EEN GRIEZELIG HELDENSTUK.
Reading edition
Laat ons thans den moedigen klauteraar volgen op zijn griezeligen tocht.
De meesterdief was uit het venster geklommen en liep nu langs de treeplanken van den trein.
De dikke, met petroleumdamp bezwangerde lucht dreigde hem te verstikken.
Maar John Raffles klauterde verder.
Hij drong zich vlak tegen de waggonzijde om niet toevallig te worden opgemerkt door den een of ander.
Thans had hij het einde van den waggon bereikt. Achter dien, waarop hij zich thans bevond, was de goederenwagen met de doodkist gehaakt.
Een zegevierend lachje gleed over zijn gelaat; nu was hij bij het doel. Daar was de plaats, waar de schat verborgen lag. Hij stond voor hem. En geen levende ziel—Charly Brand uitgezonderd—vermoedde, dat hij zóó dicht bij het doel was.
Maar hoe moest hij er komen?
De treeplank van den waggon eindigde hier. Overspringen op den goederenwagen was onmogelijk.
Raffles boog zich naar achteren om tusschen de beide waggons te kunnen doorzien.
Daar waren de buffers en de koppeling, die van den eenen waggon tot de anderen een goede verbinding vormden.
Als men echter een misstap deed, als men uitgleed of door het heen en weer slingeren van den trein werd afgeschud en op de rails viel, zou een afschuwelijke dood onvermijdelijk volgen.
Het moeilijkst was de sprong van de treeplank tot op den buffer van den waggon. Deze sprong moest om den hoek worden gedaan; als de voet uitgleed, zou terstond de dood volgen.
De meesterdief sprong.
Eén oogenblik zweefde hij in de lucht, toen kwam hij neer en het gelukte hem, nog tijdig zijn evenwicht te herstellen.
Dit was het oogenblik, dat Brand zijn vriend had gezien, die daarna door den achterwand van den waggon aan Charly’s oog werd onttrokken.
Raffles klom nu verder langs den waggon en het gelukte hem aldra de plaats te vinden, waar de doodkist stond verborgen.
De meesterdief had een grooten, leeren zak omgehangen, die diende om den schat te verbergen. Boren, steekzagen, tangen, een dievenlantaarn en een strik had hij bij zich.
De bodem van den goederenwagen bestond uit hout van tamelijke dikte, maar tegen stalen werktuigen was hij toch niet bestand.
Spoedig had Raffles, die zich aan ankers en veeren met touwen had vastgemaakt, zich in liggende houding vastgesnoerd. Nu kon hij met de steekzaag gaan werken.
Het gedruisch van den arbeid was door het vreeselijke lawaai, dat de trein veroorzaakte, niet te verstaan. Het duurde dan ook niet al te lang of John Raffles had in den bodem van den goederenwagen een rond gat gezaagd, groot genoeg om er de hand door te steken.
Het stuk hout bewaarde hij om het later weer vast te kleven, als de roof was volbracht.
De opening was juist onder de doodkist gezaagd. Nu had Raffles vrij spel.
Maar daar naderde de trein een station. De locomotief floot, de rem werd aangetrokken, de geweldige vaart verminderde en ten slotte stond de trein heelemaal stil.
Dat was een gevaarlijke toestand.
Zoolang de trein in volle vaart was, behoefde Raffles geen ontdekking te vreezen. Maar aan het station kon hij gezien worden. Hij maakte in allerijl de touwen los waarmee hij zich had vastgebonden.
Daarna liet hij zich op den grond glijden en klom naar den kant, waar geen menschen waren.
Terwijl de trein een tijdlang stilstond, keek Raffles eens rond om den toestand goed te overzien. De goederenwagen waarin de doodkist lag, was slechts spaarzaam verlicht.
De soldaten stonden voor de coupédeuren en keken over de vlakte.
Zij bemoeiden zich weinig met het overschot van den dooden generaal.
Waarom ook?
Die beenderen zouden niet hard wegloopen.
Charly Brand had van het oponthoud van den trein gebruik gemaakt om vlug den coupé te verlaten en naar zijn vriend om te kijken.
Hij liep voorzichtig naar den goederenwagen, waarin het lijk verborgen was en deed toen alsof iets van hem op den grond was gevallen, opdat hij onder den wagen zou kunnen zien.
Maar Raffles was nergens te ontdekken.
Hij was en bleef verdwenen.
Zielsbedroefd keerde Charly terug naar den waggon, die voor den grootvorst was gereserveerd en geheel gebroken viel hij neer op de kussens.
Toen het signaal tot vertrek gegeven werd, kroop Raffles weer te voorschijn en ging naar zijn oude plaats.
Nu kon hij den laatsten hinderpaal uit den weg ruimen.
Hij zaagde een ronde opening in de doodkist en daar stroomde als een gouden vloed de blinkende geldstukken in de leeren tasch.
Het was gelukkig, dat de trein zoo’n oorverdoovend geweld maakte en het geluid van de geldstukken geheel en al overstemde.
De leeren tasch kon den gouden last nauwelijks dragen.
Raffles moest dit eerste deel van den buit in veiligheid brengen voordat hij meer haalde.
Hij bond den wollen doek zóó vast dat het uitstroomende goud er door werd opgevangen en klauterde toen terug naar den grootvorstelijken coupé.
Charly Brand kon van vreugde niet spreken, toen hij zijn vriend door het venster zag binnenklimmen. Hij viel hem om den hals en uitte zijn blijdschap op onstuimige wijze.
„Laat dat, Charly! Daarvoor is nu geen tijd,” lachte Raffles. „Breng het goud zoo spoedig mogelijk in veiligheid. Berg het in onze koffers. Ik moet terug om een nieuwen voorraad te halen.”
„Wat! Wil je dien dollen tocht nog eens wagen?”
„Ik moet. Want tegelijkertijd wil ik de sporen van den diefstal doen verdwijnen.”
„Je schiet er nog eens het leven bij in.”
„Geen nood, Charly! Geef me maar wat houtlijm.”
Charly deed het.
„We moeten een beetje haast maken. Als men uit Irkoutsk telegrafeert, moet jij zoo gauw mogelijk den trein kunnen verlaten.”
„Wat? Ik alleen?”
„Ja.”
„En waarom? Waarom gaan we niet samen?”
„Omdat dat waarschijnlijk niet kan.”
Raffles klom weer terug naar de doodkist, roofde wederom een grooten voorraad goudstukken en lijmde toen het uitgezaagde gedeelte weer in het hout.
Daarna ging hij weer naar Charly Brand.
„’t Is hoog tijd, Charly, de trein stopt spoedig aan het station Kursan. Daar stappen we uit, ik verkleed mij vlug en rijd verder mee als een Engelsche aristocraat. Jij gaat met de koffers naar Irkoutsk terug en logeert dan als Mr. Brand in Hotel de Londres.”
„Moet ik naar Irkoutsk terug?”
„Ja.”
„Wat moet ik daar doen?”
„Dat heb ik je toch al gezegd, je moet als Mr. Brand in Hotel des Londres logeeren.”
„Ja, maar waarom dat?”
„Omdat dat tot mijn plan behoort.”
„Altijd die duivelsche plannen van jou, Edward.”
„Zonder plannen komt men tot niets, Charly!”
De trein floot.
„Gauw, Charly, ga je verkleeden”.