegeven?”

„Zie ik er uit, Charly, alsof ik een plan zou opgeven. En bovendien is dat, wat ik van plan ben, allerminst, allerminst zot.”

Charly Brand haalde de schouders op.

„Uit een gesloten doodkist, die door soldaten wordt bewaakt, zou jij den schat willen stelen?”

„Het komt er maar op aan, hoe je dat doet, ouwe jongen! Als jij het waagstuk zoudt willen ondernemen, zou ik je voor gek verklaren!”

„Ik heb geen flauw vermoeden, hoe jij die boel zult opknappen.”

„Dat begrijp ik.”

„Het is levensgevaarlijk!”

„Inderdaad!”

„Maar hoe ga je dan te werk?”

„Dat zal ik je niet vertellen!”

„Waarom niet?”

„Omdat je mij dan voor razend gek zoudt verslijten!”

„Is het zóó erg?”

„Voor mij niet, voor jou wel!”

Charly draaide op zijn plaats heen en weer.

Lord Lister daarentegen zat doodkalm en knipte de asch van zijn sigaret.

„Het ergste van deze heele zaak is,” sprak hij, „als ze in Irkoetsk merken, dat de heele geschiedenis van den grootvorst en het telegram bedrog is.”

Brand schrikte.

„Heb je dat gedaan?”

Lister gniffelde vroolijk.

„Dan kunnen we elk oogenblik ontmaskerd worden!”

„Hm!”

„Blijf je daar zóó onverschillig onder, Charly?”

„Wat moet ik doen? Ik kan toch niet uitstappen?”

„Als we nu ontdekt worden?”

„Ja, wat dan, Edward?”

„Kom, ’t zal zoo’n vaart niet loopen. Vannacht zal ons in elk geval niets overkomen. Morgen vroeg hebben wij den buit al te pakken!”

Charly Brand schudde ongeloovig het hoofd. Hij trachtte zijn vriend nog van het dwaze plan af te houden.

Maar deze bleef onverbiddelijk.

„Laat ik je dan helpen!”

„Als ik je hulp noodig heb, zal ik daarvan heel graag gebruik maken. In dit geval echter zijn twee te veel; bovendien is de arbeid zoo halsbrekend als je maar kunt denken.”

„Maar ik kan hier niet rustig blijven als jou gevaar dreigt!”

„De zaak zal toch zeker niet eenvoudiger worden, als jij je zonder eenig doel óók in levensgevaar begeeft!”

„Maar wat zal ik doen, Edward!”

„Als je met alle geweld iets wilt doen, kijk dan, terwijl ik buiten ben, uit het venster. Misschien kun je mij dan helpen of mij iets afnemen. En laat ons nu in den restauratiewagen gaan. Daarna gaan we slapen en dan— —”

Brand sprong op.

„Altijd bedaard, grootvorst Peter Andrejew” sprak de adjudant kalmeerend, „vergeet nooit, wat je aan je stand verplicht bent. Kalmte is vóór alles noodzakelijk!”

„Waar zal ik die vandaan halen, als jou het zwaard van Damokles boven het hoofd hangt.”

De heeren gingen naar den spijswagen.

Charly Brand genoot weinig van de heerlijke spijzen, maar Raffles stelde zich dapper te weer en liet zich niet onbetuigd.

… … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … … …

De avondschemering daalde neer over het Siberische landschap, waardoor de trein voortrolde, toen de valsche grootvorst en zijn adjudant weer naar den slaapwagen terug keerden.

„Ziezoo,” sprak John Raffles, „nu zullen we het ons een beetje gemakkelijk maken en de koffers zoodanig pakken, dat we ieder oogenblik den trein kunnen verlaten, als de politie ons op het spoor is. Drie uur kunnen wij rusten en dan aan ’t werk!”

De meesterdief sliep daarna kalm en rustig in en om elf uur des nachts werd hij weer wakker, het uur, dat hij voor de uitvoering van zijn plan had gekozen.

Charly Brand echter woelde rusteloos op zijn legerstede heen en weer.

Hij kon den slaap onmogelijk vatten.

Duizend dingen dwarrelden er door zijn hoofd en toen hij eindelijk tegen half elf insliep, droomde hij van een grootvorst, van een arme boerenvrouw met twee kinderen, van een telegrafist in Irkoetsk, van den herbergier in Tscheremkowo, den starosta met den brief en van een menigte politiemannen, die hem naar Siberië overbrachten, waarheen hij als misdadiger tot levenslangen dwangarbeid was verbannen.

John Raffles alleen zag hij niet en tevergeefs riep hij hem.

Eindelijk ontwaakte hij, badend in zweet.

Lord Lister stond voor hem, de onafscheidelijke sigaret in den mond.

„’t Is tijd, Charly. Ik ga het goud halen!”

Brand sprong op van zijn legerstede.

Hij wilde zijn vriend nog eens waarschuwen. Maar een enkelen blik op diens vastberaden trekken waarschuwde hem dit maar liever niet te doen.

Voorzichtig liet Raffles het groote venster naar beneden aan den kant van den trein, die niet door den helderen maneschijn werd belicht en staarde in den donkeren nacht.

Donderend ratelde de trein over de rails voort.

En nu begon Raffles het levensgevaarlijke werk.

Hij klauterde door het venster en krabbelde zoo langs den trein.

Met angstig kloppend hart keek Brand hem na.

Plotseling was Raffles verdwenen.

Brand kon een schreeuw niet onderdrukken. De schrik was hem in de leden geslagen, zijn slapen bonsden, het was hem alsof hij krankzinnig werd.

Gelukkig had geen sterveling zijn angstkreet gehoord. Deze was verloren gegaan in het snuiven en bonsen en stooten van den trein.

Charly vloog naar den anderen kant van den trein, waar de maan helder de vlakte belichtte.

Ook hier was niets van Raffles te ontdekken. Nu boog de trein naar rechts om.

Maar wat was dat?

Wat lag daar op de rails?

Iets zwarts? En het bewoog zich niet—zooals een mensch, die zwaar gewond, overreden is?

De secretaris keek en keek.

Maar de trein snelde voort, steeds voort en de zwarte vlek verdween in de nachtelijke nevelen.

Was het lord Lister geweest? Het was heel waarschijnlijk, want hij was nergens te ontdekken.

Nog langen tijd staarde Charly Brand naar buiten in den nacht, totdat hem de oogen van inspanning begonnen te tranen.

Zijn vriend zag hij niet weer.

Toen werd hij overmand door smart.

Hij deed het raam dicht, ging op de zachte kussens zitten en schreide droef, als een kind.

Buiten zongen de wielen hun eentonig, stootend lied en in zeurenden rythmus donderde de trein al ratelend verder.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings